Recensie: ‘Beatrix en de Premiers’

Samen hebben ze al zo’n vijftien jaar het monopolie op alle televisieseries die er hier te lande over het koningshuis gemaakt worden. Ger Beukenkamp schreef onder andere Emily, of het geheim van Huis ten Bosch, De Kroon, De prins en het meisje en Majesteit, Tomas Ross was verantwoordelijk voor Wij Alexander, Bernhard, schavuit van Oranje en Beatrix, Oranje onder vuur. Het afscheid van koningin Beatrix konden ze vanzelfsprekend niet aan zich voorbij laten gaan.

Samen schreven ze Beatrix en de Premiers, zes scènes over de maandagmiddaggesprekken tussen de vorstin en de vijf eerste ministers die onder haar dienden, met Pim Fortuyn als bonusgast. Ze deden daarvoor inspiratie op in Londen, waar het toneelstuk The Audience van Peter Morgan een groot succes is. Dat stuk gaat over de twaalf(!) prime ministers onder Elizabeth II, die majestueus wordt gespeeld door Helen Mirren.

Het stuk werd in zeer korte tijd geschreven en is slechts twee keer in De Balie te zien als geënsceneerde lezing, waarbij de acteurs met de tekst in de hand spelen. Dat geeft de avond al een aangename losheid. Een paar acteurs hernemen rollen die ze al eens op tv speelden: Lukas Dijkema weet opnieuw knap het afgemetene van Wim Kok te vangen, Arnoud Bos (de broer van Wouter) speelde al eerder een naïeve Balkenende. Huub Stapel is een raak Roomse Van Agt en Tom Jansen een even warrige als wellustige Lubbers. Aan het begin komen ze trekken ze allemaal een nummertje uit een rode automaat en worden ze in de wachtkamer geplaatst door de kordate hofdame Pauline Greidanus.

Maar de ster van de avond is vanzelfsprekend Sophie van Winden die in een rood jurkje en op blokhakjes van de koningin een autoritaire vamp maakt die zich door Lubbers gewillig laat masseren.

De zes scènes zoomen allemaal in op dramatische keerpunten in de grootste schandalen van haar regeerperiode. Tegen Van Agt dreigt ze met geheime tapejes die een nieuw licht op de Lockheed-affaire werpen, ze krijgt Lubbers zover dat hij Brinkman laat vallen, ze dicteert Kok het rapport over vader Zorreguieta en ze doet tegenover Rutte vrijwillig afstand van haar rol in de kabinetsformatie om haar zoon te behoeden voor de blamage dat het hem zou worden afgenomen. Het is samenzweerderig gebabbel onder het genot van een glaasje sherry met als running gag dat iedere premier minister van Staat mag worden, mits de instructies van de majesteit strikt worden opgevolgd.

Zou het echt zo gegaan zijn? Beukenkamp en Ross gedragen zich altijd als republikeinse padvinders die met vochtige takjes fikkie willen stoken. Dat maakt hun series ook zo ongeloofwaardig; ze zijn niet geïnteresseerd in politici of de leden van het koningshuis als mensen, maar uitsluitend als pionnen in hun vergezochte complotten. Ook hier zien we zeven kleinzielige personages, uitsluitend op zoek naar persoonlijk gewin.

Peter Morgan wist eerder, in de film The Queen, al prachtig de persoonlijke dilemma’s en drama’s te vatten van mensen die gevangen zitten in het onmenselijk zware ambt van de monarchie. Voor Beukenkamp en Ross is dat ambt niets meer dan een sprookje, dweperij en sentimentaliteit.

In een nagesprek zeiden Ross en Beukenkamp dat ze niet verwachtten dat de komst van koning Willem-Alexander nog veel materiaal zal opleveren voor nieuwe koningshuisverhalen. Gelukkig maar. Tijd voor een nieuwe generatie schrijvers die het koningshuis iets serieuzer neemt en het spirituele verschil begrijpt tussen een sprookje en een mythe.

