Interview Gillis Biesheuvel

interviews,Theatermaker — simber op 21 september 2010 om 15:29 uur
tags: , ,

Met zijn tanige lijf, verzorgde sik en gouden oorbel ziet Gillis Biesheuvel (1972) er niet uit als de doorsnee toneelspeler. Dat is hij dan ook niet. Op het toneel heeft hij iets manisch, oncontroleerbaars. Maar in de van seks doortrokken voorstelling Reigen van zijn groep Dood Paard is hij, jonglerend met sigaren en sabels, daarnaast ook onweerstaanbaar grappig. Een Arlecchino nominatie was zijn deel. “Ik zoek de opstand tegen de keurigheid.”

Half juli. Bij de meeste toneelgezelschappen is het kantoor al afgesloten en het antwoordapparaat ingeschakeld, maar niet bij Dood Paard. Begin juni ging hun nieuwe voorstelling Answer Me in première op het Alkantara festival in Lissabon en de spelers maken zich op voor een zomerse tournee langs Estland en Denemarken voordat de voorstelling in september in Nederland te zien is op het festival De Internationale Keuze in Rotterdam.

Aan een grote tafel in het atelier van Dood Paard aan de Herengracht in Amsterdam vertelt Biesheuvel over het zomerproject: “Het Alkantra festival wordt geleidt door een Belg, Thomas Walgrave, die eerder ontwerper was bij Stan. Ik had al eens op het festival gestaan met een voorstelling met Stan, waarin we samenwerkten met een aantal Portugese acteurs. Het was de bedoeling om die specifiek Nederlands/Vlaamse acteerstijl in Portugal te introduceren.”

“Nu spelen we Answer me, een nieuwe tekst van Gerardjan Rijnders. Hij speelt zelf ook mee en we hebben twee Portugese gastacteurs. Rijnders schreef het stuk in het Nederlands, maar het is vertaald en we spelen het in het Engels. Dat is lastig, we hebben langer gerepeteerd speciaal om ons te trainen in Brits Engels. Het is niet Euro-taal zoals in Medeia, dit moet proper English zijn, en we moeten het soepel en losjes kunnen uitspreken. Maar een vreemde taal blijft anders. Je kunt in het Nederlands subtieler zijn, maar in het Engels meer met het ritme spelen, juist omdat het niet je moedertaal is.”

Biesheuvel, geboren in Amsterdam, kwam bij het toneel via een jongerenproductie van Toneelgroep Amsterdam. “Op m’n zestiende deed ik auditie voor een jongerenversie van King Lear. Alize Zandwijk regisseerde. Vanaf toen wist ik dat ik naar de toneelschool wilde. Alize zei toen meteen: jij moet naar Arnhem. Ik wist toen niet zo goed waarom ze dat zo stellig zei, maar achteraf  begrijp ik het wel. De toneelschool in Arnhem vormt je, maar heeft ook veel ruimte voor de creativiteit die je zelf meeneemt.”

Hij zat in de klas bij Vincent van den Berg, Anouk Driessen en nog een paar mensen die nu ’t Barre Land vormen, maar sloot zich al snel aan bij het groepje van de paar jaar oudere Manja Topper, Oscar van Woensel en Kuno Bakker. Met Bakker maakte hij z’n eerste Dood Paard-voorstelling, Succes. “Het was een voorstelling naar het boek van Martin Amis, dat we voor tachtig procent uit ons hoofd hadden geleerd. We wilden samen met die tekst kunnen improviseren. Het was heel moeilijk en pas helemaal aan het einde van de tournee lukte het, maar het was wel belangrijk dát het lukte.”

Samen met ’t Barre Land was Dood Paard in de jaren negentig en nul dé vertegenwoordiging van avant garde-toneel van hun generatie. Voortbouwend op de traditie van Maatschappij Discordia speelden ze direct en brutaal op het publiek, dat de gespeelde zelfverzekerdheid en bestudeerde lelijkheid in hun voorstellingen niet altijd leek te begrijpen.

Maar daarin lijkt verandering gekomen. Vorig jaar was Manja Topper al genomineerd voor de Colombina en gastspeler Benny Claessens won de Arlecchino voor zijn rol in Ritter Dene Voss. Met die prijzen, internationale coproducties en buitenlandse tournees lijkt het wel alsof Dood Paard salonfähig geworden is. Maar een dergelijke houding ten opzicht van de theaterwereld is Biesheuvel vreemd. “De nominatie van Manja en de prijs voor Benny vorig jaar waren geweldig. Het hielp ons om meer aandacht te krijgen voor het gezelschap. Maar bij het spelen van Reigen waren we er niet mee bezig.” Lachend: “Ik weet ook niet hoe de juryleden eruit zien, dus we konden niet kijken of ze in de zaal zaten.”

