Seizoensoverzicht 2008/2009

Met de enorme stelselherziening in het theaterveld achter de rug kunnen we weer nadenken over de kunst, zou je denken. Maar zo simpel ligt dat niet. Het afgelopen seizoen boden de grote gezelschappen weinig avontuur en neigden de vlakke vloeren opvallend naar non-fictief documentairetheater.

In seizoen 2008-2009 werden de laatste slagen gemaakt van de grote beleidshervorming in het theaterveld. Op 1 januari 2009 trad de Basisinfrastructuur in werking: acht gezelschappen verspreid over het land moeten het kwaliteitstheater waarborgen, productiehuizen verzorgen de ontwikkeling van nieuw talent en de rest van de groepen werd ondergebracht bij het nieuwe Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+ (NFPK).

De meeste regiogezelschappen in de Basisinfrastructuur hebben een nieuwe artistiek leider, die nog maar een half seizoen aan de weg timmert. Ola Mafaalani lijkt in Groningen haar zaken het snelst op orde te hebben. Ze regisseerde zelf een goed ontvangen Medea en de ‘country-musical’ Heelhuids en halsoverkop van Ko van den Bosch werd geselecteerd voor het Nederlands Theaterfestival TF-1. In Arnhem ging de artistieke kern ‘over nul’, wat betekende dat met het aantreden van Rob Klinkenberg als intendant en Erik Whien en Marcus Azzini als regisseurs alle artistieke uitgangspunten opnieuw werden geformuleerd. Vooralsnog leverde het een aantal halfgeslaagde producties op, waaruit vooral duidelijk werd dat de regisseurs en het nieuwe, jonge spelersensemble nog hard op zoek zijn naar een nieuwe invulling van het begrip ‘groot gezelschap’.

De Utrechtse Spelen, de onhandige nieuwe naam voor de opvolger van De Paardenkathedraal, presenteerde zich borstkloppend met een avondvullende sneak preview. Maar de eerste voorstelling, The beauty queen of Leenane, een coproductie met Albert Verlindes V&V Entertainment, werd door de critici unaniem in de pan gehakt. Jos Thies ambitie een echt publieksgezelschap op te zetten dat de helft van zijn inkomsten uit kaartverkoop kan halen, wordt vooralsnog met lichte scepsis bekeken. En Toneelgroep Maastricht, de fusie van Els Inc. en Het Vervolg, houdt de kaarten nog tegen de borst en speelt haar eerste voorstelling pas in september.

De organisatorische vernieuwing zorgde, samen met de weinig opzienbarende voorstellingen van de overige grote gezelschappen en een wat minder seizoen van Ivo van Hove, voor weinig vuurwerk in de Basisinfrastructuur. Een keurig aangeharkt kunstenveld leidt vooralsnog tot een iets te keurig aangeharkt toneelaanbod.
Des te meer viel het aanbod van de kleinere gezelschappen op. Sterke voorstellingen van Mugmetdegoudentand, ’t Barre Land, De Warme Winkel, Touki Delphine, Stan en andere groepen verrieden een treffende voorkeur voor non-fictie in het vlakkevloertheater.
Zo was de theatrale documentaire een veelgezien genre. De Warme Winkel werkte verder aan haar serie over Oostenrijkse intellectuelen met Villa Europa over Stefan Zweig en Alma over Alma Mahler. Lineke Rijxman en Willem de Wolf onderzochten in Hannah en Martin bij Mugmetdegoudentand de relatie tussen Arendt en Heidegger. En Discordia speelde About Beckett in plaats van werk van de Ierse schrijver zelf.

Exponenten van de documentairetrend zijn ook  Eric de Vroedt en Marijke Schermer met hun ‘nieuw geëngageerde’ theater. Opnieuw stutten beiden dit seizoen de maatschappelijke relevantie van hun voorstellingen (Mightysociety6 en Safety first) met uitvoerige research naar hun onderwerp (respectievelijk de oorlog in Afghanistan en de discussie over privacy versus veiligheid).
In het verlengde daarvan ligt Kamp Holland van Orkater, waarvoor schrijvers Geert Lageveen en Leopold Witte de Nederlandse soldaten in Uruzgan bezochten. Minder politiek geladen waren de voorstellingen Zeeuwse vrouwen van Zeelandia, naar het oral history-boek van Kees Slager, Elfstêdetocht van Tryater over de tocht der tochten en Beer tourist van Wunderbaum over Engelse lads in de Oekraïne.

