Verslagje debat: Wat de boer niet kent dat ziet hij niet

Theatermaker,verslagjes — simber op 31 januari 2008 om 16:44 uur
tags: ,

Voor de TM van december/januari:
Gezien: debat: Wat de boer niet kent dat ziet hij niet, 12 november 2007 in het TIN

Hoe moet een recensent een voorstelling bespreken uit een heel andere cultuur? Over deze vraag discussieerde een klein gezelschap van critici en specialisten in het TIN, met als praktisch voorbeeld de voorstelling Second Visit to the Empress van Shen Wei Dance Arts, een Peking-opera met moderne dans.

Het vriendelijke debat liet vooral een tegenstelling zien tussen de opvatting van Frank Kouwenhoven -deskundig op het gebied van Chinese muziek- en die van Raymond van den Boogaard, chef kunst van NRC Handelsblad.

Kouwenhoven blijkt een duidelijk voorstander van het vergroten van de specialistische kennis van recensenten. Hij trok meermalen de vergelijking tussen economische en politieke verslaggeving en literatuurrecensies in de dagbladen, waar volgens hem wel ruimte (en geld) is om mensen met specifieke kennis aan het woord te laten.

In tegenstelling tot Huib Haringhuizen, directeur van het Wereld Muziektheater Festival die enthousiast was over het informatieve gehalte van de kritieken, leek Kouwenhoven niet echt onder de indruk van het niveau van de overigens positieve recensies over Shen Wei. Wellicht was hij te beleefd om dat tegen de aanwezige schrijvers te zeggen, hij klaagde liever over de Amerikaanse recensies die stelden dat omdat deze voorstelling saai was het hele genre Peking Opera niet geschikt is voor de VS.

Tegenover Kouwenhoven staat Van den Boogaard die keer op keer wijst op het algemene publiek dat door de krant bediend moet worden. Iemand die veel weet van de cultuur achter een voorstelling schrijft niet noodzakelijkerwijs een betere recensie dan een relatieve leek die met goede argumenten een leesbaar stuk kan schrijven. Van den Boogaard beklaagde zich juist over de gebrekkige vaardigheid van Nederlandse wetenschappers om hun vakgebied in lekentaal uit te leggen

Andere stemmen zorgen voor nuancering. Parool-dansrecensente Francien van der Wiel vertelt dat haar krant een zogenaamde “etno-recensent”, een journalist gespecialiseerd in wereldmuziek. Theaterwetenschapper Lucia van Heteren herinnerde de verzamelde critici nog even fijntjes aan het bestaan van vakliteratuur, die natuurlijk niet de ervaring van de voorstelling kan vervangen, maar wel de nodige basale inzichten kan verschaffen.

Het was echter aan dovemansoren gericht. Onder toneelrecensenten lijkt research uit de mode. Informatie en uitleg hoort thuis in voorbeschouwingen, voor een recensie dient een voorstelling juist ‘droog’ bekeken te worden.

Het bleef in het midden of theater-, opera- of danscritici eigenlijk niet al enorm specialistisch zijn en of het in een dagbladrecensie niet beter is om een dergelijke voorstelling te plaatsen binnen het Nederlandse podiumkunstaanbod, dan te relateren aan de oorspronkelijke context.

Aan het eind probeerde gespreksleider Constant Meijers nog een morele draai aan de discussie te geven door te focussen op specialisme binnen de Nederlandse theaterscene: veel allochtone theatermakers lijken te vinden dat hun werk te veel vanuit ‘wit’ perspectief wordt beoordeeld. Verrassend genoeg blijkt er volgens de aanwezigen ineens geen enkele culturele hindernis te zijn; voorstellingen uit China behoeven wellicht specialistische kennis, maar alles wat binnen de landsgrenzen gemaakt kan kan allemaal langs dezelfde meetlat. Waar is Laurien Saraber wanneer je haar nodig hebt?

