Recensie: ‘De Filantroop’ van Genio de Groot

Parool,recensies — simber op 27 september 2009 om 11:40 uur
tags: , ,

Wat is erger? Een kevertje zijn pootjes uittrekken en een vogeltje laten stikken in een glazen pot of het lijden van dieren in de bio-industrie in stand houden door vlees te eten? Graham Underwood vindt het laatste en als u dat met hem eens bent heeft hij u nog veel meer te vertellen. Maar pas op: Underwood is een seriemoordenaar en voor u het weet heeft hij zichzelf vrijgepleit van zijn gruwelijke daden.

Underwood is het hoofdpersonage uit het boek De Filantroop van de Engelse psychiater en columnist Theodore Dalrymple, die ook in Nederland bekendheid geniet als conservatief en criticus van het liberale gedachtegoed. Het boek werd door acteur Genio de Groot voor het theater bewerkt en ging dit weekend in première in aanwezigheid van de auteur.

De Filantroop is een solo van De Groot, opgevoerd als afwisseling van Underwood’s redevoering over ethiek en zijn herinneringen. Met sonore stem en veel rust dient hij de slimme redeneringen op onderbouwd met argumenten ontleent aan De Sade, Dostojevski en Celine. Het centrale punt van Dalrymple – de liberale ethiek van moreel relativisme kan gemakkelijk gebruikt worden om het slechte te vergoeilijken – komt in deze hyperbolische case study helder naar voren.

De Groot maakt van Underwood een ver neefje van Hannibal Lecter, met obsessieve precisie legt voorwerpen precies in de hoek of in het midden van de tafel. Met een zakdoekje veegt hij alle oppervlakken die hij aanraakt schoon. Klavecimbelmuziek maakt het beeld van de intellectuele psychopaat helemaal af

Een punt is dat De Groot nog erg onvast is in de tekst, met verwarrende versprekingen tot gevolg. Maar een veel groter probleem is dat zijn podiumuitstraling veel te aardig is voor deze rol. In het decor van grof gelaste stalen meubels blijft hij een vriendelijke oom en de zwaarte van zijn 22 moorden verdampt in de smeuïg opgediende argumentaties. Zo verdampt de eventuele spanning van een seriemoordenaar die zich weet te rechtvaardigen en wat overblijft is  een vlakke voorstelling.

Eén moment breekt daar doorheen. Als de filantroop een serie pakjes uitstalt en even de suggestie weet te wekken dat in het touw en pakpapier een in stukken gehakt mensenlichaam zit. Verder blijf het intellectuele spielerei.

Na afloop van de voorstelling was Dalrymple te gast van een nagesprek waar hij zich witty en welbespraakt, uit de losse pols Burke en Shakespeare citerend, door de in moeizaam Engels gestelde vragen loodste. Hij toonde zich daarbij een stuk genuanceerder dan in zijn columns.

Met een mengeling van geamuseerdheid en zorg vertelde hij over twee boeken over echte seriemoordenaars die onlangs verschenen: “Ze bleken verbazingwekkend overeenkomstige argumenten te gebruiken als mijn Filantroop.”

Dalrymple prijst de “gepassioneerde” acteur De Groot en hoopt dat succes in Nederland zou helpen om het stuk ook in Engeland op het toneel te krijgen. Hij verwacht niet dat zijn tegengestelde politieke visie een probleem zal zijn in de kunstwereld: “Dat zou paranoïde zijn.”

De Filantroop van Genio de Groot. Gezien 26/9 in Bellevue. Tournee t/m 19/12. Meer info op www.defilantroop.net

 

Seizoensoverzicht 2008/2009

Met de enorme stelselherziening in het theaterveld achter de rug kunnen we weer nadenken over de kunst, zou je denken. Maar zo simpel ligt dat niet. Het afgelopen seizoen boden de grote gezelschappen weinig avontuur en neigden de vlakke vloeren opvallend naar non-fictief documentairetheater.

In seizoen 2008-2009 werden de laatste slagen gemaakt van de grote beleidshervorming in het theaterveld. Op 1 januari 2009 trad de Basisinfrastructuur in werking: acht gezelschappen verspreid over het land moeten het kwaliteitstheater waarborgen, productiehuizen verzorgen de ontwikkeling van nieuw talent en de rest van de groepen werd ondergebracht bij het nieuwe Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+ (NFPK).

De meeste regiogezelschappen in de Basisinfrastructuur hebben een nieuwe artistiek leider, die nog maar een half seizoen aan de weg timmert. Ola Mafaalani lijkt in Groningen haar zaken het snelst op orde te hebben. Ze regisseerde zelf een goed ontvangen Medea en de ‘country-musical’ Heelhuids en halsoverkop van Ko van den Bosch werd geselecteerd voor het Nederlands Theaterfestival TF-1. In Arnhem ging de artistieke kern ‘over nul’, wat betekende dat met het aantreden van Rob Klinkenberg als intendant en Erik Whien en Marcus Azzini als regisseurs alle artistieke uitgangspunten opnieuw werden geformuleerd. Vooralsnog leverde het een aantal halfgeslaagde producties op, waaruit vooral duidelijk werd dat de regisseurs en het nieuwe, jonge spelersensemble nog hard op zoek zijn naar een nieuwe invulling van het begrip ‘groot gezelschap’.
Continue reading “Seizoensoverzicht 2008/2009” »

Interview Janni Goslinga

interviews,Parool — simber op 18 september 2009 om 10:02 uur
tags: , , , ,

Een stuk over mannen die waardeloos vastgoed verkopen aan mannen die het niet kunnen betalen. Glengarry Glen Ross van David Mamet lijkt een actueel commentaar op de kredietcrisis. Toch is het stuk al bijna dertig jaar oud. Als enige vrouw tussen zes mannen speelt Janni Goslinga in de voorstelling van Toneelgroep Amsterdam die morgen in première gaat. “Je wilt er graag genuanceerd over denken, maar alle clichés over mannen en vrouwen en geld blijken waar te zijn.”

