Recensie: ‘Gavrilo Princip’ van De Warme Winkel (HF)

De lijst met bedankjes is lang en hij moet helemaal worden voorgelezen. Theatermakers van Diederik van Vleuten tot Hans-Werner Kroesinger en van Stephen Sondheim tot Herman van Veen gaven De Warme Winkel inspiratie met hun werken over Gavrilo Princip, de moordenaar van de Oostenrijkse kroonprins en daarmee de aanstichter van de Eerste Wereldoorlog. De boodschap is duidelijk: in dit herdenkingsjaar worden we overspoeld met kunstwerken die herinneren en waarschuwen. Maar wat heeft dat eigenlijk voor zin?

De sullig voorgelezen bedankjes en het daarna tergend terugtellen van 2014 naar 1914 opent de voorstelling Gavrilo Princip die De Warme Winkel (DWW) maakte in het kader van het Holland Festival. Dat gaf de groep –de spannendste en consistent meest interessante van Nederland– de kans om groots uit te pakken met veel techniek, video en een prachtige soundtrack (van Remco de Jong en Florentijn Boddendijk).

Het grootste deel van de voorstelling bestaat uit een film, die live geschoten wordt met steadicam in een uitgebreide serie decors waarvan je achter het filmdoek alleen de achterkanten ziet. We zien flarden van het levensverhaal van de arme boerenzoon Princip, die opgroeit in Bosnië en gegrepen wordt door het anarchisme en Servisch nationalisme. Maar ook de andere kant wordt getoond: het rijke, walsende leven van de Oostenrijkse adel. Het enige dat de twee werelden verbindt is de liefde voor het biljartspel.

De beelden die DWW maakt zijn nauwelijks verhalend, maar beeldend en hallucinerend. Alle acteurs spelen, met een paar expressionistische streken zwartwitte schminck, de titelfiguur, zodat steeds duidelijk wordt dat dé Princip niet bestaat; er zijn alleen projecties. Met maquettes en biljartballen zo groot als skippyballen speelt de groep voortdurend met schaal.

Het is erg jammer dat de filmbeelden nogal rommelig zijn; niet alleen zijn ze vaak te donker en onscherp, het reduceert wat de spelers doen ook tot luidruchtig gebonk achter de schermen. Maar waarschijnlijk zijn dat technische problemen die nog worden opgelost en hoezeer je je eraan ergert is afhankelijk van hoe prikkelend je de ideeën van vindt die DWW hier opwerpt.

Wie goed oplet ziet dat alle in de inleiding genoemde voorstellingen later worden herhaald. Met het gehannes met maquettes en camera’s roept DWW onbedwingbaar associaties op met de theaterklassieker De Grote Oorlog van Hotel Modern en de losse speelstijl en de goed gekozen Hamlet-citaten leggen de verbinding met De laatste dagen der mensheid van ’t Barre Land. Het plaatst de voorstelling in een uitgesproken postmodern kader, maar het is ook functioneel: door voorstellingen en beelden in herinnering te roepen over de verschrikkingen van de loopgravenoorlog, kan DWW zich concentreren op waar het haar om gaat.

Want tegenover een eclectisch wereldbeeld plaatst de groep een tamelijk conservatief mensbeeld: kleine stervelingen die de gevolgen van hun daden niet kunnen overzien, met tegenstrijdige verlangens en basale driften verhuld door romantische idealen.

Het is niet nodig om Princip te herdenken, lijkt DWW hier te zeggen, hij is nog altijd onder ons. Je kunt hem zien in Volkert van der G. of in de polderjihadi’s die naar Syrië vertrekken. De voorstelling eindigt met een geplaybackt interview met een van die types. Mooie idealen over mensen helpen, maar op de achtergrond is een van z’n makkers geschminckt als The Joker. “Some men just want to watch the world burn.”

Holland Festival: Gavrilo Princip van De Warme Winkel. Gezien op locatie Van Gendthallen 20/6/14. Aldaar t/m 27/6. Tournee. Meer info op www.dewarmewinkel.nl

Interview Wouter van Ransbeek

interviews,Theatermaker — simber op 21 juni 2014 om 10:00 uur
tags: ,

Met zijn ervaring bij de Wiener Festwochen, Theater der Welt en Toneelgroep Amsterdam is Wouter van Ransbeek de ideale gesprekspartner voor een gedachtewisseling over het Nederlandse festivallandschap. En daarmee automatisch ook over talentontwikkeling. “In een festival kun je over de rand van het normale hangen en experimenteren.”

