Culturele Hoofdstad: Ruhr 2010

buitenland,overig — simber op 24 april 2009 om 01:10 uur
tags: , ,

Artikel voor Sica Magazine (het laatste nummer), online versie op sica.nl

Culturele Hoofdsteden van Europa komen en gaan, maar volgend jaar komt er  een wel heel dicht bij huis. Onder de naam Ruhr 2010 organiseren de steden in het Ruhrgebied (o.a. Essen, Bochum en Dortmund) in het Ruhrgebied volgend jaar een groot regionaal project. Maar hoe kan dat eigenlijk? Het Ruhrgebied is toch geen stad, hoe kan het dan hoofdstad zijn? En wat doet Nederland met zo’n hoofdstad naast de deur? En is er misschien iets te leren voor de Nederlandse kandidaatsteden die in 2018 graag de begeerde titel willen dragen?

De organisatie, een projectbureau met Essen als thuisbasis, laat niet na te benadrukken de het hele Ruhrgebied Culturele Hoofdstad is. In een programma dat draait om vier thema’s –creatieve stad, stad van mogelijkheden, kunstenstad en en stad van culturen– staan steeds de 53 steden van het Ruhrgebied centraal, met hun 100 concertgebouwen, 200 musea, 19 universiteiten 250 festivals en 120 theaters op zo’n 5,3 miljoen inwoners.

“Het Ruhrgebied is een nieuw soort stad, diffuus en zonder vaststaand centrum”, zegt Mariette Pieckenbrock, programmaleider van het thema Stadt der Künste. “Het is een langdurig sociaal proces om dat te bereiken, maar inmiddels leeft dat gevoel sterk bij de bewoners. Nu willen we dit idee naar buiten brengen: het Ruhrgebied als eenheid in plaats van als landschap met geïsoleerde productiepunten. We hopen en verwachten dat kunstenaars in het gebied gaan opereren alsof het één stad is.”

“Oorspronkelijk heeft de stad Essen zich kandidaat gesteld onder het motto ‘Essen für das Ruhrgebiet’, omdat de Europese regels niet toelaten dat een regio zich kandidaat stelt”, verklaart Piekenbrock. “Maar we raakten er steeds meer van overtuigd dat we ons uitgangspunt, het ontwikkelen van nieuwe ideeën over wat steden zijn en wat je er kunt doen, consequent moesten doorvoeren en dat we de regio centraal moesten stellen. Daarom werken we nu onder de naam Ruhr 2010 en niet Essen 2010.”

“We kiezen binnen dat hoofdthema wel voor een topografische indeling met vijf lokale zwaartepunten, grofweg in te delen als: industrieel (wereld)erfgoed in het gebied rond Essen, kunst in en rond Duisburg, entertainment in Oberhausen, festivals in Bochum en creatieve industrie in Dortmund.” Tussen deze gebieden door lopen van oost naar west als corridors de rivieren Lippe, Emscher en Ruhr en de belangrijkste oost-westverbinding: de snelweg A40, bijgenaamd ‘Hellweg passage’, een van de drukste stukken snelweg van Duitsland, met 100.000 auto’s per uur over 70 kilometer asfalt.

Overigens is een focus op de regio ook weer niet zo heel uitzonderlijk. Zowel Luxemburg (in 1995) als Lille (2004) presenteerden een Culturele Hoofdstad-programma waarin de regio sterk betrokken was. Maar de Ruhr presenteert zich met nadruk als multipolaire stad, in plaats van als centrum en ommeland. Die opmerkelijke aanpak heeft ook zijn weerslag op de organisatievorm. In tegenstelling tot ‘gebruikelijk’ heeft Ruhr 2010 niet één intendant, maar heeft elk van de vier programmalijnen een eigen directeur.

Piekenbrock verwacht geen problemen met die toch nogal versplinterde aandacht en thema’s van het hele project: “We hebben een hele duidelijke basisthematiek rondom urban development en wat ik maar toekomstontwikkeling zal noemen, en we hebben alle vier eigen instrumenten om die thema’s uit te werken. Mijn instrumenten zijn artistiek, die van Bernd Fesel (projectleider van Stadt der Kreativität) zijn economisch, anderen hebben sociale of politieke middelen. De programma’s worden dus complementair. De bevolking verwacht entertainment en dat bieden we ook. Maar mijn missie is een andere, meer artistieke.”

En in het uitwerken van die thematiek naar concrete evenementen zit het volgende en eigenlijk belangrijkste kenmerk van Ruhr 2010. “We hebben al heel vroeg bepaald dat we niet wilden gaan ‘winkelen’,” zegt Piekenbrock, “Dat wil zeggen: met een groot budget de buitenlandse festivals afgaan en de mooiste voorstellingen kopen voor ons project. Wij willen juist uitgaan van datgene wat hier al is, aan theaters, orkesten, festivals en musea. De organisatie wil zo min mogelijk eigen beleid opleggen, maar juist zien wat onze thematiek losmaakt bij de instellingen in de regio.”

