Seizoensoverzicht 2007/2008

Voor het TM/TIN nummer (voorheen Theaterjaarboek), september 2008

Was Maria Goos nou zó onredelijk? “Een wereldpremière van een nog nooit eerder gespeeld stuk, geschikt voor de grote zaal. (…) Dat zijn allemaal objectieve waarheden die naar mijn smaak maar wat al te snel als vanzelfsprekend worden aangenomen” schreef ze in maart dit jaar in een reactie op de recensies over De Familie Avenier op de website van recensent Wijbrand Schaap.

Maar nieuwe stukken voor de grote zaal zijn veel vanzelfsprekender dan Goos wellicht denkt. Ze is de norm, niet de uitzondering. Alleen al bij de Toneel Publieksprijs moet Avenier dit seizoen concurreren met drie andere succesvolle nieuwe teksten voor de grote zaal (Wuivend Graan van Wim T. Schippers, De Goede Dood van Wannie de Wijn en Bloedband van Geert Lageveen een Leopold Witte). Wie echt graag wil, kan in een seizoen eens in de twee weken naar de première van een nieuw stuk in de grote zaal.

Het lijkt erop dat juist repertoire spelen de uitzondering wordt. Met het overlijden van Hugo Claus op 19 maart is ook de toneelschrijfkunst als autonoom genre in Nederland heengegaan. Goed, Ivo van Hove’s Angels in America was schitterend, maar overige opvoeringen van bestaande teksten waren niet de meest in het oog springende voorstellingen van het seizoen 2007/08, en het ambitieuze project Toneelmeesters, waarmee Joop van den Ende Theaterproducties en Hans Croiset een deel van het musicalpubliek naar repertoiretoneel wilden krijgen, mislukte roemloos.

Het is natuurlijk een zeer lang lopende trend: Nederland is –in tegenstelling tot Frankrijk of Duitsland- geen land met een warm hart voor repertoire. Sinds Actie Tomaat willen theatermakers vooral nieuw of eigen werk spelen en waarschijnlijk worden nergens ter wereld zoveel nieuwe toneelteksten geschreven als in Nederland. Anders dan in Engeland of de VS wordt hier niet de schrijver maar de regisseur gezien als de auteur van de voorstelling. Nederlandse toneelschrijvers zijn vaak diepgaand betrokken bij het maakproces en beschouwen hun werk als een van de onderdelen van een voorstelling en niet als het uitgangspunt. Excellent voorbeeld hiervan is Rob de Graaf, die aan het begin van het seizoen de Prosceniumprijs won. Zijn taak bij toneelgroepen als Nieuw West en Dood Paard lijkt meer op het boetseren van uit improvisaties voortgekomen materiaal dan op het produceren van teksten die af zijn vóór de eerste repetitie.

Er zijn echter voortekenen dat de ontwikkeling van het repertoireloze theater wordt gekeerd, maar voor het zover is, is dit een gelegenheid om eens na te denken over een wereld zonder toneelrepertoire.

Achteraf gezien zou het heel goed kunnen dat het seizoen 07/08 het nadir is geweest van het repertoiretoneel. Zelf zag ik dit seizoen 114 voorstellingen (buitenlandse niet meegeteld). Dat is natuurlijk geen statistisch onderbouwde representatie van het toneelaanbod en ik zal een lichte voorkeur voor nieuw werk niet kunnen verhullen. Ik miste As you like it van Gerardjan Rijnders bij Het Nationale Toneel, en King Lear zag ik noch in de enscenering van Alize Zandwijk bij het Ro Theater, noch in de versie van het Vervolg. Wel zag ik maar liefst 41 nieuwe teksten, waarvan 36 Nederlands. In de grote zaal werden minstens negen nieuwe teksten gespeeld, naast bovengenoemde Publieksprijsnominaties ook nog bijvoorbeeld Ger Thijs’ Ik ben weg en Charles den Tex’ Volmaakt Geluk.

