Recensie: Breekbaar van Het Zuidelijk Toneel

Toen Matthijs Rümke vorig seizoen artistiek leider werd van Het Zuidelijk Toneel presenteerde hij een ambitieus plan. Het Eindhovense gezelschap zou voornamelijk nieuwe Nederlandse toneelteksten gaan presenteren. Maar de eerste twee voorstellingen die Rümke regisseerde –Tirannie van de Tijd en Walhalla– bleken stevige mislukkingen, waarbij vooral de kwaliteit van de stukken tegenviel.

Helaas brengt Breekbaar geen kentering in deze neerwaardse trend. Het nieuwe toneelstuk van Frans Strijards moest een tragikomische satire over het theatervak worden, maar blijkt een quasi-filosofisch samenraapsel met een bittere ondertoon.

Het verhaal gaat over uitgerangeerde theaterdiva Magda (Ria Eimers) die een cursus geeft aan vier acteurs van een jongere generatie. In de loop van het stuk werken ze aan musicalnummer met zang en dans, hebben ze conflicten, en debiteert Magda clichés over theater als vrijplaats en als “onvoorwaardelijke voorkeurstem op het leven.” De studenten worden onstellend oppervlakkig neergezet. De een is een soap-sterretje, een ander danseres in een louche club, een derde komt van de afdeling damesmode. Ze zijn alleen maar op zoek naar roem en geld.

Het uitgangspunt zou misschien nog kunnen werken als over-the-top persiflage op Idols, maar het cynisme in de tekst geeft geen ruimte voor de relativering die daarbij nodig is. Bovendien is het moeilijk om het personage Magda los te zien van Strijards’ eigen positie in het theaterveld: vroeger bejubeld schrijver en regisseur, maar nu verworden tot toneeldinosaurus.

Regisseur Rümke heeft duidelijk geen vat gekregen op dit magere vehikel. Het voornaamste decorstuk is een grote show-trap die de cursisten gebruiken voor hun presentaties. Achterop het podium staat een grote carnavalswagen. Tegen het einde laat Rümke een enorme hoeveelheid achterdoeken -een bos, een balzaal, een schilderij, glimmende lappen, enzovoort- achter elkaar naar beneden zakken en weer opstijgen. Is het een parodie op de platheid en technische krachtpatserij in moderne musicals? Of typeert het de krachteloosheid van deze regie zelf?

Ook de spelers lijken verdwaald. Ria Eimers is eerder een excentrieke maar lieve tante dan een bitchy diva, en de vier jongere cursisten (Nanette Edens, Trudi Klever, Jorrit Ruijs en Heike Wisse) worstelen met hun danspasjes en met hun lelijke kostuums. Bert Luppes als de zakelijk leider van Magda is de enige op het toneel die het nog een beetje naar z’n zin lijkt te hebben. Hij heeft dan ook de paar sterke one-liners die het stuk wel biedt

Binnen en buiten het theaterveld klinkt tegenwoordig vaak de mening dat er meer Nederlands toneelrepertoire zou moeten zijn. Ongewild vormen de voorstellingen van Het Zuidelijk Toneel goede argumenten tégen die stelling.

Theater Breekbaar van Het Zuidelijk Toneel. Tekst: Frans Strijards, regie Matthijs Rümke. Gezien 13/10/06, Schouwburg Eindhoven. In Amsterdam (Stadsschouwburg) 19/11. Tournee t/m 12/1/07. Meer informatie op www.hzt.nl

8 Comments »

  1. Las gisteren je recensie van Breekbaar en was verbaasd over de harde toon. Het kan toch niet zo zijn dat je na een jaar recenseren al zo cynisch bent geworden? Het riep bij mij vooral vragen op: Mag je met een paar woorden, in een recensie, de kwaliteit van een heel gezelschap in twijfel te trekken? Waarom niet zo schrijven dat het publiek zelf nog kan beslissen of het gaat kijken of niet? Waarom Strijards beledigen?

    Laten we hierover in dialoog gaan, over wat recensies zouden moeten doen. Ik ben namelijk echt van streek over wat ik zoal lees de laatste tijd, in Volkskrant, NRC… Hein J ging veel te ver door het nut van het hele gezelschap im frage te stellen, dat kan toch niet? Wilfred Takken voert een kruistocht tegen Olivier Provily omdat hij niet begrijpt wat die maakt, dat kan toch niet? Het publiek heeft het al moeilijk genoeg met kiezen, met het lezen vanvoorstellingen, het theater krijgt al vaak genoeg te horen dat het niet belangrijk genoeg is, nu, ik geloof er heilig in dat de kritiek daarin een cruciale rol speelt en ik denk dat critici nu teveel doen als ze \’maar\’ een toeschouwer zijn. Ik vind dat de kritiek op dit moment vooral kloven graaft, waar ze bruggen zou moeten bouwen. Begrijp me goed, dit gaat uiteraard niet over mijn recensies vs de jouwe (hoewel ik wel benieuwd ben naar wat jij vindt van mijn schrijfsels, want daar zeg je eigenlijk nooit iets over…), het gaat er ook niet om dat ik vind dat alles Lucifer-degelijkheid zou moeten hebben. Jouw recensie is nu vooral aanleiding om naar je visie te vragen. Ik denk dat het goed is dat er onder critici een inhoudelijke discussie op gang komt, over de kritiek en over ons theater. Een discussie die los staat van de personages.

    Comment by Daphne Richter — 23/10/2006 @ 13:10
  2. Je stelt me aan paar kritische vragen en daar ben ik blij mee. Ik zal proberen antwoord te geven, en ik hoop dat daaruit iets naarboven komt van wat jij bedoelt met visie. Het zal te weinig over voorstellingen gaan en te veel over abstracties.

    Wat me tegenstaat in je tegenwerping is het onuitgesproken idee dat het toneel in Nederland iets ongelooflijk kwetsbaars is, en dat theatermakers zielige zeehondjes zijn, die gered moeten worden van de gemene mannen met knuppels. Ik geloof dat niet. Ik vind Nederlands toneel soeverein, divers en opwindend en zag het afgelopen seizoen meer maatschappelijk geëngageerd theater dan ooit daarvoor (meer daarover in het aankomende Theaterjaarboek). Er zijn natuurlijk problemen -een imagoprobleem, een vraag- en aanbodprobleem, een wat sterke neiging tot introspectie-, maar geen enkele reden voor apocalyptische visioenen. Een slechte recensie is dan ook wat mij betreft absoluut geen aanval op Het Systeem, maar slechts het verslag van een avond slecht toneel.

