Seizoensoverzicht 2011/2012

beschouwingen,Theatermaker — simber op 15 september 2012 om 22:37 uur
tags:

Waar waren de premières? Het was onder recensenten en andere theaterzaalbewoners een kort moment van schrik. Het was normaal dat januari en februari niet de drukste maanden waren, maar zó weinig nieuwe voorstellingen was wel erg verrassend. Was het een vroeg gevolg van de bezuinigingen? Was dit hoe het theaterlandschap er over een jaar uit zou zien? De oorzaak bleek achteraf iets prozaïscher: alle subsidiënten hadden hun deadlines tussen januari en maart. Alle energie van de theatermakers ging in die maanden niet in voorstellingen zitten, maar in hun beleidsplan.

Het was een merkwaardig tussenjaar voor het theater. De bezuinigingen zijn onderweg en kregen in de loop van het seizoen steeds concreter vorm. Maar ondertussen is er in de subsidiestroom van de meeste gezelschappen nog niets veranderd en kunnen ze nog steeds op dezelfde manier voorstellingen maken als ze altijd al deden. Seizoen 2011/2012 werd er daardoor een van plannen maken en voorbereidingen treffen en artistiek gezien een van stilte voor de storm.

In de grote zaal ontstond er maart een discussie over de spektakelvoorstellingen van Het Zuidelijk Toneel (HZT) en het degelijke burgermanstoneel van De Utrechtse Spelen (DUS). Deze twee gezelschappen kozen al ruim voor de bezuinigingen voor een koers waarin publiekssucces de dominante factor werd. Rain Man (van DUS) werd echter een “nogal brave voorstelling die aan de film niets toevoegt, en nergens boven een vrije productie uitstijgt. Dat is voor een gesubsidieerd gezelschap te weinig”, oordeelde Herien Wensink in NRC.

Tijdens het debat dat de acteursbelangenvereniging ACT organiseerde legde Hein Janssen de vinger op de zere plek bij de voorstelling 1001 Nacht van HZT: “(regisseur) Matthijs Rümke kiest ervoor om aan cabaretier Marc-Marie Huijbregts een hoofdrol te geven, in plaats van aan een goeie acteur die die rol veel mooier zou spelen. Dan kies je dus voor een gegarandeerde publiekstrekker in plaats van een betere voorstelling.” (Rümke ontkende dit overigens krachtig.)

Deze discussie voorafschaduwde opvallend genoeg een van de keuzes van de Raad voor Cultuur, die in mei haar advies gaf over de (flink afgeslankte) basisinfrastructuur. Juist DUS en HZT werden door de Raad aangewezen als middelgrote gezelschappen, wat vooral in het geval van de Brabantse groep een flinke financiële aderlating betekende. Oostpool en het Noord Nederlands Toneel, juist de groepen die zich tegen de klippen op vooral artistiek willen profileren, mogen zich groot gezelschap noemen, met een rijksbijdrage van 2,5 miljoen euro.

Je ziet dus al meteen dat de inconsequenties in het cultuurbeleid de grote toneelgezelschappen (zeker die in de regio) in een schier onmogelijke positie brengen, laverend tussen de Scylla van een kritisch raadsadvies en de Charybdis van de strenge eisen over publiekscijfers en eigen inkomsten van het ministerie. Dat schipperen wekt niet de verwachting dat er de komende jaren van die kant veel interessante voorstellingen gaan komen.

Dat wordt versterkt door de observatie dat kwaliteit in Nederland nog steeds vrij eenzijdig wordt gedefinieerd. Neem een begrip als production value: het idee dat er niet beknibbeld is op een voorstelling, bijvoorbeeld in decor en aantal acteurs (vroeger vatten we dat samen onder ‘een volledig bezette Shakespeare’). Of maatschappelijk belang, een begrip dat voor kunstenaars de afgelopen jaren sterk naar voren is gekomen, maar dat in de beoordelingen die dit jaar te lezen waren nauwelijks een rol speelt.

Dit versterkt de strategie van de grote gezelschappen die in hun zucht naar meer publiek voor het gesubsidieerde toneel in de vijver vissen van mensen die al naar laagdrempeliger vormen van vermaak gaan; cabaret in het geval van bijvoorbeeld Rümke, musical bij Thie. Maar dat brent ze dus onvermijdelijk in de problemen met hun kwalitatieve beoordeling. Een betere strategie lijkt het om te mikken op het grote aantal Nederlanders dat een krant leest en soms ook een boek en dat ook wel eens naar een museum gaat, maar nooit naar het theater. Die mensen moeten toch te overtuigen zijn om een keertje te komen kijken?

