Recensie: ‘Kinderen van de zon’ van TGA en NT Gent.

Toneelgroep Amsterdam en haar directeur Ivo van Hove leken een paar jaar zoekende, na hoogtepunten als Romeinse Tragedies, Opening Night en Angels in America volgden mindere seizoenen. Maar het gezelschap is terug, en hoe. Kinderen van de Zon is steengoed; een fel en indrukwekkend maatschappijportret, Van Hoves stevigste politieke stellingname sinds Het temmen van de feeks en een prachtig ensemblestuk, waarin de Vlaamse en Nederlandse spelers kluchtige vrolijkheid laten omslaan in diepe beklemming.

De voorstelling begint opvallend luchtig en speels. De verstrooide chemicus Pavel Protassov (Jacob Derwig met overkammer en fantastisch slechtzittend pak) ontsnapt steeds weer op een drafje naar zijn laboratorium om de problemen van alledag te ontlopen – met zijn huisbaas, zijn oude bediende (Frieda Pittoors als mooie kankerpit) en zijn getraumatiseerde zusje Lisa (Halina Reijn).

Het hele decor lijkt een parodie op de  stijlvolle design-huiskamers die Jan Versweyveld normaalgesproken maakt. Alles is lelijk, smakeloos en ouderwets. Een wittig kleedje hangt tot over de televisie die Russische tekenfilms en Rad van fortuin uitzendt. Pavel’s experimenten hebben het hele huis overgenomen. Tafels vol erlenmeyers, pipetten, kolven, horlogeglazen en thermometers laten nauwelijk ruimte voor thee, bier en brood. Het aanrecht is half voor een deur gebouwd. De hele eerste helft is gelardeerd met komische special effects met rook, schuim en harde knallen.

Pavel’s vrouw (Hilde van Mieghem) is zijn afwezigheid zat en zoekt aandacht bij een huisvriend, de schilder Wagin (Wim Opbrouck). In hun gesprekken over schoonheid, het goede, vrije wil vertegenwoordigt ieder een eigen filosofische stellingname, maar veel van hun gekeuvel lijkt weinig verband te hebben  met de problemen die zich buiten hun huis afspelen, zoals de oprukkende cholera in het dorp. Het sympathiekst lijkt nog de veearts Boris (Gijs Scholten van Aschat, in zijn eerste rol als ensemblelid van TGA, nuchter en aards), die niet zo hoogdravend is als de anderen en voor een paar roebel de staart van een hond spalkt. Zijn langdurige liefde voor Lisa wordt echter niet beantwoord.

Na de pauze wordt de stemming heel langzaam maar gecontroleerd grimmig. Het idealisme van de intellectuelen Pavel en Wagin blijkt hol (‘Ik zou iets willen doen; iets groots, iets heldhaftigs. Maar wat?’, roept de kunstenaar Boris uit) en maskeert een grote minachting voor het gewone volk. Pavel wijst verzoeken om zijn kennis in te zetten voor concrete problemen af. Alleen Lisa voelt de crisis aankomen. De televisie vertoont inmiddels Russische propagandafilms

Maxim Gorki schreef het stuk in 1905 in de gevangenis, waar hij terechtkwam door zijn kritiek op het Tsarenbewind die de arbeidersopstand in datzelfde jaar bloedig had onderdrukt. Van Hove trekt duidelijke lijnen tussen het onrustige Rusland van begin vorige eeuw naar nu. Aan het einde, waarin de buitenwereld verontrustend gewelddadig binnenkomt, pakt hij stevig uit. Maar de mokerslag is de monoloog die Reijn, onopgesmukt nu, tegen de zaal houdt en die eindigt met de woorden ‘Ik heb zo met jullie te doen.’

Kinderen van de zon van Toneelgroep Amsterdam en NT Gent. Gezien 28/11/10 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 11/12. Tournee t/m 18/1. Meer info op www.tga.nl

Recensie: ‘Het voordeel van de twijfel’ van Laura van Dolron

Parool,recensies — simber op 28 november 2010 om 15:50 uur
tags: , , ,

‘Dit stuk vergt discipline, aandacht en geduld’, zegt een van de acteurs tegen het einde van Het voordeel van de twijfel tegen het publiek. Het is maar dat we het weten. Het is geestig, want wat we in het uur ervoor hebben gezien is licht en toegankelijk, al zit er een vaak een serieuze ondertoon in. Opnieuw weet Laura van Dolron lichtvoetige vorm te verbinden aan serieuze thema’s.