De Vroedt, Schermer en in mindere mate Wunderbaum delen duidelijk een enigszins abstracte maatschappelijke betrokkenheid. Daarnaast lijkt het afgelopen jaar ineens een bijzonder persoonlijk engagement op te rukken. Het beste voorbeeld daarvan is de geslaagde autobiografische voorstelling Eet smakelijk van Ilay den Boer, waarin de maker ons meeneemt naar zijn bar mitswa. Hij toont ons het Israëlisch-Palestijns conflict vanuit zijn eigen, moeizame verhouding met zijn moederland Israël.
Ook in enkele internationale festivalvoorstellingen gaven zetten theatermakers blijk van een persoonlijke drijfveerhun levensverhaal in om theater te maken. In Black ties van de Duitse groep Rimini Protokoll vertelt performer Miriam Yung Min Stein hoe zij als Koreaans adoptiekind in een Duits gezin terechtkwam, met een print van haar eigen genetische code als decor. En dan was er natuurlijk, in het Holland Festival, de hoogmis Ein Kirche der Angst vor dem Fremden in mir die de stervende theatermaker Christoph Schlingensief voor zijn eigen longkanker maakte.

In meer voorstellingenmakers dan in eerdere seizoenen maakten de spelers het maken van de voorstelling zelf tot inzet. Zo was het magistrale De laatste dagen der mensheid van ’t Barre Land vóór alles een onderzoek van de toneelspelers naar de uitvoerbaarheid van dit onspeelbaar geachte, langste toneelstuk aller tijden – dat overigens ook weer gebaseerd is op documentair materiaal. Maar de Barre Land-acteurs waren niet de enigen. In Villa Europa onderzochten Vincent Rietveld en Mara van Vlijmen expliciet hun houding tot de naar schoonheid zoekende intellectueel Stefan Zweig en Hannah en Martin was niet alleen een scherpe confrontatie tussen de filosofieën van Arendt en Heidegger, maar vooral ook een gevecht van Lineke Rijxman en Willem de Wolf met het bronmateriaal en met elkaar.
In de lelijkheid van Touki Delphine zette in de eerste scène de methode uiteen waarmee het muziektheaterbandje zijn zoektocht naar lelijkheid was begonnen. In We hebben een/het boek (niet) gelezen gingen acteurs van De Koe, Stan, Discordia en Dood Paard samen met (wederom) Willem de Wolf op speels postmoderne wijze De toverberg van Thomas Mann te lijf, na het boek al dan niet te hebben gelezen. Zelfs in de vet commerciële productie Romeo over Julia van Rick Engelkes Producties en MTV – overigens wel geregisseerd door Marcus Azzini – waren sporen van deze aanpak te vinden.

Ook deze methode blijft niet beperkt tot Nederland. De Amerikaanse groep Oklahoma State Theater presenteerde een hilarische Romeo and Juliette, gebaseerd op telefoongesprekken met vrienden en kennissen wie de theatermakers vroegen de plot van Shakespeares klassieker na te vertellen. W.M.D (Just the low points) van hun collega’s Sponsored by Nobody dramatiseerde de ontvangst van het defensierapport waarin werd bekendgemaakt  dat er geen massavernietigingswapens waren gevonden in Irak.
Het is allemaal niet helemaal nieuw – het ademt de invloed van Erwin Piscator, de Duitse theatervernieuwer uit de jaren twintig – maar samen vormen deze drie trends, de theaterdocumentaire, de autobiografie en het theatermakenr zélf als inzet, een opmerkelijke onderstroom in het hedendaagse theater: de theatrale non-fictie.