“Het is zeker ook een weelderige positie, zo in je eentje met die zes jongens”, lacht Goslinga een paar dagen voor de première in de bibliotheek van de Toneelschuur. “Repeteren met een groep mannen onder elkaar is ongecompliceerd: niet lullen maar doen. Maar het is ook lastig, want ik vertegenwoordig ‘de vrouw’ op het toneel, en dat kun je eigenlijk niet spelen.”

In Glengarry Glen Ross proberen vier makelaars bij een louche kantoor continu waardeloze vastgoedbeleggingen te verkopen aan goedgelovige klanten. Mamet schreef geen vrouwenrollen in het stuk, maar regisseur Eric de Vroedt gaf Goslinga twee kleine rollen en laat haar voortdurend aanwezig zijn op het podium, zodat ze een contrast wordt voor het gierende testosteron. “In het eerste deel ben ik een serveerster in een ultrahippe Aziatische loungebar, de droom van al die mannen, die hen troost en veiligheid geeft en over wie ze vieze grappen maken.”

“Later wordt ik een politievrouw”, zegt Goslinga: “Niet in uniform, meer een rechercheur van de afdeling financieel toezicht. Dan ben ik de nachtmerrie voor alle mannen, een vrouw met een hoge positie en een frigide bril.” Regisseur De Vroedt, vooral bekend van Mightysociety, zijn serie politiek geëngageerde voorstellingen, wil ook in deze voorstelling de Nederlandse actualiteit binnenhalen. “Die agente vindt ik een typisch Eric de Vroedt-personage”, verklaart Goslinga: “Een vrouw met een lichte burn-out die door zich aan de procedure te houden een vorm van beschaving probeert te handhaven, terwijl om haar heen de mensen elkaar afmaken. Het is de Hollandse poldermentaliteit: ze maakt het nog erger omdat ze niet ingrijpt.”

In de voorbereiding op de voorstelling spraken de acteurs met een verkoper van woekerpolissen die wroeging kreeg en onderzoeksjournalist werd. “Dat was wel confronterend”, vertelt Goslinga, “omdat in zijn werk bleek dat zoveel van die clichés over mannen en vrouwen zo vreselijk blijken te kloppen. De mannen in zo’n callcenter verkopen niet aan vrouwen, want die laten zich blijkbaar niet inpakken aan de telefoon. “Don’t pitch the bitch”, zeggen ze tegen elkaar. Ze spreken de mannelijke klanten aan op hun ego en dat werkt. Zelfs een van de acteurs in de voorstelling is zo een paar mille kwijt geraakt. Hij is “erin getrapt”. Zo noemen die verkopers het zélf.”

Is de crisis eigenlijk al voelbaar in de gesubsidieerde kunsten? “Nóg niet”, zegt Goslinga pessimistisch. “Ik heb natuurlijk een comfortabele positie, maar ik zie in mijn omgeving de subsidiepotten en de sponsoring wel minder worden. Als er te weinig geld is is kunst ineens luxe. Maar enger vind  ik het gevoel dat de bodem wegvalt: als we lucht verkopen aan wanbetalers, dan is alles alleen maar opgeklopte emotie. Dat werkt ook door in onze voorstelling: het zit vol met vaudeville en acts en verwijzingen. Het gaat óver spelen. De stijl van Eric past heel goed bij de manier waarop die mannen hun klanten bedotten. Het is allebei koorddansen zonder vangnet.”

Glengarry Glen Ross wordt gemaakt in het kader van TA2, een traject voor jonge regisseurs van Toneelgroep Amsterdam en de Toneelschuur in Haarlem. Goslinga is er enthousiast over: “Het was vroeger heel moeilijk voor jonge regisseurs om bij Toneelgroep Amsterdam te werken. Er was altijd veel druk van het apparaat dat een groot gezelschap toch is: decor en techniek en de acteurs. Regisseurs klampten zich dan vast aan hun strenge concept en ik heb mezelf ook wel eens horen zeggen “maar zo doen wij dat niet.” Door het gebrek aan ruimte werden acteurs en regisseurs een karikatuur van zichzelf.”

Binnen TA2 kunnen regisseurs een paar jaar binnen Toneelgroep Amsterdam werken. Voorstellingen worden niet meteen voor de leeuwen gegooid in de Amsterdamse Stadsschouwburg, maar spelen in de Toneelschuur, met daarna een korte tournee. “Dat geeft veel meer ruimte. Misschien is het ook een nieuwe generatie regisseurs, die echt iets uit te zoeken hebben met acteurs. Het is fijn om met iemand van je eigen generatie te werken; je hebt het over andere films, over andere muziek. Je kan citeren uit Youtube filmpjes of verwijzen The Office. Met leeftijdgenoten heb je een ander referentiekader. Maar sowieso moet je als acteur met jonge regisseurs werken. Als je dat niet doet kun je net zo goed in je graf gaan liggen.”

Glengarry Glen Ross gaat morgen in première in de Toneelschuur in Haarlem. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Theater op televisie

overig — simber op 17 september 2009 om 17:19 uur
tags: , , , ,

Geschreven voor 609, het nieuwe kwartaal tijdschrift van het Mediafonds (voorheen Stimuleringsfonds Culturele Omroepproducties)

Na een hiaat van een paar decennia worden er in augustus weer registraties van toneelvoorstellingen uitgezonden op de Nederlandse televisie. Het project, van (televisie-) producent en regisseur Marc Nelissen, wordt met spanning tegemoet gezien, maar roept ook vragen op. Want wat is de beste manier om theater op televisie te vertonen? Moet je theater registreren als een voetbalwedstrijd? Of moet je adapteren en een nieuw autonoom kunstwerk maken? Zijn er tussenvormen denkbaar? Simon van den Berg vroeg makers die de kloof tussen theater en televisie overbruggen naar hun opvattingen over hoe beide elkaar kunnen aanvullen.