Beatrix en de Premiers. Gezien 23/4/13 in De Balie. Aldaar nog 27/4. Meer info op www.debalie.nl
The Audience
wordt op 13 juni live uitgezonden in Pathé Tuschinski

Recensie: ‘De Sunshine Show’ van Esther Scheldwacht

Parool,recensies — simber op 25 april 2013 om 10:00 uur
tags: ,

“You are the sunshine of my life/That’s why I’ll always be around”, staat er op het Karaoke-scherm. Maar Sunshine heeft niemand die voor haar “around” is, dus zingt ze het zelf maar, met zwaar oosters accent en een opgeplakte glimlach.

Sunshine is een personage dat actrice Esther Scheldwacht creëerde voor een eerdere voorstelling, waarin ze maar één scène had: een Thaise ‘ladyboy’ met een zoon in Holland. Deels op basis van interviews die haar broer Ricci hield met Thaise mannelijke prostitués die zich hebben laten ombouwen tot vrouw, gaf ze haar personage Shanu een eigen voorstelling.

Het is een tragisch verhaal over een kickbokser die na een ongeluk in de sexindustrie van Thailand terecht komt, maar blijft dromen over het kind dat hij verwekte bij een backpackster. Scheldwacht vertelt het in een aandoenlijke mix van slecht Engels en karaoke-nummers, op een bed dat geheel is opgebouwd uit niet verstuurde brieven aan zijn zoon.

Mooi is de tragiek van het personage dat steeds dichter bij zijn zoon in de buurt lijkt te komen –door Google en Hyves weet ze hoe zijn vrienden heten en hoe zijn school eruit ziet–, maar juist door steeds nieuwe geslachtsoperaties verder af komt te staan van de vader die ze voor hem zou willen zijn.

De voorstelling is een tikje larmoyant, maar houdt voor het grootste deel precies de goede afstand. Dat zie je het best in de doelbewuste bewegingen van de thaibokser die Scheldwacht steeds toont en in de emotieloze karaokeversies van There’s a place for us of The greatest love of all. Scheldwacht’s gezicht blijft in de plooi, maar erachter peil je diep en onspreekbaar verdriet.

De Sunshine Show van Esther Scheldwacht. Gezien 17/4 in Bellevue (lunchpauzevoorstelling). Aldaar t/m 5/5. Meer info op www.estherscheldwacht.nl

Terugblik: de Beckett-rel

overig,Parool — simber op 19 april 2013 om 10:00 uur
tags: , , , ,

Hij wordt wel de laatste grote toneelschrijver genoemd: Samuel Beckett. Twee van zijn stukken staan de komende week op het programma van de Stadsschouwburg, maar de nadruk van deze Beckettweek ligt op een bijzonder jubileum. Deze maand is het namelijk vijfentwintig jaar geleden dat de rechter uitspraak deed in de opmerkelijke zaak van de Ierse toneelschrijver tegen de Haarlemse Toneelschuur, die Wachten op Godot wilde laten spelen door vrouwen.

Deze affaire wordt komend weekend met twee manifestaties gememoreerd: zondagmiddag een discussie met zoveel mogelijk hoofdrolspelers van toen en de dag ervoor een uniek experiment: vijf regisseurs die in volledige vrijheid een scène uit Wachten op Godot onder handen nemen.

Want die vrijheid van de regisseur, dat is nu net het punt als het om Beckett gaat en dat was ook de kern van de affaire, vijfentwintig jaar geleden. Wat was er aan de hand?