    En slecht toneel was het, die avond in Eindhoven. Als algemene richtlijn ben ik het wel met je eens: als recensent kun je mensen altijd wel een ingang geven om toch naar een voorstelling gaan kijken, ook al vond je het zelf niet geweldig. Bij ‘Hemel over Berlijn’ heb ik dat geprobeerd. Daartegenover staan echter voorstellingen -een paar per jaar – die ik mensen oprecht wil afraden en ‘Breekbaar’ is er zo een, om de redenen die ik in mijn recensie heb geschreven.

    Daar komt bij dat ‘Breekbaar’ onderdeel is van een groter geheel, namelijk het ambitieuze plan van Matthijs Rümke bij Het Zuidelijk Toneel om nieuw repertoire voor de grote zaal te brengen. Dat was een spannend plan, en ik was aanvankelijk erg nieuwsgierig naar de verwezenlijking ervan. ‘Tirannie van de tijd’ vond ik niet goed, maar ach, dacht ik, zo’n eerste voorstelling van een nieuw gezelschap kan bijna niet slagen; niets aan de hand. Walhalla vond ik helemaal prut en daar ben ik even erg streng voor geweest op Moose; volgens mij ligt het probleem bij die nieuwe teksten. ‘Breekbaar’ is dan de derde voorstelling binnen dat plan en de derde voorstelling die mislukt is. Dan is dat plan gewoon niet goed.

    En als ik dat vind als criticus, dan moet ik dat opschrijven. Want -en dit vind ik zo belangrijk dat ik bijna hoofdletters wil gaan typen- niemand anders doet dat! Hooggeëerde jeugdtheatermaker Matthijs Rümke heeft en plein publiek een groots plan gepresenteerd, maar na kritische evaluatie blijken het holle pretenties. Dat moet gezegd worden. Idem voor Hein Jansen: er is om bestuurlijk-organisatorische redenen een groot gezelschap in Einhoven, maar wat moet je daarmee als de artistiek-inhoudelijke relevantie die Rijnders, Van Hove en Simons daaraan gaven afkalft? Dat is een legitieme en belangrijke vraag. Critici zijn een deel van het geheugen van het theater en juist wij zijn degenen die makers moeten houden aan hun lang geleden gedane beloftes en die schijnbaar vaste waarden ter discussie moeten stellen. Angst voor verandering van de status quo is geen goede eigenschap voor een journalist.

    Voor de duidelijkheid: het gaat er niet om dat HZT zou moeten verdwijnen, of dat de subsidie moet worden stopgezet, of dat Rümke een waardeloze regisseur is en weg moet. Want met alledrie die stellingen ben ik het niet eens. Het gaat erom dat critici een rol hebben bij het bewaken van het veld. Dat daarbij de conclusie is dat Matthijs Rümke nu een probleem heeft is misschien hard, maar wel reëel. En niet cynisch!

    Als je schrijft dat de kritiek “vooral kloven graaft, waar ze bruggen zou moeten bouwen”, dan heb ik toch meteen het idee dat je bedoelt dat een bezoeker die die kritiek leest een voorstelling hoger waardeert dan iemand die die kritiek niet leest. Ik vind niet dat het noodzakelijk zou moeten zijn om van tevoren een kritiek te lezen om de voorstelling te waarderen. En zelfs als bepaalde informatie essentieel is om de voorstelling überhaupt te waarderen dan is het toch in de eerste plaats de taak van de publiciteitsmedewerkers en de dramaturg van de voorstelling om die te verstrekken.

    Maar uiteindelijk komt het erop neer dat ik geloof in het romantische idee dat een goede voorstelling geen uitleg nodig heeft. Niet omdat die zo dumbed-down is dat iedereen hem kan begrijpen, maar omdat de overtuigingskracht van binnen zit en niet in de programmaboekjes, interviews met de makers en recensies eromheen. Bij zo’n voorstelling helpt die uitleg om het genoegen en begrip te verdiepen of uit te breiden, maar het is niet noodzakelijk. (Ik moet nu als voorbeeld denken aan ‘Smekelingen’ van de Veenfabriek; complexe en gelaagde voorstelling die vrijwel geheel overtuigde, maar die ik pas begon te begrijpen toen ik er achteraf meer over las.)

    Ik zie het als mijn eerste taak om het publiek te melden of het zo’n voorstelling is en zo niet, waarom niet. Dat kan ik doen door proberen uit te leggen wat de makers hebben gepoogd, of de voorstelling te ontbinden in factoren, en soms door te concluderen dat in de vele keuzes die de lezer moet maken deze voorstelling geen rol hoeft te spelen.

    Ik heb informeel (lees: in de kroeg) wel eens geopperd dat er vier soorten critici zijn: leraren, rechters, reisleiders en dramaturgen. Jij bent misschien meer een leraar, die het publiek wil opvoeden om het moeilijke theater te begrijpen; ik zie mezelf meer als reisleider die het publiek meeneemt langs de interessante plekken in theaterland. Jij hebt een hekel aan rechters die alleen op basis van wat ze aangereikt krijgen een oordeel vellen over een voorstelling. Klopt dit een beetje?

    Nog wat vragen voor jou:
    Geloof jij in een diploma kunstkritiek?
    Je geeft een aantal voorbeelden van dingen die jij niet vindt kunnen; kan je die veralgemeniseren?
    Wat is nou precies het gevaar voor het theater van die kloven gravende critici?

    Lijkt dit een beetje op een inhoudelijke discussie? Zo ja: hoera, we zijn begonnen!

    Comment by simber — 23/10/2006 @ 15:26
  3. Ha Simon,

    Mooi, de discussie is er.

    Breekbaar heb ik nog niet gezien, dus daar kan ik me niet over uitspreken. Ik ga nog wel, maar ik vraag me af of lezers van het Parool (en van de Volkskrant) dat nog zullen doen. Ik vrees eigenlijk van niet. Daarmee wil ik niet suggereren dat het onze taak is publiek de zaal in dan wel uit te schrijven, al heeft ons werk natuurlijk wel degelijk invloed op publiekscijfers. Veel meer gaat het er toch om dat we reflecteren op een kunstvorm, niet op het één of andere product. Theater is iets onmeetbaars, het is (om een modewoord te gebruiken) fluïde, de betekenis komt tot stand in de –persoonlijke en gedeelde- ervaring en mede door de reflectie en daarmee is het wel degelijk kwetsbaar. Recensies en kritieken worden bovendien gebruikt om in breder verband te spreken over de ‘kwaliteit’ en zelfs daar waar politieke beslissingen moeten worden genomen over subsidietoekenning. Recensies en kritieken worden gebruikt door onderzoekers, om op de ontwikkeling van het theater op de langere termijn te beschouwen. Het zou niet goed zijn, om vanuit al die gedachten te schrijven. Maar het kan ook niet zo zijn dat je je er niet van bewust bent, of dat je die wetenschap ‘misbruikt’ om politieke uitspraken te doen over de lijn, de ontwikkeling van een heel gezelschap. Noem me dan maar een leraar (al vind dat onzin, mijn broertje studeert aan de Pabo, die wordt leraar), voor mij zijn dit vanzelfsprekende zaken die bij het vak van criticus horen.