Het is een complexe tijd voor festivals, is de voorzichtige conclusie aan het eind van het gesprek. ‘Complex’ is een woord dat dan al vaak is opgedoken. Festivals hebben volgens Van Ransbeek te maken met een drietal grote trends: “Er is sprake van ‘MacFestivalisering’ – er is een enorm aantal festivals met grote onderlinge concurrentie, en veel bundelingen van voorstellingen heten alleen om marketingredenen festival; tegelijk is het belangrijkste profiel van veel festivals –de internationale programmering– deels overgenomen door de reguliere podia; en tenslotte is er er geldgebrek, waardoor er minder kan worden geprogrammeerd en er veel meer op korte termijn moet worden gewerkt.”

Van Ransbeek begon na een studie politicologie in Gent zijn carrière in 2001 als assistent van Gerard Mortier bij de Ruhrtriennale en werkte later mee aan de programmering van de Wiener Festwochen en Theater der Welt in Stuttgart. In 2006 werd hij door Ivo van Hove naar Toneelgroep Amsterdam gehaald om het internationale beleid van het gezelschap te ontwikkelen en om samen met Frascati en de Toneelschuur het talentontwikkelingsprogramma TA2 op te zetten.

Twee polen

“Eigenlijk zijn er maar een paar soorten festivals in de wereld”, begint Van Ransbeek. “Na de Tweede Wereldoorlog ontstonden grote Europese Festivals als Wiener Festwochen, Edinburgh, Avignon en het Holland Festival. Daar gaat het om kunst met de grote K en om culturele uitwisseling: de nieuwe internationale tendensen in dans, muziek, opera en theater werden in het eigen culturele landschap geplaats en de eigen, nationale kunstenaars werden in een internationale context gepresenteerd. De meeste van die festivals functioneren nog steeds op dezelfde manier.”

“In de jaren ’80 en ’90 ontstond een nieuw soort festival: kleinschaliger, open, meer gericht op het lokale, de dialoog en op een nieuwe omgang met het publiek. Dat moest niet meer alleen passief de grote kunst bekijken, maar betrokken worden in de totaliteit van het festival. Dat zie je duidelijk bij bijvoorbeeld Oerol en De Parade. Dat ging samen met de ontwikkeling van experimentelere theatervormen en ervarings- en locatietheater. Ik denk dat het festivallandschap zich nog altijd tussen die twee polen beweegt. Slechts een paar festivals, zoals Wiener Festwochen, proberen beide te combineren.” Continue reading “Interview Wouter van Ransbeek” »

Boekrecensie: De koning kun je niet spelen van Boris van der Ham

boekrecensies,Theatermaker — simber op 20 juni 2014 om 10:00 uur
tags: ,

Voor veel mensen in de theaterwereld was hij toch altijd een beetje ‘ons’ Kamerlid. Boris van der Ham werd opgeleid aan de Toneelacademie Maastricht speelde onder meer bij De Appel en ZT Hollandia voordat hij definitief koos voor zijn andere grote liefde, de politiek. Tien jaar zat hij in de Tweede Kamer voor D66. In 2012 nam hij afscheid, en inmiddels is hij (onder andere) voorzitter van het Humanistisch Verbond.

Bovendien schreef hij het heel aardige en vlot geschreven boekje De koning kun je niet spelen, over de overeenkomsten tussen het toneel en het politieke bedrijf. Het is een helder en levendig pleidooi voor minder angst voor theater in de politiek en vooral voor béter theater in de politiek, maar ook een tikje oppervlakkig en daarbij gaat hij vaak uit van een wat ouderwetsig beeld van theater.

Aan de hand van een aantal toneelwetten geeft Van der Ham een aantal analogieën tussen toneel en politiek. Soms liggen die voor de hand – zowel een toneelspeler als een politicus moet beelden oproepen; ‘show, don’t tell’ – en soms zijn ze onnavolgbaar –‘het geweer van Tsjechov’ brengt hem op liegen en draaien. Maar meestal zijn ze origineel en overtuigend, zoals de vergelijking tussen politici als Berlusconi en Fortuyn die de boel ontregelen en zo iedereen van het toneel spelen, net als een hondje op het toneel, of de de titel die impliceert dat juist het gedrag van de mensen om hem heen de machthebber gezag geeft en leert je zo opnieuw kijken naar politiek leiders in de problemen.

Theater in de politiek heeft een slechte naam. Het staat voor alles wat onecht is: wrevel die wordt opgeblazen tot woede, standpunten die er alleen maar toe dienen om de media te paaien, de leugens en hypocrisie die nu eenmaal onvermijdelijk samengaan met compromissen smeden. Van der Ham probeert er een positief beeld over theater tegenover te stellen: juist het element van spel in politieke discussies zorgt voor de relatieve geweldloosheid van de democratie. Instemmend haalt hij Johan Huizinga aan, die stelt dat het spel ruimte geeft voor hoogoplopend conflict, maar dat het spel op een gegeven moment ook weer afgelopen is, zodat er weer ruimte is voor bezinning en toenadering.