In de toneelwereld wordt er nogal eens nostalgisch aan gerefereerd: de toneelregistraties uit de jaren vijftig en zestig. Iedere donderdagavond werd een stuk uit het toneelrepertoire uitgezonden door een van de publieke omroepen. In de decennia erna gingen omroepen zelf drama produceren specifiek voor het medium, en theater kreeg minder en minder ruimte op televisie.

Een nieuw project wil de trend keren. De stichting Theater en Televisie van (televisie-)producent en regisseur Marc Nelissen registreerde afgelopen theaterseizoen zes voorstellingen, die eind augustus rondom de Uitmarkt integraal worden uitgezonden (zie kader). Het project is een samenwerking van de stichting met de NPS, AVRO en VPRO en wordt ondersteund door het Cobofonds en acteursbelangenorganisatie Norma.

Maar bij de presentatie van de eerste beelden liet Theu Boermans in een toespraak weten dat het verhaal wat hem betref nog niet klaar was met deze registraties. Hij denkt dat het mogelijk moet zijn om één voorstelling van het begin af aan te maken voor zowel het podium als het televisiescherm. Bij het project van Marc Nelissen gaat het om zuivere registraties –Nelissen zelf gebruikt graag de vergelijking met uitzendingen van voetbalwedstrijden-, Boermans zou eigenlijk adaptaties willen maken met aanpassingen in de voorstellingen om ze beter geschikt te maken voor televisie.

Een paar weken later legt Boermans in een gesprek zijn idee uit. “Ik vind de registratie van mijn voorstelling De Koopman van Venetië goed geslaagd. Maar als ik van te voren had geweten dat dit zou worden opgenomen en uitgezonden had ik parallel een tweede versie kunnen maken. Voor het maakproces is het verschil niet zo groot. Je concept en je personageontwikkeling blijven hetzelfde, je gebruikt alleen een andere taal. Maar toneel is één totaalbeeld, door mise-en-scène maak je als het ware close-ups en medium shots. Ik zoek in een tekst altijd naar de scharnierpunten in het verhaal en in de verhoudingen tussen de personages. In een theatervoorstelling worden die gemaakt door de acteurs en de vormgeving, in film vervang je dat door montage.”

“De vrijheid die je wint als je vooraf weet dat je het gaat bewerken voor televisie is dat je kunt gaan nadenken over de plek waar het zich afspeelt”, vervolgt Boermans. “Het hoeft niet in het toneeldecor, het kan op locatie of in een studio. Je kunt gaan nadenken of publiek erbij een meerwaarde heeft of juist niet. Ik had De Koopman van Venetië graag willen opnemen in een studio, zodat het zich helemaal in de zilveren, abstracte wereld van het toneeldecor had kunnen afspelen, zonder publiek. Dat had een bepaalde verdichting en spanning gegeven die bij deze voorstelling past. We hadden wat kunnen schrappen in de tekst – een oogopslag die je in het theater niet ziet zegt even veel als drie zinnen tekst. Bovendien hadden we kunnen oefenen op camera, waarbij de acteurs kleiner spelen. Ik had die twee versies tegelijkertijd kunnen repeteren, dat was niet zoveel moeite geweest.”

Marc Nelissen, die zelf de registratie van De Koopman van Venetië regisseerde, is op z’n zachtst gezegd niet enthousiast over de plannen van Boermans: “Ik vind het een onzalig plan. Theatermakers moeten een zo goed mogelijke voorstelling maken, en ik moet die zo goed mogelijk vastleggen. Natuurlijk doen we daarbij lichte aanpassingen -soms moet de camera voor een paar close-ups op het toneel, dat doen we dan ’s middags, of we veranderen hele kleine dingen aan een voorstelling die anders slecht te zien zijn-, maar als je dat te ver doorvoert kom je tussen twee werelden terecht. Je kunt ook niet “een beetje” adapteren, dat is heilloos. Je komt dan in een schemergebied vol compromissen. Je kunt het natuurlijk wel helemaal los van elkaar trekken en er een nieuw, apart script van maken. Dan wordt het een ander verhaal.”

Nelissen is vooral tegen het weglaten van het publiek in de televisieversie: “Met het publiek erbij wordt het een beleving, het is één take, één spanningsboog en dat geeft een geheel eigen dynamiek. Een voetbalwedstrijd zonder publiek op televisie is is niks. Op televisie zie je andere dingen dan in het stadion, maar dat er publiek bij is is essentieel. Dat is te vergelijken met het verschil tussen een een gloedvolle avond Concertgebouworkest in de zaal met de spanning en de ontlading die daarbij hoort, of het vangen van de perfecte klank in een klinische studio. Het zijn verschillende dingen, en je moet een keuze maken.”

Peter de Baan is milder: “Het lijkt me moeilijk om gelijktijdig na te denken over twee versies.” De Baan is van oorsprong toneelregisseur, maar maakte in het kader van het Theater op Televisieproject de registratie van Ivo van Hove’s De Getemde Feeks. Hij ziet vooral de praktische voordelen: “Het is natuurlijk geweldig als je in één seizoen een voorstelling kan maken en daarna een filmversie. Er is winst te halen op op produktioneel niveau als je dat allemaal van tevoren kan vastleggen. Maar dat heeft pas zin als je dezelfde acteurs gebruikt, die hebben al gelééfd in het stuk. Bovendien kunnen vrijwel alle acteurs tegenwoordig zowel film als toneel. Maar toch geldt voor mij dat ik liever de voorstelling zou maken vanuit de vrijheid dat het alleen voor toneel is. Dat is ook een verschil in persoonlijkheid tussen Theu en mij.”

