Verslagje ITs Festival

Je vraagt je af hoe jonge toneelspelers en theatermakers zich moeten voelen: vier jaar geleden nog hoopvol begonnen, en nu afstuderend in tijden van grote subsidievermindering, met name voor nieuw talent. Het lijkt de meesten niet te deren; ze zijn vol vertrouwen dat ze op de een of andere manier wel aan de kost kunnen komen.

Het ITs Festival, dat een groot aantal voorstellingen van afstuderenden aan de diverse toneelscholen van Nederland presenteert, bezuinigt ook en duurt dit jaar een paar dagen korter dan eerdere edities.  Verstandig misschien in de overdaad aan festivals deze weken, maar dat betekent wel dat je als toeschouwer je er –meer dan in voorgaande jaren– helemaal in moet storten om alles te volgen.

Het heeft ook al ergerlijk en verwarrend bij-effect dat sommige voorstellingen de ene dag wél in de ITs programmering staan en de volgende dag –op dezelfde tijd en in dezelfde zaal– ineens niet meer.

Zoals elk jaar gaat de meeste aandacht uit naar de afstudeervoorstellingen. De Toneelschool Maastricht kiest al een aantal jaar voor modern repertoire en speelt Turista uit 2005 van de Duitse schrijver Marius von Mayenburg. Het stuk verplaatst de eeuwige Europese oorlogen naar een camping “op de vlakte van Waterloo, achter het Teutoburger Wald aan de Marne”.  De kinderen terroriseren elkaar, de ouders proberen zonder succes de vrede te bewaren en iedere scène eindigt met de dood van een van de kindjes, ongeveer zoals Kenny in South Park.

De Maastrichtse afstudeerklas speelt zowel de kinderen als de ouders en nog een paar krankzinnigen die Hans en Grietje opvoeren. Kortom, lekker vet en gruwelijk toneel, maar regisseur Caspar Vandeputte houdt het tempo te laag, waardoor de voorstelling erg gaat dreinen. Bij Maastricht zitten er altijd een paar sterren in de klas en hier zijn dat Sallie Harmsen (die al een Gouden Kalfnominatie op zak heeft) en Reinout Scholten van Aschat (zoon van, die al opviel in De Heineken Ontvoering). Beiden zijn ook al opgepikt door grote toneelgezelschappen (respectievelijk Het Nationale Toneel en Toneelgroep Amsterdam).

In Amsterdam besloot een deel van de afstudeerders hun eigen idealisme onder de loep te nemen en het resultaat is de schetsmatige voorstelling Almost cut my hair, een verzameling liedjes, sketches, en persoonlijke scènes met veel fijne hippiemuziek van met name Crosby, Stills, Nash & Young, aan wie ze ook de titel ontlenen. Het is eigenlijk geen goede voorstelling, te ijdel, te fragmentarisch, vol jonge mensen met passie en kunde maar zonder ervaring.

Maar door één briljante ingreep valt alles op z’n plaats. Eén van de spelers vertelt een kort verhaal over een jeugd in de jaren vijftig. Het is de geschiedenis van André Veltkamp, afscheidnemend directeur van de Theaterschool en regisseur van de voorstelling, en ineens wordt alles gelaagd: idealisme als levensgevoel van adolescenten, “letting your freak flag fly”, de noodzaak om terug te gaan naar de muziek van je ouders om de wereld nu te begrijpen.

Het helpt dat Soumaya Ahouaoui en George Tobal innemende, magnetische spelers zijn en Karlijn Hamer een kleinkunstkanon waar we nog wel van zullen horen. Maar hier wordt de tijdgeest hard op z’n staart getrapt en dat is bijzonder.

Het ITs Festival duurt nog t/m 28/6. Meer info op www.itsfestivalamsterdam.com

Recensie ‘Musil marathon: De man zonder eigenschappen I, II, III’ van Het Toneelhuis

Toneel om bij na te denken ­– het is een zeldzaamheid, zeker in Nederland. Het weldadige bad van fonkelende aforismes, gevaarlijke conversaties en prikkelende beelden dat minstens twee uur van de zogenaamde Musil marathon biedt is dan ook weldadige theaterervaring. Een ideale voorstelling zelfs, ware het niet voor die andere helft.

