Recensie: ‘Annie M.G. op Soestdijk’ van Het Toneel Speelt

Geweldige toneelspelers die doen alsof ze slecht spelen, dat is vaak grappig. In Annie M.G. op Soestdijk speelt een batterij topcomediènnes een geestige toneel-over-toneel-voorstelling en weet tussendoor ook te roeren.

In 1958 kreeg Annie M.G. Schmidt –toen nog vooral bekend vanwege haar hoorspelserie over de Familie Doorsnee en haar kinderboeken– het verzoek van paleis Soestdijk om een toneelstuk te schrijven voor de toneelclub van koningin Juliana en haar Leidse studievriendinnen.

Schmidt schreef Vrouwen om dr. Deninga, een eenakter over de secretaresse, echtgenote, maîtresse, moeder en vriendin van moeder van dr. Deninga, die zelf verder niet op het toneel verschijnt. Het stuk werd in 1995 herontdekt, Mary Dresselhuys en Nettie Blanken speelden een paar scènes in het Theaterinstituut, maar openbaar opgevoerd werd het nooit.

Nu vormt het stuk de basis voor de voorstelling Annie M.G. op Soestdijk. Ton Vorstenbosch en Janine Brogt verwerkten een groot deel van Schmidts stuk in een verhaal over hoe de koningin met haar vriendinnen op het paleis repeteert onder leiding van een artistieke regiedame. Pikant is dat het stuk, over een man die even overspelig als afwezig is, natuurlijk overduidelijke paralellen heeft met het moeizame huwelijk van Juliana en Bernhard.

Regisseur Mette Bouhuys gebruikt het weinige dat er bekend is over de toneelavonturen van de vorstin, de vele bekende kwesties in het leven van Juliana –de Greet Hofmans affaire, haar afkeer van protokol, etc.– en een hoop fantasie om een portret te schetsen van een koningin die niet alleen het toneel gebruikt als uitlaatklep voor het verstikkende hofleven, maar die door het spelen ook iets essentieels over zichzelf ontdekt.

Dat klinkt misschien pretentieus, maar het werkt door de uitmuntende cast. Ria Eimers maakt van de vorstin een grillig, steeds verrassend personage, nu eens over het toneel stampend, dan weer esotherisch dwepend met “het hogere”, soms bars uitvallend, maar dat dan weer compenserend met een boertige lach, even bazig als besluiteloos.

Annet Malherbe en Trudy de Jong zijn uiterst komisch als jeugdvriendinnen die niet per se tot hun genoegen zijn verordonneerd om ‘Jula’ een beetje op te vrolijken. Zij zijn de generatie van keeping up appearances, maar in het stuk-in-het-stuk moeten ze zich laten gaan, wat veel ruimte laat voor fysiek humor.

Saskia Temmink als de regisseuse (goed getroffen) en Julia Akkermans –die eerder al komisch talent vertoonde in De Verleiders– vertegenwoordigen de jongere generatie, hoopvol over een “een nieuwe tijd waarin het eindelijk allemaal leuk gaat worden”, zoals Akkermans uitroept terwijl ze danst op Jailhouse Rock.

De setting is een ouderwets coulissendecor (ontwerp: Catharina Scholten), beschilderd als bos, dat later in miniatuurvorm terugkomt als het decor waarin de uiteindelijke voorstelling speelt. Een knap Droste-effect in een voorstelling die enthousiast speelt met de theatersetting.

Maar misschien gaat de voorstelling vooral over de intimiteit van het repetitieproces, waarin voor een korte periode alles gezegd kan worden en formele verhoudingen oplossen. Het is die intimiteit die Juliana in deze voorstelling zo begeert.

Schmidts stuk eindigt cynisch, met straf en zelfbedrog. De makers van Annie M.G. op Soestdijk proberen er een positieve draai aan te geven, maar kunnen niet verhullen dat hun Juliana aan het eind even eenzaam is als aan het begin. Topamusement met een schrijnend randje.

Annie M.G. op Soestdijk van Het Toneel Speelt. Gezien 18/2/15 in DeLaMar. Aldaar t/m 22/2. Meer info op www.delamar.nl

Een nieuwe blik op spreiding

Voor de Kunsten ’92 publicatie De Provinciale Staat van het Cultuurbeleid (winter 2015)

Een woensdagmiddag in Heerlen. Een mooie, modernistische winkelstraat met een aantal grote leegstaande winkelpanden. Maar ook een enorme bouwplaats rondom het station: het Maankwartier wordt een winkelcentrum met kantoren en horeca, in een brug over het spoor heen. En een weergaloos mooi cultureel centrum in een monumentaal oud warenhuis. Optimistische groei in een krimpgemeente.