Om aan 26 repertoirevoorstellingen te komen moet ik zware bewerkingen meetellen zoals Tsjechov bij de bushalte van Boogaerdt en Van der Schoot en Feydeau van De Roovers en ook Johan Simons’ operaregie Die Entführung aus dem Serail. Onder repertoire versta ik alles dat al eerder in Nederland is opgevoerd, dus ook Het Koude Kind, vorig seizoen voor het eerst gespeeld door de Theatercompagnie, en dit jaar als afstudeervoorstelling van de toneelschool Maastricht. Nog niet echt een moderne klassieker, maar wie weet.

Ongeveer net zoveel voorstellingen waren bewerkingen van boeken (Eline Vere of De Geruchten), films (Wolfskers of Tien geboden) en ander niet-theatraal grondmateriaal (Gustl & Else, Ruis ik slecht te verstaan). De laatste 26 voorstellingen zijn speciale gevallen. Sommige daarvan hadden zo goed als of helemaal geen tekst, zoals Bambie 12, Rococo, Winterverblijf of Gods Wachtkamer. Anderen zijn sketch-achtig werk als Wééralarm, uit improvisaties voortgekomen teksten als Kamp Jezus, of zelfgeknutselde verhaspelingen als Impromptu.

Met enige voorzichtigheid is wel te zeggen dat de afgelopen seizoenen iets minder dan een kwart van het toneelaanbod repertoire betreft. Dat lijkt te kloppen met de dertig procent repertoire die Wijbrand Schaap en Dan Rapaport telden voor hun (op harde data gebaseerde) onderzoek naar de verhouding tussen nieuwe en bestaande toneelteksten in de jaren ’80.

Het seizoen overziend kun je zeggen dat er in Nederland ófwel oude klassiekers worden gespeeld van buitenlandse herkomst, ófwel nieuwe teksten van eigen bodem. Het aantal nieuwe stukken van buitenlandse auteurs is al helemaal te verwaarlozen. Electronic city van Falk Richter en Levende doden van Laura Wade zijn de enige stukken waarop het etiket ‘Nederlandse première’ werd geplakt. De tijd dat theatergroepen zich voor langere tijd verbonden aan een buitenlandse auteur en al zijn nieuwe werk speelden -Pinter bij Toneelgroep Amsterdam, Schwab bij De Trust of Bernhard bij Discordia- is al lang voorbij. Daartegenover staat dat dat de kans voor Nederlandse teksten om na hun première nogmaals te worden opgevoerd nihil is.

Voor een deel worden beide leemtes gevuld door het grote aantal bewerkingen. Nederlandse boeken en buitenlandse films krijgen in die zin een functie in het Nederlandstalige toneelrepertoire en dat blijkt nodig, want er lijkt een belangrijke pijler onder het spelen van repertoire weg te vallen: de publieke belangstelling.

Het project Toneelmeesters van Joop van den Ende en Hans Croiset werd een jaar geleden nog met spanning gevolgd. Velen in de sector, onder wie directeur Jaap Jong van de VNT en Ronald Klamer van Het Toneel Speelt, beweerden al jaren dat het publiek wel weer terug de schouwburgen zou instromen als er weer toneelklassiekers zonder al te veel poespas gespeeld zouden worden. Toneelmeesters zou dit vermoeden bevestigen. Maar de twee voorstellingen, 3 Zusters en Moeder Courage die zo gedegen en trouw aan de tekst waren, bleken vooral schools en saai. Het publiek liet zich hier dan ook niet in grote getale naartoe lokken.

Waarschijnlijk speelt een niet te onderschatten rol in de afnemende belangstelling voor repertoiretoneel het gebrek aan kennis bij het publiek. Theatermakers hebben sinds de jaren ’70 hun publiek ‘opgevoed’ met hun doe-het-zelf opvatting over theater en met een relatief karig rantsoen aan toneelklassiekers. Ook de hausse in de jaren ‘90 om toneelklassiekers voor kinderen te bewerken lijkt inmiddels voorbij. Het publiek komt niet af op Tsjechov of op Brecht, wiens werk ze nauwelijks nog kennen, maar op verhalen die ze gezien hebben op televisie of in de bioscoop, of uit boeken die ze gelezen hebben.