Die prijzen helpen natuurlijk wel. “We kregen voor Reigen even wat meer aandacht en veel voorpubliciteit. Maar na de avond van de uitreiking was het voor onszelf klaar; we zijn bezig met het maken van een nieuwe voorstelling. Natuurlijk neem je daarin het succes van de vorige mee. Maar we zijn altíjd bezig met wat we hebben gemaakt en wat we willen vertellen. Intuïtie is een groot goed daarin.”

Intuïtie is een woord dat steeds terugkeert. Vraag hem niet naar zijn rol in de groep of naar zijn eigen stijl. “Ik ben zó’n intuïtieve speler.” Biesheuvel beschrijft de lange lijnen in het werk van Dood Paard ook niet in thematiek of repertoire, maar meer in sfeer of houding. “We merkten dat we een lust hebben tot komedie spelen. Dat zat al in Ritter Dene Voss en daarmee gingen we verder in Reigen. Answer me bestaat alleen maar uit vragen, eerst aan het publiek en dan steeds meer ook aan elkaar. Het is bijna obsessief vragen stellen, de tekst heeft een kille poëzie. Het is ook weer komedie, maar een met een wrange bijsmaak; het vliegt uit de bocht en slaat weer op onszelf terug. Een beetje zoals in Lieve Kitty, maar dan met meer verstilling. Zo komt steeds het ene voort uit het andere.”

En dan blijkt Biesheuvel -ondanks de intuïtie- toch een heel duidelijke methode te hebben: “Bij het maken van een voorstelling moet je wel de lijnen uitzetten, maar het gaat erom in de voorstelling ruimte te maken voor anarchie, lelijkheid en obsessie. Ik zoek naar manieren om mezelf met mijn medespelers voor het blok te zetten. Je staat met elkaar op het toneel en je moet zorgen dat je er samen uit komt. Bijvoorbeeld door Succes kwamen we erachter dat dat beter gaat als je het heel goed voorbereid, dat je de teksten door en door kent, en je weet waarover je het gaat hebben. Maar hoe je het precies doet en waar je precies gaat staan ligt open. Dat is jazz.”

“Je zet elkaar voor het blok, maar dat wordt moeilijker naarmate je elkaar beter kent”, zegt hij terloops. Maar het verklaart ineens de vele samenwerkingen en gastacteurs van Dood Paard de afgelopen jaren. En ook de groep toneelspelers uit verschillende gezelschappen rond Matthias de Koning en Peter van den Eede, voor het gemak vaak ‘De jongens’ genoemd, heeft ermee te maken. “Over de eerste voorstelling, Onomatopee, hebben we vijf jaar van tevoren voor het eerst met elkaar gesproken. Die voorstelling was ook een manier om onszelf aan elkaar voor te stellen. Het werd daarmee ook een wilde, expressieve voorstelling. Daarna hadden we een langdurig gesprek over de volgende voorstelling: moet je uitbouwen wat je de eerste keer gemaakt hebt of iets heel  nieuws zoeken. We wilden iets verstilders en rationelers laten zien, en dat werd We hebben een/het boek (niet) gelezen naar De Toverberg.”

Gevraagd naar de invloed van die andere acteurs op zijn eigen spel is Biesheuvel terughoudend. “Ik wordt niet zoveel beïnvloed door andere acteurs. Manja en Kuno inspireren me natuurlijk; anders zouden we niet zolang bij elkaar zijn. Ik kan wel echt fan zijn, zoals van Damiaan de Schrijver of Willem de Wolf. Maar bijvoorbeeld ook van Fania Sorel [ook genomineerd, voor een Theo d’Or. SvdB]. Die heeft ook iets onverwachts in haar spel. Zij heeft datgene wat ik vaak zie in voorstellingen die ik mooi vind: die opstand tegen de keurigheid.”

Wellicht kunnen ze ooit samenwerken. Maar na de tournee van Answer me en een korte reprise van Bazel in het FOAM gaat Biesheuvel eerst een voorstelling maken met Kuno Bakker, hun eerste project samen sinds Succes.

0 Comments »

No comments yet.

RSS feed for comments on this post. TrackBack URI

Leave a comment

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2017 Simber | powered by WordPress with Barecity