Bijna tien jaar geleden begon de Vlaamse regisseur Guy Cassiers aan de toneelbewerking in vier delen van Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust, dit weekend presenteerde hij zijn visie op die andere buitensporig omvangrijke Europese roman: De man zonder eigenschappen van de Oostenrijkse schrijver Robert Musil.

Musil schreef een panorama van het Oostenrijk-Hongarije van vlak voor de Eerste Wereldoorlog. De hoofdpersoon Ulrich, eigenschaploos, maar vooral een man zonder overtuigingen, bekijkt het verval van het keizerrijk met cynische afstand. Via familierelaties komt hij terecht in een comité dat een zinloos evenement van nationalistische eenheid moet organiseren en tegelijk heeft hij een intieme, melancholieke, tegen incest aanschurende relatie met zijn zuster.

Cassiers trekt in de eerste twee delen deze twee verhalen uiteen. Vooral het politieke deel is weergaloos, een eindeloze hoeveelheid prachtige, actuele aforismes –waarin de multi-etnische lappendeken van het vooroorlogse Oostenrijk al te gemakkelijk te vergissen is met de Europese Unie van vandaag–  met het juiste aplomb geplaatst door geweldige spelers als Vic de Wachter, Wim van der Grijn en Gilda de Bal. Musils formele, wijdlopige zinnen klinken nog naar drukletters, maar de acteurs weten er een imposant taalbouwwerk mee te maken.

Het decor bestaat zoals altijd bij Cassiers uit projecties, dit keer gebruikt hij dunne lamellen en kleine vlakken in verschillende lagen achter elkaar als projectiescherm, wat een prachtig speels en voortdurend bewegend effect heeft. De spelers fluisteren hun teksten in zendmicrofoons, wat samen met de projecties een streng, maar ook onverbiddelijk subtiel toneelbeeld geeft.

Passie heeft in de cerebrale esthetiek van Cassiers weinig plek, maar het deel over de liefde is toch pijnlijk en een tikje hoopvol door het spel van Tom Dewispelaere en Liesa Van der Aa. Alle personages dragen steeds kostuums met tuigjes, windsels en barokke kettingen en gespen. Ze harnassen zichzelf tegen de omwenteling die onvermijdelijk is en die alles waar ze over theoretiseren weg zal vagen.

Maar goed, dan volgt na zo’n vijf uur toneel nog een derde deel. Hiervoor schreef de Vlaamse schrijver Yves Petry een nieuwe tekst, waarin hij Musil zelf op het toneel zet, samengevoegd met één van zijn personages, de moordenaar Moosbrugger (Johan Leysen) en een slachtoffer van hen beiden (opnieuw Van der Aa). En hier zakt heel het bouwwerk in. Hier wordt de schrijver de maat genomen in een banale psychologisering en trivialisering van zijn denken en zijn wereldbeeld. En daarmee doet het de zo zorgvuldig opgebouwde intellectuele constructie bijna teniet. Bijna. Want die twee uur denktheater neemt niemand je meer af.

Holland Festival: Musil marathon: De man zonder eigenschappen I, II, III van Het Toneelhuis. Gezien 24/6/12 in de Stadsschouwburg. Meer info op www.hollandfestival.nl

De Meester en eigenschappen, of: De man zonder Margarita

Twee toneelbewerkingen van onbewerkbare boeken zijn dit weekend op het Holland Festival te zien in de twee zalen van de Stadsschouwburg, en aan de oppervlakte lijken The master and Margarita en De man zonder eigenschappen wel wat op elkaar in hun dromerige, filmische stijl. Maar daarachter gaat een diepgaand verschil van opvatting schuil over hoe literatuur op de planken te zetten.

De overeenkomsten tussen beide romans zijn opmerkelijk: zowel De meester en Margarita van de Russische schrijver Michail Boelgakov als De man zonder eigenschappen van de Oostenrijker Robert Musil werden geschreven in de jaren ’20 en ’30 van de vorige eeuw, kwamen niet door de censuur van hun land en werden pas na de dood van hun auteur erkend als literaire meesterwerken. Beide behandelen ze moreel failliete landen die afstevenen op een catastrofe en voorafschaduwen daarmee de Tweede Wereldoorlog.

