Interview Lizzy Timmers

Parool — simber op 28 maart 2011 om 20:27 uur
tags: , , , ,

Tijgers noemen ze ze: de moderne componisten die hen gevormd hebben. Paul Koek en Lizzy Timmers bedachten de voorstelling In de tijd van tijgers voornamelijk bij de Koeks platenkast, zij steeds nieuwe muziek opduikend en hij luisterend naar platen die hij al vijftien jaar niet meer had gehoord. De voorstelling is deze week in Amsterdam te zien.

Lizzy Timmers (Rotterdam, 1980) is nu voor twee jaar verbonden aan De Veenfabriek, het Leidse muziektheatergezelschap van Paul Koek. “Het was vanaf het begin een grote wens alleen samen met hem iets te maken,” vertelt ze in een Amsterdams café, “Om elkaar op die manier te leren kennen.”

Toen Koek slagwerk studeerde op het Haagse conservatorium kwam hij voor het eerst in aanraking met componisten als Webern en Berio. “Bij de platenkast bij hem thuis ben ik heel veel vragen gaan stellen over hoe het was om in aanraking te komen met de klassiek moderne muziek en wat het voor hem betekende. Hij vertelde hoe bepalend die muziek was voor zijn leven en we draaiden platen die hij zelf al jaren niet meer had gehoord. Voor mij was het heel tof om hem de partituren van Stockhausen uit te zien leggen.” Ook werden ze geïnspireerd door het boek The rest is noise van Alex Ross, een muziekgeschiedenis van de twintigste eeuw.

De voorstelling gaat over die muziek, maar uiteindelijk ook veel meer over generaties en hoe je omgaat met traditie en geschiedenis. “Paul heeft op het conservatorium nog vrij autoritair les gekregen: de geschiedenis werd erin geramd. Het was een doorgaande lijn en als je de traditie leerde kennen kon je jezelf uiteindelijk op die lijn plaatsen. Dat is moeilijk voor te stellen voor mij: ik ben eclectisch, ik ben opgevoed in een wereld die vrijwel uitsluitend uit het heden bestaat.”

“Ook bij het maken van de voorstelling kwamen we datzelfde weer tegen: ik ben vrij associatief en hij kan dingen op een heel abstract niveau uitwerken. Maar Paul is niet ouderwets, hij is ook heel modern in z’n denken. De muziek die wij in de voorstelling maken is heel erg van nu geworden. Jazzy en punk, en ik zing ook een nummer van de Zuidafrikaanse hiphoppers van Die Antwoord.”

“Het was echt nieuw voor mij dat ik zo geraakt werd door die modernistische avant-garde muziek. Het is een enorme rijkdom om je te kunnen laten raken door iets uit het verleden. Je vergeet af en toe dat heel veel dingen om ons heen ooit bevochten zijn. Maar omdat we ze vanzelfsprekend vinden dreigt hun betekenis weg te zakken. Voor mij hielp het om via Paul weer even dat vuur van die oorsprong te voelen.”

Het is opvallend dat Timmers een voorstelling als In de tijd van tijgers maakt, want eigenlijk is ze helemaal geen muziektheatermaker. “Ja, ik ben opgeleid tot ‘performer’, maar dan weten de meeste mensen nog steeds niet wat je bedoelt. Ik kan zingen en gebruik meestal in mijn voorstellingen allerlei disciplines: lezingen, dans, of ook wel muziek. Ik houd ervan om bijvoorbeeld een hele rationele tekst te onderbreken met een rare performance. Zo kun je een voorstelling componeren met heel verschillende onderdelen. Sommige critici vinden dan dat ik de rode draad loslaat, omdat ik in iets in een andere discipline doe. Maar voor mij is het heel logisch, en volgens mij voor een niet ingevoerde bezoeker ook.”