De voorstelling waarbij dat onverwacht goed lukte was De Prooi van Het Nationale Toneel. De bewerking van het boek over de ondergang van ABN-Amro wist de diverse economieredacties nieuwsgierig te maken naar Mark Rietmans Shakespeareaanse vertolking van Rijkman Groenink. Daar zit een les in: vanuit de kunst gezien specialistisch lijkende onderwerpen blijken verrassend vaak op grote publieke belangstelling te kunnen rekenen.

Bij Toneelgroep Amsterdam was het eerder omgekeerd. Het gezelschap leek zich dit seizoen te specialiseren in shock-and-awe-toneel, waarbij de opulente vormgeving en de verbluffende acteerprestaties van het ensemble meer en meer dienen om te verhullen dat voorstellingen als De Vrek, Husbands en Macbeth inhoudelijk wel erg mager zijn.

En zo kwamen het afgelopen seizoen de smaakmakers op de Nederlandse grote podia vrijwel zonder uitzondering uit het buitenland. Terwijl in Nederland bijvoorbeeld met meel in de mond en met de hand op de knip gepraat wordt over talentontwikkeling, krijgt de jonge wilden van het Vlaamse collectief FC Bergman alle hulp en ruimte om hun meest absurde theatrale dromen te verwerkelijken en is het NT Gent dat Susanne Kennedy haar grotezaaldebuut laat maken.

Wayn Traub, die zichzelf overigens niet meer Wayn Traub noemt maar Petrus, ging naar Zuidoost Azië en kwam terug met twee rappers, drie robots en vier gogo-danseressen en maakte onder de toepasselijke titel Robo-a-Gogo een vunzig, onrustbarend en uiteindelijk wonderlijk poëtisch theaterkunstwerk, wat mij betreft de meest intrigerende voorstelling van het seizoen.

Na het festival Brandhaarden tenslotte, waarin Johan Simons met zijn Münchner Kammerspiele een week lang de Amsterdamse Stadsschouwburg overnam, met een stormachtige Winterreise en de uitputtende, maar louterende Sarah Kane-trilogie Gesäubert/Gier/4.48 Psychose, werd de conclusie onontkoombaar dat het Nederlandse grote toneel eenvoudigweg niet meer meespeelt in de Europese league.

In de kleine zaal was de situatie veel beter. Net als vorig seizoen waren er veel voorstellingen te zien over persoonlijke onderwerpen en belevenissen. Ik heb dat eerder elders ‘Facebooktheater’ genoemd, omdat de makers dezelfde bestudeerde openhartigheid hanteren als gebruikers van het sociale netwerk. Zowel Sadettin Kirmiziyüz als Ilay den Boer maakten een voorstelling over hun broers, Walter Bart van Wunderbaum liet zich inspireren door de belevenissen van zijn opa in Detroit. Autobiografische verhalen verbinden met maatschappelijke thema’s blijft een rijke bron.

Iets abstractere vormen van theatrale non-fictie leverden erg goede voorstellingen op als Krenz, waarin schrijver en speler Willem de Wolf zijn eigen jeugd in een rood nest verbond met de teloorgang van het communisme in Oost Duitsland, en Mahabharata, waarin de zoektocht naar oude wijsheid in het hindoe-epos voor Marjolijn van Heemstra een confrontatie wordt met haar eigen cultuurrelativisme.

Het waren ook de kleinere gezelschappen die expliciet reflecteerden op de crisis in de kunsten en daarbuiten, zoals in de talloze imaginaire decors van San Francisco van De Warme Winkel, het echte en metaforische Spookhuis der Geschiedenis van Wunderbaum. Geen van hen deed dat echter zo virtuoos als de Duits/Vlaams/Nederlandse samenwerking Der (Kommende) Aufstand, een weergaloze optelsom van Schiller, Occupy en bordkarton.

En zo komen we tot de niet bijster opwekkende conclusie dat de toch al niet bijzonder spannende BIS-gezelschappen in de jaren post-Zijlstra goeddeels kunnen doorwerken, maar nog grijzer zullen worden, terwijl er drastisch wordt gesnoeid in het kleinezaalcircuit, van oudsher en nog steeds de broeikas van alles wat interessant is in het Nederlands theater.

Nu het kabinet Rutte I is gevallen en Halbe Zijlstra binnenkort een voetnoet in de politieke geschiedenis zal zijn wordt pas ten volle duidelijk hoe onnodig destructief zijn beleid is geweest. Het gaat dan niet eens om de omvang van de bezuinigingen, maar met name om keuze voor groot boven klein. Specifiek voor het theater: de beslissing om acht (middel)grote gezelschappen in stand te houden en de bezuinigingen grotendeels af te wentelen op het Fonds Podiumkunsten en de productiehuizen.

Maar wat vooral boos maakt is te totale onwil van het ministerie om de boel een beetje netjes af te wikkelen. Het Theaterinstituut sluiten is al erg genoeg, maar de collectie niet willen zekeren is vandalistisch. De pot voor de frictiekosten te klein houden is al schandalig, maar beslag leggen op de reserves van de instellingen is domweg illegaal. Het commentaar van Zijlstra deze zomer dat het toch vooral de schuld van de kunstinstellingen zelf was, is dan ook een stukje blaming the victim waar de honden geen brood van lusten.