De Britse acteur en regisseur Simon McBurney (twee jaar geleden regisseerde hij A dog’s heart bij De Nederlandse Opera, gebaseerd op een verhaal van Boelgakov) maakt met zijn gezelschap Complicite van The master and Margarita een multimediaal spektakel, dat met projecties, goochelkunsten, muziek, en een grote cast langs de drie verhaallijnen uit Boelgakovs roman vloeit. We zien hoe de duivel, vermomd als de Duitse professor Woland, zijn intrek neemt in Moskou en daar dood en verderf zaait. Tegelijk zien we een op Boelgakov zelf gebaseerde schrijver (de meester uit de titel) in een gesticht die een historische versie schrijft van het verhaal van Jesus Christus en Pontius Pilates.

In het boek hebben de drie verhalen ieder hun eigen stijl: de satanische streken van Woland en zijn metgezel, een mansgrote zwarte kater, zijn grotesk en surrealistisch, het Christusverhaal verheven en contemplatief en de romance tussen de schrijver en zijn geliefde Margarita lieflijk en poëtisch. In het laatste deel, als Margarita om de ziel van de schrijver te redden zich in dienst stelt van Woland die haar als heks een satanische Walpurgisnacht laat vieren.

Het is de vraag of toeschouwers die het boek niet kennen de kluwen verhalen en thema’s in McBurneys uitbundige, maar ook wat warrige regie kunnen ontwarren. Sprongen tussen locaties worden met Google-maps-animaties verbeeld en een mooi effect wordt bereikt door de acteurs meet te laten spelen met de projecties op de vloer, waarbij op de achterwand het resultaat te zien is: de Meester rijdt paard, Margarita vliegt. En aan het eind zit een mooie ontmaskering, een visie op het kwaad in het boek en in de wereld.

Hoe anders is de theaterbewerking van Het Toneelhuis van De man zonder eigenschappen. De Vlaamse regisseur Guy Cassiers maakte zo’n tien jaar geleden bij het Ro Theater naam met zijn rigoreuze bewerking van de roman Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust voor het theater. Nu kiest hij opnieuw een megaproject en opnieuw zoekt hij manieren om niet zozeer het verhaal te vertellen, maar de essentie uit het boek te destilleren en die als het ware als een nieuw, zelfstandig kunstwerk op het toneel te zetten.

De onopmerkelijke man uit de titel is Ulrich, een passieveling die in een ontbindend keizerrijk vruchteloos meewerkt aan een zinloos gebaar van eenheid, de viering van het jubileum van de vorst. Ook Cassiers gebruikt projecties, maar in plaats van overdaad kiest hij in het eerste deel voor intrigerende details van grote schilderijen, Da Vinci’s Laatste Avondmaal en Endsor’s De intocht van Christus in Brussel.

McBurney kiest voor grote gebaren en theatrale frivoliteit, maar pretendeert uiteindelijk niet meer dan de roman te illustreren. Cassiers is stijlvaster en kiest zelf meer positie, zodanig dat hij in het derde deel Yves Petry opdracht gaf een nieuwe tekst te schrijven, gebaseerd op Musil. Bovendien is hij explicieter in het benoemen van actuele paralellen. Wie van de twee trouwer is gebleven aan het boek is misschien wel de interessantste vraag van dit Holland Festival.

The Master and Margarita van Simon McBurney/Complicite is te zien 21-23/6 in de Stadsschouwburg.
De misdaad (De man zonder eigenschappen III)
is te zien op 22/6 en de hele Musil Marathon van Het Toneelhuis op 23-24/6  in de Stadsschouwburg.
www.hollandfestival.nl

 

Verslag: Theatertreffen 2012

Tellen, turnen en tergen. Dat waren de thema’s van het Theatertreffen 2012. Het jaarlijkse festival met de tien belangrijkste voorstellingen uit het Duitse taalgebied selecteerde dit jaar opvallend veel voorstellingen van de Berlijnse Volksbühne en ook de Freie Szene –zeg maar het Duitse middenzalencircuit– was goed vertegenwoordigd. Interessant genoeg waren twee voorstellingen uit de selectie –Gesäubert/Gier/4.48 Psychose van de Münchner Kammerspiele en Before your very eyes van Gob Squad en het Vlaamse Campo– al eerder te zien in Nederland, een teken dat de buitenlandse programmering van de theaters vruchten begint af te werpen.