    Wat Breekbaar betreft, als je dat echt zo slecht vindt, schrijf dan op waarom en ga daartoe in op de voorstelling, op de regie, op de tekst. Waarom iets zeggen over de esthetiek van de kostuums (want dat is puur een kwestie van smaak, eerder zou ik dan willen weten wat voor kostuums dat dan zijn, waar staan ze voor, wat zeggen ze over de personages? Je spreekt hier niet over een amateurvereniging die iets uit de verkleedkist heeft gerukt of wel? Hier zijn toch professionele mensen aan het werk? Die kostuums staan ergens voor, of je ze nu lelijk vindt of niet).
    En nog iets, welke gedachte is het, dat een criticus zich rechtstreeks tot een maker zou moeten richten met de mededeling dat die een probleem heeft omdat zijn voorstellingen slecht zouden zijn? Ik begrijp dat oprecht niet. Ik kan me voorstellen dat je, als je dat vindt, een artikel schrijft waarin je die voorstellingen analyseert. Dan zou het moeten gaan over de inhoud, over de tekst, de regie, de dramaturgie, om jouw visie daarop, dan moet je met argumenten komen. Of theater goed dan wel slecht is, daar doet een criticus mijns inziens helemaal geen uitspraken over. Hij heeft er een oordeel over, maar dat is niet heilig, de lezer moet terug kunnen vinden waar dat oordeel op is gebaseerd. Daarbij denk ik: het theater en de theatermakers bepalen de maat van de dingen, wij reflecteren daar slechts op en kunnen, gebaseerd op kennis en ervaring, kanttekeningen plaatsen, vragen stellen, feedback geven, meer niet. Wij moeten onze plaats kennen.

    Een criticus is geen gewone toeschouwer.

    Over jouw analyse van de soorten critici. Dat is een empirische analyse. Empirische analyses beschrijven verschijnselen, geen bronnen of causaliteiten. Als jij zegt jezelf graag te zien als reisleider in het theaterlandschap, een mooie term overigens, dan zou ik willen weten wat jij rekent tot het takenpakket van een reisleider. Een zoekende reiziger wegwijs maken kan immers op vele manieren. Je kunt iemand een plattegrond aanreiken en wat hoogtepunten aanwijzen, maar je kunt ook een pleidooi houden voor een bepaalde bezienswaardigheid of iemand ernstig afraden zich naar die en die wijk te begeven. Je kunt er donder op zeggen dat het gros van de toeristen jouw aanwijzingen opvolgt, zeker degenen die de locatie niet of niet goed kennen. Als toerist in een onbekend oord heb ik het liefst een reisleider die mij voorziet van die informatie die ik nodig heb om daarna zelf op ontdekkingsreis te kunnen gaan. Er moet dus iets te exploreren zijn; met de juiste dosering informatie wordt mijn reis waarschijnlijk interessanter en de ervaring dieper. En ook niet onbelangrijk: een woestijn heeft iets anders te beiden dan een wereldstad. Als je dacht naar Tokio te reizen en je belandt in Appelscha, dan kan dat flink tegenvallen. Maar wie toe was aan rust en dat ook zoekt, zal het daar heerlijk hebben.

    Nu we toch in metaforen spreken (nog eentje dan), ik zie het theater niet, zoals je suggereert, als een zeehondje dat moet worden gered omdat het met de knuppeldood wordt bedreigd. Maar ik zei al eerder, ik vind wel dat het theater kwetsbaar is. De kunsten zou je kunnen vergelijken met oerbossen: je kunt er op ontdekkingstocht, maar het is ook een zuurstofvoorziening. Het knuppelen van zeehondjes is zielig (zelfs bontliefhebbers vinden dat), maar het uitsterven van de oerbossen betekent uiteindelijk de verstikkingsdood voor allen. Theater zal er altijd zijn, laten we hopen de oerbossen ook, maar vanzelfsprekend is het natuurlijk nooit helemaal. Alleen al omdat het gesubsidieerde theater een relatief ‘moeilijke’ kunstvorm is. Het is er in vele soorten en maten, gelukkig, maar het ligt altijd onder vuur omdat het niet bevolkingsbreed wordt gedragen, omdat niet iedereen het gesubsidieerde theater als onvoorwaardelijk en vanzelfsprekend beschouwt. Alleen al omdat het geld kost en we dat bevolkingsbreed moeten ophoesten. Je hoort nooit iemand spreken over de noodzaak van films, al zijn die in ons land evengoed afhankelijk van subsidie. Over de noodzaak van het theater gaat het steeds weer opnieuw, die moet keer op keer worden verdedigd. En opnieuw, de kritiek speelt daarin een niet te onderschatten rol.

    Dan nog even over mijn ‘dat kan toch niet-en’. Ik zal het toelichten. Elke theatrale verschijningsvorm vraagt om een eigen benadering (let wel, ik spreek nu niet uit hoofde van de ‘gewone toeschouwer’, voor wie elke voorstelling voor zich moet spreken). Sommige vormen zijn gecanonniseerd en kunnen bogen op een lange traditie. De mime bijvoorbeeld is een vrij jonge discipline, zonder lange traditie. Van jou las ik eens op Moose dat je het bijvoorbeeld moeilijk vindt te schrijven over de theatertaal van Boukje Schweigman. Daartoe zijn de begrippen die we tot onze beschikking hebben blijkbaar nog niet toereikend. Het is dan onder meer aan de criticus om daar een taal voor te ontwikkelen. Dat kan hij of zij doen, omdat er kennis van en ervaring met de theatertraditie zou moeten zijn en ik denk ook een relatie met bijvoorbeeld de theaterwetenschap, waarvanuit steeds weer wordt getracht om de rijke theatrale vormen te beschrijven, te duiden en in de context van de geschiedenis te plaatsen. Je vroeg of ik geloof in een diploma kritiek. Nou, ik geloof wel in een goede vooropleiding en in kennis van de geschiedenis en de theorie van het theater. Niet om het theater te kunnen begrijpen uiteraard, maar wel om wat je ziet in context te kunnen beschouwen en daarin zelf ook een plek te kunnen geven. Want als we dat nalaten, theater te contextualiseren, dan bestaat een voorstelling slechts zo lang hij duurt. Postdramatisches theater van Hans-Thies Lehmann is inmiddels een standaardwerk geworden (een van de zeldzame nieuwere werken, al is het ook alweer 7 jaar oud) waarvan ik denk dat elke criticus daar iets aan heeft (het is er nu ook in Engels). Het helpt de ontwikkelingen in het hedendaagse Westeuropese theater in een breder verband te kunnen plaatsen. En ook, omdat het nieuwe begrippen en beschrijvingen aanrijkt. Beschouw het als een reisgids. Nu opnieuw zeg ik: de criticus is geen gewone toeschouwer, hij is degene die dit soort werk moet doen. Jouw romantische ideaal van het kunstwerk dat voor zichzelf moet spreken kan dan dus gerust overeind blijven. Maar één kanttekening daarbij: we waren immers beiden onder de indruk van Mortier en diens toespraak bij 10-jarig bestaan van TM? Hij sprak daar over de dreiging van de teloorgang van kennis, van algemene kennis maar ook vooral van kennis over en ervaring met het theater. Voelde je je toen niet aangesproken? Mortier sprak de makers in de zaal aan, maar hij wist natuurlijk donders goed dat hij sprak op het feestje van een theatervakblad. Denk je niet dat critici daar ook een belangrijke rol in kunnen spelen?