“We starten nu een aantal paraplu-projecten die erop gericht zijn om samenwerking op te zetten op lokaal niveau, met lokale partners”, verklaart Piekenbrock. “Een voorbeeld is ons Odyssee project: het verhaal van Homerus geïnterpreteerd door zes internationale auteurs, gespeeld door de zes grote theaters. Het publiek ziet zes voorstellingen door in een weekend langs alle theaters te reizen. Het is een samenwerking op voor Duistland ongekend niveau. De zes directeuren van de grote stadstheaters in het Ruhrgebied hadden zelfs nog nooit met elkaar aan tafel gezeten! En dat is niet uitzonderlijk in Duitsland. De gezelschappen, maar ook andere culturele instellingen in een regio zien elkaar van oudsher als concurrenten, het idee van samenwerking is niet vanzelfsprekend. Zelfs nu nog zijn er af en toe problemen. Het communicatie-aspect van het hele project Ruhr 2010 is dan ook zeer belangrijk.”

Bernd Fesel heeft vergelijkbare ervaringen op zijn werkterrein van de creatieve industrie: “Wij organiseren ronde-tafelgesprekken tussen politici en ondernemers, dat is in Duitsland tamelijk revolutionair. Maar het is wel nodig, want de creatieven moet zichtbaarder worden. Bij de overheden zie je té vaak dat de afdelingen van economische zaken geen apart beleid voor creatieve industrie hebben, en dat de kunstdepartementen zich alleen bezighouden met gesubsidieerde instellingen.”

Ook voor Fesel geldt dat het mobiliseren van de lokale spelers de eerste prioriteit is: “Veel bedrijven in de creatieve sector, denk aan reclamebureaus, games-ontwikkelaars, fotografen, werken alleen lokaal. Wij proberen ze regionaal te laten samenwerken, wat uiteindelijk weer een Europese uitstraling geeft. Zo proberen we om de creatieve industrie een eigen gezicht te geven, maar het blijft ons uitgangspunt om dienstbaar te zijn aan de wensen van de ondernemers. Het eerste concrete resultaat is een Games Technology Center, het eerste business center voor games in Europa.” Samenvattend zegt Fesel: “Het uitgangspunt bij alle programmalijnen is bottom up in plaats van top down.”

Het doel van al die inspanningen reikt dan ook veel verder dan de einddatum van 31 december 2010. Hier wordt een hele regio diepgaand geherpositioneerd. Niet langer moeten we bij het Ruhrgebied denken aan vergane industriële glorie, maar aan creativiteit, dynamiek en vrijheid.

Daarbij neemt Piekenbrock in haar kunstprogramma het voortouw: “We nodigen regisseurs, artistiek leiders en andere kunstenaars uit de rest van Duitsland en Europa uit om naar ons te komen, hier een tijd te wonen en werk te maken en zo ons te inspireren. Zo ontstaan nieuwe combinaties, nieuwe netwerken en nieuwe ontdekkingen.” Onder de door Piekenbrock uitgenodigde Duitse kunstenaars zijn bekende namen uit het internationale avant-garde circuit: theatermaker René Pollesch, choreograaf VA Wölfl en kritisch kunstcollectief Rimini Protokoll. “Dat zijn allemaal kunstenaars die sociale structuren onderzoeken en proberen te veranderen. Niet op een instrumentele manier, maar radicaal en kritisch. Zij kunnen in de langere tijd dat ze hier werken een kritisch discours ontwikkelen over de sociale ontwikkeling. Ja, wellicht ook over het hele project Ruhr 2010 zelf, want dat is natuurlijk ook niet vrij van problemen. Maar juist kunstenaars hebben het recht en het vermogen om de problemen te lijf te gaan, vanwege hun authentieke stem.”

Die focus op de lange termijn lijkt soms zelfs een beetje ten koste te gaan van het denken over het jaar 2010 zelf: “We willen niet per se heel veel toeristen naar het Ruhrgebied lokken,” zegt Piekenbrock: “In de eerste plaats willen we een programma maken voor de mensen die hier leven.” Fesel denkt er net zo over: “Zeker binnen het thema creatieve industrie zijn we eigenlijk niet op zoek naar bezoekers, maar juist naar de creatieve klasse. Ik denk dat het essentieel voor de regio is om gastvrijer en flexibeler te worden. We hebben hier heel veel ruimte, schitterende maar door bureaucratisch gedoe vaak ongebruikte industriële locaties. We willen dat creatieve mensen uit heel Europa hier een paar maanden komen wonen. Ik denk dat het verzamelen van die creativiteit van vitaal belang is voor de toekomst van de streek. Als we het imago van het Ruhrgebied succesvol in die richting kunnen veranderen dan zal dat nog decennia lang effect hebben.”

Nederland heeft binnen het internationale programma van Ruhr 2010 een stevige rol. Aanjager van de reeks activiteiten is Inez Boogaarts, voormalig directeur van de SICA en nu hoofd culturele zaken van het Nederlands Consulaat in Düsseldorf. Voor haar is de Nederlands-Duitse samenwerking niet meer dan vanzelfsprekend: “Nederland en de deelstaat Nordrhein-Westfalen –waar het Ruhrgebied in ligt- zijn op economisch en cultureel gebied al sterk vervlochten. De export over en weer is enorm en er is veel Nederlands toerisme in de regio. Het is tenslotte vlak over de grens. Het Nederlandse publiek zal dus sowieso een belangrijke rol spelen bij Ruhr 2010, de organisatie mikt daar ook op in haar publiekswerving.”