Simons’ regie van de drie stukken van Sarah Kane viel ook in Berlijn in goede aarde, maar had een onverwacht bij-effect. In de voorstelling zit een lang fragment van een tellende Thomas Schmauser, een langzame meditatie over cijfers als teken van eindigheid en dus van de dood. Maar dat liet regisseur Vegard Vinge niet op zich zitten. Vinge is de Noorse maker van de meest controversiële voorstelling van het festival, John Gabriel Borkman. 4. Teil der Ibsen-Saga. Season 2 / Vorstellungen #20–25, een produktie van de Volksbühne in hun kleine zaal Prater. Ik ging naar de tweede voorstelling in het Treffen, met weinig voorkennis: het zou twaalf uur kunnen duren, met vrije in- en uitloop, het is iedere avond anders en het zou extreem zijn.

De dag ervoor las ik een geestig stukje in de krant over de Theatertreffen-première twee dagen eerder. Vinge was de voorstelling begonnen iets nieuws: hij telde tot 1334, overduidelijk als reactie op en dikke vinger naar Simons’ voorstelling – dat duurde twee uur en toen begon de rest van de voorstelling.

Toen de voorstelling dus om vier uur opnieuw begon met tellen wist ik ongeveer waar ik aan toe was. Het tellen gebeurt overigens onzichtbaar voor het publiek door een man (Vinge zelf, blijkt later) wiens stem wordt vervormd. Tegelijk zien we geprojecteerd op het voordoek een man met een rood rubber masker op die op z’n vingers meetelt, nogal bemoeilijkt door het feit dat hij handschoenen draagt die van z’n vingers lange, enge tentakels maakt. Stem en speler horen duidelijk niet bij elkaar. Later blijkt dat de beelden worden opgenomen in een klein studiootje onder de tribune. In de kamer zitten ook nog een speler in blackface die typt op een kartonnen typmachine, een man in een zwart pak dat ook zijn gezicht bedekt die de hele tijd volkomen stil staat en een wit aapachtig wezen achterin in een kooi.

Continue reading “Verslag: Theatertreffen 2012” »

Recensie: ‘Het geheugen van water’ van DeLaMar Producties

Het theaterseizoen is bijna ten einde en de meeste schouwburgen maken zich op voor de zomersluiting en de festivals. DeLaMar echter niet, daar ging gisteren Het geheugen van water in première, dat tot midden augustus publiek moet trekken. Het is een loffelijk initiatief en hopelijk de start van een langdurige traditie, maar moest het nou per se zo’n saai en braaf toneelstuk worden?

“Wij maken geen ruzie, wij kibbelen”, zegt één van de personages aan het begin van Het geheugen van water van de Britse toneelschrijfster Shelagh Stephenson en daarmee is het probleem meteen al duidelijk: in het stuk is niets belangrijk genoeg om ruzie over te maken, dus echt drama blijft ver weg. De toon in regie van Antoine Uitdehaag is licht, tragikomisch, maar ook niet bijzonder grappig.

Het stuk gaat over drie zusters die in een afgelegen, ingesneeuwd landhuis bij elkaar komen omdat hun moeder is overleden. De oudste (Anneke Blok) is de verantwoordelijke, de middelste (Tjitske Reidinga) is de getalenteerde en de jongste (Pauline Greidanus) is losgeslagen. In de loop van de drie scènes komen relaties op scherp te staan worden herinneringen opgehaald en betwist, komen geheimen uit het verleden naar boven en volgt uiteindelijk verzoening met het onvermijdelijke.

De actrices blijven op vertrouwd terrein: Blok is nuchter en licht wantrouwig, Reidinga is sympathiek en lijzig en Greidanus is grappig en manisch. Samen zijn ze, na een overhaast en schreeuwerig begin, op dreef, zeker in de fragmenten waarin nonchalant wordt omgegaan met diverse kalmeringsmiddelen en de drie herinneringen ophalen waarvan niemand meer lijkt te weten wie van de drie er de hoofdrol in speelde. Maar het mooist zijn eigenlijk de scènes tussen Reidinga en haar overleden moeder (Rick Nicolet), die berustender van toon zijn.