Recensie: ‘Anne Frank: Leeft en Werkt’ van Joachim Robbrecht

Parool,recensies — simber op 27 januari 2008 om 18:14 uur
tags: , , ,

Nu de fusie van Frascati en het Gasthuis een feit is, zal de inhoudelijke scheiding tussen de twee gebouwen de komende tijd steeds duidelijker worden: in de Nes zie je voorstellingen die ‘af’ zijn, in de bovenzaal in West zit je met je neus op het experiment. Zo stond enkele maanden geleden nog de prachtige voorstelling IJs van jonge regisseur Joachim Robbrecht in Frascati, maar zijn nieuwste project, Anne Frank: Leeft en Werkt, staat in het Gasthuis.

Robbrecht verzamelde zes mensen, drie mannen en drie vrouwen van verschillende generaties. Het zijn geen acteurs, wel zijn ze allemaal Joods. Ze dansen, zingen, bewegen langs de wanden van het podium met een kaars, ze staan in een houten garage-achtige doos rechts op het toneel en ze vertellen verhalen. Of eigenlijk: fragmenten van verhalen.

Een oudere vrouw vertelt over het vijftigjarige huwelijk van haar grootouders, eind jaren dertig. Zeer weinig ooms en tantes hebben de holocaust overleefd. Een oudere man, niet al te groot van stuk, zegt eenvoudigweg: “In de oorlog was ik klein. Nu ben ik nog steeds klein.” Een ander, geboren na de oorlog, vertelt over zijn tijd in een kibboets.

De veel jongere, expressieve speler Eran Ben-Michaël vertelt een talmoedisch verhaal: als een vrouw zwanger is, komt er een engel die het ongeboren kind de hele Torah leert. Maar op het moment dat het kind wordt geboren komt er een andere engel die het kind op het hoofd slaat, zodat het alles weer vergeet. God vindt het nodig dat we vergeten leren, omdat we anders alleen maar aan onze dood kunnen denken.

Een meisje in een witte jurk zwijgt. Je kan een tijd denken dat zij Anne is, die geen verhaal meer kan vertellen. Ze blijkt echter een koket meisje dat haar dagboek in navolging van Anne Kitty noemt en daarin schrijft over haar overleden opa en een verloren vogeltje.

En zo vloeit de voorstelling langs bekend terrein. Nu de herinneringen uit de eerste hand aan de oorlog langzaam maar zeker verdwijnen, wordt het belangrijk om het collectieve verhaal over Nederland en zijn bedenkelijke aandeel in de holocaust te blijven toetsen aan de persoonlijke verhalen van mensen die die geschiedenis hebben meegemaakt, maar dat die ook weer moeten vergeten om dóór te kunnen gaan. Robbrecht kiest voor een (aan Ine te Rietstap doen denkende) vorm van community theater die niet oninteressant is, maar toch weinig betekenis heeft voor een publiek buiten de kring rondom de medewerkers.

Anne Frank: Leeft en Werkt van Joachim Robbrecht, Gasthuis. Gezien 26/1/08 in het Gasthuis. Aldaar t/m 9/2. Meer info op www.theatergasthuis.nl

Recensie: ‘Zeeuwse Nachten 3’ van het Volksoperahuis

Parool,recensies — simber op 24 januari 2008 om 00:14 uur
tags: ,

“Helden uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst” is het motto voor de nieuwe, laatste voorstelling in de driedelige voorstellingenserie Zeeuwse Nachten die het Volksoperahuis de afgelopen drie jaar uit de klei trok. Nederland staat onder water en de fine fleur van het land wordt nog net op tijd gered door volksheld Willem Barentz. Hij zet de hele Nederlandse canon op een ijsschots die de Schelde op komt drijven en die ook wel wat weg heeft van de Titanic. Barentz blijkt een patjepeeërige volkszanger die ‘zijn’ canon graag vrij van negers houdt. Zijn hele band is ook in blinkend wit gekleed.