Van Dolron is een theatermaker die de onvrede over haar natuurlijke neiging tot ironie en relativering graag toetst aan andere kunstenaars. Eerder nam ze in haar voorstellingen Henry Thoreau en Lars von Trier op de korrel. Nu is het de beurt aan Herman Hesse en een van zijn bekendste werken: Narziss en Goldmund.

Het is een rare voorstelling geworden, losse stukken die op een krakkemikkige manier aan elkaar zijn gelijmd, gedragen door het naïeve, geestige spel van de twee acteurs Steve Aernouts en Dion Vincken, die demonstratief zichzelf staan te spelen, maar steeds met de woorden van Van Dolron. Toch werkt het.

Aernouts en Vincken beginnen losjes en heel grappig het verhaal van Narziss en Goldmund na te vertellen: een vriendschap tussen een monnik en een levensgenieter. Binnen een paar minuten zijn ze klaar. Oh nee, ze zijn het belangrijkste vergeten: halverwege wil Goldmund kunstenaar worden. Vanaf daar hink-stap-springt de voorstelling ineens naar een meta-niveau: Aernouts voelt geen motivatie meer om te spreken, Vincken barst uit in een tirade over zijn eigen lafheid, de twee acteurs spreken hun wederzijdse bewondering voor elkaar uit.

Langzaam zie je in het spel en de ideeën van de twee acteurs Narziss en Goldmund terug: Vincken als de razende rationele denker die geen houvast heeft van overtuigingen, Aernouts als de kalme wijze met innerlijke zekerheid. Het toneel is ook al zo keurig verdeeld: links de natuur (een paar tafels met hopen aarde en planten), rechts de cultuur (stapels papier en boeken).

Zingeving is het thema van Van Dolron en haar twijfel of ze haar heil niet beter kan zoeken in religie of politiek dan in de kunst heeft ze de afgelopen jaren vaak expliciet geuit. Maar dan houdt in Aernouts in deze voorstelling ineens een prachtige monoloog met instructies voor het theaterpubliek. En Vincken vertelt over een Boeddhistische bijeenkomst, waar hij over de rooie raakt van een tegen de verwarming geplakte Hema-tas en zegt: ‘Ik zoek een plek waar iemand heel precies over na had gedacht. Ik wil even verzorgd worden, geen consument zijn.’ En dan vermoed je dat Van Dolron haar geloof in het theater toch niet helemaal verloren heeft.

Het voordeel van de twijfel van Laura van Dolron. Gezien: 26/11/10 in Frascati. Aldaar t/m 4/12 en 9-10/3/11. Tournee. Meer info op www.theaterfrascati.nl

Déjà vû: Afval

columns,Theatermaker — simber op 22 november 2010 om 17:33 uur
tags:

Waarom krijgen theatermakers en decorontwerpers zo vaak dezelfde ideeën? In een vervolg op de serie Déjà-vû signaleert en onderzoekt Simon van den Berg de trends, vondsten en clichés in het Nederlands theater. Deze keer: de vuilnisbelt.

Het toneel vervuilt! In hoeveel voorstellingen zagen we al niet vuilnis op het podium uitgegooid worden? De laatste keer bijvoorbeeld bij Richard III van Orkater, waar bij ieder nieuw slachtoffer er weer een berg afval uit de kap komt vallen. Of Ivo van Hove’s Berlijnse voorstelling Der Menschenfeind, waar hoofdrolspeler Lars Eidinger buiten op de Ku’damm drie vuilniszakken uit een container plukt om die in het designdecor te legen. Of De Thuiskomst van FC Bergman dat zich afspeelt in een ruimte die bezaait ligt met plastic verpakkingen, kartonnen dozen, reclamefolders en stuk meubilair.

Vanwaar deze voorkeur voor vuilnis? En wat betekent het? Bij Richard III lijkt het vrij duidelijk: Richard’s tegenstanders zijn uit de weg geruimd, maar hun resten blijft achter: de smetten op de ziel van de onwettige koning. Langer geleden, in Platform, waarin Johan Simons aan het begin van de voorstelling met donderend geraas het hele decor uit de lucht liet kletteren, was het de verbeelding van een terroristische aanslag op een Thais vakantieoord voor sekstoerisme. Het krantenproppen schietende luchtdrukkanon in De laatste dagen der mensheid van ’t Barre Land verwees naar het geweld in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog.