Actrice Truus te Selle had het idee gekregen om Wachten op Godot te spelen met vier vrouwen, Matin van Veldhuizen zou de voorstelling regisseren. Actrice Trudy de Jong, die Estragon zou spelen, herinnert zich nog dat in februari 1988 tijdens de repetities Ina Otte Veen, zakelijk leider van de Toneelschuur, binnenviel en zei: “Ik weet niet of we dit mogen spelen. Ik krijg een proces aan m’n broek.” De Jong: “We deden er eerst wat lacherig over, maar toen we door kregen dat het serieus was waren we verbijsterd.” De rechtszaak kwam eraan, en Beckett verhoogde de inzet: als deze voorstelling niet zou worden gestopt zou zijn werk in Nederland helemaal niet meer gespeeld mogen worden.

De toen 82-jarige Beckett woonde in die tijd in Parijs en had met vrijwel niemand contact. Zijn zaken worden waargenomen door auteursrechtenbureau SACD en door zijn uitgever Jerome Lindon. Begin 1988 zijn die geïrriteerd door twee eerdere Godot’s met vrouwen, één in Israël, één in Zuid Frankrijk. En Nederland heeft dan al de naam als plek waar regisseurs veel te ver gaan in het interpreteren een aanpassen van toneelstukken. Eerder dat seizoen heeft het dan pas opgerichte Toneelgroep Amsterdam In de eenzaamheid van de katoenvelden zó opgevoerd dat er maar veertig toeschouwers per voorstelling in konden en het werd door veertien acteurs gespeeld, in plaats van de voorgeschreven twee.

De Jong, die bij Baal en bij Art & Pro speelde, beaamt dat er in die tijd veel werd geëxperimenteerd: “Het toneel was in die tijd heel politiek bewust en kritisch. Met Baal zetten we ons af tegen de manier waarop in de schouwburgen nieuw repertoire werd gespeeld. Wij wilden het minder pathetisch doen: minder gevoel en méér denken. Daar paste bij dat we alle toneelvormen onderzochten, ook man/vrouw-wisselingen. Het kwam soms ook voort uit gebrek aan mankracht hoor. Maar we wilden steeds het publiek verwarren en laten nadenken. En dat werd ook geaccepteerd door het publiek. Dat vond het allemaal heel leuk.”

Maar op dat laatste punt is De Jongs herinnering iets te rooskleurig. De zaak Beckett werd een mediastorm waarin het columnistengilde met veel venijn haar afkeer van de regisseursfratsen van het moderne toneel spuwde. Theaterwetenschapper Lucia van Heteren, die een boek schreef over Beckett in Nederland, vond zo’n zestig artikelen over de rechtszaak, van droge verslagen tot harde columns en recensies. “Iedereen bemoeide zich ermee”, zegt Van Heteren, “En ongeveer de helft van die artikelen is negatief over de vrouwen. De teneur was: waarom moeten Nederlandse regisseurs altijd maar denken dat ze het beter weten dan de schrijver?”

De rechter dacht daar anders over. Die kon in het spelen van de mannenrollen door vrouwen geen “misvorming, verminking of andere aantasting” van het oorspronkelijke toneelstuk zien, juist ook omdat het thema van Beckett universeel menselijk is. Opmerkelijk is dat de rechter zelf de voorstelling is gaan bekijken om zich ervan te vergewissen dat de tekst en ook de vele en gedetailleerde regieaanwijzingen keurig gevolgd werden zich zo in feite een artistiek oordeel over de voorstelling aanmeet. In Nederland zoeken rechters in artistieke zaken juist liever een procedurele of juridische uitweg.

Met de uitspraak op 29 april 1988 lijkt de kous af: de voorstelling werd onder aanzienlijke belangstelling doorgespeeld. Maar een aantal vragen blijft: was de oorspronkelijke opvoering niet veel radicaler en hebben de vrouwen de tekst en het decor aangepast onder dreiging van de rechtszaak? En hoe zit het met dat verbod op het spelen van Beckett in Nederland?