Het Volksoperahuis wist in de eerdere twee delen aardig muziektheater te maken, waarin liedjes in eindeloos veel stijlen van componist en zanger Jef Hofmeister amusant combineerden met een scala aan typetjes van acteurs Kees Scholten en Rogier Schippers. Sommige daarvan keren ook nu terug, zoals de demente koningin Amalia en het Zeeuws Meisje dat in de tussentijd zwanger is geraakt.

Maar de samenhang is minder helder dan in de voorgaande delen. Het grootste deel van de voorstelling is de mega-ijsshow van Barentz waar artiesten als de Dominee van de Kerk van de Apocalyps hun ding komen doen en de gastheer de grootst mogelijke moeite heeft om de ongewenste canon-indringers buiten boord te houden. Gaandeweg valt op dat weinig liedjes echt áf zijn en dat de teksten wel erg drijven op flauwe grappen en citaten.

Pas aan het eind, als Zeeuws Meisje bevalt van een onwillige jongen die met een gospel-achtig vraag-antwoordspel met het publiek verleid moet worden om geboren te worden, bewijst Hofmeister dat hij heus nog wel een sterke melodie kan schrijven. Ook het op speciale uitnodiging aanwezige (en opvallend witte) gospelkoortje draagt dan bij aan de uitgelaten sfeer. Het Volksoperahuis moet het hebben van charme en dat hebben ze in overvloed, van de hangende mond van het Zeeuws Meisje van Schippers tot het braaf op het podium liggende hondje van bassiste Kim Soepnel.

In hun behandeling van het moderne Nederland in cyclusvorm roept het Volksoperahuis onvermijdelijk associaties op met vergelijkbare projecten die Mightysociety, Sabri Saad el Hamus en Joachim Robbrecht (onder anderen) nu uitvoeren. Die vergelijking valt negatief uit voor Zeeuwse Nachten. Ondanks de sympathieke boodschap dat we iets minder bezig moeten zijn met het verleden en iets meer met de toekomst, blijft deze voorstelling niet meer dan een verzameling goed uitgevoerde maar oppervlakkige cabaret-sketches. De epische vorm van drie voorstellingen (binnenkort ook alledrie achter elkaar te zien) botst met de flauwe humor en de magere inhoud.

Zeeuwse Nachten 3: Het behouden huys van het Volksoperahuis. Gezien 23/1/08 in De Brakke Grond. Aldaar t/m 2/2. Tournee t/m 26/4. Meer info op www.volksoperahuis.nl

Recensie: ‘Bazel’ door Dood Paard

Parool,recensies — simber op 23 januari 2008 om 03:08 uur
tags: , , , , ,

Eigenlijk lijken ze een beetje op elkaar, Gillis Biesheuvel en Gerardjan Rijnders. Allebei geprononceerde gezichten met strenge design-brillen. En allebei een beetje onhandige acteurs. Maar juist daardoor intrigerend. Ze staan nu samen in Bazel, de nieuwe voorstelling van Dood Paard.

Bazel is een ijzersterke tekst van Willem de Wolf, die na de subsidiestop van zijn gezelschap Kas en de Wolf Duits ging studeren en deze tekst schreef, die eerst nog een tijd op de burelen van Toneelgroep Amsterdam lag voordat hij bij Dood Paard terecht kwam.

Het is een harde scheldmonoloog in de stijl van Thomas Bernhard, waarin een jongeman (Biesheuvel) zijn gal spuwt tegen een oudere vriend (Rijnders), een kunstverzamelaar die hem als loopjongen gebruikt. Ze waren in Bazel, op de belangrijke kunstbeurs (“5398 kunstwerken verdeelt over 267 stands in 4 gebouwen over 3 dagen”), en de verzamelaar pikt in een restaurant een arme zwarte keukenhulp op voor seks. De volgende dag moet de jongen zich om vijf uur melden.