In ieder geval heeft afval dus een sterke relatie met de dood en geweld. Misschien heeft het smijten met vuilnis in zekere zin de functie overgenomen van dramatische sterfscènes, waarin acteurs liggend op het podium met stokkende adem de beroemde laatste woorden van hun personages slaken. Het afval is dan als het lichaam: het zielloze omhulsel, waar het leven c.q. het waardevolle produkt uit verwijderd is. Een vergelijkbaar idee zit in Grande Bouffe, opnieuw van Simons, waar grote hompen vlees uit de kap komen vallen. De vier hoofdpersonages zullen zich eraan dood eten, en uiteindelijk net zulke kadavers worden. Bederf is de weg van alle vlees.

Vaak past afval natuurlijk in de klassieke dramaturgie van de tragedie: de ontwikkeling van orde naar chaos. Aan het begin is het toneel opgeruimd en netjes, aan het eind is het een zooitje, de verwoesting van personages spiegelend een thema dat geabstraheerd werd in Tragedie van Gerardjan Rijnders, waar het naar beneden stortende vuilnis samen met de ontploffingen in het water de bestaande orde uiteen rijten. Maar het hoeft helemaal niet per se met vuilnis, het kan ook met knuffelbeesten (Wij zijn grijs gebied van Generale Oost), planken en verf (het eerste deel van UBU van Toneelgroep Amsterdam) of vloertegels en keurig gedresste decorelementen (Teorema opnieuw van Toneelgroep Amsterdam).

Wil je als theatermaker toch een klein beetje hoop bieden, dan laat je de spelers uit de puinhoop toch nog iets kleins bouwen, zoals het bootje in Natives van Wunderbaum of de torens van tonnen in Van de brug af gezien van Oostpool.

Maar afval is ook een symbool van de uitwassen van de consumptiemaatschappij. In Der Menschenfeind contrasteert het afval dat hoofdpersoon Alceste binnenbrengt met de iPads en smartphones van de andere personages. Alceste is op zoek naar zuiverheid en vindt alles in de wereld even waardeloos. Door zijn lichaam in te smeren met etenswaren en vuilniszakken leeg te gooien laat hij zien dat de hele wereld voor hem drek is. Bij De Thuiskomst komt Teddy terug bij zijn ouders wier hele leven blijkbaar alleen rommel heeft voortgebracht.

De regisseurs die afval gebruiken zijn dus niet bepaald optimistisch over de mens: in ons leven omringen we ons met vullis en als we dood zijn blijft er niets van waarde van ons over. Opvallend is dan wel de hoeveelheid plastic – flessen, frietbakjes en verpakkingsmateriaal – die wordt gebruikt. Dat kan een praktische reden hebben (compostafval op het toneel strooien is smeriger dan plastic en wellicht zelfs ongezond) maar het legt de nadruk op de biologische onafbreekbaarheid van de polymeren en de eeuwigheid van hun waardeloze aanwezigheid. Waarschijnlijk is dat onbewust. De eerste voorstelling die afval inzet om ecologische thematiek aan te snijden moet nog gemaakt worden.

Maar tijdens Richard III gingen mijn gedachten onherroepelijk naar de technici. Bij iedere dode valt er iets anders uit de lucht: de ene keer flessen, dan weer piepschuim, auto-onderdelen, stukken rode loper, stalen kettingen of kussens. Na afloop moeten de technici al dat afval weer scheiden voor recycling, de volgende dag. Het wachten is op de voorstelling die dat opruimen door de acteurs laat doen tijdens de voorstelling en die het vallen overlaat aan de crew backstage.

Recensie: ‘De opgaande zon’ van Toneelgroep Maastricht

Parool,recensies — simber op 21 november 2010 om 23:52 uur
tags: , , ,

Het wordt regelmatig geprobeerd om ander werk van Herman Heijermans dan Op hoop van zegen op te voeren. Vorig jaar speelde Het Toneel Speelt bijvoorbeeld Ghetto. Maar keer op keer blijkt dat Heijermans’ overige stukken niet het niveau halen van die ene klassieker. Ook de zeer matige voorstelling De opgaande zon is geen pleitbezorger voor herwaardering

De opgaande zon kan het makkelijkst worden gekarakteriseerd als Op hoop van zegen met winkeliers. Kleine middenstander De Sterke heeft een familiebedrijfje, maar zijn zaak wordt langzaam uit de markt gedrukt door het grote warenhuis De Opgaande Zon ernaast. Er zijn te weinig klanten en te veel schulden, en terwijl De Sterke’s vrouw handenwringend door het leven gaat houdt De Sterke met humor en optimisme de moed erin, een eigenschap die hij ook zijn dochter Sonja heeft aangeleerd.