Er zijn natuurlijk uitzonderingen, en de belangrijkste daarvan is Maria Goos. Zeker, de gedegen kwaliteit van haar drama is hoog, maar speciaal is dat Het Toneel Speelt consequent háár presenteert als auteur van de voorstelling en niet regisseur Jaap Spijkers. Desondanks betwijfel ik of Goos’ stukken meer kans maken op heropvoering dan die van haar directe collega’s. De Familie Avenier zou heel goed de weg kunnen gaan van die andere zeer populaire, epische familiegeschiedenis: Leedvermaak van Judith Herzberg, dat sinds de première in 1982 geen opvoeringen buiten de toneelscholen heeft gekend.

Kortom: het theater lijkt zich niet alleen in bronnen, maar ook in aanpak te bewegen richting film en literatuur, waar ook steeds opnieuw nieuwe teksten worden geschreven en herinterpretatie van oude teksten een uitzondering is. Natuurlijk: verhalen, thema’s en motieven keren steeds terug, maar worden vrijer en met meer eigen interpretatie ingezet. Misschien is dat een verarming –zaken als opvoeringstraditie en regieconcept worden minder belangrijk- maar het geeft ook ruimte voor een nieuwe, scherpere blik op het toneelrepertoire: de vraag waarom de juist dát stuk juist nú opvoert wordt pregnanter. Het hoeft ook geen belemmering te zijn om oude stukken op te voeren, zolang het publiek maar de ruimte krijgt om het ‘voor het eerst’ te zien.

Een voorbeeld van zo’n benadering is de locatievoorstelling Tsjechov bij de bushalte van mimeduo Boogaerdt en Van der Schoot. Het is een bewerking die je ‘tot de essentie terug gebracht’ kunt noemen, er is niets anders overgebleven dan drie jonge vrouwen met koffers in een weiland, een jongen op een brommer en dat ze uiteindelijk niet de bus nemen. De toeschouwer hoeft niets van Tsjechov te weten om de voorstelling helemaal te kunnen begrijpen, maar hij of zij steekt ook niets op van het stuk of de auteur.

Het zou de toekomst kunnen zijn, maar het lijkt waarschijnlijker dat repertoiretoneel aan het begin staat van een revival. Meest veelzeggende aanwijzing daarvoor is gelegen in het advies Innoveren, participeren! van de Raad voor Cultuur, waarin de theatergezelschappen in de Basisinfrastructuur een verder niet nader toegelichte ‘repertoiretaak’ krijgen. Zo wordt het aandeel repertoiretoneel in het programma van de grote gezelschappen gezekerd, en dat is gezien het hierboven geschetste een duidelijke ingreep in de artistieke ontwikkeling van het Nederlandse theater in de grote zaal. Toch bleven protesten van gezelschappen en theatermakers uit. Blijkbaar vinden de grote gezelschappen repertoire toch een vanzelfsprekend onderdeel van hun programma en zien zij het als hun taak om hun publiek ermee kennis te laten maken.

Ook op de scholen is de stemming veranderd. Op de regie-opleiding in Amsterdam werd de meer conceptueel gerichte Hans Man in ’t Veld –leermeester van Lotte van den Berg, Jetse Batelaan en Olivier Provily- als artistiek leider opgevolgd door Jappe Claes, die een meer ambachtelijke benadering heeft. Studenten moeten er duidelijk nog aan wennen aan de hernieuwde focus op teksttheater, door hen spottend ‘Theuneel’ genoemd. Het jonge makerstraject TA2 van Toneelgroep Amsterdam en De Toneelschuur heeft met voorstellingen als Britannicus, A Streetcar named Desire en, komend seizoen, de Thebaanse tragedies van Sofokles ook een duidelijke focus op bestaande teksten.