Die eerste vraag moet op de discussie zondag worden opgehelderd, maar de tweede is makkelijk te beantwoorden: dat verbod was een wassen neus.  Een half jaar na de rel speelde Het Nationale Toneel al een Beckett-monoloog en een jaar later werd een tekst gespeeld bij de opening van een tentoonstelling van Bram van Velde. Enkele maanden voor zijn dood in december 1989 herriep Beckett het embargo.

In die halfslachtigheid rond het verbod zit een onbekend aspect aan de hele zaak. Het lijkt waarschijnlijk dat Beckett zelf helemaal niet zo’n probleem had met drastische bewerkingen van zijn werk: hij gunde bevriende regisseurs veel interpretatievrijheid en toen in 1988 dramaturg Arthur Sonnen voor Beckett’s huis in Parijs postte om toestemming voor een opvoering los te peuteren kreeg hij die zonder veel problemen.

Het zijn de zaakwaarnemers, de uitgevers van zijn werk en –later– de erven Beckett die zich in de voorwaarden voor opvoering van zijn stukken nu zo rigide opstellen dat het museumstukken dreigen te worden, niet langer onderdeel van een levende theaterpraktijk. Het is bijvoorbeeld opvallend dat de de eminente toneelverslaggever Jac Heijer, die in 1988 in Parijs op onderzoek uitging, niemand te spreken kreeg die daadwerkelijk van Beckett te horen had gekregen dat die bezwaar had tegen de Haarlemse opvoering door vrouwen.

Van Heteren is er stellig over: “De Beckett-rel zit in het collectieve geheugen van de theaterwereld. Iedereen die Beckett wil gaan opvoeren is op z’n hoede.” Dat lijkt geen goed uitgangspunt voor spannend toneel. En zo werpt een toneelaffaire uit 1988 nog steeds z’n schaduw. Het is afwachten of zaterdagavond de hedendaagse theatermakers daar uit weten te stappen. De bijeenkomst is in ieder geval besloten. Via beckett@ssba.nl kunt u een wachtwoord aanvragen.

Beckettweek: 17 t/m 22/4 in de Stadsschouwburg, met o.a. Wachten op Godot van Oostpool, Krapp’s laatste band van NT Gent en Beckett: director’s cut. Programma op www.ssba.nl/beckett.

 

 

Interview Elsie de Brauw

interviews — simber op 11 april 2013 om 10:17 uur
tags: , , ,

Actrice Elsie de Brauw is net terug uit München en vertrekt volgende week weer naar Nantes. Haar leven lijkt een continuë Europese tournee van voorstellingen die ze maakt met de meest interessante regisseurs van het continent. Deze week is ze even in Amsterdam met de voorstelling Wassa van de Letse regisseur Alvis Hermanis. “Het is een voorstelling die je bekijkt zoals je een boek leest.”

Alvis Hermanis is nog even de ‘Brandstichter’ van dit jaar in de Stadsschouwburg: Vijf van zijn voorstellingen zijn in deze periode te zien. Na het succes van Sommergäste, Sounds of Silence en Long Life vorige maand, worden deze week nog de voorstellingen Väter en Wassa gespeeld.

Wassa is een in Nederland onbekend stuk van Maxim Gorki. Het speelt in 1910 in Rusland, waar de revolutie in de lucht hangt. De Brauw speelt de titelrol: “Wassa is een zakenvrouw die koste wat kost haar bedrijf op de rails probeert te houden. Het is een milieu van handelaars – mensen die heel veel te verliezen hebben bij die revolutie en die willen redden wat er te redden valt.”

Net zoals in de eerdere Brandstichter-voorstellingen is de minutieuze aankleding de blikvanger van de voorstelling. “Alvis Hermanis heeft er een soort kijkdoos van gemaakt: een volledig nagebouwde verdieping in een Russisch landhuis met duizenden details, waarin ieder korset, iedere lamp, iedere vork, ieder fotolijstje uit 1910 komt. Als ik de administratie zit te doen dan is dat ook werken met kroontjespen, telraam en lorgnet.” Vooraan op het podium zit  ook nog eens dozijn echte duiven (in kooitjes uit 1910).