Midden op het toneel is het een stampvol doolhof op de vierkante meter. Het is de huiskamer van de familie, tevens winkelopslag, en overal staan delen van stoelen en tafels, dozen en verkoopwaren opgestapeld. Mensen moeten over de meubels lopen om van de ene kant naar de andere te komen. Het is een schets van pittoreske armoede, waarin de lampen aan het plafond uit en aan worden gedraaid om te besparen op de electriciteit en saucijzebroodjes het toppunt van luxe zijn.

De aardigste vondst van regisseur Arie de Mol is om de opgeruimde De Sterke te laten spelen door de altijd nogal nurkse en cholerische acteur Jack Vecht, die duidelijk weet te maken dat zijn personage bewust niet kiest voor ‘drank, dood, zeuren of bidden’, maar voor de lach. Maar voor de wanhoop die daarbij hoort is geen moment plaats in deze voorstelling. De acteurs staan stijf van de energie, en de hele voorstelling is een heksenketel van rennen, duwen en schreeuwen.

Maar het blijft ongericht. Al het lachen, sappelen en ploeteren op de vloer voelt ongemeend en het komt niet over in de zaal. Zelfs de mooie stukken in de tekst, zoals het verhaal van opa De Sterke over het faillissement dat hem lang geleden overkwam, worden kitsch door de grove speelstijl en muziek. Als op het eind de onafwendbare doem heeft toegeslagen is de voorstelling al over de kop.

De Mol is een ouderwetse punksocialist die in eerdere voorstellingen zijn moralisme intelligenter en uitdagender wist vorm te geven. Maar juist in combinatie met Heijermans wordt het ergerlijk plat.

De opgaande zon van Toneelgroep Maastricht. Gezien 20/11/10 in Haarlem. Te zien in Amsterdam (Bellevue) 26 t/m 28/11. Meer info op www.toneelgroepmaastricht.nl

Recensie: ‘Basquiat & Warhol’ van De Nieuw Amsterdam

Parool,recensies — simber op 19 november 2010 om 00:59 uur
tags: , , ,

De kunsten staan ter discussie, ook op het toneel. Dit seizoen waren er al voorstellingen te zien over filmer Leni Riefenstahl en de Russische dichter Boris Ryzhy, regisseur Eric de Vroedt zette zichzelf op het podium. De Nieuw Amsterdam presenteert nu een voorstelling over Jean-Michel Basquiat en Andy Warhol, die echter merkwaardig ambitieloos blijft.

Basquiat is inmiddels bekender als ikoon dan als kunstenaar. In de jaren tachtig in New York  werd hij met zijn graffiti-schilderijen de eerste zwarte superster van de beeldende kunst. Hij werkte een paar jaar samen met de tweeëndertig jaar oudere Andy Warhol en stierf in 1988 aan een overdosis heroïne.

Steven Hooi en Sabri Saad El Hamus spelen de twee kunstenaars in smoking in een decor van talloze autobanden. Hooi in een wit jasje en met zwart haar, Saad El Hamus in een zwart jasje, twee stropdassen en met een witte pruik als Warhol. Ze verslepen en stapelen de autobanden, waaruit ze dan weer onverwachte requisieten toveren. En ze praten, over drugs, over feestjes met jaren tachtig-sterren en over hun relatie.

Het lijkt soms op Warhols favoriete dialoogvorm: het telefoongesprek en de toon blijft lang kabbelend. Er zitten wel aanzetten tot conflict – de positie van Basquiat als Warhols ‘mascotte’, hoe Jeff Koons hem overvleugelt en Warhols obsessie met de dood – maar tegenover het lakonieke relativeringsvermogen van Saad El Hamus’ Warhol ontbeert het Hooi’s Basquiat aan overtuigende intensiteit.