Het lijkt onvermijdelijk dat cultuurspreiding de komende jaren weer de politieke agenda gaat bepalen. De verhoudingen tussen rijk, provincies en gemeenten zijn aan het schuiven. De grote steden zijn succesvol in het binnenhalen en vasthouden van jonge creatieven, de regio krimpt en vergrijst. Vanuit de Randstad wordt een stad als Heerlen al snel afgeschreven. Alle indicatoren staan op rood: negatieve bevolkingsgroei, hoogste aantal 55+’ers van Nederland, sterk afnemend aantal basisschoolleerlingen. Wat voor rol heeft cultuur hier überhaupt te spelen? En wat zijn de ontwikkelingen waar de provinciesrekening mee moeten houden?

Wie in het stadscentrum tussen de strakke gebouwen van architect Frits Peutz loopt en wie met de lokale cultuurdragers spreekt, merkt al snel dat de werkelijkheid natuurlijk veel genuanceerder is. “In mijn vak zijn krimp en vergrijzing tegengestelde bewegingen”, zegt schouwburgdirecteur Bas Schoonderwoerd. “Het aantal 55-plussers neemt hand over hand toe en dat is een groep mensen die van oudsher veel naar het theater gaan. Sinds de heropening van Theater Heerlen na de verbouwing, zeven jaar geleden, zijn de bezoekcijfers van de schouwburg ieder jaar gestegen.”

De doem van de krimp lijkt ver weg. De vorige wethouder van cultuur riep zelfs al de ‘culturele lente’ van Heerlen uit. Er werd een nieuw popcentrum geopend en er kwam een cultureel centrum in het Glaspaleis, een oud warenhuis dat vanwege zijn bijzondere architecteur (van Peutz) een rijksmonument is, met exposities, repetitieruimtes, de openbare bibliotheek en een modern Limburgs restaurant bovenin. In de oude gebouwen van het CBS huizen nu talloze creatieve bedrijfjes: webwinkels, telematica-ingenieurs, reclamebureaus en creatieve ZZP’ers.

Een van de aanjagers van dit creative ondernemersklimaat is Egid van Houtem. Met zijn bedrijven Social Beta en Rhizome organiseert hij TEDx-conferenties, bemiddelt hij tussen ondernemers en de gemeente, en fungeert hij als incubator en coach voor kleine creative bedrijven.

“Het gedachtegoed van Richard Florida heeft hier grote impact gehad”, vertelt Van Houtem. “De gemeente heeft veel geïnvesteerd in cultuur om creatieven vast te houden en dat zorgde voor ruimte voor nieuwe initiatieven. Daar komt men nu wel van terug, maar de investeringen in cultuur hebben wel wat opgeleverd.”

Van Houtem is geboren en getogen in Zuid Limburg. Anders dan een aantal van zijn jeugdvrienden keerde hij na zijn studie in Breda terug. “Hier kun je pionieren, in Amsterdam ben je een van de velen. Hier is de ruimte, maar je moet er wel voor knokken. Op het gebied van e-culture is Amsterdam natuurlijk het centrum, maar wij zijn regelmatig de tweede. Wij hadden hier in Heerlen bijvoorbeeld de tweede TEDx-conferentie van Nederland en evenementen rondom Bitcoin, waar verder niemand nog mee bezig was. In samenwerking met de gemeenten zoeken we naar bedrijven die leegstaande winkels kunnen vullen. Daardoor hebben we nu een 3d-print-winkel in het centrum.”

Misschien is Heerlen voor Amsterdammers een perifere plek, maar Heerlenaren zelf zien de stad juist als het centrum van de grote, internationale ‘Euregio’, het bovenregionale samenwerkingsverband waar ook Aken en een deel van België aan deelnemen. Bovendien zien ze Heerlen als de de kern van een stadsregio in Zuid Limburg, dat weliswaar verdeeld is over zeven gemeenten, maar samen één stedelijk gebied vormt met 250.000 inwoners.

Maar achter die weidse visie schuilt één historische, bepalende gebeurtenis: de mijnsluiting. Twee generaties lang was Heerlen een bloeiende stad gebouwd op kolen. Iedereen heeft familie die in de mijnen werkte en de toeleverende en verwerkende industrie zorgde voor een bevolking die bestond uit een mengeling van arbeiders en hoogopgeleide ingenieurs. Toen de Stadsschouwburg Heerlen in 1961 werd geopend, was het het grootste podium van Nederland. Het Nationale Ballet en de opera repeteerden er. “Het mecenaat van de mijnen heeft enorm veel mogelijk gemaakt”, zegt Schoonderwoerd, “En de behoefte van die goudzoekers was er ook naar. Er was een enorme eruditie. Dit theater heeft altijd eigen operaproducties gemaakt. In deze regio gebeurde blijkbaar iets.” In 1965 was het Joop den Uyl, toen minister van economische zaken, die op dat grote podium het einde van de inmiddels verliesgevende mijnindustrie aankondigde.