Actrice en schrijfster Joan Nederlof, tevens artistiek leider van theatergroep Mugmetdegoudentand heeft een ander perspectief: “Ik ben niet zo onder de indruk van wat ik tot nu toe van deze registraties heb gezien. Er is heel rigide gekozen dat het geen adaptaties mochten zijn, en ik snap niet zo goed waarom. Dit zal voornamelijk als effect hebben dat mensen die niet naar het toneel gaan bevestigd worden in hun idee dat het maar een vreemd medium is dat niet voor hen is. Bij de filmversie van onze voorstelling Smoeder kozen we voor een adaptatie op een simpele manier: ee speelden het in een café, met publiek eromheen. Daarmee werd het veel toegankelijker en dichterbij dan een registratie in het theater had kunnen zijn. Maar dat had niet binnen dit project gepast omdat het te veel adaptatie zou zijn.”

Boermans is zich er zeer wel van bewust dat zijn aanpak niet bij iedere voorstelling past: “Het beeld is soms te groot, of de vorm en het acteren zijn te abstract, en vooral wanneer de acteurs door de vierde wand breken accepteert het publiek dat niet altijd, omdat film toch meer in de naturalistische traditie staat. De registratie van De Koopman van Venetië werkt mede omdat het een retorisch stuk is, situationeel gespeeld met herkenbare personages. Maar abstractie is in principe geen belemmering. Als toeschouwer ga je mee met de personages, niet met de vorm. Je kunt prima een volkomen abstract decor maken, als de personages en hun tekst maar aangepast zijn aan de film.”

Een voorbeeld van die methode is de film 1000 Rosen, die Boermans in 1994 maakte met zijn gezelschap De Trust, naar het gelijknamige toneelstuk van Gustav Ernst. “Die tekst bestond uit eindeloze monologen. De personages in het stuk zijn overbewust en spreken alles uit. In de film hebben we dat allemaal omgeschreven naar de situatie en op basis daarvan nieuwe dialogen geschreven. We probeerden een equivalent te vinden voor de toneeltaal door het in een merkwaardig Nederduits dialect te spelen. Daardoor moesten we het ondertitelen en zo werd het tekstuele van Gustav Ernst via een omweg weer poëzie. Dat is een voorbeeld van een oplossing voor een algemeen probleem: toneeltekst is heel erg kunstmatig op film: toneelpersonages spreken hun gedachtes uit, het lijkt meer op een voice-over. Die abstractielaag in taal hoort bij toneel.”

De Baan heeft een vergelijkbare ervaring: “Ik werk nu aan een televisiescenario van Volmaakt Geluk, een toneeltekst van Charles den Tex en mij die ik vorig jaar regisseerde. Het leent zich goed voor een filmversie, het is een verbaal gevecht, met spitse dialogen en een makkelijk soort moderniteit. Maar ik moet er veel meer beelden bij maken. In het algemeen kun je zeggen dat onder invloed van film toneelschrijvers de specifieke kracht van theater opzoeken: personages die elkaar psychologisch uitbenen door middel van praten. De beelden die in zo’n tekst zitten moet je op de een of andere manier omzetten.”

Bij het adapteren van Volmaakt Geluk krijgt De Baan ook te maken met een tweede, minder inhoudelijk aspect van de verhouding tussen theater en televisie: de grote afstand tussen beide werelden. “Toneel is veel makkelijker te organiseren,” merkt hij op, “Film blijft tot in een laat stadium onzeker. Er is nogal wat wilskracht voor nodig om iets voor elkaar te krijgen. Je moet van elastiek zijn en van eikenhout. Er zijn ook weinig contacten over en weer. Natuurlijk, op het niveau van de acteurs lopen de werelden van toneel en film volledig door elkaar. Maar op gebied van regisseurs helemaal niet. Er is ook veel wantrouwen over en weer, maar vooral van film naar toneel.”

Boermans heeft dat wantrouwen aan den lijve ondervonden: “Toen we 1000 Rosen maakten en daarna de televisieserie De Partizanen kregen we klachten van de Vereniging van Speelfilmproducenten. Wij konden goedkoper werken, omdat de acteurs in vaste dienst waren van het gezelschap. Dat vonden zij oneigenlijke concurrentie. Dat soort denken blijft bestaan totdat de opleidingen meer gaan samenwerken. Ik zou dan ook willen nadenken of het mogelijk is dat de Toneelschool en de Filmacademie bepaalde lessen gezamenlijk gaan geven. De kern van beide vakgebieden, het dramatische conflict, is toch hetzelfde.”

Alle regisseurs die ik sprak pleiten voor meer flexibiliteit en durf bij de omroepen en de fondsen: “Bij de Publieke Omroep gaat het nu wel goed met de kijkcijfers, maar niet met de kwaliteit,” vat Nederlof de meningen samen, “Als je op zoek gaat naar nieuwe vormen moet je risico nemen, en daarvoor is geen ruimte. De politiek moet de omroepen ook dwingen om meer èchte cultuur te brengen.” Voor de nabije toekomst ziet Nelissen vooral mogelijkheden voor het uitbreiden van het huidige registratieproject: “Het vastleggen voor het nageslacht vind ik belangrijk, dus een making of, of interviews met de betrokkenen zijn heel waardevol.”