Het is jammer dat Van der Ham zo weinig aandacht besteedt aan de dramatisering van de politiek door de media. De speelruimte waar Huizinga het over heeft is voor een groot deel overgenomen door het medialandschap, die de aloude en bewezen scenario’s uit de dramatische kunsten hanteert om conflicten te ensceneren. De “morsige evenwichtskunst van de politiek” waar Van der Ham een lans voor breekt – dossiers lezen, compromissen sluiten, de achterban spreken – is te saai voor televisie, maar belangrijker is dat die dramatisering geen ruimte laat voor de belangrijkste invloed op de politiek: toeval.

Ik ben juist zo benieuwd hoe Van der Ham, die altijd slim en authentiek overkomt in praatprogramma’s, die scenario’s uitbuit en waar nodig tegenwerkt.

Dat gemis is des te frappanter omdat juist in het huidige theaterseizoen (waar Van der Ham als TF-juryvoorzitter een selectie uit moet maken) zo veel makers zich bezig houden met de dramatisering van het leven, in voorstellingen als Hideous (wo)men, The truth about Kate en Crash test Ibsen.

En daar zit meteen ook het tweede minpuntje aan dit boek: Van der Ham’s blik op theater blijft beperkt tot repertoiretoneel. Bij het schetsen van de verschillen tussen theater en politiek zet hij herhaaldelijk het spreken van andermans teksten en het wekenlang oefenen in het theater tegenover het improviseren van eigen werk in de politiek. Wat zouden nieuwere vormen van theater te bieden hebben aan politici?

Wat heel erg leuk is aan het boekje is de bijbehorende website, waar Van der Ham bij de vele voorbeelden die hij beschrijft de bijbehorende filmpjes kan laten zien. Het is een rijke verzameling retorisch talent, van Reagan, Wiegel en Wim Kan tot Shakespeare, Leni Riefenstahl en House of Cards. Samen met de korte interviews met theaterpersoonlijkheden als Ellen Vogel, Theu Boermans, Jaap Spijkers en Caspar Vandeputte is het een prima crash course drama voor iedere politicus. Ik hoop op een vervolg voor gevorderden.

www.dekoningkunjenietspelen.nl

 

Recensie: ‘Die Schutzbefohlenen’ van Thalia Theater (HF)

Aan het begin van de voorstelling staat de teller op 25163, aan het eind op 25228. De grote lichtgevende cijfers domineren het decor van Die Schutzbefohlenen, de nieuwste tekst van nobelprijswinnares Elfriede Jelinek in regie van Nicolas Stemann. Ze staan symbool voor het aantal doden dat valt onder de vluchtelingen die vanuit Afrika Fort Europa in willen.

Geïnspireerd op Aeschylos’ Smekelingen schreef ze een tekst over asielzoekers, racisme, privilege, mensenrechten en humanisme. Ze baseerde zich deels op protestacties van asielzoekers in Wenen, Stemann voerde de tekst eerst op in de vluchtkerk van Hamburg.

Het is theater van hermetische lappen tekst, vaak unisono gezegd door meerdere acteurs, en krachtige beelden. Het is Stemanns kracht dat hij van Jelineks tekstlabyrinten vol woordspelingen en filosofische verwijzingen levendige happenings kan maken, en ook hier komen rock ballads, travestie en grappen over blackface voorbij.

De levendigheid wordt nog versterkt door een grote groep Nederlandse asielzoekers die meespeelt, en de contrasten worden flink aangezet. Als een van de Duitsers een prachtig Schubert-achtig lied zingt en hij wordt onderbroken door een vluchteling die een dak boven zijn hoofd nodig heeft, roept hij uit: “Ik kan jullie niet helpen, ik moet jullie toch spélen?”

Het is goed dat aan dit probleem niet voorbij wordt gegaan, maar in de Westergasfabriek zullen weinig aanwezigen tégen een humaner asielbeleid zijn. Na afloop collecteren de spelers voor de vluchtelingen, die vrijdag de oude gevangenis in de Havenstraat moeten verlaten.

De verhouding tussen kunst en deze problematiek is precair. Tien jaar geleden maakte regisseur Peter Sellars op het Holland Festival al Children of Herakles, ook met asielzoekers op het podium. Het ziet er niet naar uit dat toekomstige kunstenaars een gebrek zullen hebben aan vluchtelingen voor hun werk.