“Er is toen een grauwsluier over de regio neergedaald”, zegt Schoonderwoerd, “De arbeiders raakten werkloos en het dynamische middenkader vertrok voor een belangrijk deel naar België, omdat je daar minder belasting hoefde te betalen. Pas de laatste zeven a acht jaar zie ik weer een zelfbewuste sociale groep ontstaan. Die vormt de humuslaag van waaruit veel culturele dynamiek ontstaat en dat wordt door de overheid goed gevolgd. Maar die groei van de infrastructuur van een poppodium en Schunck is niks meer of minder dan een inhaalslag.”

De roemruchte toespraak van Den Uyl wordt vanavond, 49 jaar na dato, op dezelfde plek nagespeeld door toneelspeler Jaap Spijkers, in de gelegenheidsvoorstelling De Toespraak die de opening van het Jaar van de Mijnen markeert. Het is een samenwerking van professionele en amateur-acteurs en muzikanten en een Vlaams mijnwerkerskoor, onder regie van een van de nieuwe artistiek leiders van Toneelgroep Maastricht, Servé Hermans. Aan het eind houdt Heerlenaar Frans Timmermans een nieuwe toespraak met zijn visie op de komende vijftig jaar.

Schoonderwoerd is blij met de avond, maar oorspronkelijk had hij er een ander idee bij. “Dit is niet een voorbeeld van hoe podiumkunst moet, maar het is wel een voorbeeld van hoe kunst óók relevant kan zijn. Ik wilde eigenlijk een nieuw toneelstuk laten schrijven ter gelegenheid van het Jaar van de Mijnen. Ik kreeg geld voor een schrijfopdracht, maar geen van de grote gezelschappen wilde het produceren. Dat is een weeffout in het systeem. Ik ben wat dat betreft jaloers op mijn collega uit Aken. Hij heeft een Duits ‘Stadttheater’ dat voor een dergelijke gelegenheid twee jaar vantevoren opdracht kan geven voor een stuk en daar vervolgens een grote voorstelling van kan maken. Hij heeft veel meer mogelijkheden om in te spelen op wat er nodig is in zijn stad en kan zelf onderwerpen aan de orde stellen. Hij is vervolgens weer jaloers op mij: ik kan uit de hele wereld putten. Zo’n productie als War Horse, een National Theatre productie, kan hij daar nooit tonen.”

Daarmee snijdt Schoonderwoerd een heikel punt aan in de spreidingsdiscussie. Spreiding in Nederland betekent van oudsher diversiteit in vestigingsplaatsen van instellingen en daarnaast veel gesjouw met busjes met decor en acteurs door het land. Maar in een tijd waarin stedelijke identiteiten sterk in opkomst zijn, blijkt het lastig om kunstaanbod te maken dat voor alle plekken in Nederland relevant is. Terwijl de reisverplichting voor bijvoorbeeld toneelgezelschappen oorspronkelijk bedoeld was om kunst van hoge kwaliteit overal in het land te brengen. “De producties die hier komen ademen wel met de wereld mee, maar weinig met mijn stad”, zegt Schoonderwoerd

Een voorstelling als De Toespraak illustreert de andere kant. Het is een losse voorstelling, waarin steeds een nieuw aspect van de cultuur rond de mijnen ter sprake komt; de kerk, de vakbond, het gevaar, de trots. De koorzang is mooi en weemoedig. Het is prachtig om Spijkers de plechtige, ernstige toon van de woorden van Den Uyl te horen vatten. Maar het blijft een gelegenheidswerk, in te korte tijd gemaakt om een diepere laag te vatten. Met de woorden van Schoonderwoerd in het achterhoofd ben je benieuwd naar de invulling die een toneelschrijver met meer tijd aan dit thema had kunnen geven. Tegelijkertijd moet je erkennen dat een voorstelling met een dergelijk onderwerp buiten Zuid Limburg geen enorme belangstelling zal oproepen.

Opvallend is dat zowel Van Houtem als Schoonderwoerd uit zichzelf beginnen over de informele stedenband tussen Amsterdam en Heerlen. Schoonderwoerd: “Toen Eberhard van der Laan minister van Wonen, Wijken en Integratie was heeft hij als eerste krimp op de agenda gezet. Toen hij burgemeester van Amsterdam werd, bleef hij zich daarvoor verantwoordelijk voelen.” Van der Laan zette een samenwerkingsovereenkomst op touw voor Amsterdam met de krimpgemeentes Delfzijl, Sluis en Heerlen. Op cultureel gebied gaat het onder meer om optredens van het Concertgebouworkest. Van Houtem is vanuit het Amsterdamse cultuur- en debatcentrum Pakhuis de Zwijger de ambassaseur van de stad voor Heerlen.