De tekst, van Mustafa Stitou, blijft te beschouwend en geeft de spelers te weinig ruimte om het verhaal lichamelijk te maken. Twee momenten vallen op: als de twee een koddig dansje doen op muziek van David Byrne en Brian Eno en helemaal op het eind als Hooi driftig alle banden op een enorme berg stapelt terwijl Saad El Hamus er onverstoorbaar prinselijk bijligt, verbaasd over zoveel kouwe drukte.

Na het applaus riep Saad El Hamus niet alleen kunstenaars, maar vooral het publiek op om aanstaande zaterdag naar de landelijke manifestatie Schreeuw om cultuur te komen. Zoveel noodzaak en gedrevenheid hadden we nog niet gezien vanavond.

Basquiat & Warhol, Machocamacho van De Nieuw Amsterdam. Gezien 18/11/10 in de Brakke Grond. Aldaar t/m 20/11, Bijlmerparktheater 29/1/11. Tournee. Meer info op www.denieuwamsterdam.nl

Recensie: ‘Freetown’ van Dood Paard

Parool,recensies — simber op 14 november 2010 om 18:50 uur
tags: , , , , ,

De hele vloer van Frascati 2 ligt bezaait met een deken van lege blikjes bier en frisdrank. Het is geen grote zaal, maar de hoeveelheid volstrekt bevreemdend. Een paar plastic tuinstoelen staan met hun poten diep in de zee van blik. Als de spelers erdoorheen waden schrik je iedere keer weer van het overwacht krankzinnig harde lawaai.

Drie vrouwen komen elkaar tegen bij het zwembad van Venus Beach, een toeristische enclave in een niet nader benoemd Westafrikaans land. Ze zijn alleen en komen hier niet eens zozeer voor de zon en het strand, maar meer voor de mooie zwarte jongens die de westerse vrouwen graag van dienst zijn, mits die een bescheiden bijdrage leveren voor hongerige families of gederfde arbeidsinkomsten. Schrijver Rob de Graaf baseerde de tekst zeer losjes gebaseerd op de Canadese film Vers le sud uit 2005.

De drie worden gespeeld door Manja Topper (de cynische), Lies Pauwels (de wereldwijze) en Ellen Goemans (de idealistische). Ze dragen steeds wisselende variaties van panter-, jaguar- en luipaardprint, drinken uit blikjes die ze na afloop in de zee laten vallen. Ze wisselen hun wederwaardigheden uit, maar hun tegengestelde wereldbeelden leiden al snel tot gesprekken over waar racisme, cultuurrelativisme en westerse schaamte dicht onder de oppervlakte liggen. Ook hun kritisch vermogen is met vakantie; de tegenstrijdigheden in hun redenaties blijven onweersproken. Alledrie verdedigen ze hun eigen ongerijmde aanwezigheid in dit land met andere argumenten.

De mooiste rol is voor Pauwels. Met een trekje van haar mond transformeert ze van lief en redelijk naar spijkerharde afstandelijkheid. In een beheerste monoloog vertelt ze hoe ze met haar ‘vriend’ meeging de Afrikaanse stad in, waar het paradijs ruw verstoord wordt. Ook Goemans is sterk als de nieuweling, die in de loop van de voorstelling leert dat dit geen resort is, maar een trainingskamp voor gevoelloosheid.

De vloer vol blikjes is adembenemend mooi, maar beperkt ook de bewegingsruimte van de acteurs; als ze lopen kunnen ze niet praten. De voorstelling is daardoor talig en tamelijk statisch. Maar de tekst is scherp en als de voorstelling langer is ingespeeld zal de harde humor waarschijnlijk beter tot z’n recht komen.

Freetown van Dood Paard. Gezien 13/11/10 in Frascati. Aldaar nog op 15 en 16/11. Tournee. Meer info op www.doodpaard.nl

Dood Paard naar Guggenheim

Dood Paard is uitgenodigd door het Guggenheim Museum in New York. Het museum met de kenmerkende slakkenhuisvorm toont regelmatig theatervoorstellingen, maar internationale voorstellingen zijn een bijzonderheid. De groep zal van 28 april t/m 1 mei 2011 een engelstalige versie spelen van hun voorstelling Reigen.

Recensie ‘Niet zo bedoeld’ van Bellevue Lunchtheater

Parool,recensies — simber op 10 november 2010 om 00:29 uur
tags: , , , , ,

‘Ik ben een lul, jij bent een watje.’ Zo vat Mike zijn vriendschap met Reinout samen. Ze komen elkaar na jaren weer tegen bij een reisbureau en Mike dist meteen een serie genante anekdotes uit hun jeugd op tegen Reinouts nieuwe vriendin Marjolein. En een lul is het, met z’n knotje, z’n grootspraak en z’n seksuele escapades.