Die prachtige uitdragerij heeft ook invloed op het spel van de acteurs: “Je moet voorzichtig zijn met de inventaris: veel is breekbaar en duur. Mijn personage drukt alles in geld uit. Ze heeft hard gewerkt om te komen waar ze is, en met al die bezittingen drukt ze haar liefde uit. Ze wil alles over kunnen dragen aan haar kinderen en als die te dom of te lui zijn om daar wat mee te doen dan maar aan haar kleinkinderen.”

De manier van regisseren volgt logisch uit het decor. De Brauw noemt het “een soort fotorealisme”, waarbij alle theatraliteit wordt vermeden. Alle bewegingen en handelingen komen logisch voort uit de omgang met al die spullen.

“Dat is lastig, maar het helpt ook bij het opbouwen van de rol. Vooral zo’n korset: je beweegt heel anders, en daardoor komen er andere emoties naar boven. In het stuk zit bijvoorbeeld een vechtpartij tussen mij en een dienstmeisje. Zij is van een andere klasse en draagt dus geen korset. Dat maakt het gevecht totaal ongelijk. Voor de zinnen die ik daarna moet zeggen heb ik echt nauwelijks adem.”

Hermanis maakte de voorstelling bij de Münchner Kammerspiele, waar De Brauw’s echtgenoot Johan Simons artistiek leider is. Wassa was er een enorm succes en de Nederlandse en Vlaamse acteurs (naast De Brauw ook Katja Herbers en Benny Claessens) worden door de Zuidduitse pers hoog geprezen. De Letse regisseur is dan ook kritisch op Duitse toneelspelers: die zijn te veel met hun hoofd bezig en te weinig met hun lichaam, vindt hij. De Brauw snapt wel wat hij bedoelt: “Als je een Duitse acteur vraagt om een tekst lichamelijker te brengen, dan gaat in eerste instantie met zijn handen z’n woorden benadrukken.”

Maar op een ander vlak had De Brauw, die haar carrière begon in de collectieve manier van werken van Theatergroep Hollandia, wel moeite met Hermanis’s strenge aanpak: “Ik ben heel erg gewend om me bij iedere rol af te vragen wat het met nu te maken heeft en om mijn persoonlijkheid te tonen in een rol. Alvis eist transformatie van top tot teen: hij wil levensechte poppetjes zien. ‘I’m not interested in your ego. I’m interested in your character.’ Je kunt het vergelijken met het lezen van Tolstoj. Dan zit je je ook niet op iedere pagina af te vragen wat het met het nu te maken heeft. Je laat je meevoeren, en als het boek dicht slaat denk je misschien: nou, er is eigenlijk niets veranderd; of: die mensen hadden het ook niet makkelijk.”

“Ik ben heel benieuwd naar reacties in Nederland. Je bent als toeschouwer een soort vlieg op de muur. Het is een onverbiddelijke vorm en de voorstelling breekt daar nergens doorheen.”

In mei staat De Brauw opnieuw op de planken van de Stadsschouwburg, in Tsjechov’s Platonov van regisseur Luk Perceval. “Tsjechov en Gorki zijn tijdgenoten, maar ik vind het verschil groot. Bij Tsjechov praten de personages altijd melancholisch om de grote problemen heen en ze handelen niet. De personages van Gorki zijn aanpakkers, ze zijn altijd bezig, ook al lukt het vaak niet.”

Wassa van de Münchner Kammerspiele: 5 en 6 april in de Stadsschouwburg
Väter van het Wiener Burgtheater: 3 en 4 april in de Stadsschouwburg
Meer info op www.ssba.nl

 

Reportage: Paradijs van Dood Paard en De Warme Winkel

In een oud bankgebouw aan de Sarphatistraat ontkiemen bonenplanten, komt sla voorzichtig op en groeien kruiden en planten in oude boekenkasten. Nee, het is geen verlaten gebouw dat door de natuur wordt overgenomen, maar het werkterrein van de theatergroepen Dood Paard en De Warme Winkel. Samen zijn ze begonnen aan urban gardening, wat moet uitmonden in de voorstelling Paradijs die donderdag in première gaat. “Wij proberen de toekomst te ontginnen.”