Biesheuvel vertelt wat er gebeurde, wat hij, de verzamelaar en de zwarte jongen –die ze met gevoel voor ironie Allurie noemen- dachten en doet dat in scherpe, gedetailleerde observaties. Een klein verhaal wordt verteld, maar steeds met uitwijdingen, herhalingen en ellipsen. Een verhaal met een anti-climax bovendien, want die jongen komt niet opdagen. Gaandeweg blijkt het dan ook minder te gaan om de uitkomst, maar om het construeren, deconstrueren en reconstrueren van de drie mannen en hun relaties. Het decor bestaat –naast wat doeken, stoelen en lampen- vooral uit opname- en afspeelapparatuur.

Want net als de felrealistische foto’s van Japanse kinderen of Amerikaanse celebrities die de verzamelaar mooi vindt, zijn deze mannen steeds bezig met het zoeken van de juiste uitsnede van de werkelijkheid. Het mooie is dat het voor de acteurs op een vergelijkbare manier geldt. Biesheuvel is fel, spuwt zijn teksten uit, lijkt steeds boven zijn macht te spelen, maar weet iedere scheldkanonade toch weer te plaatsen. Rijnders is meer berustend en op zoek naar kwetsbaarheid. Juist hun gebrek aan virtuositeit of acteurstrucs geeft de tekst extra lading.

Bazel is de eerste van vier voorstellingen die Dood Paard de komende twee weken speelt in Frascati in het programma Stock à Deux. Ook de andere drie voorstellingen zijn duetten: Schuur –ook al zo’n goeie tekst, ditmaal van Rob de Graaf- tussen Dood Paard-acteurs Manja Topper en Oscar van Woensel; het vrolijk anarchistische Deconstructie van opnieuw Gillis Biesheuvel met Anouk Driessen van ’t Barre Land; en nog een nieuwe voorstelling, Mannetje met de lange lul van Kuno Bakker en Jorn Heijdenrijk van Discordia.

Net als andere groepen met een sterk collectieve manier van werken, zoals ’t Barre Land, zie je bij Dood Paard dat de acteurs na een aantal jaren minder met z’n allen voorstellingen maken en vaker als zelfstandige kunstenaars eigen projecten aangaan. Dat is jammer, want het gaat ten koste van de herkenbaarheid en identiteit en daarmee het bestaansrecht van de groep. Maar het voordeel is dat je als toeschouwer kunt zien hoe de individuele makers zich ontwikkelen. En bij een eigenzinnige toneelspeler als Biesheuvel is dat zeer de moeite waard.

Bazel van Willem de Wolf door Dood Paard. Gezien: 22/1/08 in Frascati. Aldaar t/m 24/1, tournee. Meer info op www.doodpaard.nl

Recensie: ‘De Wilde Eend’ door De Theatercompagnie

Parool,recensies — simber op 20 januari 2008 om 19:19 uur
tags: , , ,

Regisseur Maaike van Langen maakte de laatste jaren vooral voorstellingen naar stukken van jonge schrijvers, maar beet zich nu weer eens vast in een klassieker: De Wilde Eend (1894) van Ibsen. Zoals alle stukken van Ibsen is dat een burgerlijk familiedrama, maar van Langen –vanaf 2009 overigens vaste regisseur bij Theu Boermans’ Theatercompagnie- brengt de ideeën erachter naar de voorgrond.

Een rijke jongeman, Gregers Werle (stijlvast gespeeld door Mike Reus), keert na lange tijd terug in zijn geboortestad en ontdekt dat zijn jeugdvriend Ekdal (een sympathieke Jasper Boeke) met hulp van Werle’s vader een eigen zaak en een gezin gesticht heeft. De aanvankelijk vriendelijke en geïnteresseerde Werle is een idealist en vindt dat Ekdal het geheim moet weten dat achter zijn huwelijksgeluk ligt. Met “idealen” bedoelt Werle maar één ding: de waarheid. En juist daarmee stort zijn vriend in het ongeluk.