Waar komt deze voorkeur vandaan? Duidt het wellicht op een gebrek aan vertrouwen in verhalen? Daar lijkt het soms op. Koos Terpstra sprak al een aantal jaren geleden over de dood van de metafoor: het publiek heeft geen ervaring meer met het vertalen van fictieve gebeurtenissen naar zijn eigen leven, dus moet je als kunstenaar zo expliciet mogelijk zijn in je opvattingen.
Maar misschien is er niet zozeer sprake van te weinig fictie, maar van te veel. In een artikel in de Guardian introduceerde scenarioschrijver Paul Schrader (Taxi driver, Raging bull) de term ‘narrative exhaustion’. Een hedendaagse dertiger heeft er volgens hem al zo’n 35 duizend uur aan audiovisuele verhalen op zitten, dus alle mogelijke plots, personages en variaties zijn hem allemaal uitputtend bekend. Televisie en film zoeken hun uitweg in reality tv, historisch drama en videogames, of wijken uit naar kunstvormen die niet meer reflecteren op de werkelijkheid, maar haar mede scheppen. (Zoals de documentaire Enjoy poverty van Renzo Martens – opmerkelijk genoeg, maar in dit kader begrijpelijk, uitgekozen voor het Vlaams Theaterfestival.) Theater ontwikkelt zijn eigen non-fictie.
Wat misschien wel het interessantst is aan die theatrale non-fictie is dat het als trend überhaupt nog opvalt. We leven al minstens een decennium in het postdramatische tijdperk, een term geïntroduceerd door de Duitse theaterwetenschapper Hans Thies Lehmann die doelde op theater waarvan niet langer de tekst het uitgangspunt en belangrijkste onderdeel vormt. Toch hebben verreweg de meeste theaterproducties uiteindelijk toch nog een narratieve structuur.

Er waren afgelopen seizoen twee makers die uit hun wantrouwen jegens fictie en acteren de uiterste consequentie trokken. Met Als gekken maakte Laura van Dolron een bewerking van de film Idioterne van Lars von Trier, waarmee ze een zoektocht naar waarachtigheid in gang zette door steeds expliciet de kunstmatigheid van de onderneming te benadrukken. Lucas de Man maakte Roll with it, een improvisatieavond van vijf acteurs over oprechtheid, die achteraf volledig in scène blijkt gezet.
Maar beide makers komen er niet uit. Van Dolron ageert tegen een naturalistische toneelvorm die al lang is achterhaald en het benadrukken van de kunstmatigheid van haar eigen werk toont nog steeds niet aan dat andere voorstellingen net zo kunstmatig zijn. Of zoals minirecensent ‘Virginia’ het op Moose formuleerde: ‘Van Dolrons vrijblijvende geklets over de “onmogelijkheid om iets echts te doen op een toneel” is een uitvlucht. Het is wél mogelijk iets echts te doen op een toneel. Dat weet iedereen. Het is alleen doodeng.’ (Het ironische is dat Van Dolron dat wel degelijk durft, zoals ze eerder in het seizoen liet zien in haar voorstelling Welk stuk?, waarin ze elke avond op het toneel stond met een voor haar van tevoren onbekende tegenspeler.) De Man maakt uiteindelijk een vergelijkbare uitvlucht, maar cynischer, omdat hij de naïeve blik van de toeschouwer afstraft.

De theatrale non-fictie gaat blijkbaar pas werken als ze uitgaat van de kracht van theater en niet van zijn zwakte. In voorstellingen als Alma, Hannah en Martin of De laatste dagen der mensheid worden alle theatrale middelen uit de kast getrokken en naast elkaar gezet, van vaudeville tot method acting, van video tot slapstick, van fysiek, clownesk acteren tot beeldende verstilling. Misschien voelen deze makers dat de constructie van een verhaal een niet te herroepen stijlkeuze zou vereisen. Theatrale non-fictie geeft hun de vrijheid een caleidoscopisch wereldbeeld te schetsen en daarmee authentieker en waarachtiger te reflecteren op de actuele realiteit.
Het zou me daarom niet verbazen als theatrale non-fictie een blijvend fenomeen wordt, net zoals filmbewerkingen inmiddels een vaste plek op het repertoire hebben gekregen. Fictie is uiteindelijk de afspraak tussen kunstenaar en publiek dat het getoonde binnen een specifiek kader moet worden bekeken; zodra die afspraak niet meer wordt nageleefd, is fictie dood. De maker kan die afspraak opzeggen, zoals Van Dolron en De Man doen, maar het publiek kan dat ook, zoals gebeurde bij het relletje rond de roman Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje, waarbij gekwetste lezers geen onderscheid wensten te maken tussen de auteur en zijn hoofdpersoon.