De Baan wil juist een stap verder gaan: “In een vervolgproject zou je moeten proberen er film van te maken. Of in ieder geval: twee autonome produkten met dezelfde auteur. Een stuk of drie projecten met regisseurs die de ervaring hebben.” Boermans pleit voor verdergaande samenwerking tussen theatermakers en televisieproducenten: “Bij dramaturgieafdelingen van toneelgezelschappen zit heel veel know-how. Dramaturgen lezen heel veel van wat er voor toneel wordt geschreven, terwijl ze bij de televisie altijd enorm hard op zoek zijn naar nieuwe scripts. Het zou goed zijn als dramaturgie-afdelingen zelf aan planontwikkeling konden doen. Je zou willen dat er een loket is voor dit soort plannen, als contactpunt tussen theater en televisie. Er moet een biotoop zijn waar plannen ‘omroeprijp’ gemaakt kunnen worden.

Sidebar: De registraties:

Het temmen van de feeks van Toneelgroep Amsterdam
theaterregie: Ivo van Hove, televisieregie: Peter de Baan

Geslacht van Het Toneel Speelt
theaterregie: Ger Thijs, televisieregie: Peter de Baan

De Koopman van Venetië van de Theatercompagnie
theaterregie: Theu Boermans, televisieregie: Marc Nelissen

Op hoop van zegen van Het Toneel Speelt
theaterregie: Jaap Spijkers, televisieregie: Eddy Habbema

Blackface van Orkater
theaterregie: Vincent van Warmerdam en Michel Sluysmans, televisieregie: Marc Nelissen

Tocht van het Ro Theater
theaterregie: Alize Zandwijk, televisieregie: nnb

De registraties worden vanaf 28 augustus wekelijks uitgezonden op vrijdag en zaterdag.

Voorspelling VSCD Toneelprijzen

meningen,overig,Parool — simber op 11 september 2009 om 09:58 uur
tags:

Morgenavond worden de jaarlijkse toneelprijzen Louis d’Or en Theo d’Or uitgereikt tijdens een gala in de Stadsschouwburg. Natuurlijk gaan de prijzen over de beste acteerprestaties, maar op de achtergrond spelen altijd andere zaken een rol. Toneelrecensent Simon van den Berg –die zelf drie jaar jurylid was- waagt een voorspelling.

Nee, corrupt is de jury niet; de negen juryleden –schouwburgdirecteuren, programmeurs en critici- kwijten zich integer en vol enthousiasme van hun taak, maar uiteindelijk heeft iedereen lijstjes en stokpaardjes. En daarnaast heeft de prijs zo z’n eigen wetmatigheden.

Zo gebeurt het regelmatig dat acteurs de prijs relatief laat in hun carrière krijgen. Als ze jong zijn vindt de jury ze nog te wild of niet rijp, maar na een paar jaar worden hun rollen toch weer niet zo goed gevonden als hun eerdere werk. Een jury gaat dan als het ware zitten wachten op een beloonbare rol. Hans Kesting, vorig jaar winnaar van de Louis d’Or en Will van Kralingen (Theo d’Or 2007) weten daar alles van. Datzelfde mechanisme werkt dit jaar in het voordeel van Pierre Bokma. In een schitterende, tragische hoofdrol in De Koopman van Venetië liet hij zien hoe goed hij ook alweer is en de Louis d’Or (zijn tweede) is zo goed als gegarandeerd.

Bij de vrouwen werkt het op dezelfde manier. Ariane Schluter en Sacha Bulthuis wonnen de Theo d’Or beiden twee keer, en vooral Schluter heeft de reputatie van eeuwige winnares. Het lijkt daarom logisch dat Lineke Rijxman, een veelgeprezen actrice met tot nu toe slechts een Colombina in de kast, de grote kanshebber is.

Bij de bijrollen is het spannender. Dood Paard, toch lange tijd een marge-groep voor liefhebbers, blijkt ineens salonfähig met twee nominaties voor spelers in Ritter Dene Voss. Ik denk dat de jury nominatie al beloning genoeg vindt en bij de Colombina zal de strijd dan ook gaan tussen oudgediende Sylvia Poorta (die in 1996 al de Theo d’Or won) en relatieve nieuwkomer Wine Dierickx. De Colombina wordt wel vaker gebruikt als veredelde aanmoedigingsprijs (Fania Sorel in 2007, Carice van Houten in 2003) dus ik zet mijn geld op Dierickx.

Bij de Arlecchino tenslotte wordt het echt spannend. Ik gok op Martijn Nieuwerf van ’t Barre Land, ook al zo’n beeldbepalende groep die al lang door de jury wordt genegeerd. En de altijd onvoorspelbare Toneel Publieksprijs, waarvoor Op hoop van zegen tip – of misschien toch Kamp Holland van Orkater.

En dan is er nog de Prosceniumprijs voor mensen of groepen die “een wezenlijke bijdrage” hebben geleverd aan het Nederlands toneel. Dat is natuurlijk een vage omschrijving en het hangt er maar net vanaf hoe de jury die dit jaar interpreteert. De prijs zou kunnen gaan naar een groep met lange, constante staat van dienst (Mugmetdegoudentand bijvoorbeeld), een theatermaker op de toppen van zijn kunnen (Johan Simons wellicht) of een vakman die zijn of haar werk achter de schermen doet (zoals lichtontwerper Uri Rapaport). Daar valt verder niet over te speculeren, de prijs kent geen nominaties.