De speelstijl is consequent licht overdreven en daardoor wordt het drama bijna een Brechtiaans leerstuk. Dat is de kracht van de regie van Maaike van Langen, die daarmee de belangrijkste valkuil voor moderne psychologische Ibsen-opvoeringen omzeilt: de redenen waarom de personages dingen doen zijn ouderwets en ongeloofwaardig. Iemand zal het nu geen schande vinden als zijn partner voor hem of haar een ander had, en een man zal nu niet zo snel een kind verstoten als er enige twijfel is over zijn vaderschap. Door van de personages typetjes te maken -Werle een stijve ambtenaar, mevrouw Ekdal een moederende huisvrouw- krijgt de voorstelling een heldere symboliek.

De belangrijkste tegenstelling wordt gepersonifieerd door de idealist Werle aan de ene kant en huisvriend dokter Relling, een pragmaticus, aan de andere. Als engeltje en duiveltje op Ekdal’s schouders geven ze tegengestelde adviezen. De dokter is een onaangename cynicus, die een levensleugen noodzakelijk noemt voor geluk, maar hij krijgt daarin wel gelijk.

Ekdal’s dochter heeft een kreupele wilde eend op zolder, waar ook opa (een mooie, maar licht detonerende bijrol van John Leddy) zich veilig kan wanen in een droomwereld, waarin hij zijn vroegere jachtavonturen kan naspelen met oude kerstbomen, kippen en konijnen. Zij symboliseren de vrijheid die het leven met een leugen ook kan bieden.

Maar die rationalisering is ook de zwakte van de voorstelling: Ibsen laat zich niet zomaar ontpsychologiseren. Ook Werle heeft een psychologisch motief -de dood van zijn moeder en de haat jegens zijn vader- maar door hem als abstracte levensopvatting neer te zetten worden zijn handelingen in de loop van het stuk absurd en ongeloofwaardig. Daarom overtuigt deze Wilde eend niet, ondanks het prima spel in alle rollen.

De Wilde Eend van Henrik Ibsen door De Theatercompagnie. Regie: Maaike van Langen. Gezien 19/1/08 in het Compagnietheater. Aldaar t/m 9/2, tournee t/m 28/3. Meer info op www.theatercompagnie.nl

Recensie: ‘Superville’ van De Veenfabriek

Parool,recensies — simber op 16 januari 2008 om 01:29 uur
tags: , ,

Toen in 2002 Theatergroep Hollandia uit elkaar viel, betekende dat het einde van een van de artistiek meest belangwekkende samenwerkingen van het theater in de afgelopen decennia: die tussen Johan Simons en Paul Koek. Simons verhuisde naar Gent en werd een van de supersterren van de Europese theater-scene, en Koek leek een beetje uit beeld te verdwijnen. Maar dat laatste is slechts schijn, of in ieder geval tijdelijk, want vanuit Leiden werkt hij langzaam maar zeker aan een nieuw toonaangevend muziektheatergezelschap in Nederland: De Veenfabriek

Hij stelde een nieuwe groep samen met daarin leden van het artrock bandje Kopna Kopna en de theatergroep JongHollandia, jonge mensen met in hun midden steracteur-in-de-dop Joep van der Geest en werkte de afgelopen jaren vooral aan kleinere projecten. Twee daarvan, Superville en Raket zijn deze week onder de noemer Veenfabriekweek te zien in Frascati.

Superville is een merkwaardige, maar aangename performance over David Humbert de Superville (uitgesproken op z’n Frans). Deze Leidse tekenaar en museumbeheerder uit de vroege 19e eeuw was gefascineerd door lijnen en probeerde in de natuur, de kunst en de fysiologie verbanden te vinden tussen stijgende, horizontale en dalende lijnen en eigenschappen als somberheid en evenwicht. Je zou daarin een vroeg voorbeeld kunnen zien van denken over abstractie in de kunst.