Holland Festival: Die Schutzbefohlenen van Thalia Theater. Gezien 10/6/14 in de Westergasfabriek. Aldaar t/m 12/6. Meer info op www.hollandfestival.nl

Interview Ramsey Nasr

interviews,Parool — simber op 18 juni 2014 om 10:00 uur
tags: , , ,

Aanstaande zondag gaat The Fountainhead in première, de nieuwe, grootschalige voorstelling van Toneelgroep Amsterdam, een bewerking van de controversiële roman van Ayn Rand. Ramsey Nasr speelt de centrale rol, de hyperindividualistische en compromisloze architect Howard Roark. “Als acteur is het leuk om dingen te verkondigen waar je privé volstrekt niet achter staat.”

“Ik hoop niet dat ik het woord frustratie te vaak gebruik”, zegt hij half serieus aan het begin van het gesprek als hij nog bezig is om koffie te zetten. De dag ervoor –anderhalve week voor de première– was de eerste doorloop van de voorstelling en de tijdsdruk plus het feit dat de voorstelling duidelijk nog niet af is maken Nasr, nou ja, gefrustreerd. “Het is gekkenwerk, zeker met zoveel techniek.”

Nasr begon zijn carrière als acteur bij regisseur Ivo van Hove die toen nog artistiek leider van Het Zuidelijk Toneel. In 2000 besloot hij een andere kant op te gaan: hij werd dichter. Het toneel bleef echter trekken en vorig jaar pakte hij zijn acteursloopbaan weer op, opnieuw bij Ivo van Hove, inmiddels directeur van Toneelgroep Amsterdam.

“Ik vind Ivo een zeldzaam goede regisseur. Het is fantastisch om met iemand te werken die zo bevlogen is en een klare visie heeft op wat er in een theater moet gebeuren. En ik vertrouw hem. Ik vind Ivo totaal veranderd ten opzichte van Het Zuidelijk Toneel destijds. Hij is een enorm losse, vrolijke man, staat ook veel meer open voor suggesties en input. Dat vind ik heel fijn.”

Van Hove had al heel lang de wens om The Fountainhead voor toneel te bewerken, maar het duurde jaren voordat hij de rechten kreeg. “Om eerlijk te zijn kende ik het boek en Ayn Rand helemaal niet. Ik kom nu mensen tegen die het óf totaal niet kennen, óf wel – en dan zijn ze er ook echt idolaat van. Rand heeft een fantastische schrijfstijl. Maar ik vind het vooral knap dat als je niet op de hoogte bent van haar ideologie je dan nog altijd een prachtig boek hebt.”

Want The Fountainhead is niet zomaar een Amerikaanse klassieker. De na de Russische revolutie naar de VS gevluchte Rand bezong in haar eerste literaire succes een vorm van romantisch hyperindividualisme dat geen plaats laat voor naastenliefde of solidariteit. Later werkte ze haar libertijnse filosofie verder uit en werd ze met haar verdediging van laissez faire kapitalisme de held van rechtse politici en economen van Alan Greenspan tot Geert Wilders.

“Ik ben het op veel vlakken oneens met Rand. Ik vind het cruciaal dat háár waarheid niet onze waarheid hoeft te worden. Elk van de personages zegt dingen waar ik het volstrekt mee eens ben, om daarna in een bijzin weer iets verschrikkelijks te zeggen. Ivo van Hove wil één ding: een discussiestuk maken. The Fountainhead dwingt je als lezer en hopelijk als toeschouwer om je ertoe te verhouden. Het is een handleiding om te leven en er zijn maar weinig boeken die die kracht hebben. Er zijn nu trouwens VVD-vrienden van me die niet zo snel naar toneel komen maar nu zeggen: ik ben benieuwd!”

“Overigens is het als acteur juist leuk om dingen te verkondigen waar je privé echt niet achter staat. Dat is het interessante aan dit vak: om mensen waarmee ik het niet eens ben te begrijpen en een stem te geven. Van jongs af aan ben ik altijd op zoek geweest naar tegenargumenten. Howard Roark is voor mij een held, maar ik vind de meest interessante plekken in het stuk die waar hij dingen verkondigt waar ik het absoluut mee oneens ben. Want dat confronteert me met m’n eigen geweten.”

Maar ondanks de prikkelende inhoud is Nasr nog driftig op zoek naar de finesses van zijn rol. “Voor Rand is Roark de ideale mens. Dat is misschien onmogelijk om te spelen, maar ik wil het personage toch recht doen. Ik benaderde hem lange tijd als autist; ietwat kil en gesloten, iemand die leeft volgens de ratio. Maar ik kom daar op de terug, nu ik nadenk over andere kunstenaars zoals Rem Koolhaas en ook Ivo van Hove. Dat zijn geen autisten, maar mensen die leven voor hun werk.”