Die onduidelijkheid rond de Prosceniumprijs doet voelen dat het theater een prijs te kort komt: een prestigieuze (jury-)prijs voor de beste voorstelling van het seizoen. Over dit gemis wordt al jaren vergaderd, maar dit jaar gooien twee theaterjournalisten (Constant Meijers van theatertijdschrift TM en Wilfred Takken van NRC Handelsblad) een welkome steen in de vijver. Zij gaan morgen de eerste Gouden Bouwmeester uitreiken. En dat doen ze niet op het gala, maar op een alternatief feest in het Rozentheater, waar nog veel meer ‘vergeten toneelprijzen’ zoals de Vergulde  Kniertje (beste actrice in de kleine zaal) en de Gipsen Gymschoen (voor de beste theaterprogrammeur, met een knipoog naar het schoeisel van Stadsschouwburgdirecteur Melle Daamen) worden uitgereikt.

De organisatoren van de Gouden Bouwmeester hebben geen nominaties bekend gemaakt, maar ik denk dat Tien Geboden van NT Gent een goede kans maakt.We zullen zien of regisseur Johan Simons de gang van de Stadsschouwburg naar het Rozentheater zal gaan maken.

Sidebar: De Genomineerden:

Theo d’Or (beste vrouwelijke hoofdrol):

  • Lineke Rijxman voor Hannah en Martin van Mugmetdegoudentand
  • Sacha Bulthuis voor Ben ik al geboren van De Appel
  • Ariane Schluter voor Medea van Het Nationale Toneel

Louis d’Or (beste mannelijke hoofdrol):

  • Arjan Ederveen voor Tocht van het Ro Theater
  • Pierre Bokma voor De Koopman van Venetië van De Theatercompagnie
  • Bert Luppes voor De Geit of: Wie is Sylvia van het Onafhankelijk Toneel

Colombina (beste vrouwelijke bijrol):

  • Sylvia Poorta voor Het laatste vuur van het Ro Theater
  • Manja Topper voor Ritter Dene Voss van Dood Paard
  • Wine Dierickx voor Tien Geboden van NT Gent en Wunderbaum

Arlecchino (beste mannelijke bijrol):

  • Jeroen Spitzenberger voor Romeo en Julia van Het Nationale Toneel
  • Oscar van Rompay voor Tien Geboden van NT Gent en Wunderbaum
  • Benny Claessens voor Ritter Dene Voss van Dood Paard
  • Martijn Nieuwerf voor De laatste dagen der mensheid van ‘t Barre Land

Gala van het Nederlands Theater: zondag 13 september 20 uur in de Stadsschouwburg, op uitnodiging
Bal! De avond van de vergeten toneelprijzen: zondag 13 september vanaf 20 uur in het Rozentheater, toegang 10 euro. Meer info op www.rozentheater.nl

Recensie: ‘Stalker’ van Nieuw West

Parool,recensies — simber op 11 september 2009 om 01:18 uur
tags: , , , ,

Stipt om negen uur gaat de bel. Het hele gezelschap van zes mensen rond een eettafel bij een theaterminnend stel op het Java-eiland valt ongemakkelijk stil. De heer de huizes opent de deur en komt even later binnen met acteur Marien Jongewaard. Mager, tanig en bleek is hij, met camouflagekleren aan, een capuchon op en een verfrommeld plastic tasje bij zich. Hij is de stalker en hij heeft een verhaal.

‘Gimmick’ is niet helemaal het goede woord, maar theatergroep Nieuw West doet regelmatig onorthodoxe ingrepen in de theatersituatie. Ze speelden ooit een voorstelling om vier uur ’s nachts, zetten echte junks op het toneel of speelden een voorstelling met open bar, zodat na een uur zowel spelers als publiek stomdronken waren. En nu speelt Marien Jongewaard de voorstelling Stalker dus bij mensen thuis. Geïnteresseerden kunnen zich opgeven bij Theater Frascati.

Nu is Jongewaard is een acteur met een zeldzame intensiteit. Hij heeft gevaar aan zich hangen, acteert met onverwacht heftige uithalen, speelt doelbewust met conventies en taboes. Kortom, iemand om met enige omzichtigheid in je huis te halen.

Maar Jongewaard laat zich in Stalker vooral van zijn kwetsbare kant zien. Vaste Nieuw West-schrijver Rob de Graaf schreef een tekst op basis van de gelijknamige film van Andrej Tarkovski. De stalker vertelt, met omwegen en poëtische ellipsen over zijn tocht met een wetenschapper en een schrijver door verboden zone van een desolate stad, op zoek naar een die een wens vervult als je er naar binnen gaat.

Maar eigenlijk doet de inhoud van de teksten van Rob de Graaf er niet meer toe. De elementen zijn grotendeels hetzelfde als zijn eerdere stukken voor Nieuw West: de eeuwige maatschappelijke randfiguur in kapotgemaakte, postindustriële wereld; de hoop op geborgenheid, de flirts met messen en fascisme; de zoektocht naar iets zuivers in een verrotte wereld.

Rond de tafel zittend, Jongewaard op een vuilnisbak, gaat het om de nabijheid van een vreemde, het ongemak, de wanhopige vraag om contact. En dan verzamelt de stalker zijn spullen en vertrekt hij weer. De deur laat hij open.

Stalker van Nieuw West. Gezien 10/9. Nog te zien tot 12/9. Kaarten en informatie via Frascati. www.theaterfrascati.nl

Recensie: ‘Degrotemond’ van Skagen (TF)

Parool,recensies — simber op 9 september 2009 om 22:06 uur
tags: , , , , ,

Het is een cliché dat politiek eigenlijk theater is, maar de Vlaamse groep Skagen weet er een mooie draai aan te geven. Valentijn Dhaenens, acteur bij het Antwerpse collectief, maakte een collage van beroemde redevoeringen en voert ze op als monoloog, alleen achter vijf sets microfoons. Zowel het Nederlandse als het Vlaamse Theaterfestival selecteerde de voorstelling, in Amsterdam is hij op locatie te zien in de laboratiumzaal van de UvA.