Benja Bruijning viel de afgelopen jaren op als jonge, getalenteerde acteur bij onder andere De Theatercompagnie en Thibaud Delpeut en in diverse films en televisieseries. Nu gaat zijn eerste toneelstuk als lunchpauzevoorstelling in première, en hij speelt zelf de rol van Mike. Het is een vaardige lichte komedie, die vrij goed weet te vatten hoe jonge mensen tegenwoordig praten over vriendschap, seks en relaties.

Geestig is hoe Marjolein (Annemaaike Bakker) zich naderhand ineens herinnert waar ze Mike ookalweer van kende (“O ja, ik heb met ‘m geneukt), hoe zij en Reinout (David Lucieer) kibbelen over de bestemming voor een stedentrip en hoe Reinout’s zus (Anna Drijver) haar computer uitscheldt. Drijver geeft haar rol (type: mobiel blijven checken tijdens het mediteren op The Secret) het beste het onnadrukkelijke naturel mee dat deze stijl nodig heeft, met haar haar laptop op de achtergrond Skypend terwijl vooraan Marjolein en Reinout staan te kibbelen. In ruzie en dronkenschap zijn de acteurs minder bedreven, deels omdat de tekst niet zulke scherpe munitie levert, maar ook omdat ze tegelijk onhandige dingen moeten doen met een boeket bloemen en de kussens van de designbank.

Reinout is het zat om steeds maar mikpunt te zijn van Mike’s grappen en de plot komt los als hij in een dronken bui besluit om de rollen om te draaien, waarna het verhaal al te kwiek bij het onvermijdelijke eind uitkomt; want Mike is nou eenmaal een lul, en Reinout een watje.Een extra twist had de voorstelling veel goed gedaan. Overbodig zijn dan weer de grote foto’s aan de wanden, die als een fotoroman hetzelfde verhaal nog een keer vertellen, maar dan met de spelers in glamoureuze kleren en locaties. Alsof de jonge acteurs in deze heel aardige lunchpauzevoorstelling uit zichzelf niet sexy genoeg zouden zijn.

Niet zo bedoeld van Bellevue Lunchtheater. Gezien 9/11/10 in Bellevue. Aldaar t/m 28/11. Meer info op www.lunchtheater.nl

Twee idolen en veel leuke meisjes op de zaterdagavond van de Najaarscollectie

Geschreven voor DeDodo, die de Najaarscollectie versloeg.

Het viel op: wat een hoop leuke meisjes in Theater Kikker. Zou het door de programmering komen? Nu waren er een hoop leuke mannen om uit de kiezen op zaterdagavond. De stoere acteerbeesten van FC Bergman bijvoorbeeld, of de androgyne Nik van den Berg, of misschien de ogenschijnlijk lieve Bert Hana. En anders was er altijd nog DJ Oscar Kocken, die de avond aan elkaar praat als was het een bingo.

FC Bergman maakte vorig seizoen naam met hun megalomane voorstelling met de idioot lange titel die begint met Wandelen op de Champs Elysées…, en die uit het niets werd geselecteerd voor Het Nederlands Theaterfestival. Dat was een collage van beeldende scènes in een enorme fabriekhal, maar met De Thuiskomst van Pinter tonen ze aan ook in de zaal met een repertoirestuk indruk te kunnen maken.

Het hele toneel is bezaait met afval, dozen, plastic, papier met daartussen een paar stoelen en een koelkast. Hier wonen Max en Teddy. De acteurs zijn besmeurd met smurrie, roken, drinken blikjes bier, rochelen en maken ruzie. Hier komt ook Lenny vandaan, maar die werd filosofieprofessor in Amerika. En nu komt hij thuis op bezoek, met zijn vrouw Ruth. FC Bergman heeft deze tekst goed gekozen en bewerkt op hun grote kracht: Rik Verheye en Stef Aerts spelen Teddy en Max met tomeloze energie, Bart Hollanders als de bedremmelde en beheerste Lenny ertegenover, op geen enkele manier de baas over de situatie.