“We hebben tuinstress”, verzucht Manja Topper. Vier toneelspelers (Topper en Kuno Bakker van Dood Paard, Jeroen De Man en Vincent Rietveld van De Warme Winkel), ondersteund door een paar technici, hebben twee weken geleden de eerste verdieping –waar een paar maanden eerder nog de bibliotheek van het Theater Instituut gevestigd was– gestript en er vijf kuub tuinaarde naar binnen geschept. De kasten voor de boeken en de laden voor videobanden zijn verzaagd en gevuld met grond, een kantoortje is ingericht als warme kiemkamer, een paar helle groeilampen baden de ruimte in geel licht. Nu hebben ze nog een maand tot de première, maar aan theater maken lijken de vier nauwelijks toe te komen.

“We worden keihard geconfronteerd met ons eigen consumenten-gedrag”, zegt Topper bijna verontschuldigend. “We willen direct resultaat. Een week wachten voordat een bol die we in de grond stoppen een puntje groen laat zien vinden we écht heel lang.” Het ziet er al behoorlijk groen uit, maar de acteurs hadden hun verwachtingen hoog opgeschroefd. “We zagen al voor ons dat we de hele buurt van sla en courgettes zouden voorzien”, lacht De Man. Maar voorlopig zijn het vooral kleine puntjes en dunne groene draadjes.

De Warme Winkel en Dood Paard zijn geen onbekenden van elkaar, maar nu werken ze voor het eerst echt samen. “Met z’n vieren zijn we eigenlijk een nieuwe groep,” zegt Kuno Bakker, “Wij hebben met Dood Paard andere manier van werken dan De Warme Winkel. We hebben meteen in het begin gezegd dat we samen op zoek moesten naar iets dat we allemaal niet kunnen, en dat we samen moeten leren.”

Toen het duidelijk werd dat de onderwerpen rond ecologie, duurzaamheid en de huidige crisis op gezamenlijk enthousiasme konden rekenen, lag de keuze om zelf te gaan tuinieren in een leegstaand pand voor de hand. Bakker: “Het is de uiterste consequentie van zo’n idee: we willen onderzoeken hoe ver we zelf eigenlijk af staan van de natuur en van de productie van ons voedsel.” De Man: “Toen zagen we inspirerende video’s uit Detroit waar parkeerterreinen van leegstaande fabrieken worden omgeploegd om er voedsel te gaan verbouwen. In Nederland hebben we enorme leegstand van kantoren die voortkomt uit de hoogmoed van projectontwikkelaars die geloofden in eindeloze groei.”

De groep heeft een vast dagschema: ’s morgens tuinieren, ’s middags theater maken. “Dan doen we acts voor elkaar, we lezen dingen voor, we discussiëren”, zegt Vincent Rietveld. “We zitten nu midden in de keuze of het een hardcore performance wordt waarin we geen contact maken met het publiek en alleen tuinieren, of dat we het publiek ene heel apocalyptisch verhaal vertellen.” Topper: “Je kunt dit niet als decor gebruiken voor een toneelstukje.”

De tuin blijkt namelijk een behoorlijke eigen wil te hebben. “Er zijn heel veel dagen geweest dat we ons er totaal in verloren”, vertelt De Man. “We dachten: we hebben helemaal geen tijd om theater te maken. Het is zo energieverslindend.” Rietveld: “We staan hier te juichen als de zonnebloem twee nieuwe blaadjes heeft. Dat zijn de kleine triomfen die we iedere dag weer voelen.”