Terwijl ze nog tourt met In de tijd van tijgers werkt ze alweer aan twee andere voorstellingen bij de Veenfabriek. “Bij de Nederlandse Operadagen gaan we met Medea doen met muziek van Wim Henderickx en tegelijk werken we al aan het project Moes. Dat is een samenwerking met Zina, de groep van Adelheid Roosen over mensen in volkstuintjes in Leiden en Amsterdam Noord.”

Eerder speelde Timmers al bij het OT in Rotterdam, het gezelschap van haar ouders Gerrit Timmers en Mirjam Koen. “Ik was daar in dienst als actrice en daar heb ik veel van geleerd, maar na verloop van tijd wordt ik onrustig en moet ik weer verder.” Timmers is tevreden bij De Veenfabriek, maar ook hier ziet ze haar onderdak bij als tijdelijk. “Ik ben een vreemde eend. Ik heb ruimte nodig om in m’n eentje te knutselen.”

In de tijd van tijgers van De Veenfabriek is te zien in Frascati van 30/3 t/m 2/4. Meer info op www.veenfabriek.nl

Interview Theu Boermans

Het Compagnietheater bruist van de activiteit. Beneden in de hal wordt een filmpje opgenomen met Monique van de Ven, terwijl in de keuken van het restaurant de avond wordt voorbereid. Boven, in de zaal, repeteert Theu Boermans met zijn acteurs aan de voorstelling De Eenzame Weg, die over een week in reprise gaat. Ze werken aan de scène waarin het personage van actrice Katja Herbers zelfmoord pleegt door in een enorme bak schuim te rollen. Ze moet onzichtbaar ontsnappen, een truc die eenvoudig lijkt, maar als je er even over nadenkt doodeng is.

‘Er zit nu ook een filmproductiebedrijf, een paar jonge ontwerpers en het kantoor van Het Theaterfestival’, vertelt Boermans even later in zijn eigen kamer, met uitzicht over de Kloverniersburgwal. Er staan nog flink wat verhuisdozen. ‘Het gezelschap De Theatercompagnie is opgeheven en de kantoren die we hadden voor dramaturgie, publiciteit en techniek zijn nu verhuurd. Maar er stonden nogal wat spullen die nu maar even hier blijven.’

Een paar jaar geleden leek het afgelopen met Theu Boermans. Zijn gezelschap De Theatercompagnie kreeg geen subsidie meer, zijn inzet om naast Toneelgroep Amsterdam een tweede stadsgezelschap te vormen had tot niets geleid. De groep werd opgeheven en al het personeel ontslagen. Maar Boermans hield één troef in handen: Het Compagnietheater.

Continue reading “Interview Theu Boermans” »

De Vere: Repertoiretoneel in praktijk

Een vrijdag in december. Het westen van Nederland is krakend en bibberend tot stilstand gekomen. Bevriezingen, gladheid en sneeuw leiden tot een verkeersinfarct en in Groningen dicussieert een groep toneelspelers verhit over de komende avond. Ze zitten bij elkaar in de huiskamer van een eenvoudig, maar artistiek ingericht hostel. Twee van hen, Jorn Heijdenrijk van Discordia en Czeslaw de Wijs van ’t Barre Land, hebben gekookt, pasta met uitgebreide salades.

Onderwerp van discussie is: afgelasten of niet. Eén van de spelers van de voorstelling van vanavond is er nog niet. Sara de Bosschere moet uit Antwerpen komen, maar zit in een taxi vast tussen Rotterdam en Utrecht, inmiddels al zo’n drie uur. Lege batterijen bemoeilijken het telefoonverkeer. Als ze in Utrecht een trein kan nemen, is ze dan nog op tijd om te spelen? Wagen ze het daarop? Moeten ze misschien een uur later op? Kun je wel direct vanuit de trein zo het toneel op? Of kunnen ze misschien een andere voorstelling uit de kast trekken? Of moeten ze annuleren en de toeschouwers die gereserveerd hebben gaan bellen?