“Wij willen van de gelegenheid gebruik maken om ook de culturele banden verder te verstevigen. Dat is natuurlijk niet geheel vrij van opportunisme: zo’n prestigieus project trekt geld aan en Nederland kan nog eens extra laten zien wat ze in huis heeft. Maar er zit ook zeker een element van goed nabuurschap in: we willen het Ruhrgebied feliciteren met zijn successen en als het ware een cadeau geven. Maar voor ons is uitwisseling essentieel: het is fantastisch om Nederlandse kunstenaars in Duitsland te presenteren, maar we vinden het net zo belangrijk om Duitse kunstenaars bij ons uit te nodigen.”

Het Nederlandse cadeau bestaat vooral uit theater, muziek, architectuur en creatieve industrie. De invulling wordt overgelaten aan de diverse sectorinstituten die daarvoor allemaal weer een eigen aanpak volgen: het Theater Instituut Nederland coördineert een gezamenlijk programma dat bestaat uit enerzijds een grootschalige theatervoorstelling van Ivo van Hove en een Duitse editie van De Parade en anderzijds investering in lange termijn-samenwerking tussen Nederlandse kunstenaars als Lotte van den Berg en Dries Verhoeven en Duitse gezelschappen en festivals. De creatieve industrie mikt juist op uitwisseling op stedelijk niveau: bijvoorbeeld tussen designstad Eindhoven en Dortmund, waar veel nieuwe materialen worden ontwikkeld.

Een aantal Nederlandse bezoekers die het project met grote belangstelling volgen zijn de kandidaatsteden voor de Culturele Hoofdstad die Nederland in 2018 mag leveren. In 2014 zal de Nederlandse regering daarover een beslissing nemen en in de aanloop naar dat jaar heeft zich al een groot aantal steden gemeld, waaronder Almere, Den Haag en Utrecht. “Er zijn al verschillende delegaties langs gekomen”, zegt Boogaarts, “en ook bij hen zie je die drang naar een regionale aanpak. Maastricht wil zelfs over de grens samenwerken met Luik, Hasselt en Aken. Dat is nog eens internationale samenwerking, maar voor de commissie die moet beslissen over Culturele Hoofdstad is dat eigenlijk niet mogelijk. Ook Tilburg, Eindhoven, Helmond, Den Bosch en Breda, die zich samen kandidaat willen stellen onder de naam Brabantstad en die ook op politiek gebied al zeer actief zijn, zullen één stad moeten kiezen als indiener.”

Het is echter de vraag hoeveel advies de Nederlanders mee naar huis hebben kunnen nemen. Grappig genoeg merk je dat de Duitsers juist veel bewondering hebben voor onze pragmatische non-nonsense aanpak. Zowel Piekenbrock als Fesel zijn bijna verontschuldigend over de verhalen over moeizame samenwerking tussen verschillende organisaties in de toch nog behoorlijk hiërarchische Bondsrepubliek. “Duitsers waarderen de flexibiliteit van Nederlanders en het feit dat ze niet in hokjes denken”, zegt Boogaarts. “Het is in Duitsland ongewoon om in de vroegste fases van een project al iedereen, van kunstenaar tot projectontwikkelaar tot politicus, met elkaar om de tafel te zetten.”

Maar Boogaarts houdt zich vooral bezig met inhoudelijke zaken: “De rol van het consulaat is die van makelaar en adviseur. We brengen de verschillende partijen bij elkaar, zorgen voor informatie via de website en geven bijvoorbeeld advies over PR en persbenadering. Nederlanders verkijken zich nogal eens op het versplinterde Duitse medialandschap, waarbij regionale media een veel grotere rol spelen dan in Nederland. Daarnaast werken we op dit moment aan een overkoepelend, samenbindend concept om de verschillende activiteiten zo zichtbaar mogelijk te maken. Het moet een collectieve, herkenbare presentatie vanuit Nederland worden.”

Maar volgens Boogaarts heeft het consulaat niet alles in de hand: “De projectorganisatie van Ruhr 2010 doet veel, maar daarnaast hebben veel van de 53 gemeentes ook nog eigen plannen, waarbij soms Nederlandse kunstenaars betrokken zijn. En veel mensen komen hier op eigen initiatief een tijd werken, ook veel Nederlanders. Veel creatieve mensen kijken nog naar Berlijn voor mogelijkheden, culturele innovatie en goedkope atelierruimte, maar veel dichterbij kan het ook. Er is hier zoveel ruimte, meer dan je in Nederland voor mogelijk kunt houden. Het is een fascinerend gebied.”

www.ruhr2010.de
dus.niederlandeweb.de/ruhr2010

0 Comments »

No comments yet.

RSS feed for comments on this post. TrackBack URI

Leave a comment

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2017 Simber | powered by WordPress with Barecity