De makers –regisseur Koek en zijn vijf acteurs/muzikanten- proberen dat onderzoek naar lijnen voort te zetten in muziek. In hun grijze pijen met langzaam zichtbaarder wordende kleuraccenten zien de spelers eruit als een kruising tussen monniken en wetenschappers. Ze staan achter een lange verrijdbare tafel met daarop een assortiment analoge synthesizers, klassieke muziekinstrumenten en ander gereedschap dat ieder moment als instrument kan worden gebruikt: cappuccino-schuimertjes, perforators, niet- en boormachines.

Het soort muziek dat ze maken is ook abstract, zonder heldere melodielijnen of doordenderende ritmes, maar de voorstelling heeft een prettig soort absurdisme en humor. Opvallend is dat er eigenlijk geen onderscheid is tussen spelers, zangers en muzikanten; allevijf hebben ze een eigen rol –Yonina Spijker als zenuwachtige Superville-bewonderaarster die voorleest uit zijn werk, Rick Elstgeest als laconieke performer- in deze moderne vorm van Musique Concrète.

Aan het eind leggen ze gewichtjes op de toetsen van de synthesizers zodat het geluid blijft spelen, zetten een machine aan die pingpongballetjes laat zweven en verlaten het toneel, als lo-tech eerbetoon aan Kraftwerk.

Af en toe wordt het onbegrijpelijk en een beetje belachelijk, maar de inzet is dan ook hoog. De Superville was op zoek naar het sublieme en had een hekel aan “pietepeuterige aardigheid” in de kunst. En daarmee wordt deze nogal kunstzinnige voorstelling ook een statement over theater in Nederland, dat volgens commentatoren wel erg braaf en publieksvriendelijk aan het worden is. De Veenfabriek stelt complex theater daartegenover, en verdient daarvoor meer aandacht.

Superville van De Veenfabriek. Gezien 15/1/08 in Frascati, aldaar nog vanavond, Veenfabriekweek nog t/m 19/1. Meer info op www.veenfabriek.nl

Recensie: ‘Zekket’ van Sabri Saad El Hamus

Parool,recensies — simber op 13 januari 2008 om 18:57 uur
tags: , , ,

Gaan een boeddhist, een atheïst en een islamiet een voorstelling maken… Nee, het is geen mop, de voorstelling heet Zekket en ging zaterdag in première in Frascati. Zekket is de derde in een serie van vijf voorstellingen van de Egyptische acteur Sabri Saad El Hamus over de vijf zuilen van de Islam. Dit deel gaat in naam over de zakat, de islamitische plicht tot het geven van aalmoezen. Maar nu de serie zover is gevorderd blijkt het ook een autobiografie in wording van een geïntegreerde moslim die iets te vertellen heeft.

El Hamus zit alleen in een witte ruimte, aan een witte tafel, op een witte stoel. Is het een behandelkamer in een psychiatrische instelling? Of toch een verhoorkamer van een geheime dienst? Hij vertelt over twee mensen (behandend artsen, ondervragers?), door El Hamus aangeduid als Mannenstem en Vrouwenstem, die hem vragen om terug te keren naar het moment dat het mis ging.

Hij vertelt over Egypte, waar hij in een bus een klap kreeg om dat hij er te uitbundig uitzag in zijn John Travolta-pak met Sartre-col. Toen besloot hij dat hij weg moest. Hij kwam naar Nederland en werd acteur. Langzaam wordt duidelijk wat zijn probleem is: hij durft niet meer op te gaan.

Regisseur Olivier Provily (de boeddhist) nagelde Saad El Hamus nagenoeg vast op dat witte stoeltje. De anders zo lichamelijk expresieve acteur is daardoor gedwongen al zijn charme en intensiteit in die vierkante meter te leggen en dat is fascinerend om naar te kijken. Als hij een enkele zin schreeuwt of ineens op het tafeltje springt voelt dat bijna gewelddadig.

Het thema van de armenbelasting lijkt wel erg ver weggeraakt. Wie is er arm in deze voorstelling? El Hamus, die zijn Egypte en daarmee een deel van hemzelf is kwijtgeraakt? Of de twee stemmen als vertegenwoordigers van de Nederlanders die de waarheid in pacht hebben, de procedure kennen en “Af-gedacht, klaar-geloofd” zijn?