Begin jaren ’90 begon Discordia, samen met de Vlaamse groepen Stan en Dito’Dito, met De Vere: lange avonden waarin toneelspelers van verschillende gezelschappen korte stukjes speelden uit hun eigen repertoire. In steeds hetzelfde decor, een V van houten schotten, open van voren en heel smal van achter, met smalle openingen als coulissen, waardoor ook gemakkelijk gesouffleerd kon worden. In de loop van de tijd werd het aantal deelnemende groepen en acteurs uitgebreid en kwam het steeds vaker voor dat een speler ad hoc een rol overnam.

Met ingang van 2011 wordt het idee van De Vere nieuw leven ingeblazen, en uitgebreid. Dit seizoen spelen Discordia en ’t Barre Land met gasten iedere maand een paar maal een oude voorstelling opnieuw. Meestal alleen in Frascati 3 in Amsterdam, maar de eerste voorstelling kent een paar extra opvoeringen in het Grand Theatre in Groningen en in Kikker in Utrecht. Het is De Kersentuin, door Discordia gemaakt in 1997 en voor het laatst gespeeld in 2002. Inmiddels zijn in deze voorstellingen verschillende rollen overgenomen: Maarten Boeghorn en Ditha van der Linden verlieten Discordia en hun rollen werden overgenomen door Barre Landers Margijn Bosch en Vincent van den Berg. In deze 2010-versie spelen Ingejan Ligthart Schenk en Martijn Nieuwerf voor het eerst mee.

Continue reading “De Vere: Repertoiretoneel in praktijk” »

Beschouwing: Dea Loher

beschouwingen,Theatermaker — simber op 16 maart 2011 om 00:34 uur
tags: , , ,

Eind maart zijn er tegelijk vier stukken van de Duitse toneelschrijfster Dea Loher te zien. Het Ro Theater organiseert een Loher-festival rond de nieuwe  voorstelling Dieven en twee hernemingen van oude voorstellingen van Alize Zandwijk, Onschuld en Het Laatste Vuur. En tegelijk speelt Toneelgroep Maastricht in eigen huis een ouder stuk, Klara’s Affaires. Waar gaan haar stukken over, en waarom roepen ze ineens zoveel animo op?

In Duitsland hoort Loher inmiddels tot de gevestigde toneelschrijvers, zeker sinds ze rond 2003 een artistiek verbond sloot met regisseur Andreas Kriegenburg. In 2008 werd Het Laatste Vuur door Theater Heute uitgeroepen tot beste stuk van het jaar en won ze er de prestigieuze Mülheimer Dramatikerpreis mee. In 2010 werd Diebe (door Kriegenburg geregisseerd bij het Deutsches Theater in Berlijn) uitgenodigd voor het Theatertreffen.

Loher (1964) groeide op in het uiterste zuiden van Duitsland als dochter van een boswachter. In haar ouderlijk huis stond geen boekenkast maar een wapenrek en regelmatig lag een kadaver leeg te bloeden in de badkuip. Ze studeerde Duits en Filosofie in München, en kwam pas serieus in aanraking met theater toen ze in 1990 ‘scenisch schrijven’ ging studeren in Berlijn, een opleiding die geleid werd door Heiner Müller.

Loher is een schrijfster die zich goed bewust is van de ontwikkelingen in het theater. Ze schrijft geen voorstellingen, maar teksten als grondstof. In Onschuld zijn twee personages ‘zwarte immigranten’, maar meteen zegt ze erbij: ‘Als Elisio en Fasoul door zwarte acteurs gespeeld worden, dan alsjeblieft, omdat het voortreffelijke acteurs zijn, en niet om een authenticiteit af te dwingen, die misplaatst zou zijn.’ De artistieke dialoog met Kriegenburg is volgens Loher ook zo succesvol omdat zij keer op keer poogt iets te schrijven dat onmogelijk op het toneel te zetten is , wat hem op zijn beurt toch lukt, wat haar uitdaagt om verder te gaan.