Maar een belangrijker signaal is dat Nederlandse schrijvers worden heropgevoerd. Het Vervolg gaat Kaatje is verdronken van Alex van Warmerdam spelen, maar vooral opmerkelijk is een nieuwe uitvoering van Geslacht van Rob de Graaf, geschreven voor Dood Paard, nu naar de grote zaal gebracht door Het Toneel Speelt.

Volgend seizoen zal de slinger wellicht aan zijn tocht de andere kant op gaan beginnen. De ‘repertoiretaak’ zal vanaf 2009 waarschijnlijk voor een andere programmasamenstelling gaan zorgen. Het is de vraag of dit nieuwe repertoire ook publiek gaat trekken en welke gevolgen dit gaat gaat hebben voor nieuwe Nederlandse stukken. Het zal nog wel even duren voordat vrije producenten hun vingers weer gaan branden aan repertoire. En een toneelschrijver zoals Claus, die krijgen we nooit meer.

Top 5

Angels in America, Toneelgroep Amsterdam

Kaalgeslagen versie van Tony Kushner’s moderne klassieker. Van Hove is gul met tijd en ruimte om het acteursensemble te laten schitteren. Minder gelaagd en indrukwekkend dan Romeinse Tragedies, maar dat was geen enkele voorstelling dit seizoen.

Bazel, Dood Paard

Harde Bernhardiaanse meditatie over kunst en (mannen)relaties. Beste nieuwe tekst (Willem de Wolf) van het seizoen, fascinerend gespeeld door Gillis Biesheuvel.

Wuivend graan, Hummelinck Stuurman

Oprecht bijzonder leuke Wim T. Schippers, en stiekem erg leerzaam ook. Kunst van het soort dat chaos brengt in de orde.

Spaar ze alle negen, afstudeervoorstelling Mimeopleiding

Lotte van den Berg, toch vooral regisseur van verstilde voorstellingen, laat acht jonge mimers zich in het zweet dansen op hardcore house. Vrolijk, aanstekelijk en onnadrukkelijk diepzinnig.

Een meeuw, Keesen & Co

Nogal onevenwichtige cast kan niet verhullen dat Willibrord Keesen hier een kraakheldere Tsjechov heeft neergezet. Bram Coopmans en Monique Kuypers als uitblinkende acteurs.

Tip 5

We hebben een/het boek (niet) gelezen, Stan, De Koe, Dood Paard, Discordia

De makers van Vandeschrijvervandeneedevandekoningendiderot en Onomatopee, bewerken De Toverberg van Thomas Mann, de gevolgen zullen onverwacht zijn (zie titel). (vanaf september 2008)

Pensioengat, Nieuw West

Cas Enklaar en Marja Kok willen geen milde bejaarden worden. Steun de harde, vergrijzende acteursgeneratie! (vanaf november 2008)

Het Misverstandt, Ro Theater

Familievoorstelling op basis van het werk van varieté-artiest Karl Valentin, inspirator van Buster Keaton en Charlie Chaplin. Regie van John Buijsman, met oa. René van ’t Hof, Annet Malherbe en Jack Wouterse. (vanaf december 2008)

Kreten en Gefluister, Toneelgroep Amsterdam

Nog niet eens zozeer vanwege de voorstelling (Ivo van Hove regisseert na Scènes uit een Huwelijk opnieuw een scenario van Ingmar Bergman), maar vanwege de speelplek: de nieuwe vlakke vloer-zaal van de Stadsschouwburg Amsterdam. (vanaf maart 2009)

Hannah en Martin, Mugmetdegoudentand

Lineke Rijxman en Willem de Wolf spelen een voorstelling over de immorele liefde tussen de joodse Hannah Ahrendt en nationaalsocialist Martin Heidegger, en krijgen hun eigen ruimte binnen de Mug. (vanaf mei 2009)

0 Comments »

No comments yet.

RSS feed for comments on this post. TrackBack URI

Leave a comment

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2017 Simber | powered by WordPress with Barecity