De spelers hebben een paar gemeenschappelijke bakken, maar ieder ook een eigen project. Rietveld teelt radijs, Topper maakt iets kunstzinnigs van planten in eierdopjes, zelfs publiciteitsmedewerker Raymond Querido zaait plantjes voor de vroege boekers van de voorstelling. Een bijzonder project hangt in vochtige plastic zakken. Bakker las een artikel over Gro-Holland, een bedrijfje dat oesterzwammen kweekt op koffieprut. “We hebben koffiedik gevraagd van cafés in de straat en in die zakken telen we onze eigen zwammen. Ik vind dat echt een mooi idee om van afval weer een grondstof te maken.”

Ondanks dat ze zichzelf er tomeloos in verliezen gaat het Dood Paard en De Warme Winkel uiteindelijk niet eens zozeer om hun hoogst kunstmatige tuin. Topper: “De vervreemding die we zichtbaar willen maken over de enorme energie die we stoppen in het heen en weer brengen van al dat voedsel gaat ook over iets groters. We staan in ons leven sowieso vrij ver af van allerlei problemen, waar we door ons gedrag wel aan bijdragen. Dat is het gevoel dat je als een soort toerist door je leven beweegt. Het gaat ons niet lukken om het hele systeem te veranderen, maar een heleboel kleine initiatieven uiteindelijk wel.”

Paradijs van De Warme Winkel en Dood Paard is te zien van 4 t/m 18/4 op locatie aan de Sarphatistraat 53. En in mei op het Spring Festival in Utrecht. Meer info op www.paradijs.nu

 

De opkomst van de reprise

beschouwingen — simber op 11 april 2013 om 10:01 uur
tags:

In de afgelopen twintig jaar is de attitude tegenover reprises in het Nederlandse theater radicaal veranderd. Subsidiënten, gezelschappen en zalen hebben hun manier van werken aangepast om hernemingen van oud werk mogelijk te maken en regisseurs en spelers doen niet langer hautain tegenover het opnieuw opnemen van succesvoorstellingen. Dit seizoen maken de theaters het wel erg bont, met tal van reprises van voorstellingen van wel tien jaar geleden of nog ouder. Is de reprise-hausse alleen maar het beantwoorden aan de vraag van het publiek of is er meer aan de hand?

Wie niet oppast kan zich bij het doorbladeren van zijn of haar schouwburgbrochure lelijk vergissen in het jaartal. Het Nationale Toneel herneemt Strange Interlude (2003), Carver speelde Café Lehmitz (1991) en de kaarten voor Einstein on the Beach (1975) waren niet aan te slepen. Vorig jaar speelde de oorspronkelijk cast nog eens Theu Boermans’ De Presidentes (1993), Hotel Modern tourt nog steeds over de wereld met De Grote Oorlog (2001) en Toneelgroep Amsterdam presenteert dit jaar reprises van o.a. Het Temmen van de Feeks (2005) en Othello (2003).

Dat is des te opvallender omdat reprises in Nederland van oudsher een beladen begrip waren. Begin jaren negentig kon een voorstelling bij enorm succes (zoals Wilhelmina of Cloaca) in augustus nog vier keer herhaald worden, of twee seizoenen verder nog een korte tournee maken. Maar meestal waren de acteurs alweer met hun volgende voorstelling bezig en was het decor al verbrand. Er werd ook behoorlijk meesmuilend over reprises gesproken: zo’n voorstelling was een jaar later toch niet meer actueel? En moest je nu werkelijk avond aan avond je bekende kunstje vertonen voor de sukkels in de provincie die te belazerd waren om te komen toen het hot was en nu alleen maar kwamen omdat het een hit was?