Dhaenens koos korte fragmenten en we schieten in de tijd heen en weer tussen Pericles en Louis Farrakhan; van de Grootinquisiteur uit de Gebroeders Karamazov tot George Bush sr. én jr. Je mag grinniken bij een satirische imitatie van koning Boudewijn die niet de Belgische abortuswet wil tekenen, je ongemak weglachen bij de voorzitter van het Vlaams Belang die in Washington zijn standpunten uiteenzet, bedachtzaam nadenken over Goebbels’ oproep tot “de totale oorlog” en meevoelen met het hoopvolle, maar wraakzuchtige enthousiasme van Lumumba bij de onafhankelijkheid van Congo.

Steeds verplaatst hij van de ene bundel microfoons naar de andere, steeds kiest hij een andere stijl, een virtuoze acteur met oog en oor voor retorisch effect. Tussendoor klinken intermezzo’s van zang, getrommel en tekstflarden die Dhaenens live maakt en die via ingenieuze sampling tot muziek en achtergrondgeluid worden gemixt. Het versterkt de eenzaamheid van de redenaar –gevangen op het podium voor het publiek- en zijn steeds grotere afhankelijkheid van techniek.

De lijkrede van Pericles is het sleutelmoment. Hij roemt de eer van de voor het vaderland gevallen helden. Keer op keer gaat het in de door Dhaenens’ gekozen fragmenten erom individuen onderdeel te maken van een groter, meestal nationaal verband, of het nu Tommy is, wiens vader op 9/11 omkwam, de Duitse vrouwen die van Goebbels niet meer uit eten of naar de kapper mogen, de soldaten van generaal Patton die de strijd in worden gestuurd  of de zwarte Amerikanen die zich volgens Louis Farrakhan moeten verenigen tot een “Zwart Amerika”.

In België is dat soort nation building natuurlijk gevoelige materie en het is jammer dat Dhaenens zijn scepsis ten opzichte van mooie woorden voor twijfelachtige zaken iets te veel laat door laat schemeren. Hij zorgt namelijk op andere plekken al voor een contrapunt: een paar speeches van individuen die zich juist niet willen onderwerpen: de Italiaanse immigrant Nicola Sacco die in Amerika onterecht ter dood werd veroordeeld; Koning Boudewijn die zijn zijn geloof in God volgt; Socrates die zich verdedigd tegen beschuldigingen tegen hem. Daar zit voor de toeschouwer de ruimte om zelf te kiezen tussen wantrouwen of geestdrift.

Degrotemond van Skagen. Gezien 31/8 in Brussel. Te zien in Amsterdam (Nederlands Theaterfestival) 11 t/m 18/9 . Meer info op www.tf.nl en www.skagen.be

Recensie: ‘De Geit ­of Wie is Sylvia?’ van het Onafhankelijk Toneel (TF)

Parool,recensies — simber op 7 september 2009 om 11:20 uur
tags: , , , , ,

Een man, een vrouw, een zoon, een vriend en een geit. Architect Martin, gespeeld door Bert Luppes, is vijftig, heeft een droomopdracht gekregen voor een ‘stad van de toekomst’, wint de Pritzkerprijs en zijn relatie met zijn vrouw Stevie is ook nog steeds fantastisch. Zijn succes en welvaart liggen er dik bovenop, maar het is noodzakelijk om de schok des te heftiger te maken: Martin gaat vreemd met een geit.

De Geit ­of Wie is Sylvia? uit 2002 is een laat stuk van Edward Albee, voornamelijk bekend van Wie is er bang voor Virginia Woolf? (gisteren nog verkozen tot het op-één-na-beste toneelstuk aller tijden) waarin hij opnieuw de relaties tussen weldenkende mensen fileert. De voorstelling van het OT uit Rotterdam werd geselecteerd als seizoenshoogtepunt voor het Nederlands Theaterfestival. Maar ondanks mooie acteerprestaties lijkt het alsof het gezelschap de kern gemist heeft.

In drie scènes schroeft Albee het ongemak steeds strakker aan. Eerst de bekentenis aan Martin’s vriend, de hypocriete Ross –een mooi villeine rol van Willem de Wolf- dan de vlammende confrontatie tussen Martin en Stevie en ten slotte een gesprek tussen vader en zoon, die kort te voren uit de kast is gekomen.

Vooral die tweede scène is erg goed; want hoe kun je überhaupt met je partner praten over seks met en verliefdheid op een dier? In het zicht van die afgrond houden Martin en Stevie zich vast aan sarcasme en taalspelletjes. “Naar bed gaan? Naar het hooi zul je bedoelen!”, zegt Stevie, een iets te eendimensionale rol van Ria Eimers.

Het is jammer dat het OT koos voor een gestileerd decor –een abstract huisje en een diagonale rij tafels met servies dat door Eimers met beredeneerde woede kapot wordt gegooid. Een taboe dat zo onvoorstelbaar is heeft een realistischer bedding nodig.

Luppes’ Martin wankelt tussen wanhoop en gelukzaligheid. Het is een knappe acteerprestatie, genomineerd voor een Louis d’Or, maar op een vreemde manier leidt dat af van waar het werkelijk om gaat. De makers lijken de verliefdheid van een man op een geit geloofwaardig te willen maken. Maar die geit is natuurlijk een truc van Albee om het over iets anders te hebben: De Geit gaat niet over bestialiteit, maar over liefde, met de irrationaliteit die daarbij hoort en de onschuld die Martin zoekt.

Op de eerste uitvoering van de reprise liep het nog niet helemaal vlekkeloos, wellicht staat op het Theaterfestival een scherpere, pijnlijker voorstelling, die meer is dan zedenkomedie met een absurde premisse.