De ministeriële bende werd nog eens in het juiste perspectief geplaatst door de gang van zaken in Amsterdam. Ook daar moet worden bezuinigd (toegegeven: procentueel iets minder, maar ook dat is een keuze), maar wat een wereld van verschil maakt het als de overheid uitgaat van de waarde van cultuur voor de stad. In het kleurrijke boekwerk dat de Amsterdamse Kunstraad in het voorjaar uitbracht werden nog steeds harde oordelen geveld, maar in ieder geval school er een duidelijke visie achter de keuzes en werd het belang van juist het kleinschaliger theateraanbod onderkend.

Een onverwacht bij-effect van de periode Zijlstra zou uiteindelijk wel eens kunnen zijn dat het zwaartepunt van de cultuurondersteuning verschuift van het rijk naar de gemeenten. Die hebben immers het directe profijt van al die kunstinstellingen, zoals onderzoeker Gerard Marlet aan het begin van dit seizoen betoogde. Zij hebben dus ook het meeste belang erbij dat allerlei nieuwe vormen van theater maken en financieren, van wijksafari’s en herdenkingsevenementen tot theatrale zorgsymposia en voedselconferenties, kunnen worden getest en tot bloei komen.

Als op 1 januari 2013 het nieuwe kunstenplan ingaat zullen we zien of de premièreschrik van begin dit jaar terecht was. Toevalligerwijs is dat waarschijnlijk ook het moment dat er een nieuw kabinet zal aantreden, met een nieuwe bewindspersoon voor cultuur. Wordt het extra bezuinigen, repareren of rust in de tent? Daar is nu nog weinig over te zeggen. Maar dat het theater in Nederland er dan in alle opzichten veel slechter aan toe is dan een jaar eerder staat vast.

Top 5

Der Kommende Aufstand van AndCompany&Co, Oldenburgisches Staatstheater, Frascati
Tegelijkertijd een radicaal politieke manifestatie en een ideaal vechthuwelijk van Duitse filosofische degelijkheid en Hollandse botte directheid.

Robo-a-Gogo van Petrus, Service to Others
Erotisch ballet van robots en gogo-danseressen, en apocalyptische remix van het einde van de mannelijkheid op aarde.

Bimbo van Boogaerdt/Van der Schoot
Absurde porno op het beeldscherm, zwoegende mimers achter je. Overdosis hilarische, nare, geile en gruwelijke beelden die je lang bijblijft.

Wat nodig is van Laura van Dolron
Taoïstische preek waarin Van Dolrons doorlopende pleidooi tegen het cynisme vooralsnog het mooist klinkt. Erg fijn ook om Oscar van Woensel weer op het toneel te zien.

Krenz van De Koe, Willem de Wolf
Het persoonlijke en politieke smelten samen in deze monoloog van Willem de Wolf over de eeuwige opvolger Egon Krenz, die het laatste staatshoofd van Oost-Duitsland zou worden.

Tip 5

Beroemden van Stan, Discordia, De Koe, Dood Paard
De polycoproductie is terug! Na Onomatopee en We hebben een/ het boek (niet) gelezen een nieuwe voorstelling van de supergroep, dit keer over roem, afgunst en plagiaat.
Vanaf 13/9/12 in Frascati

Cloaca van Hummelick Stuurman
Zal Maria Goos’ successtuk tien jaar na de première opnieuw een succes worden. Gerardjan Rijnders regisseert een nieuwe generatie toneelspelers, met o.a. Thijs Römer en Guy Clemens.
Vanaf 10/10/12 op tournee

Song #2 van Abke Haring en Benjamin Verdonck
Twee intrigerende makers werken voor het eerst samen aan science fiction poetry. Zou heel goed kunnen worden, of volstrekt kunnen imploderen in ondoorgrondelijkheid.
Vanaf 11/1/13 op tournee

Einstein on the beach van Glass/Wilson/Childs
Snobs die al jaren roepen dat EotB het laatste fatsoenlijke is dat Philip Glass en Robert Wilson gemaakt hebben kunnen eindelijk hun gelijk halen, of een dierbare herinnering in duigen zien vallen.
Vanaf 5/1/13 in Het Muziektheater

Tsjechov van Oostpool
Een avond met de eenakters, korte verhalen en brieven van Tsjechov, vol levenslust, frustratie en platte humor. Tevens het afscheid van regisseur Erik Whien bij Oostpool
Vanaf 29/01/2013 op tournee

0 Comments »

No comments yet.

RSS feed for comments on this post. TrackBack URI

Leave a comment

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2017 Simber | powered by WordPress with Barecity