In een vrij realistisch slaapkamerdecor (Niek Kortekaas), waarin het bed van de moeder een centrale plaats inneemt, wordt opzichtig naar Tsjechov (Drie zusters en De kersentuin) en Woody Allen (Hannah and her sisters) verwezen, maar Stephenson’s stuk kan niet in de schaduw staan van haar voorbeelden. De kunst in dergelijke tragi-komedisch is om in een paar zinnen of gebaren sympathieke personages neer te zetten die je twee uur lang ondanks hun nukken wilt volgen en daar slagen de makers hier niet in.

Geheugen is het centrale thema: Reidinga’s personage is arts die met amnesie-patiënten werkt, maar heeft geen inzicht in haar eigen gebrekkige herinneringen. De titel van het stuk verwijst naar de homeopathische theorie dat water geneeskrachtige eigenschappen kan vasthouden van stoffen die er niet meer inzitten. En met Het geheugen van water is het precies zo: het is homeopathisch toneel waar de tragische elementen zover verdund is dat je het alleen nog maar voelt als je erin gelooft.

Het geheugen van water van DeLaMar Producties. Gezien 17/6/12 in DeLaMar. Aldaar t/m 12/8. Meer info op www.delamar.nl

Recensie: ‘Detroit dealers’ van Wunderbaum

Daar sta je dan, tussen de Volvo’s. Automobielbedrijf Van Vloten in Noord is een opvallende locatie voor het Holland Festival, en de dealer heeft goed uitgepakt, met kaas, olijven, uitstekende wijn een speciale festivalaanbieding: 1500 euro korting, een diner bij De Goudfazant en twee kaarten voor een toneelvoorstelling als je nu een nieuwe auto koopt.

De voorstelling die hier staat heet Detroit Dealers, van de Rotterdamse theatergroep Wunderbaum. Het is een persoonlijke, documentaire-achtige voorstelling over de fascinatie van acteur Walter Bart met auto’s. Uitgangspunt is het verhaal van zijn grootvader, Opel-dealer, die in de jaren ‘60 op zakenreis naar Detroit ging en daar een affaire had met een zwarte soulzangeres, waaruit weer kinderen en kleinkinderen geboren werden, die Bart in Amerika is gaan opzoeken. Of misschien is het wel niet helemaal zo gegaan, in een vorige voorstelling werkte Wunderbaum met een vergelijkbare mystificatie.

De voorstelling begint met een hilarisch filmpje (van Gerbrand Burger) waarin Bart en mede-Wunderbaumer Maartje Remmers met de grootste SUV die ze maar konden huren door Detroit karren op zoek naar Rosemarie Wilson, Barts Amerikaanse nicht. Daarna is het een losse, overvolle verzameling scènes over familie, cultuurverschillen, auto’s, sex, de opkomst en ondergang van General Motors en Detroit, hiphop, fietsen, milieuvervuiling en nog zo wat, gespeeld, gezongen en gerapt door Bart, Remmers en Wilson.

Het leuke aan Wilson is haar totale gebrek aan ironie; volkomen oprecht kan ze vertellen over haar liefde voor Detroit en grote auto’s en haar wil om verbinding te maken met het publiek. Dat contrasteert prachtig met de ironische afstand die altijd in het spel van Wunderbaum ingebakken zit. Die wonderlijk gelukte tegenstelling is het hart van de voorstelling, uitmondend in een geweldige rapbattle tussen de hakkelende, geëxalteerde Bart en de sexy en geestige flow van Wilson, ondersteund door de coole electronische muziek van Bo Koek, Jens Bouttery en Andrew Claes.

Daardoor neem je voor lief dat het onderwerp vrij warrig blijft en dat tegelijk de rijkdom van de associaties ook niet echt overslaat op de toeschouwer. Dat zie je vooral bij de drie onderbrekingen, waarin Remmers drie aspecten van de auto verbeeldt – de auto als sekssymbool, vervuiler en electrische toekomstdroom. Remmers doet daar op een erg geestige manier verheven, maar de teksten zijn te zwak. Hier wreekt zich dat de voorstelling eerder in het Engels is gespeeld (in Pittsburgh, eerder dit jaar), want dan klinken in alle platitudes een eindeloze hoeveelheid songteksten en filmquotes mee, een effect dat in het Nederlands verdwijnt.