Het programmeringsbeleid van Ivo van Hove bij Toneelgroep Amsterdam zorgde vanaf de eerste helft van de jaren nul voor een kentering: door het brede vaste ensemble dat hij formeerde en het grote aantal speelbeurten dat hem door Stadsschouwburgdirecteur Melle Daamen werd gegund, kreeg hij een enorme vrijheid om succesvolle voorstellingen op korte termijn langer door te spelen en op de langere termijn net zo vaak te laten terugkomen als er publiek voor was, terwijl minder geslaagde producties geruisloos van het repertoire werden gehaald. Het was nog niet zoals in Duitsland (waar de grote huizen iedere avond een andere voorstelling spelen en in geval van spelersziekte of andere calamiteiten op het laaste moment het programma gewisseld kan worden), maar er leek een heuse repertoirecultuur op te bloeien in de altijd zo door vernieuwing geobsedeerde Nederlandse theatercultuur.

Continue reading “De opkomst van de reprise” »

Recensie: ‘Motregenvariaties’ van Bellevue Lunchtheater

Een slecht gedicht schrijven dat iedereen slecht vindt, dat lukt nog wel. Maar een slecht gedicht dat iedereen goed vindt, dat is lastiger. Schrijver Robert Alberdingk Thijm, bekend van zijn scenario’s voor onder andere De Daltons, Dunya en Desie en A’dam – E.V.A., komt er in zijn eerste toneeltekst wonderwel mee weg, geruggesteund door actrices Olga Zuiderhoek en Ria Eimers, die met een simpele handbeweging elk woord van komisch naar bloedserieus kunnen draaien.

Zuiderhoek en Eimers spelen twee dichteressen, de één was een one-hit-wonder met een bundeltje gedichten in gewone-mensentaal, de ander werd Dichteres des Vaderlands met een monumentaal oeuvre hoogdravende poëemen. “En een minstens zo monumentaal achterwerk”, sneert de eerste.

Ze worden bij elkaar gebracht in een verhaal over rouw, buitenechtelijke affaires, critici, plagiaat en zonen die alles anders gaan doen dan jij bedacht had. De twee muzendochters lijken constant verdwaald in een tijd waarin hun gevoeligheid voor taal er niet meer toe doet en je gewoon moet “gaan met die banaan”.

Zuiderhoek en Eimers weten beiden buitengewoon goed raad met Alberdingk Thijm’s smakelijke dialoogjes, die steeds razendsnel heen en weer schieten van lach naar drama naar verbazing over weer een vólgende onthulling.

Die nieuwe tijd wordt vertegenwoordigd door Jan-Paul Buijs als jonge uitgever en als Eimers’ zoon. Waar Zuiderhoek en Eimers lijzig zijn, is hij energiek; waar de dames fijzinnig zijn is hij bot. Het is een fijn contrast, zeker als Buijs al schoenen gooiend alle emoties eruit mept die de vrouwen de hele tijd tot woorden vermalen.

De voorstelling is in naam geregisseerd door toneelhalfgod Johan Simons, maar die had het eigenlijk veel te druk met zijn eigen gezelschap in München. Hij stuurde zijn zoon, de 22-jarige muzikant Warre Simons en dat lijkt hem lang niet slecht af gegaan. Alberdingk Thijm’s oorspronkelijke, iets te uitleggerige script is in ieder geval flink strak getrokken, en de spelers moeten vaak iets doen dat net niet lijkt te kloppen bij de situatie – is Zuiderhoek nou een bord pasta aan het eten in een jassenwinkel? Dat zorgt steeds voor een prettig soort verwarring, extra geestig door de onverstoorbaarheid van met name Eimers.

Motregenvariaties heeft een onmiskenbaar Engelse theatersfeer: een kundig, talig stuk; tragikomisch met een randje detective; uitstekend, licht onderkoeld gespeeld. Dat is helemaal niet onaangenaam, om maar eens een understatement te gebruiken.

Motregenvariaties van Bellevue Lunchtheater. Gezien 27/3/13 in Bellevue. Meer info op www.lunchtheater.nl

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2017 Simber | powered by WordPress with Barecity