Maar de ster is toch Matteo Simoni als Ruth. Hij viel in Wandelen… al op als fysiek spelende dierenliefhebber, maar hoe hij hier in tekst, houding en presence een onrustbarend personage vormgeeft is onvoorstelbaar knap en magnetisch om naar te kijken. Dit is echt een acteur van de buitencategorie, een ster in de dop.

De voorstelling blijft een beetje hangen in de vaardig geschetste tegenstelling tussen energie en bedeesheid en duurt veel te lang, maar is wel lekker smerig, vuig en doet tussen de puinhoop van het decor recht aan Pinter’s talige geweld en aan zijn perversie. De Thuiskomst werd gemaakt op de toneelschool, nog vóór Wandelen… en ik kijk nu al uit naar FC Bergman’s volgende.

Nog een ster, maar van een heel andere categorie is Nik van den Berg. In de performance My momma loves my guitar sound speelt hij een pastiche op aan glamrocker. Of is het misschien allemaal serieus? Gehuld in spandex met slangenprint en een blouse met ruches, begeleid door een drummer en een toetsenist, zelf bas spelend rockt hij zich door liedjes heen die heel erg doen denken aan Prince, T-Rex, Bowie, Billy Joel of Van Halen. Tussendoor monologiseert hij in het Engels over tijd, liefde en andere clichés, vol met herhalingen, met steeds de rake poses van de rockgod, achteloos zijn zonnebril weggooiend of weer een nieuwe peuk aanstekend.

Het is onvoorstelbaar fascinerend wat Van den Berg doet, omdat je steeds verwarder raakt over wie hier wie in de maling neemt. Hij grossiert in onoplosbare tegenstellingen: een echte rockband met gitaarsolo’s uit de computer; eindeloze monologen en losgeslagen funk; keurig en slaafs navolgen van het rockidioom en eigenzinnige ijdelheid. Volume voor in een stadion op een paar vierkante meter in de kleine zaal van Kikker. Een performer met beperkt muzikaal talent, maar theatrale finesse.

En de grootste tegenstelling van allemaal: als Van den Berg bij het eindapplaus in een paar seconden transformeert van ongenaakbaar arrogant idool naar een verlegen en onwaarschijnlijk jong jochie. Het is pure en prachtige camp wat hij maakt en, ookal heb ik geen idee waar het heen moet met deze merkwaardige kunstenaar, ik zal hem graag blijven volgen.

En zo leverde deze avond Najaarscollectie twee nieuwe helden op. Geen slechte score, voor de recensent noch voor de meisjes.

Recensie: ‘Phaedra’ van Toneelgroep Amsterdam

Waarschijnlijk is Chris Nietvelt de grootste tragediènne van haar generatie. Maar -of misschien juist daarom- roepen haar expressieve lichamelijkheid en durf om lelijk te zijn bij de een bewondering op en bij de ander afschuw. Phaedra van Racine lijkt haar op het lijf geschreven, maar in de nieuwe voorstelling van Toneelgroep Amsterdam lijken vormgeving en regie haar in de weg te zitten.

De Poolse gastregisseur Grzegorz Jarzyna plaatste de voorstelling in een opzichtig kunstmatige ruimte. Met kleding van glimmende stoffen, rode lijnen op grijze schuivende panelen, nadrukkelijk gebruik van zendmicrofoons en een synthesizer soundtrack lijkt het nog het meest op een ruimteschip. En dat is helemaal geen raar idee: een klassiek Grieks verhaal verteld in een Frans classicistisch toneelstuk voelt inmiddels lichtjaren ver verwijderd.

Aanvankelijk werkt het ook: de afstandelijkheid van Racine’s verzen in de vertaling van Laurens Spoor en de beheerste emotionaliteit van de personages sluiten goed aan op de vormgeving. En wat een verademing om acteurs te horen die met de verzen uit de voeten kunnen.

Phaedra, echtgenote van koning Theseus is even wanhopig als heimelijk verliefd op haar stiefzoon Hippolytos. Als Theseus op een expeditie blijkt te zijn gedood volgt de mooiste scène: Phaedra verleidt Hippolytos (Eelco Smits). Nietvelt, gebeelhouwd als een Griekse godin, verklaart hem haar liefde, hij stelt zich teweer met een klein zwaard, dat ze tussen haar benen laat verdwijnen. Zij smeekt hem haar te vermoorden: ‘Hier is mijn hart. Hier dient je hand dus toe te slaan.’ Maar bij deze woorden ontbloot ze haar borst en legt zijn hand ertegen. De overweldigende vrouwelijke passie reduceert Smits tot kleine jongen.