Continue reading “Beschouwing: Dea Loher” »

Recensie: ‘Post’ van Bellevue Lunchtheater

‘Omschrijf uzelf in drie woorden’ luidt de eerste vraag op het formulier. Daar moet ze even over nadenken. ‘Ik ben… Elsa’, komt er tenslotte uit. Als iemand haar later wil helpen vraagt die: ‘U heeft toch wel een eigenschap?’ ‘Honderden, maar geen drie.’

Nathan Vecht schreef eerder stukken als Fietsen voor Malawi of Go Vote! voor o.a. De Parade, waarin hij grote wereldproblemen terugbracht tot een menselijke schaal. Post, zijn nieuwe stuk, over een klein postkantoor in een afgelegen dorp, kent mooie momenten, maar is niet scherp genoeg voor een satire en niet licht genoeg voor een komedie.

In het postkantoor dat bestiert wordt door Elsa (Leny Breederveld, als altijd aandoenlijk bits) staan de ansichtkaarten onder tl-licht en staat een pannetje soep te pruttelen. Vaste gasten zijn de vergeefs op pakketjes wachtende hangoudere (Cas Enklaar) en een eeuwig zich op nieuwe carrières heroriënterende vrouw (Christine Bijvanck). Het formulier is van de in strak pak gehulde Johnson (René Geerlings) van het hoofdkantoor.

Wat Johnson precies komt doen is niet helemaal duidelijk, maar goed nieuws brengt hij in ieder geval niet. Iets met ‘overcompleet’, ‘herprofilering’, of het ‘in- en doorstroomtraject’. Hij moet vooral heel veel bellen met het hoofdkantoor waar overigens uitsluitend mensen met engelse namen werken.

De clash tussen grootsteedse efficiëntiedrang en rurale sociale cohesie wordt het mooist verwoord door Elsa: ‘Wij deden wat wij deden. En jullie deden wat jullie deden. Wat dat precies was is ons hier nooit helemaal  duidelijk geworden. Maar zolang jullie het niet hier deden ging alles van een leien dakje.’

Maar hoewel Vecht een goed oor heeft voor alledaagse absurditeiten is de tekst niet snedig genoeg. Ander probleem is de clichématige opbouw, met een snelle stadsjongen die zichzelf hervindt in een simpeler leven op het platteland.

En zo blijft Post een voorstelling waarin de acteurs grappiger zijn dan de tekst, zoals Leny Breederveld die aan het hannessen is met een plakbandroller of René Geerlings die bereik zoekt voor zijn mobiele telefoon. Om hen moet je hard lachen, om de rest af en toe een grinnik.

Post van Bellevue Lunchtheater. Regie: Loek Beumer. Gezien 13/3/11 in Bellevue. Aldaar t/m 3/4. Meer info op www.lunchtheater.nl

Recensie: ‘Bye Bye’ van Dood Paard

Parool,recensies — simber op 11 maart 2011 om 02:39 uur
tags: , , , , ,

Eerder dit seizoen maakte Dood Paard met Freetown een voorstelling voor drie vrouwen. Nu zijn de mannen aan de beurt. Kuno Bakker en Gillis Biesheuvel spelen in het kleinste zaaltje van Frascati een kwajongensachtige bewerking van Shakespeare’s Othello, die aan het eind buitengewoon geraffineerd blijkt.

Ze worden daarin bijgestaan door de Marokkaans-Nederlandse acteur Chaib Massaoudi, die de voorstelling opent met een gruwelijk verhaal dat hij vertelt in het Arabisch of Berbers en dat hij ondertitelt met behulp van een overheadprojector, over een kamermeisje dat een verminkt vrouwenlijk vindt in een hotelkamer.