    Nog even over de recensie. Jij zei dat een slechte recensie geen aanval is op het theater in het algemeen, maar slechts een verslag van een avond slecht toneel. Ik denk dat we onderscheid moeten maken tussen recensies waarin negatieve kritiek wordt geuit, en recensies die zelf slecht zijn. Er zijn verschillende opvattingen over wat een recensie moet zijn. Ik zie op dit moment vooral veel van hetzelfde in de dagbladkritiek. Beschrijvingen, meningen en toelichtingen bij persoonlijke smaak, weinig poging tot duiding en/of plaatsing in een bredere context. Wat ik ook zie, en dat is misschien wat de critici doen die jij aanduidt als ‘rechters’, is het vellen van harde oordelen op basis van vooringenomen stellingen. Dit laatste beschouw ik als een slechte recensie, omdat het in niets te maken heeft met een poging te duiden wat er te zien is geweest maar slechts met het veroordelen van een maker of een stijl omdat het niet voldoet aan de persoonlijke smaak van de criticus of aan ideëen over wat theater zou moeten zijn. Dit laatste is bijvoorbeeld het geval in het voorbeeld dat ik beschreef van de criticus die de vloer aan veegt met het werk van Olivier Provily, omdat het niet voldoet aan zijn visie op wat theater zou moeten zijn (en hij noemt dan met name: het moet meeslepend zijn). Hieruit kun je vooral concluderen dat hij niet houdt van minimalisme (zoals hij het noemt). Voor mij (omdat ik dat werk wel kan waarderen) is dat vergelijkbaar met een reisgids die zegt: jij hoeft niet naar dat eiland, want ik houd niet van strand en zee en meer valt daar toch niet te beleven. Kijk, als hij al zou zeggen: je hoeft niet naar dat tropische eiland, want behalve wat zilverwit strand met palmbomen en koraalrif valt er weinig te beleven. Dan kun je in elk geval nog bepalen of je daar zelf wel van houdt. Ik vraag me dus af wie zo’n oordeel is gebaat. Het theater in elk geval niet en de zoekende lezer, die misschien nog niet weet wie Provily is, ook niet want die wordt bij voorbaat een eventuele kennismaking al afgeraden. Je moet wel heel avontuurlijk zijn ingesteld, in een theaterveld dat zo groot, divers, rijk in aanbod en daarmee voor een gemiddelde theaterbezoeker behoorlijk ondoorzichtig is, om naar een voorstelling te gaan die je zonder omhaal wordt afgeraden door iemand met verstand van zaken. Maar behalve dat de bezoeker niet wordt uitgedaagd het zelf te gaan bekijken, denk ik dat het eerlijker is om het werk van Provily te omarmen als een van de vele theatrale uitdrukkingsvormen en te trachten te beschrijven wat het dan wel is. En anders is het misschien beter gewoon weg te blijven.

    Nu zijn er natuurlijk nog steeds wel mensen die het prettig vinden om af te gaan op het oordeel van zo’n ‘rechter’, omdat ze de persoon zo langzamerhand hebben leren kennen, weten waar die van houdt en waarom. Dat is dan prima, ik neem aan dat het appelleert aan een gevoel van veiligheid en vooral geschikt is voor mensen die liever afgaan op de mening van anderen. Maar ik denk dat het in deze tijd niet lang meer stand kan houden om slechts ‘rechter’ te zijn. Steeds meer mensen ontdekken –op internet- het plezier van het opschrijven van hun eigen mening en zijn daar vaak ook heel goed in. De kritiek zal zich daarom moeten herbezinnen op zijn eigen rol en functie en ik denk dat ze zich duidelijker zal moeten gaan onderscheiden, op basis van inhoud en kwaliteit.

    Hoe moet het dan verder met de recensie? Ik denk dat het een van de grootste misvattingen is, dat theater nieuws zou zijn en als zodanig moet worden behandeld. Alleen het feit dat er een premiere is, is nieuws. Daarom denk ik dat we de theaterkritiek van binnenuit moeten hervormen. Onder de kopjes ‘nieuws’ komen aankondigingen, persberichten. Recensies moeten pas verschijnen na enkele dagen. En na nog wat dagen ook vooral meer uitgebreide kritieken, waarin je dieper op het werk in kunt gaan, lange lijnen kunt trekken, crossbewegingen kan maken.

    Dan nog tot slot: we kunnen dit soort discussies alleen maar voeren aan de hand van wat we schrijven. Want daaruit blijkt waar we voor staan en wat we vinden dat kritiek is. Ik denk dat kritiek-op-kritiek een van de manieren om dat te doen. Daarvoor heb je denkende mensen nodig, dat kan je niet aan het internet overlaten. Critici moeten toch elkaar evalueren, niemand anders doet het, het is toch een vak, een beroep, met verantwoordelijkheden? Critici schieten al snel in de verdediging, begrijpelijk want het is ook heel moeilijk. Ik ben bij teruglezen soms ontevreden, maar dat is dan leerzaam en we heb anderen toch altijd nodig om beter te kunnen worden of ons werk te kunnen verdiepen? Niets van wat ik hier zeg heb ik helemaal zelf bedacht. Ik vraag soms om hulp, ik laat iets lezen, soms aan collega’s met veel ervaring, maar ook juist aan ‘gewone’ toeschouwers. En ik vind het ook van belang om wel af en toe met makers te praten, ik stuur ook wel eens uit eigen beweging iets op aan makers en dat heeft al vaker tot heel interessante gesprekken en ontmoetingen geleid waar ik weer veel van heb geleerd en geinspireerd door ben geraakt. Dat moet niet direct na een première waar je nog over moet schrijven, dan kan in andere situaties, waar rust en ruimte is, waar geen druk heerst om eea zo snel mogelijk op papier te krijgen.