“Ik vermoed dat Ivo goed gedijt op de tijdsdruk die we nu voelen. Daarom vertrouw ik Halina Reijn en Hans Kesting die eerdere projecten hebben meegemaakt en die zeggen dat het in de laatste week allemaal af komt. Ik hoop het en vertrouw erop.”

The Fountainhead gaat in première op 15 juni in de Stadsschouwburg. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Interview Davy Pieters

interviews,Theatermaker — simber op 17 juni 2014 om 10:00 uur
tags: ,

De jonge regisseur Davy Pieters viel dit seizoen op met haar voorstelling The truth about Kate. Ze werd genomineerd voor de BNG Nieuwe Theatermakersprijs en geslecteerd voor het Vlaamse Circuit X. Naast haar regiewerk, maakt ze performances voor op dance-festivals met het duocollectief Kobe. “Ik vind het fascinerend hoe mensen realiteit maken.”

The truth about Kate, een weergaloze solo van Naomi Velissariou over celebrity-cultuur en identiteitsconstructie, speelt deze zomer verder op de festivals, maar Davy Pieters zit inmiddels volop in de researchfase voor haar volgende project bij Frascati. Voor How did I dieverdiept ze zich in het reconstrueren van de waarheid en de beeldvorming rondom misdaad. Ze werkt samen met forensisch specialisten die op de plek van een misdrijf moeten achterhalen wat er precies gebeurt is. En tegelijkertijd is ze volop aan het onderhandelen met verschillende zomerfestivals om de performances die ze maakt met Kobe op commerciële basis te verkopen.

Hoe kijk je terug op Kate?

Ik had niet verwacht dat het zoveel teweeg zou brengen. Het werd vantevoren al een soort mediading op Facebook en omdat het op de cover van NRC.next stond. Dat was heel leuk, maar ik vond het wel fascinerend dat het in één klap zo overal aanwezig was. Je merkt wel hoe snel het dan gaat dat sommige mensen al met een bepaald beeld over de voorstelling de zaal in komen. In de tweede speelweek zie je mensen achterover gaan zitten met een houding van: dit is dus blijkbaar heel goed.

Wat waren de belangrijkste vragen waarmee je tijdens het maken van die voorstelling werd geconfronteerd?

De grote inhoudelijk vraag die de voorstelling oproept is: hoe echt is Kate? Maar eigenlijk is die vraag heel oninteressant. De concrete situatie van een vrouw in een keuken die een celebrityleven voor zichzelf construeert is helemaal niet van belang, het gaat om dat meta-aspect. Toch waren er veel mensen die tijdens de repetitie kwamen kijken die die echtheid willen zien, als houvast. Maar ook voor Naomi, Jimi (Zoet, die het geluidsdecor maakte), Jibbe (Willems, tekst) en mijzelf moesten we het verantwoorden. Er blijft altijd een mens op het toneel staan die dat allemaal aan het doen is. Wat laten we van haar zien?

Ik ben niet op zoek naar authenticiteit of echtheid. Je moet de vragen denk ik anders benaderen. Ik ben niet bezig met echt of onecht, waar of onwaar. Ik wil het schemergebied omarmen, en daarin allerlei vragen stellen. Zelf ben ik natuurlijk wel bezig met waarheid en identiteitsconstructies, maar ik vind het juist interessant hóe dat gemaakt wordt. Zeker in combinatie met sociale technologie die maar doordendert. Wat voor wereld komt daaruit, en wat voor mensen?

Hoe kijk je nu tegen die celebrity-cultuur aan?

Dat bouwen van Kate was vooral erg leuk: we konden alles pikken en gebruiken en overnemen en uitlachen wat we maar wilden. We voelden uiteindelijk zeker de vrijheid om vanhaar alles te maken wat we wilden. Misschien juist in tegenstelling tot de celebrities die we gebruikten. Wij kunnen doen wat we willen, zij zijn een bedrijf dat aan hun materiaal moet verdienen, dat is oninteressant. Maar je gaat je wel afvragen: kun je dit wel gewoon na gaan doen? Van wie is dat materiaal?

Die vraag komt ook weer terug nu we de performance van Kobe in de markt proberen te zetten. We willen ons eigen werk beschermen en we vroegen ons af of er copyright rust op een performance of een idee of een look. Wat betekent copyright überhaupt eigenlijk nog?

Wat is Kobe precies?