Dat laatst geeft een intrigerende gedachte: misschien is deze voorstelling wel El Hamus’ zakat. Hij geeft zijn publiek met zijn spel een beetje van zijn twijfel en van zijn spiritualiteit, voor zijn Nederlandse publiek dat er te weinig van heeft.

Wellicht is dat te vergezocht; de tekst van Ko van den Bosch (de atheïst) suggereert veel, maar is iets te poëtisch en te weinig confronterend. Daardoor maakt de voorstelling geen statement, zelfs niet een statement over twijfel, en blijft het als een mop zonder clou.

Zekket van Sabri Saad El Hamus, Produtiehuis Frascati en De Nieuw Amsterdam. Gezien 12/1/08 in Frascati. Aldaar t/m 18/1. Tournee t/m 28/2. Meer info op www.theaterfrascati.nl.

Recensie: ‘Rococo’ van Hotel Modern

Parool,recensies — simber op 10 januari 2008 om 01:13 uur
tags:

Hotel Modern werd wereldberoemd met de voorstelling De Grote Oorlog uit 2001, waarin ze met potgrond, geüniformeerde poppetjes, struikjes peterselie en mini-camera’s een indrukwekkende live animatiefilm maakten over de Eerste Wereldoorlog. Twee jaar geleden herhaalden ze het succes met Kamp, over de holocaust, waarin de animatie werd gemaakt in een gigantische maquette van Auschwitz. Dat zijn nogal zware onderwerpen en het wekt geen verbazing dat de groep in haar nieuwe voorstelling het eens over een heel andere boeg gooit.

Het toneel is een volgebouwde puinhoop van opgestapelde dozen, bubbeltjesplastic, plastic planten en andere troep. Een houten geraamte van een vliegtuig zweeft erboven, twee figuren met beren-maskers schuifelen erdoorheen. De een schudt een doos leeg, vindt een paar gootsteenonstoppers en wat isolatiebuis en maakt al snel een mannetje met zuignappen als voeten. De ander rotzooit wat met schedels, laat ze tongzoenen door van binnenuit een vinger tussen hun tanden te friemelen en blaast ze op met scheerschuim.

Het is een soort kinderlijk spelen dat Pauline Kalker er Herman Helle (de performers achter de maskers) laten zien, onderzoekend, naïef en vaak heel geestig. Ze wassen een smerig hoopje touw in een al even smerig mengsel van thee en scheerschuim, willen het drogen in een paperbackje, maar raken al even snel afgeleid en beginnen te lezen.

Als ze samen een live animatie-filmpje maken, voelt dat als een onderbreking. Ze zijn in de weer met Egyptische poppen en porceleinen beeldjes met enorme porceleinen piemels met goed passende porceleinen gaten. Het gaat niet echt over sex, maar meer over de pre-puberale humor van het opzoeken van vieze woorden in het woordenboek. Aan het eind wordt met onverwacht geweld de chaos op het toneel nog wat groter gemaakt.

Maar wat moeten we ervan maken, van deze vrolijke en soms wat vunzige bende? Waarschijnlijk is deze voorstelling niet veel meer dan broodnodige afwisseling voor een gezelschap dat meestal zeer serieus en integer is. De soms inventieve en dan weer destructieve ontdekkingsdrang waarmee de spelers met hun spullen in de weer zijn, zijn niet alleen de stijl, maar ook het onderwerp. Onaangenaam is dat niet, en saai is Rococo allerminst, maar toch voelt de nieuwste van Hotel Modern een beetje mager.

Rococo van Hotel Modern. Gezien 9/1/08 in Haarlem. Te zien in Amsterdam (Frascati) 22/1 t/m 2/2. Tournee t/m 26/4. Meer info op www.hotelmodern.nl

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2017 Simber | powered by WordPress with Barecity