Na dat zware begin wordt hij gedegradeerd tot bankzitter, terwijl Bakker en Biesheuvel in twee uur op weergaloze wijze Othello erdoorheen jassen. Na een ruzie over wie van de twee Othello mag spelen (waarin Massaoudi arbiter is) spelen ze in lange onderbroeken en met voor ieder personages speciaal gebruikte sjaaltjes de scènes over de jaloerse zwarte generaal (traditioneel vertaald als ‘moor’, maar nu consequent Berber of naffer genoemd) die door zijn vaandeldrager Iago wordt opgestookt te geloven dat zijn vrouw Desdemona een ander heeft.

Ze wisselen hedendaags taalgebruik moeiteloos af met prachtig vertaalde lyrische poëzie en na scènes met nu eens demonstrerend, dan weer ironisch ingeleefd spel, volgt altijd weer waaghalzerige slapstick op de vierkante meter. De twee staan op een klein podiumpje van losse planken dat steeds meer uit elkaar valt en dat achtereenvolgens toneel, zeilschip, rariteitenkabinet voor Noordafrikaanse meuk en graf kan zijn. Uit alles blijkt de jongensachtige bravoure van twee acteurs die niet bang zijn om ruw met elkaar om te gaan.

Je zou bij alle spelvreugde bijna vergeten dat Othello eigenlijk een nogal problematisch stuk is, met een zwarte hoofdpersoon geschreven door een witte schrijver voor een wit publiek, nog steeds vaak gespeeld door een witte acteur met zwarte schminck. Ook Biesheuvel verft aan het begin zijn gezicht slordig zwart, en in de loop van de voorstelling komt de grime op zijn handen en kleren te zitten.

Tegen het slot onderbreekt Massaoudi het spelletje. Mag hij ook nog een monoloog doen of zit hij er alleen voor de politiek correcte sier? Met tegenzin wordt hij op het podiumpje uitgenodigd en met z’n drieën doen ze de laatste scène: Bakker als Desdemona, Massaoudi als Othello die de tekst van Biesheuvel nazegt. En dan valt ineens alles in elkaar: Iago die beschuldigingen in Othello’s hoofd plant, Biesheuvel die Massaoudi souffleert, Shakespeare die die zijn denkbeelden over vreemdelingen projecteert en de allochtone indringer die aan het eind de schuld van alles krijgt.

Zonder enige voorkennis van Othello kan Bye Bye misschien een beetje lastig te volgen zijn, maar deze combinatie van spelerslol en intelligentie is onmogelijk te weerstaan.

Bye Bye van Dood Paard. Gezien 10/3/11 in Frascati. Aldaar t/m 26/3. Meer info op www.doodpaard.nl

Reportage: Ivo van Hoves ‘Ludwig II’ in München

In een Jezuïetenkerk in renaissancestijl aan de drukste winkelstraat van München ligt in een ondergrondse crypte het graf van Ludwig II, de sprookjeskoning van Beieren. Bij de kist van de vorst, die in 1886 onder mysterieuze omstandigheden stierf, liggen altijd verse bloemen: vazen met lelies en enkele rode rozen. Onder de Münchners  is Ludwig nog steeds geliefd, en zijn nalatenschap – omvangrijke patronage van de kunst, fantastische kastelen (zoals het later door Walt Disney gekopieerde Neuschwanstein) – behoren tot de Beierse identiteit.

Het is dus een tamelijk beladen onderneming dat Ivo van Hove, artistiek leider van Toneelgroep Amsterdam in München de voorstelling Ludwig II regisseert, gebaseerd op de film van Visconti. Die film legt namelijk de nadruk de meer problematische kanten van Ludwigs persoonlijkheid: zijn obsessie met kunst en desinteresse in staatszaken, zijn vermeende krankzinnigheid en het feit dat hij hoogstwaarschijnlijk homoseksueel was. En dan ook nog met Jeroen Willems in de titelrol.