    De criticus moet de tijd krijgen en nemen om zijn werk te kunnen doen, om na te denken, om te lezen, om erover te praten, om het te laten bezinken, en misschien zelfs om nog een keer te gaan kijken. Daar wordt het werk beter van en nog leuker. ‘Een criticus is ook maar een mens’, schreef Marian Buijs bij wijze van statement. Een criticus is een mens, zou ik liever zeggen.

    Comment by Daphne Richter — 25/10/2006 @ 22:24
  4. Ik heb even op me laten wachten, maar onze discussie heeft toch steeds voor in mijn gedachten gezeten. In de loop van de weken heb ik wel een duidelijk beeld gekregen van waar onze ideeën van elkaar verschillen. Ik denk dat we op een diepliggend uit elkaar gaan, en volgens mij is er geen synthese mogelijk. Dit is overigens helemaal niet erg, we moeten deze discussie denk ik niet instrumenteel zien. We moeten er volgens mij geen ander doel mee hebben dan om onze standpunten zo helder mogelijk te verwoorden.

    Waar ik het fundamenteel (om een zwaar woord te gebruiken) mee oneens ben is jouw idee dat critici verantwoordelijkheid hebben voor Het Theater. Ik kan het zelf niet beter uitdrukken dan de (Engelse) Financial Times-recensent Ian Shuttleworth:

    “One of the most pervasive misconceptions among theatre practitioners is that we reviewers owe a duty to theatre to be “supportive� or “constructive�, or some other term which in practice means only voicing criticisms that those practitioners are prepared to listen to. (…) I despair, frankly, of practitioners ever understanding the simple fact that we are not active in the same area as them. They are active in theatre; we are active in journalism. Theatre may be – almost without exception, it is – a fierce passion for us, but it isn’t where we work. We may be theatrical types and/or critics by vocation, but by profession we are journalists.�

    Natuurlijk is theaterrecensent een verantwoordelijk beroep: wij moeten ons houden aan journalistieke beginselen, er moet geen onzin in onze stukken staan, we moeten onafhankelijk zijn, we moeten in onze stukken discriminatie voorkomen, en speciaal voor recensenten, we moeten eerlijk zijn. Kortom: ik ben verantwoording schuldig aan mijn lezers.

    Nu moet ik eerlijk zeggen dat ik eigenlijk een heel slecht idee heb wie de lezers van mijn stukken zijn, en dat is soms frustrerend. Maar ik heb wel een beeld: het zijn mensen die een krant lezen, en dus –neem ik aan- een behoorlijke interesse hebben in de wereld om zich heen. Daarnaast lezen ze theaterrecensies, dus ik neem aan dat theater hen interesseert; ik denk zelfs dat ze redelijk veel naar het theater gaan, zo’n 2 tot 4 keer per seizoen. Ik zie het als mijn taak om die mensen een beeld te geven van wat er in het theater gebeurt; per voorstelling door te beschrijven en te oordelen of het de moeite waard is om naartoe te gaan, en door alle stukjes heen door af en toe dingen aan te stippen die spelen in theaterland.

    Ik kijk ook een beetje naar mezelf: mijn ideale lezer gebruikt mijn recensies zoals ik popconcerten en Nederlandse literatuur volg via de recensies van anderen. Ik lees die met enige regelmaat, soms zet dat mij aan tot aanschaf of bezoek, maar ik gebruik ze vooral om op de hoogte te blijven. Ik ben ook absoluut niet avontuurlijk in mijn Nederlandse literatuursmaak, ik zoek niet zelf naar spannende boekjes; dat avontuur zoek ik in andere dingen. Net zo denk ik dat de krantenlezer die uitstluitend mijn stukken gebruikt om op de hoogte te blijven van het theateraanbod zijn of haar avontuur elders zoekt en het theater aan mij uitbesteedt.

    Vanuit deze uitgangspunten kan ik een aantal punten die jij opwerpt beantwoorden (en soms terugwerpen).

    Als eerste een punt waarop ik het met je eens ben: recensenten moeten een taal ontwikkelen om over ongeziene dingen te schrijven. Toch is dit voor mij geen doel op zich. Om het heel plat te zeggen: als ik de volgende voorstelling van Boukje Schweigmann moet schrijven voor de krant zal ik toch die 400 woorden moeten vullen. Dat kan natuurlijk aan de hand van door de theaterwetenschap aangereikte terminologie, maar een recensent met een goede, licht literaire pen (ik denk bijvoorbeeld aan Jowi Schmitz) kan dat net zo goed. Als het maar helpt om die voorstelling goed te beschrijven en te beoordelen.

    In jouw bijdragen merk ik keer op keer dat jij vindt dat critici dingen moeten als “kanttekeningen plaatsen, vragen stellen, feedback geven�; de noodzaak van het theater verdedigen; de dreiging van de teloorgang van kennis keren; de bezoeker uitdagen de voorstelling zelf te gaan bekijken. Maar dat zijn toch stuk voor stuk taken die mensen in het theaterveld zelf, van dramaturgen of publiciteitsmedewerkers tot makers zelf al moeten uitvoeren? Hoe kan ik als journalist nu dezelfde taak hebben als een voorlichter?

    Over één van die dingen wil ik nog apart iets zeggen: je had het over Mortier en zijn inspirerende toespraak (ja dat vond ik zeker). Maar net het punt wat je noemde over de teloorgang van kennis is zwak. Ja, we moeten Faust kennen, zegt Mortier, maar hij zegt er niet bij waarom. Ik ben het van harte eens met Oscar Kocken, die in de afgelopen TM zei: “Als een kunstwerk alleen de moeite waard is wanneer het in zijn tijd wordt geplaatst, dan moet dat kunstwerk zichzelf maar in die tijd plaatsen.� Ik ben zelfs nog iets Darwinistischer in mijn cultuuropvatting: als mensen niet meer weten wat of wie Faust is, dan is de taak van Faust als mythe om de mensen iets over zichzelf te vertellen misschien wel volbracht en kan hij verdwijnen.