In de laatste scène waarin Bart en Wilson samen de verleiding van de grootvader naspelen –tegelijk gefilmd als film noir– is dan weer erg mooi. Aantrekkingskracht, daar gaat deze voorstelling eigenlijk over, en dat heeft Wunderbaum in ruime mate.

Holland Festival: Detroit dealers van Wunderbaum. Gezien 15/6/12 in Automobielbedrijf Van Vloten, Amsterdam Noord. Aldaar t/m 21/6. Meer info op www.wunderbaum.nl

Amsterdamse Kunstraad adviseert

cultuurbeleid,nieuws,Parool — simber op 15 juni 2012 om 17:12 uur
tags: ,

Spelers vóór stoelen en klein vóór groot. De Amsterdamse Kunstraad (AKR) –die gisteren haar advies over de culturele subsidies van de stad presenteerde aan de gemeenteraad en aan wethouder Carolien Gehrels van cultuur– bezuinigt bij grote instellingen en podia om kleine theater-, muziek- en dansgroepen overeind te houden. Maar dat betekent niet dat er veel opzienbarende veranderingen komen: het advies van de AKR, met als titel Kiezen voor perspectief, houdt de hoofdstedelijke cultuur knap in stand.

De grootste ingreep is het flinke aantal podia dat zijn subsidie gaat verliezen: De Engelenbak, het Tropentheater, Ostadetheater, Felix Meritis, Vondelpark Openluchttheater en M-lab worden als het aan de Kunstraad ligt geschrapt. In totaal verliezen 23 instellingen die nu in het kunstenplan zitten hun subsidie. Daar staat tegenover dat de gezichtsbepalende kleinere groepen en festivals hun subsidie behouden of in sommige gevallen (zoals bijvoorbeeld Dood Paard) méér krijgen.

De AKR had 82,6 miljoen euro te verdelen, tien procent minder dan de afgelopen periode. De raad kiest ervoor om de grootste instellingen de zwaarste bezuinigingen op te leggen. Zo krijgen de Stadsschouwburg, Paradiso, het Concertgebouw en het Amsterdam Musem rond de vijftien procent minder subsidie en moeten Toneelgroep Amsterdam en Het Nationale Ballet het met tien procent minder doen. Alleen het Koninklijk Concertgebouworkest is–door een besluit van de gemeenteraad– hiervan uitgezonderd en hoeft helemaal niet te bezuinigen.

De raad is vooral enthousiast over de veelzijdigheid en het hoge niveau van theater en muziek in de stad en deze genres krijgen er geld bij. Deze middelen worden weggehaald bij de podia en bij de musea. Hoewel de raad enthousiast is over de voorgenomen samenwerking van het Amsterdam Museum (voorheen Amsterdams Historisch Museum) met het Bijbels Museum en Ons’ Lieve Heer op Solder, moet het museum toch 1,3 miljoen inleveren.

Alles bij elkaar creëerde de Raad ruimte voor 48 nieuwe instellingen, zoals ArtZuid, het Harry Mulisch Huis, regisseur Jakop Ahlbom, Nachtgasten en de Tolhuistuin. Een groot aantal van die nieuwe instellingen (Orkater, Asko/Schönberg, het Nederlandse Blazers Ensemble, Oorkaan) bestonden al lang, maar wendden zich tot de gemeente omdat ze vanuit Den Haag minder subsidie krijgen of verwachten. Ook door instellingen als theater Frascati en jeugdtheatergroep De Toneelmakerij uit te zonderen van de bezuinigingen, repareert de stad een deel van de schade die de landelijke cultuurbezuinigingen aanrichten. Maar pas als het Fonds Podiumkunsten –dat naar verwachting slechts de helft van de aanvragen kan honoreren– op 1 augustus haar subsidiebesluiten bekend maakt, wordt duidelijk wat de gevolgen van de bezuinigingen precies zullen zijn.

In totaal kreeg de AKR 195 subsidieaanvragen, waarvan er grofweg een kwart werd afgewezen, de helft deels werd gehonoreerd en een kwart geheel gehonoreerd. Twee aanvragen moeten over: zowel het Stedelijk Museum als Dansmakers (het productiehuis voor dans) dienden een te hoge begroting in.