Dan kun je als maker maar beter in de voorstelling zelf zeggen wat je gaat doen en hoe je daartoe bent gekomen. Non-fictie is natuurlijk ook een constructie, maar een waarvan de afspraken nu nog niet ter discussie staan. Fictie blijft heus wel bestaan op het toneel, maar waarschijnlijk is non-fictie dé manier om je publiek in 2009 zo veel mogelijk serieus te nemen.

[kader 1]
Top vijf 2008-2009:
1. Hannah en Martin, Mugmetdegoudentand
Veellagige voorstelling over filosofie en het echte leven, over acteren en identiteit, over Lineke Rijxman en Willem de Wolf. Filosofische worstelpartij zonder winnaar met verve op het toneel gebracht.
2. Hedda Gabler, Het Nationale Toneel
Hardhandige deconstructie van Ibsen, waarbij de zwartgalligheid van de interpretatie effectief in balans wordt gehouden door subtiele humor en het intens ironische acteren van hoofdrolspeelster Çigdem Teke.
3. Kreon, Zuidpool
Vier klassieke tragedies messcherp gemoderniseerd tot uitgebeend teksttoneel met fenomenale acteerprestaties van Jan Bijvoet en Sofie Decleir. Zo lang dit nog kan worden gemaakt, is fictie niet dood.
4. De Laatste Dagen der Mensheid, ’t Barre Land
Hyperbolische stortvloed aan lagen, metaforen, acteurs (met vertalers), stijlen, Witzen en grapjes, actuele verwijzingen, krantjes, mystificaties, met in het midden ineens een uurlange dialoog tussen een kniesoor en een optimist waarin alle eventuele argumenten vóór oorlog definitief worden ontmaskerd.
5. Op hoop van Zegen, Het Toneel Speelt
Strakke, stijlvaste repertoirevoorstelling zonder enige postmoderne of postdramatische ingreep. In dit geval zeer het aanzien waard, vooral door de enorme kracht van Heijermans’ stuk.
Bonus: Villa Europa en Alma, De Warme Winkel
De Warme Winkel beweegt zich een beetje onder de radar lijkt het, maar met de Oostenrijkse reeks bouwt de groep een schitterende serie. Hypertheatraal, dramaturgisch doorwrocht, maar toch toegankelijk. ‘State of the art-toneel’, zou Martin Schouten zeggen.

[kader 2]
Tip vijf 2009-2010
1. De gebroeders Karamazov, Ro Theater, vanaf 17 oktober 2009
Alize Zandwijk gaat weer een Rus doen, en wat voor een. De ultieme episch-filosofische tearjerker, duizend pagina’s in een paar uur.
2. Orlando, Oostpool, vanaf 4 november 2009
Marcus Azzini regisseert Virginia Woolfs verhaal over een man die driehonderd jaar leeft en in een vrouw verandert, bewerkt door opkomend schrijftalent Joeri Vos.
3. Hamlet, Schaubühne am Lehniner Platz, 18 en 19 december 2009
Thomas Ostermeier en Marius von Mayenburg maakten Hamlet als harde afrekening met de Generatie Y. Essentieel theater uit Berlijn, slechts twee dagen in Nederland.
4. Rosencrantz & Guildernstern are dead, ’t Barre Land, vanaf maart 2010
’t Barre Land wil de postmoderne backstage comedy van Tom Stoppard, over twee figuranten in Hamlet, opvoeren als uitbreiding op en voetnoot bij zijn eigen Hamlet van tien jaar geleden.
5. De man zonder eigenschappen, Het Toneelhuis, vanaf 10 juni 2010
Guy Cassiers begint aan een nieuwe cyclus naar het omvangrijke boek van Musil, spelend aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, geschreven aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Voelt u de doem al?

0 Comments »

No comments yet.

RSS feed for comments on this post. TrackBack URI

Leave a comment

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2018 Simber | powered by WordPress with Barecity