    Maar meer over die taken van de recensent. Jij zegt dat je van een reisleider vooral ingangen wilt krijgen om zelf op onderzoek uit te gaan. Leuk hoor, als je een maand hebt, denk ik dan. Ik zie mijn lezers meer als stedentrippers op een lang weekend in een wereldstad. Die willen helderheid en willen geen tijd verliezen met sjokken door verlaten wijken waar het heel leuk kan zijn als je van leegstaande jaren ’60 kantoren houdt.
    Oja, en zelfs als je van rust houdt zijn er veel betere plekken om dat te vinden dan Appelscha. Maar ik denk dat we deze metafoor nu wel tot het einde hebben uitgeknepen ;-)

    Je schrijft dat je betwijfeld of mensen nog naar Breekbaar gaan na het lezen van mijn recensie. Recensenten zijn opvallend vaak een beetje terughoudend op dit punt, dus laat ik nou eens eerlijk zijn: ik hoop met zo’n stukje dat ik mijn lezers ervan weerhoudt om naar die voorstelling te gaan. Ga naar Een schitterend gebrek, naar Closer desnoods, maar sla deze nou gewoon over. Ik heb al in mijn vorige reactie gezegd dat ik dat niet vaak heb, maar een paar voorstellingen per jaar zijn gewoon mislukt of heel slecht. Wat ik mis in jouw bijdragen is een reden waarom ik mensen die twee tot vier keer per jaar naar het toneel gaan toch naar zulke slechte voorstellingen moet sturen.

    Journalistiek is volgens mij bijna altijd een kwestie van de juiste vragen stellen. Als ik een voorstelling niet goed vind is de vraag: waarom vind ik dit niet goed. Daar kun je via verschillende manieren (vanuit de intenties van de makers kijken, je eigen smaak of opvattingen over theater tegen het licht houden, etc) een antwoord op formuleren en de lezer heeft daar wat aan, want die kan lezen waar mijn oordeel vandaan komt en dan beslissen of hij of zij zich er iets van aan trekt. Maar bij écht slechte voorstellingen zoals Breekbaar is die vraag niet meer zo interessant en vind ik het nuttiger om de vraag te stellen: waarom wordt zo’n slechte voorstelling gemaakt? Aan de hand daarvan kan ik iets vertellen over een aspect van het Nederlandse theater en daar heeft de lezer ook wat aan, zelfs al hoeft die de voorstelling niet meer te zien.

    Wat ik daarbij wèl lastig vind is dat zo’n recensie weer invloed heeft op de verwachtingen van van het publiek dat nog wel gaat. Als jij naar Breekbaar gaat zul je het ongetwijfeld erg mee vinden vallen, na alles wat je erover gehoord en gelezen hebt. Nog erger is het omgekeerde: mensen die na lyrische recensies met te hoge verwachtingen de zaal binnen komen en dan teleurgesteld worden.

    Dit hangt een beetje samen met wat je schreef over de invloed van het secundair gebruik van recensies in onderzoek en beleid. Ik heb daar niet zoveel moeite mee, op dat vlak ben ik één stem in het koor der critici. Als dat koor unisono positief of negatief is vindt ik het niet raar dat dat in de geschiedschrijving wordt opgenomen. Wat betreft beleid ben ik het eens met wat Peter Liefhebber zei in het interviewboekje Theaterkritiek in Nederland: “Als een meerderheid van de recensenten gedurende een langere periode negatief over een gezelschap schrijft, zou het vreemd zijn als dat niet zijn invloed heeft op subsidiënten. Wij zijn in enige mate toch ook de ogen van het publiek.�
    Voor de duidelijkheid: die invloed is dus niet het doel, maar het komt voort uit de journalistieke premisses van de recensent.

    Het is dus ook niet zo dat ik mij rechtstreeks tot de maker wendt om te zeggen dat hij of zij een probleem heeft. Het interesseert me eerlijk gezegd geen biet of Matthijs Rümke vindt dat hij een probleem heeft, ik wil het aan mijn lezers melden als een ontwikkeling in het theaterveld en de volgende keer dat ik in de zaal zit, zit ik weer even oprecht als bij de aanvang van Breekbaar te hopen dat het een mooie voorstelling wordt.

    En nogmaals: de kranterecensie is de enige plek in de openbare ruimte om het theater te evalueren. Er is geen andere plek waar reputaties kunnen worden opgebouwd, bestaansrechten ter discussie kunnen worden gesteld en waar als het nodig is geroepen kan worden dat de keizer geen kleren aan heeft. Iedere poging om die plek op andere dan journalistieke gronden in te dammen of te omheinen leidt tot ivoren toren-gedrag, het ontlopen van verantwoordelijkheid en tot in zichzelf gekeerdheid. En dat lijkt me het grootste gevaar dat het gesubsidieerde theater kan lopen.

    Tenslotte: je schrijft dat het een misvatting is dat theater nieuws is. Ik vind dat onbegrijpelijk. Ik vind als theaterliefhebber en als recensent dat theater een wezenlijk onderdeel is van onze maatschappij, net als zorg, onderwijs en milieu. Daarom hoort het vanzelfsprekend thuis in de krant, naast al het nieuws over die andere sectoren. Daarom moet iedere voorstelling van enig belang zo snel mogelijk besproken worden, als instant reflectie op een vitale cultuur.

    Misschien is dit een aardige afsluiting van deze episode in de discussie. Volgens mij zijn onze twee richtingen duidelijk: jij kiest voor een meer dramaturgische aanpak, waarvan ik me afvraag in hoeverre het krantenlezend publiek daar iets aan heeft, ik heb een journalistieke insteek, waavan jij bang bent dat die het theater schaadt.

    We zijn het over één ding eens: recensenten moeten elkaar blijven lezen en elkaar blijven evalueren, en we moeten daar zeker ook lezers en makers bij betrekken. Nogmaals, we hoeven niet per se te streven naar overeenstemming, zolang we maar blijven luisteren.
    Ik ben het met genoegen met je oneens!
    Hartelijke groet,