Op het gebied van cultuureducatie krijgt een consortium bestaande uit de Muziekschool Amsterdam, Aslan Muziekcentrum en het Leerorkest alle ruimte om veel meer basisschoolleerlingen in aanraking te brengen met muziek. De buitenschoolse cultuureducatie is vanaf nu een taak voor alle instellingen.

De keuze voor groepen in plaats van podia past in een langer lopende trend: vroeger subsidieerde het rijk de groepen en de gemeenten de podia, maar in het nieuwe beleid lijkt het erop dat het rijk de grote instellingen ondersteund en de gemeente de kleine. De podia worden meer en meer overgelaten aan de markt of aan private initiatieven, zoals gebeurde bij DeLaMar, Carré, het Compagnietheater of het Comedytheater in de Nes. Het is dus zeker niet gezegd dat M-Lab of het Openluchttheater in het Vondelpark nu moeten sluiten.

De raad presenteert haar adviezen in een aantrekkelijk geïllustreerd en opvallend leesbaar geschreven boekwerk van ruim 350 pagina’s, een kleurrijke staalkaart van wat Amsterdam op cultureel gebied te bieden heeft. De adviezen zijn uitgebreid onderbouwd en niet alleen de artistieke kwaliteit van de instellingen komt aan bod, ook hun ondernemerschap en samenwerkingen worden getoetst. De harde toon die de adviezen in bijvoorbeeld Rotterdam en Utrecht kenmerkten ontbreekt geheel en de raad toont zich terdege bewust van het feit dat ondanks de relatief milde bezuiningen ook in de Amsterdamse cultuursector banen gaan sneuvelen en instellingen gaan verdwijnen.

Recensie: ‘Macbeth’ van Toneelgroep Amsterdam (HF)

Het mooist is het bloed. Zorgvuldig, teder bijna haalt Hans Kesting het uit een medisch uitziende container, een doorzichtige plastic zak met rode vloeistof. Hij loopt ermee naar het midden van het toneel, gooit hem met evenveel kracht als beheersing omhoog en kijkt hem na als hij vrijwel geluidloos op de vloer uiteenspat en het vocht in uitwaaierende patronen over de lichte vloer druipt, als in een kruising van CSI en Jackson Pollock.

Johan Simons regisseert Macbeth als seizoensafsluiter bij Toneelgroep Amsterdam, met Fedja van Huêt in de titelrol en Chris Nietvelt als zijn Lady. Het is een vette voorstelling geworden, vol bloed, slijk, spasmes en geschreeuw, waarmee de makers nauwelijks geprobeerd lijken te hebben om Shakespeares personages menselijk te maken. Het blijft nu eenmaal een bruut en duister stuk en het lukt regisseurs zeer zelden om van Macbeth en zijn vrouw iets anders te maken dan monsters in een nachtmerrie. Ook deze voorstelling blijft gruwelijk plaatjestheater, intens gespeeld, maar afstandelijk.

Bij Simons is Macbeth een veteraan die aan het begin van het stuk zojuist een opstand van rebellen wreed de kop heeft ingedrukt. Hij draagt, net als de andere personages, khaki badstof ondergoed: een soldaat met verlof.

Van Huêt valt zijn rol aan als een veldrijder een modderig parcours: verbeten, brullend, zwoegend en met het schuim op de lippen maakt hij van Macbeth een imposante rol in zijn oeuvre, maar de bewondering voor zijn temprament wordt afgewisseld met de vraag wat met al deze energie eigenlijk beoogd wordt.

De bloederige weg die hij aflegt naar de (hem door drie heksen voorspelde) Schotse troon kan dan niet anders worden gezien als de uiting van een posttraumatisch stresssyndroom. Zo gaat deze voorstelling al vanaf het openingsbeeld niet over wat een man in een beest kan doen veranderen, maar over een onmens die de oorlog naar huis brengt.

De speelvloer is een groot, licht gekleurd vierkant, omringd door een soort design keukenelementen en een wand met klapdeuren die langer heen en weer blijven bewegen dan fysiek mogelijk. Achteraan staat een kleine tribune waar de off-stage acteurs de verrichtingen volgen.