Kobe is een ‘duocollectief’ van Nastaran Razawi Khorasani en mijzelf, waarmee we performance-happenings willen maken voor een heel groot publiek, in clubs op festivals en feesten. Daarnaast maken we één theatervoorstelling per jaar. In de performance zoeken we een kruising van kunst en feest op plekken waar iedereen het kan zien en ervaren. Nastaran en ik kennen elkaar van de Toneelacademie Maastricht, waar ik regie deed en zij performance. We werkten op school al veel samen en hoewel we nu allebei ons eigen pad volgen – ik bij Frascati en zij bij onder andere het Ro Theater en Maas – wilden we die samenwerking toch voortzetten. De naam komt van de Japanse havenstad. We hebben ons gevestigd in Rotterdam, wat een beetje het Kobe van Nederland is en we putten veel inspiratie uit Japanse pop- en beeldcultuur.

Onze performance reageert op de exposerende kant van de wereld. Laten zien en gezien lijken voor sommige mensen hun belangrijkste bestaansrecht te qorden. We proberen die oppervlakte met verbeelding extra flashy te maken en daardoor door te prikken. We maken een overblije wereld waarin alles goed en leuk is. Een mega-extravagente, kleurrijke, volwassen speelgoedwereld. Daartegenover zoeken we een soort abstractie in bewegingen. Het is heel sexy, zelfs een beetje pornografisch. Mensen vinden het heel weird en weten niet zo goed waar ze naar zitten te kijken, maar ze omarmen het echt. Ze staan er met open mond naar te kijken. Dat is precies wat we teweeg willen brengen in een grote massa.

We hebben de eerste versie drie jaar geleden gemaakt voor de Parade en die sindsdien uitgebreid met nieuwe figuren en gespeeld in clubs als BAR en Roodkapje tijdens de Museumnacht en feesten als Now & Wow. Ja, dat is allemaal in Rotterdam. De sfeer daar is heel open en de party-scene is veel meer verbonden met de kunstwereld.

We willen die performance nu verkopen aan andere dancefestivals, we zijn in gesprek met verschillende partijen. Mensen zitten op dat soort feesten alleen maar naar de dj te kijken. Wij zijn een soort visuele band. We kennen die wereld goed. We kennen dj’s en een groep vrienden heeft veel succes met het bouwen van grote, theatrale decors voor bijvoorbeeld Mysteryland, Solar en Paaspop. We willen allemaal dat mensen op een andere manier met zo’n feest omgaan. Het moet méér zijn dan dat gebeuk voor een box.

Hoe verhoudt het werk van Kobe zich tot je eigen regies?

Voor mij is het heel gescheiden, omdat we bij Kobe collectief werken. En met de performances spreken we een totaal ander publiek aanen daarbij bieden we het op een andere manier aan. Er zit een groot verschil in nadenken over theatraliteit. Met Kobe proberen we onze maatschappijkritiek ook te uiten in performance van vijf uur, waar mensen doorheen kunnen lopen en elkaar kunnen aanraken, in het theater heb je veel meer tijd en focus. Mijn eigen producties beginnen bij een persoonlijke fascinatie die ik uitgebreid analyseer. Maar aan zowel mijn eigen werk als Kobe ligt de drift tot experimenteren ten grondslag.

In mijn eigen voorstellingen spelen soundscapes een belangrijke sturende en kleurende rol. Met Kobe werken we met het geluid van de dj en daar gaan we dan tegenin. Dat is wel een belangrijk verschil met andere performers die acts doen op feesten. Die zijn vaak heel slecht, rood op rood. Met onze performance en de beelden die we maken proberen we te contrasteren met de ruimte en doorbreken we de ongeschreven regels die meestal op die feesten zijn. Wij gebruiken onze theaterblik heel sterk om tegenkleur te geven.

The truth about Kate speelt nog op Boulevard en Theater aan Zee
How did I die gaat in november 2014 in première in Frascati

Recensie: Expeditie Javastraat van de Toneelmakerij

Een korte draai met je pink en daarna je twee open handen van je af bewegen. Dat is de Javastraat in gebarentaal. Een kok van het door doven bestierde eetlokaal LT in de Javastraat laat zijn toehoorders de gebaren net zo vaak nadoen tot we het foutloos kunnen. Daarna zijn we klaar voor de rest van de expeditie.

Het is een populaire nieuwe vorm van community theatre: kunstenaars dompelen zich een paar maanden onder in een buurtgemeenschap en presenteren hun bevindingen vervolgens aan het publiek. Adelheid Roosen maakte furore met haar Wijksafari’s. Helemaal nieuw is het ook niet. Theatermaker Liesbeth Colthof maakte vijftien jaar geleden al de voorstelling Thuis in een paar sloopflats in de Bijlmer.