    Simon

    Comment by simber — 14/11/2006 @ 18:47
  5. Ha Simon,

    Toch nog een reactie, want voor mijn gevoel zijn we nog lang niet uitgepraat. Juist wanneer we constateren dat we fundamenteel van mening verschillen, lijkt het me zinvol om tot de kern van de zaken te komen. Ik heb niet het idee dat we daar al zijn beland. Lang dacht ik ook, dat het in wezen ging om een verschil in opvatting tussen een dramaturgische en een journalistieke aanpak. Maar onlangs realiseerde ik me dat het in deze discussie gaat over ‘kritisch zijn’, en hoe je dat doet. Afgelopen zaterdag las ik een artikel in het NRC van Marc Chavalles over het gebrek aan kritische journalistiek (in Nederland). Daar kon ik me erg in vinden. Het gaat erom, dat journalistiek vooral is verworden tot ‘verslag doen’. Het punt is, dat we het over de inhoud moeten hebben. En wat ons vak betreft, is dat de theatrale voorstelling en op welke gronden we die beschouwen, beschrijven en beoordelen. Jij gaat daar niet op in. Je hebt het over dat we ons te houden hebben aan journalistieke principes en noemt een paar voorwaarden, maar wat betekent dat voor hoe je je verhoudt tot vorm en inhoud? Vind jij dan, dat je als criticus ‘alles mag schrijven, zolang het maar lekker leest’, zoals ik ooit leerde in een cursus recenseren (van een vooraanstaand kunstjournalist overigens)? Je zegt dat critici geen verantwoordelijkheid hebben voor het theater en illustreert dat met een citaat waarin wordt gezegd dat journalistiek nu eenmaal iets anders is dan werken voor het theater. Wat mij betreft gaat het over die vorm van verantwoordelijkheid die ieder mens zou kunnen voelen. In dit verband verwijs ik graag naar een mooi artikel van Hana Bobkova (als ik het goed herinner de openingsrede van het Vlaamse Theaterfestival in 1991) over de verantwoordelijkheid van de criticus, voor theater als een kunstvorm die wortelt in onze maatschappij en ons allen aangaat. Het gaat over een houding, over een mentaliteit.

    Jij zegt: een van de journalistieke principes is dat we eerlijk moeten zijn en verantwoording afleggen aan de lezer. Natuurlijk moeten we eerlijk zijn. Dat wil zeggen: geen leugens vertellen. Maar wat betekent dat? Dat we niet mogen zeggen dat iets heel mooi en goed is, als het dat niet is? Hoe verantwoord je eerlijkheid? Door ‘gewoon’ te zeggen wat je vindt? Dat kan toch alleen, door je lezer te overtuigen met argumenten, gebaseerd op dat wat je hebt gezien en ervaren? Zodat die lezer kan begrijpen waarom je schrijft wat je schrijft? Het gaat er toch om, dat je je kennis en ervaring inzet om de lezer zo goed mogelijk te informeren over wat je hebt gezien en wat dat zou kunnen betekenen?

    Heel ernstig oneens ben ik het met jouw ‘Darwinistische cultuuropvatting’ en dat je in dat licht Oscar Kocken citeert zoals hij in TM Mortier aanvalt, vind ik jammer. In de eerste plaats denk ik dat hij de toespraak van Mortier slechts gebruikt om een punt te maken over zijn eigen (beperkte) visie op cultuureducatie. Je zou kunnen betogen dat Kocken gelijk heeft, dat het er niet om gaat ‘hoe’ je bewust wordt van ons cultureel erfgoed, maar dat het vooral van belang is ‘dat’ het gebeurt. Heel jammer vind ik, dat hij niet wenst te zien dat Mortier juist een van de leermeesters is die we zo hard nodig hebben om ons te insprireren, die goed kan vertellen, kennis heeft en die graag wil delen, juist graag wil begrijpen, zich open en geinteresseerd in opstelt (hij geeft les, toespraken, reist de wereld over om met mensen te praten over de rol van het theater, regisseert en doet dramaturgieen overal). Mortiers vraag, of het zinvol is om in deze tijd kennis te hebben van Faust, was oprecht, evenals zijn verbazing. Ik denk, dat Kocken (en jij?) zich wil verzetten tegen de idee dat ‘de massacultuur teloorgang van cultuur en kennis’ zou betekenen en dat het lezen van klassiekers ons zal behoeden voor verloedering. In die zin begrijp ik het argument, er zijn ook vele intellectuelen ‘van de oude stempel’ die vooral gevaar zien in oprukkende massacultuur en het feit dat we in deze tijd niet meer zonder meer kunnen oordelen over kwaliteit omdat het ons ontbreekt aan wetten en regels om ‘het kaf van het koren’ te scheiden. Zij vallen voor het gemak terug op noties als ‘goede smaak’ alsof dat is voorbehouden aan weldenkende uitverkorenen. Het is aan de jongere generatie om te laten zien dat populaire cultuur en kunnen putten uit rijke en diverse bronnen niet betekent dat jonge mensen niet meer nadenken, grotere verbanden uit het oog verliezen, geen visie hebben. Ik denk ook niet, dat dat zo is. Maar ik denk wel, dat het veel te simpel is om te stellen dat wat ‘overbodig’ is vanzelf verdwijnt. Alleen al, omdat het gaat over macht. Want wie bepaalt wat verdwijnt en wat belangrijk is? Ben jij voor een ‘survival of the naive’? Wie zijn dan diegenen die bepalen wat van belang is en wat niet? Zie je ook niet een gevaar? Want wie maakt de geschiedenis? Wie bepalen welke visies over ons mensen wel en niet van belang zijn voor zelfbegrip, contextualisering, om te zorgen dat we onszelf in het licht van ons complexe verleden blijven beschouwen? Zijn er niet ook vandaag nog vele kunstenaars die Faust opvoeren om iets te vertellen over onze menselijkheid en de perverterende krachten van de macht waar we zo gevoelig voor zijn? Ik bracht dit punt thuis naar voren en mijn vriend –geen theaterman- kwam direct met een boek aanzetten van een sociaalwetenschapper die het modernisme toelicht aan de hand van Faust. Zijn grote kunstenaars als Goethe niet juist de mensen die de wezenlijke problematiek van het mens-zijn ontleden binnen de structuren waarin we leven? Is het niet even onzinnig om te stellen dat Faust uitgewerkt is als jongeren het niet meer kennen, als stellen dat we de wereldoorlogen wel achter ons kunnen laten als een deel van de jeugd toch niet meer weet hoeveel mensen er toen zijn vermoord en waarom? Gaat het uiteindelijk er niet om, dat verdieping noodzakelijk is, op welke manier je dat ook bereikt? Ik vond zijn artikel vooral geschreeuw. Net zoals het onzinnig is om te veronderstellen dat slechts intellectuelen ons kunnen behoeden tegen verloedering met ‘goede smaak’, is het onzinnig om te roepen dat iedereen alleen maar zijn eigen smaak hoeft te volgen en dat ‘de tijd’ verder wel zal leren wat er overblijft. In beide gevallen gaat het over: wie bepaalt wat relevant is en waar we toegang toe hebben. Dat is een grote uitdaging van deze tijd, het is complexe materie die samenhangt met democratisering, mediatisering, internet, globalisering, economie, diversiteit in de samenleving… Als Mortier kunstenaars aanspreekt om zich tot deze problematiek te verhouden, daagt hij ze uit om na te denken over hun eigen verantwoordelijkheid: wat wil je vertellen en op welke manier kun je dat doen als niet iedereen kennis heeft van de (culturele) geschiedenis. Daar kun je het toch onmogelijk mee oneens zijn lijkt me.