De Geit ­of Wie is Sylvia? van het Onafhankelijk Toneel. Gezien 27/8/09 in Rotterdam. Te zien in Amsterdam (Nederlands Theaterfestival) 8 en 9/9. Meer info op www.tf.nl

Interview Ilay den Boer

interviews,Parool — simber op 3 september 2009 om 09:14 uur
tags: , ,

Met zijn eerste eigen voorstelling Eet Smakelijk werd hij meteen geselecteerd voor het Vlaamse Theaterfestival. De jonge theatermaker Ilay den Boer (Jeruzalem, 1986) is er nog een beetje beduusd van. En dan is Eet Smakelijk ook nog eens een een hyperpersoonlijk project, politiek geladen en met een bijzondere setting: een voorstelling aan een eettafel. Eet Smakelijk is vanaf morgen als speciale Vlaamse keuze ook op het Nederlands Theaterfestival te zien. “Ik gebruik mijn familie als middel om het over de situatie in Israël te hebben.”

Met twintig mensen zit je aan tafel. Den Boer stelt zich persoonlijk aan iedereen voor. Hij neemt ons mee naar de feestmaaltijd na zijn eigen Bar Mitswa in Jeruzalem. Toeschouwers krijgen de rollen van ooms, grootmoeders en andere familie. Den Boer vertelt over zijn moeder, haar beslissing om na de geboorte van haar zoon naar Nederland te vertrekken en zijn eigen beslissing om zijn Bar Mitswa –de rituele overgang van jongen naar man- in Jeruzalem te vieren, zijn moeizame verhouding met zijn geboorteland en het politieke mijnenveld waar je in belandt als je het over de problemen in het Midden Oosten wilt hebben.

“Het is fijn om te merken dat alle aandacht die bij zo’n festival hoort gaat over de thematiek en niet over mijn prestaties”, zegt Den Boer op een bankje in zonnig Brussel, waar Eet Smakelijk deze week te zien is. “Ik probeer in de voorstelling een bepaalde onmacht uit te drukken van een jong mens die een identiteit moet ontwikkelen. Oordelen is makkelijk. Ik wil laten zien hoe complex het is.”

En met succes. De voorstelling, begonnen als werkplaatsproduktie bij het Huis van Bourgondië in Maastricht, werd opgepikt, eerst als randprogramma bij Mightysociety6, toen door verschillende festivals, daarna de selectie voor het Vlaamse Theaterfestival en inmiddels liggen er uitnodigingen om de voorstelling te spelen in Duitsland. “Dat is natuurlijk enorm eervol. Toen ik werd geselecteerd was ik erg in de war. Ik dacht eerst dat ik tussen Johan Simons en Ivo van Hove zou staan, want dat associeerde ik met Het Theaterfestival. Toen ik de rest van de selectie zag begreep ik het beter. De Vlaamse jury heeft een specifiek inhoudelijk verhaal willen vertellen. De Nederlandse jury keek meer naar vakmatigheid.”

Zijn moeder was betrokken bij het project, hoewel zij ook het onderwerp is. “Het is minder pijnlijk dan het misschien lijkt. Ik gebruik mijn familie als vorm, als middel om het over iets anders te hebben. Ze worden personages die niet zo veel meer te maken hebben met de echte mensen. Niet alles wat ik vertel is waar. Maar ik wil een denkproces op gang krijgen. Hoe het is om een persoon te zijn binnen die ingewikkelde politieke situatie.”

“Iedere avond is anders: mijn  verhaal is hetzelfde, maar op een gegeven moment ga ik in gesprek met het publiek. Dat is een cruciaal moment, want het publiek zorgt voor de sfeer van de avond. Het kan extreme wendingen krijgen –een vader kreeg een keer tijdens de voorstelling ontzettende ruzie met zijn dochter over de thematiek- maar meestal gaat het heel makkelijk; door het samen eten, doordat ik mensen vraag om een aantal handelingen te doen, wijn in te schenken of een brief voor te lezen, ontstaat een open sfeer.”

Alsof het al niet bijzonder genoeg is om met je eerste voorstelling zoveel lof te oogsten, is Den Boer eigenlijk autodidact: “Ik heb twee jaar de opleiding Theaterdocent gedaan, maar dat was het niet voor mij. Ik heb lang in Frascati en De Brakke Grond gewerkt, en achter de bar in de Blincker. Daar zag ik wel vier of vijf voorstellingen per week. Discordia en ’t Barre Land leerden me veel over toneelspelen ookal begreep ik de eerste keren heel weinig van. Mightysociety2 van Eric de Vroedt was een eyeopener op het gebied van engagement: dat je wat je in de krant leest zo direct op het toneel kunt zetten.”

“Tegelijkertijd werkte ik met Lucas de Man en zijn stichting Nieuwe Helden. Wij willen allebei fictie in de realiteit injecteren en op die manier ontregelen en mensen aan het denken zetten. Zo kwam ik op dit plan, om iets te maken met mijn achtergrond, mijn familie en identiteit. In het begin was het heel ongericht. Toen kwam ik op het idee om er een reeks van te maken: zes voorstellingen over mijn familie met als titel Het Beloofde Feest: Eet Smakelijk over mijn moeder, op Festival Over het IJ maakte ik afgelopen zomer Janken en Schieten over mijn oma, mijn opa, vader, broertje en ik zelf komen de komende twee seizoenen aan de beurt.”

“Maar ik heb ook een lijstje met droomstukken die ik graag zou regisseren; Ghetto van Joshua Sobol of Ajax van Sophokles. Op een gegeven moment zal ik wel stoppen met ego-documenten.”

Te zien 4 t/m 6/9 in de Brakke Grond. Meer info op www.tf.nl en www.huisvanbourgondie.nl

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2017 Simber | powered by WordPress with Barecity