Met haar jeugdtheatergezelschap De Toneelmakerij streek Colthof dit voorjaar neer in de Indische Buurt, waar ze contact zocht met de winkeliers en ondernemers in de Javastraat. Schrijvers Wieke ten Cate, Martien Langman en Don Duyns tekenden levensverhalen op en maakten de voorstelling Expeditie Javastraat, een kruising tussen een excursie en een speurtocht.

De Javastraat is hot. Na een artikel in Vrij Nederland over de sores in de multiculturele winkelstraat in Oost, is de straat ,ook voor kunstenaars, dit voorjaar het symbool van de grotestadsproblematiek van verschillende bevolkingsgroepen in hun eigen leefwerelden. Op de dag van de première van Expeditie Javastraat is op verschillende adressen ook het project Museumstraat aan de gang.

Voorzien van een koptelefoon, rugzakje en felgekleurd hesje lopen we als publiek in twee groepen van een man of vijftien door de straat. De een gaat naar binnen bij de Elthetokerk, de ander bij een Turks koffiehuis. Bij de ene winkel horen we een verhaal via de iPod, bij de andere vertelt de eigenaar zijn of haar eigen geschiedenis, en tussendoor krijgen we een fotografieopdracht: wat is het mooiste vuilnis of de felste kleur die je kunt vinden?

We eindigen in de meubel- en lampenwinkel van Erik Vos, waar de uiterst charmante verkoper onverwachts bezoek krijgt van een strenge toezichthouder die alles, van de lampen aan de muur tot het gebit van de eigenaar, aan controle onderwerpt. Een vermakelijke toneelscène, misschien iets te lang, want je zou wel weer de straat op willen voor nog meer ontdekkingen. Dit fragment wordt steeds op een andere plek gespeeld, bijvoorbeeld in een naaiatelier of bij een schoenmaker.

Het is altijd de vraag bij dit soort gemeenschapsprojecten of je als argeloze toeschouwer nu echt dichterbij de buurtbewoners komt. Voel ik me nou meer verbonden met de vrouw van de baklava-bakker die op mijn koptelefoon vertelt over de verschillende heerlijkheden die ze aan het publiek laat proeven, of wordt ze juist een soort decorstuk in haar eigen winkel? En beklijft de relatie tussen straatondernemers en kunstenaars als die laatsten weer vertrokken zijn naar een volgend project?

Het ideale publiek voor Expeditie Javastraat lijkt me dan ook de jeugd uit de eigen buurt. Die kan in deze voorstelling echt de straat en haar bewoners ontdekken en op een nieuwe manier het bekende leren zien.

Expeditie Javastraat van de Toneelmakerij. Gezien 24/5/14 op locatie in de Javastraat. Aldaar t/m 14/6. Meer info op www.toneelmakerij.nl

Recensie: Blaas van Schweigman&

Parool,recensies — simber op 15 juni 2014 om 20:45 uur
tags: , , ,

Achter in de grote hal met stralend witte vloer liggen een paar hopen wit textiel. Een vrij onopvallend toneelbeeld. Tot in een van de hopen langzaam leven wordt geblazen. Met het geritsel van stijve, net verschoonde lakens dijt de met lucht gevulde buidel stof uit tot een grote witte blob die zich kan voortbewegen door de ruimte en contact zoekt met het publiek.

Theatermaker Boukje Schweigman maakt nu al jaren prachtige mimevoorstellingen met een geheel eigen universele taal van beweging, licht en vorm. Afgelopen winter tourde ze met het repriseprogramma Universum langs de theaterzalen, maar nu is er eindelijk weer een grootschalige locatieproductie van haar te zien in de buurt van Amsterdam. Blaas is een magische trip door een wit landschap waar nauwelijks een speler aan te pas komt.

Het witte wezen voert een vreemd soort dans uit; nu eens lijkt het een sierlijke kwal, dan dondert hij als een boze wolk. Een van de hoeken is een soort snuitje, waarmee het zonder moeite een pop wordt die met het publiek communiceert, maar even later is het een bedreigende geest.

Deze opblaasbare vormen zijn bedacht door kunstenares Cocky Eek, die nauw samenwerkte met Schweigman en mimester Ibelisse Guardia Ferragutti om dit bijzondere ballet van bijna abstracte gestaltes vorm te geven. De muziek (Jochem van Tol) bestaat uit vervormde klanken en een soort walvisgezang, wat de indruk versterkt dat we als pubiek contact maken met een onbekende, maar intelligente soort. Close encounters of the third kind in een industriegebouw in Zaandam.