Vooral de rol van Lady Macbeth blijft onduidelijk: Van Huêt en Nietvelt praten met elkaar in kinderstemmetjes, hij voert haar mee als een hond aan een lijn en het is volstrekt duidelijk dat haar aanmoedigingen om de huidige koning te vermoorden geheel overbodig zijn: Macbeth kan zijn bloeddorst maar nauwelijks bedwingen. Aan het eind krijgt de Lady wroeging en pleegt ze zelfmoord, en Nietvelt vult Shakespeares tekst aan met fragmenten van Sarah Kane. Ook hier geldt: het is mooi, maar wat betekent het?

Aan het eind gooit Van Huêt een eindeloze hoeveelheid coniferen het toneel op – een vrij letterlijk citaat uit de Macbeth die Karin Henkel bij Simons’ eigen gezelschap Münchner Kammerspiele regisseerde. Het versterkt de indruk van een nogal stuurloze voorstelling. Macbeth blijft een rots die te steil is om te beklimmen.

Holland Festival: Macbeth van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 10/6/12 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 16/6 en volgend seizoen vanaf 15/8. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Recensie: ‘Mehmet de veroveraar’ van De Toneelmakerij

“Vertel mij de geschiedenis van de ander en ik weet wie ik ben.” Het verbinden van verhalen van ver weg en dichtbij is het doorlopende thema in het werk van (jeugd)theatermaker Ad de Bont, van Mirad, een jongen uit Bosnië tot Anne en Zef. In Mehmet de Veroveraar, zijn afscheidsvoorstelling van zijn eigen gezelschap De Toneelmakerij (vier jaar geleden ontstaan uit een fusie van Huis aan de Amstel en Wederzijds), wordt dat motto bekroond met een mooie, grootse theaterproductie voor kinderen vanaf 10 jaar.

De Bont schreef een stuk over Mehmet II, in Turkije nog steeds een grote held, in het westen eerder bekend als wrede veldheer die in 1453 Constantinopel veroverde en er een islamitische stad van maakte. De Bont toont hem vooral als zeer jong –hij was 12 toen hij sultan werd– en geeft hem een westerse vriend en tegenpool, de onwettelijke kardinaalszoon Christiano.

Het grootschalige stuk over vaders en zonen, wij en zij, strijd en verzoening wordt door regisseur Liesbeth Colthof gebracht als grootschalige locatieproductie, een jeugdmarathonvoorstelling (drie keer een uur) in een grote hal, die steeds nieuwe locaties blijkt te herbergen, met een groot aantal acteurs, een woestijn, een paard, perzische tapijten totaan het plafond en (erg lekker) turks eten in de pauzes.

Grootste troeven van de voorstelling zijn het vaardig en helder vertelde verhaal, dat vele jaren en locaties bestrijkt (en waarin de historische werkelijkheid niet meer dan een aanleiding is) en het knappe spel van de meeste spelers; naast Sadettin Kirmiziyüz als Mehmet en Roel Adam (als zijn vader, sultan Murat, die moeite heeft om het met zoveel bloed en lijden opgebouwde Ottomaanse rijk over te dragen) vallen Daniël van Klaveren en met name Debbie Korper op – die laatste speelde vaker nuchtere, wijze vrouwen, maar nog niet vaak zo mooi. Meral Polat blijkt, prachtig zingend, opnieuw een weergaloze performer, een Turks-Nederlandse ster in de dop.

Feilen heeft de voorstelling ook: de tekst is poëtisch en een beetje ouderwets en gedragen. Dat is mooi, maar maakt de voorstelling erg talig, vooral omdat echt theatraal spektakel uitblijft; er mist een soort crescendo dat zo’n megaproject toch nodig heeft.

Maar wat de voorstelling uiteindelijk ontroerend maakt is het besef dat in het schrijven van de ‘geschiedenis van de ander’ De Bont toch ook over zichzelf heeft geschreven: hij draagt een belangrijk ‘koninkrijk’ van het jeugdtheater over, juist op het moment dat het bedreigd wordt en er strijd moet worden geleverd. Het ziet er nu naar uit dat De Toneelmakerij in de toekomst zulke grootschalige voorstellingen niet meer kan maken. En dat zou echt zonde zijn.

Mehmet de veroveraar van De Toneelmakerij. Gezien 9/6/12 in Alkmaar. Aldaar t/m 7/7. Busvervoer vanaf De Krakeling. Meer info op www.toneelmakerij.nl

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2017 Simber | powered by WordPress with Barecity