Vantevoren was er dus wel enige angst voor een rel. Johan Simons, de Nederlandse artistiek leider van het gezelschap de Münchner Kammerspiele, die Van Hove uitnodigde om de voorstelling te komen maken, vertelt: ‘Er zijn in München nog behoorlijk wat aanhangers van de koning die niet bang zijn om van zich te laten horen. “Stimmt nicht”, hoor je dan ineens uit de zaal roepen. We hebben in de repetitieperiode een bijeenkomst gehad met een aantal historici, waarin we aan het publiek uitlegden en hoeverre Visconti’s film op waarheid berustte. Maar dat die man gewoon homosekueel was, wat uit allerlei bronnen blijkt, dat wil er gewoon niet in.’

Er was dus afgelopen donderdag wel wat meer spanning dan de gebruikelijke premièrestress, en de angst voor de ruim zestig critici in de zaal.

Het eerste dat opvalt aan deze enscenering is de sobere zwartwitte esthetiek. In tegenstelling tot de exuberante stijl van Visconti kozen Van Hove en zijn vaste ontwerper Jan Versweyveld voor een spaarzame vormgeving: een vrijwel leeg toneel met muren van lij waarop de koning later met schoolkrijt kinderlijk kasteeltjes en planeten tekent. Midden op de vloer staat een afgesloten huisje. We zien alleen de witte buitenzijde, als de enige deur opengaat blijkt het een overdadig gedecoreerde kamer, met gouden krullen en grote spiegels. Wat er binnen gebeurt zien we op het huisje geprojecteerd, maar de camerastandpunten zijn steeds zo dat je doelbewust de essentie mist.

Het is Jeroen Willems die de voorstelling samenbindt en speelsheid van de krijttekeningen verbindt met de bewakingscamera’s. Van de drieëneenhalf uur die de voorstelling duurt staat hij vrijwel ieder moment op toneel. Nerveus ronddolend en niemand aankijkend als hij zich geketend voelt aan het verstikkende hofprotocol, dan ineens vrij ademend als hij spreekt over zijn bewondering voor Wagner (meesterlijk zelfingenomen gespeeld door Wolfgang Pregler) of als hij een lakei verleidt tijdens het zwemmen. Het is een prachtrol, een waarin de paradoxale acteur, van wie je alles mag zien maar niets weet, moeiteloos past op het enigmatische personage.

De voorstelling duurt lang en weet niet continu te boeien, maar aan het eind, als Willems een vleugel omver duwt, de zaal verlaat, door een camera gevolgd bij de garderobe zijn jas ophaalt en de stad in verdwijnt is de ontlading groot. Willems blijkt inmiddels in München een echte publiekslieveling. Uit de zaal werd geen wanklank vernomen.

De Duitse critici zijn uitermate welwillend over de voorstelling. De invloedrijke Süddeutsche Zeitung vindt de filmdialogen in een zo ‘hoogsymbolische’ enscenering te karig, maar prijst de ‘zeer mooie en rijke theaterbeelden’ en het spel van Jeroen Willems. Johan Simons is zelfs een beetje teleurgesteld in het gebrek aan kabaal rondom de voorstelling: ‘Volgende keer moeten we het maar een beetje gaan uitlokken.’

Kader: Van Hoves internationale premières

Wie Ivo van Hoves premières dit jaar wilde bijhouden moest achtereenvolgens naar Berlijn (Der Menschenfeind bij de Schaubühne), New York (The Little Foxes bij de NY Theater Workshop), Amsterdam (Kinderen van de zon bij zijn eigen Toneelgroep Amsterdam), Antwerpen (Nooit van elkaar van TGA en de KVS) en nu München (Ludwig II bij de Münchner Kammerspiele). In juni volgt nog De Russen, tijdens het Holland Festival in Amsterdam. Van de buitenlandse gastregies zal er volgend seizoen één in de Stadsschouwburg te zien zijn.

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2017 Simber | powered by WordPress with Barecity