Voor het vervolg van de voorstelling kan ik alleen maar zeggen: ga het zelf meemaken. Je komt in ruimtes waar binnen buiten wordt, waar dag en nacht voorbij flitsen, en waar je opnieuw ter wereld komt in de regen. Je kunt er associaties hebben met Roodkapje of met Gravity, met de inpakwerken van Christo of de strandbeesten van Theo Jansen. Blaas staat van al Schweigmans voorstellingen het dichtst bij beeldende kunst, al komen talloze elementen uit haar eerdere werk terug.

Maar de vele verwijzingen en associaties raken niet de essentie van Schweigmans werk en zijn ook niet nodig om diep geroerd te worden door Blaas. Zoals in al haar voorstellingen gaat het om de verbazing over vanzelfsprekendheden: ik heb een lichaam, ik groei, ik evolueer. Wat Blaas bijzonder maakt is het tamelijk expliciet maken van het thema wedergeboorte, in een reis door het lichaam van binnen naar buiten.

Het is een stukje fietsen vanaf het centrum van Amsterdam, maar direct aan de andere kant van de Hempont is iets magistraals te zien. Vergeet het Holland Festival, hier gebeurt het.

Blaas van Schweigman&. Gezien 4/6/14 op locatie Hembrugterrein Zaandam. Aldaar t/m 22/6. Kaartverkoop via Frascati. Meer info op www.schweigman.org.

Boekrecensie: ‘Herinneringen van een regisseur’ van Erik Vos

boekrecensies,Parool — simber op 15 juni 2014 om 19:15 uur
tags:

Toneel regisseren doet hij niet meer. De inmiddels 85-jarige Erik Vos is sinds een paar jaar met pensioen, maar op andere vlakken gaat de productie door. Hij schreef twee lijvige boeken over acteerimprovisaties en toneelrepetities (respectievelijk De hele wereld is toneel (2005) en De wereld van transformaties (2008)), die vooral bedoeld leken voor vakgenoten en nu is er Herinneringen van een regisseur, dat een groter publiek zou moeten kunnen aanspreken.

Herinneringen bestaat uit beschrijvingen van de repetitieprocessen van vijf voorstellingen op evenzovele plekken: van Shakespeare’s Antonius & Cleopatra in een verzengend heet Kansas City in de VS tot Oidipous van Sophokles, de afscheidsvoorstelling bij het door hemzelf opgerichte gezelschap De Appel in Den Haag.

Onnadrukkelijk geeft Vos in zijn inleiding zijn motto: “Opvallend is dat de auteurs die ik de revue laat passeren aan het eind van hun leven er plezier in lijken te hebben twijfel te zaaien over de aard van hun schepping.”

Dat gaat natuurlijk ook over zijn eigen boek. Zijn het nou memoires, een inkijkje in een werkmethode of een regiedagboek? En dan worden de hoofdstukken over de voorstellingen ook nog eens steeds afgewisseld met rijk geïllustreerde beschouwingen over beeldend kunstenaars als Picasso, Francis Bacon en Alechinsky. Het geeft niet; steeds is er het de blik van Vos die de onderwerpen samen brengt in zijn zoektocht naar ritme, droombeelden en de vervormde verdubbeling van de werkelijkheid die kunst altijd is.

Het smeuïgst zijn natuurlijk de repetitieverslagen, vol confrontaties met bokkige diva’s, luie muzikanten en bureaucratische theaterorganisaties. Steeds weet Vos vastgeroeste patronen te doorbreken en acteurs warm te maken voor zijn op improvisaties gebaseerde werkwijze. Nu eens staat hij in zijn onderbroek voor een moeilijk tot acteren te bewegen Russische tenor, dan weer gaat hij kijken in een Duits kostuumatelier, waar tot dan toe geen regisseur zich heeft vertoond.

En naast die succesverhalen is het ook goed om te lezen, dat het soms helemaal niet lukt, zoals bij het totaal uit de hand lopende maakproces van Trilogie van het zomerverblijf in Berlijn, waar Vos uiteindelijk zijn koffers moet pakken.

Toneel is een meedogenloze kunst: als je niet meer speelt of regisseert is je werk weg en niet meer terug te halen. Hoewel Erik Vos een grote inspiratie is geweest voor generaties theatermakers in Nederland, heeft zijn stijl niet echt school gemaakt. Zijn belang zit juist in het mede ontwikkelen van nieuwe manieren van werken voor het toneel: losser, vrijer en minder hiërarchisch dan in de jaren zestig. Herinneringen van een regisseur is geschreven door iemand die dat proces belangrijker vindt dan het resultaat.

Herinneringen van een regisseur van Erik Vos. Uitgeverij ITFB. 338 pagina’s

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2017 Simber | powered by WordPress with Barecity