    Afgelopen week zag ik Maria Stuart van Schiller in regie van Erik Vos, zeer rijk en gelaagd toneel over twee historische koninginnen, met een grote relevantie voor ons vandaag. Omdat het een drama is over mensen en macht en geensceneerd werd met oog voor historische en culturele geschiedenis. Juist daarom is het relevant. Precies daarom ook, vind ik het niet genoeg om over het theater te schrijven ‘met een licht literaire pen’. Nu pas begrijp ik, wat Tom Blokdijk bedoelde toen hij eens schreef dat hij ‘mooischrijverij’ verfoeit als het over theaterkritiek gaat. Natuurlijk is het zaak om beeldend te schrijven over het theater, dat het aangenaam is om te lezen en ook op papier enigszins tot leven komt voor hen die er niet bij waren maar wel op de hoogte willen blijven. Maar waar het werkelijk om gaat, is dat je reflecteert op wat makers over het voetlicht proberen te brengen met vorm en inhoud. Om te kunnen schrijven over ‘wat het is’ en waar het precies over gaat, moet je een taal ontwikkelen die in het verlengde ligt van de voorstelling. Dat is wat ik bedoel met bruggen bouwen. Dat heeft niets te maken met kaartjes verkopen, dat gaat enkel en alleen over communicatie tussen de voorstelling en de lezer van je stuk, over de journalist als mediator. Kloven onstaan daar, waar de journalist nalaat kritisch te zijn.

    Ik vind –nogmaals- dat het theater tekort wordt gedaan, als het beschouwd wordt als nieuws waar je slechts verslag van doet. Theater (en kunst in het algemeen) heeft een ander soort relevantie. Er is altijd al sprake van een inherente reflectie en dat wordt als het goed is op een doordachte en zorgvuldig gecomponeerde wijze aan het publiek gebracht. Nieuwsfeiten zijn van zichzelf meestal eendimensionaal en krijgen diepte en kleur door de verbanden die de journalist legt. Theater is minstens drie, soms vier, vijf, tiendimensionaal en krijgt op papier diepte en kleur door wat de journalist daarvan overbrengt met kennis, ervaring en associatievermogen.

    Tot slot, om de cirkel rond te maken: gisteren heb ik Breekbaar gezien. Om eerlijk te zijn, ik was blij dat ik er niet over hoefde te schrijven. Ik had niet goed geweten hoe ermee om te gaan. Ik vind dat het ergste wat er is: niet te weten wat het is. In dat geval worden recensies vaak slappe stukjes, of woedend of cynisch. Ik denk dat dat onmacht is. Voor mij gold ook, dat ik niet de vinger op de plek kreeg en dat frustreert, vooral omdat het confronteert met gaten in mijn kennis en het associatievermogen blokkeert. Maar ik vind het interessanter om er dan wat langer over na te denken dan om gewoon te constateren dat het slecht is. Jij schreef, dat de studenten ‘ontstellend oppervlakkig’ worden neergezet. Maar is het niet zo, dat het karikaturen zijn en is dat niet juist betekenisvol? Ik denk dat we verder komen wanneer we het beschouwen als Brechtiaans theater, met specifiek oog voor Strijards liefde voor het groteske? Misschien was het wel een foute keuze, dat wordt getracht om er een soort well-made play van te maken waardoor je op het verkeerde been wordt gezet als toeschouwer? Maar ik denk ook: we zijn niet zo gewend aan dit soort theater en bovendien voelen veel Nederlanders zich niet vanzelfsprekend aangetrokken tot dat groteske en die overvloed aan theatrale middelen. Op deze plek wil ik ook een punt maken van jouw argument dat je mensen die niet zo vaak naar theater gaan liever naar Closer of Een schitterend gebrek stuurt, dan naar Breekbaar. Het zijn drie totaal verschillende voorstellingen. Is het niet een misvatting, dat je zou moeten inschatten wie ‘de lezer’ is en waar die van houdt?

    Nog even over Breekbaar: inhoudelijk gaat het over belangrijke onderwerpen: over de angst om ouder te worden, om uitgerangeerd te raken, het gaat over idealen versus pragmatiek (van de jongere generatie), over veranderingen in de theaterwereld en de vraag of dat een bedreiging vormt voor artistieke vrijheid, over de angst dat het theater niet langer ‘giftig’ is. Daarnaast is er een maatschappelijke lading, die vooral tot uiting komt in de zang en dans-nummers. Ik vond het uiteindelijk ook geen goede voorstelling. Maar er valt toch een hoop over te zeggen.

    Ik denk, dat jij teleurgesteld was en net als ik niet wist wat je met deze voorstelling aan moest. Maar die lezer, die maar vier keer per jaar naar theater gaat, heeft daar niet zoveel aan. Onder ‘op de hoogte houden’ versta ik dan toch iets anders.

    De tijd nemen (en krijgen!) om eea te overdenken en even los te komen van die eerste reactie (of dat nu ‘hoezee’ is of teleurstelling), voordat we tot schrijven over gaan, is mijns inziens noodzakelijk om kritisch te kunnen zijn. Pas dan kun je werkelijk eerlijk zijn tegenover je lezers.

    Comment by Daphne Richter — 22/11/2006 @ 17:59
  6. Beste,

    met interesse heb ik jullie discussie gevolgd. Ik ben zeer benieuwd hoe jullie beide reageerden op het nieuws dat ‘Breekbaar’ nu afgelast is.

    Groeten,
    Rick

    Comment by Rick Steggerda — 27/11/2006 @ 15:37
  7. Dag Rick,

    Tja, wat moet ik daarvan zeggen? Ik vind het erg vervelend voor alle mensen die erbij betrokken zijn, het lijkt me een moeilijke beslissing. Maar wel begrijpelijk. Net zoals het goed is om een geslaagde voorstelling te hernemen, is het verstandig om een mislukte voorstelling van het repertoire te halen. Wat zou je er verder van moeten vinden? HZT zal zich bezinnen en ik hoop van harte dat ze op goede koers komen. Voor henzelf en voor het publiek. Mijn visie op de theaterjournalistiek verandert er niet door. Ik vermoed, dat Simon het hierin met me eens zal zijn.

    Groet, Daphne

    Comment by Daphne Richter — 29/11/2006 @ 16:15
  8. Hoi Rick,

    Ben het inderdaad met Daphne eens. Zuur voor het gezelschap en vooral voor de acteurs, maar een verstandige beslissing.
    Ik hoop met Daphne op betere tijden voor HZT en ik verwacht ook wel dat het op termijn wel goed komt met het gezelschap.

    Later nog een reactie op je vorige bijdrage, Daphne.

    Comment by simber — 29/11/2006 @ 16:36

RSS feed for comments on this post. TrackBack URI

Leave a comment

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2017 Simber | powered by WordPress with Barecity