De tragische afloop wordt onvermijdelijk als de dood gewaande Theseus (Hans Kesting) terugkeert. De voorstelling wordt aardser en de conflicten meer afgetekend. Kesting, met een blauw oog en een gevaarlijke loomheid, en Smits, met wanhopige waardigheid, vechten hun vader en zoon-geschil hardhandig uit. Maar tegelijk krijgt Nietvelt een steeds grotesker uiterlijk. Eerst een gouden jurk, dan een Beatrix-pruik, die aan het eind uitgroeit tot een soort farao-masker.

Zo’n vormgeving ondersteunt niet, maar vergroot uit. En Nietvelt houdt niet in, maar hoe fenomenaal ze ook brult, hijgt en in woede uitbarst (door Kitty Courbois als haar voedster schitterend geïncasseerd), de voorstelling schiet hier te ver over the top. Zo blijft een Phaedra over die alleszins het aanzien waard is, maar wel een waarin de vormgeving het wint van de tragiek.

Phaedra van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 7/11/10 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m  13/11 en 15 t/m 23/12. Tournee. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Recensie: ‘Emilia Galotti’ van Het Nationale Toneel

Ze ligt onder plastic, als een lijk. Maar ze is niet dood. Zodra het dek wordt opgetild heeft ze haar ogen wijd open en ze kijkt de zaal in. Keurend, ter verantwoording roepend. Het is Emilia Galotti, tragische heldin uit het gelijknamige burgelijk drama van Lessing uit 1772, een met name in Duitsland onverminderd populaire klassieker.

Regisseur Susanne Kennedy maakte naam met radicale en ongemakkelijke voorstellingen als The New Electric Ballroom en Over Dieren. Haar voorstellingen gaan over macht en geweld en hebben een kille, nare sfeer, maar zijn indringend, vol details en met superieure hand geregisseerd en vormgegeven. In september won ze de Erik Vos Prijs, de belangrijkste aanmoedigingsprijs voor jonge regisseurs.

Zoals in haar eerdere voorstellingen vertelt Kennedy ook in Emilia Galotti geen verhaal, ze brengt het stuk terug tot één situatie, een koortsdroom. De acteurs, geschminckt als versleten poppen zitten opgesloten in het decor dat het midden houdt tussen een gestileerde salon en een horrorkelder. De elementen van Lessing’s verhaal zijn aanwezig: het kuise burgermeisje Emilia komt op de dag dat ze zal trouwen de prins tegen, die als een blok voor haar valt en met list, bedrog en moord probeert haar te verleiden. Moet ze meegaan of haar eer en onschuld beschermen?

Kenmerk van bijna al Kennedy’s voorstellingen is de blik van de acteurs. Allemaal kijken ze vrijwel continu het publiek in, brutaal en uitdagend. Hoe wreed ze ook met elkaar omgaan, het publiek is getuige en dus medeschuldig. Als de prins eerst met één, dan met drie vingers Emilia’s mond penetreert maken ze beide van ons voyeurs, als een eerdere maitresse van de prins zich kleineert biedt ze zich ook aan ons aan. Maar bij alle beelden blijven de acteurs spreken op onaangedane en laconieke toon.

Die acteurs zijn overigens stuk voor stuk uitstekend, speciaal Tamar van den Dop als de afgewezen minnares, Xander van Vledder als ijzingwekkende kamerheer en Khaldoun Elmecky volmaakt beheerst als machteloze en willoze vader. Maar Çigdem Teke is het middelpunt, een actrice die in deze afstandelijke speelstijl de kolkende wellust, angst en pijn van Emilia in haar hele lichaam weet te suggereren.

Aan het eind is Emilia vermoord, maar nog niet dood. Naakt en rode verf lekkend loopt Teke over het toneel, nog steeds met die spottende, beschuldigende blik de zaal in. Door haar even oorspronkelijke als consistente oeuvre verandert Kennedy met die blik heel langzaam maar zeker de onze.

Emilia Galotti van Het Nationale Toneel. Gezien 4/11 in Den Haag. Te zien in Amsterdam (Frascati), 14-18/12. Meer info op www.nationaletoneel.nl

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2017 Simber | powered by WordPress with Barecity