“De jonge mensen hier en in Amsterdam leven allemaal in dezelfde wereld, namelijk hier”, zegt Van Houtem, wijzend naar zijn smartphone. “Ik denk dat solidariteit tussen generaties een groter probleem is dan die tussen Randstad en regio. Kijk bijvoorbeeld naar de pensioendiscussie.” Maar ook in zijn eigen vakgebied ziet Van Houtem een generatiekloof. “In Limburg zijn dingen snel politiek, men betrekt stellingen. Dingen zijn hier nog vrij hiërarchisch. Wie het in Limburg voor het zeggen hebben zijn mannen op leeftijd. Kijk bijvoorbeeld naar het team dat het bid deed van Maastricht voor de titel Culturele Hoofdstad van Europa: zowel de zakelijk als artistiek leider waren boven de zestig. Er was jongere cultuuradviseur, Mathijs Maussen, die hier wel iets wilde doen, maar dat werd afgehouden. Hij is een van de trekkers geworden van het succesvolle bid van Leeuwarden.”

Hoe nu verder in Heerlen? Schoonderwoerd haalt met instemming Johan Simons aan die het Duitse systeem prijst omdat de intendant van een stadstheater daar twee keer per jaar in de gemeenteraad moet verschijnen om zijn plannen aan te kondigen en te verdedigen. “In Nederland is onder Minister Brinkman in 1988 de kunst genationaliseerd. Dat heeft artistiek heel veel opgeleverd en het was beleidsmatig ook nodig want een instituut als het Limburgs Symfonie Orkest werd daarvóór door 38 subsidiegevers ondersteund. Maar het heeft ook negatieve gevolgen gehad, met name in de verbinding met de lokale culturele context. Op lokaal niveau moet er immers een discours plaatsvinden die het kunstwerk bij het publiek laat landen. Dat lokale discours is verloren gegaan, mede door de implosie van de lokale media. Ik heb onlangs tegen mijn wethouder gezegd: nu alles aan het schuiven is in de kunsten, zou het wel eens kunnen dat de nationaliseringsslag gaandeweg z’n correctie krijgt.”

“Dat betekent dat we op lokaal niveau bewustwording moeten creëren en moeten nadenken over wat de podiumkunst dóet. En dan niet alleen een gebouw neerzetten en over budget nadenken, maar ook inhoudelijk wezenlijk nadenken over de functie van kunst in jouw regio. We zien dat nu aankomen, dus we doen er goed aan om nu al nadrukkelijker de discussie te zoeken met de raadscommissie en de gemeenschap. Het is nu zaak om de kunsten niet verder te verbrokkelen. We moeten grote, robuuste instituten bouwen. En hoe je daarbinnen enerzijds de vernieuwingsimpuls vasthoudt en anderzijds de overdracht en canon z’n werk laat doen, dát vind ik spannend.”

Interview Katie Mitchell

interviews,Parool — simber op 8 februari 2015 om 16:07 uur
tags: , ,

De Britse toneelregisseur Katie Mitchell is in eigen land omstreden, maar een ster in Duitsland. De komende maand staan vijf van haar voorstellingen in de Stadsschouwburg in het programma Brandstichter. “In Engeland denken ze dat ik in de vuilnisbak van het theater terecht ben gekomen.”

Welbespraakt, informeel, uiterst relativerend praat ze over haar werk. Terwijl haar zeven-jarige dochter op het ijsbaantje op het Leidseplein rondjes zwiert, staat Katie Mitchell vroeg in januari de Nederlandse pers te woord. Niet een vrouw waarvan je zou verwachten dat ze in de Britse kranten ‘princess of darkness’ wordt genoemd, vanwege haar voorkeur voor duistere thema’s.

Tijdens Brandstichter zijn onder meer een ‘live cinema’ voorstelling te zien over vrouwen en oorlog (The Forbidden Zone), een meditatie over de dood op muziek van Bach (Trauernacht) en een brutaal bewerkte klassieke tragedie over oorlogsgeweld (Alles Weitere kennen sie aus dem Kino).

Alle voorstellingen in het programma zijn gemaakt in Duitsland of Frankrijk. Is dat niet raar? “Ja, dat voelt cultureel vreemd. Het verschil tussen de reacties op mijn werk in Engeland en op het vasteland is extreem. Dat voelt erg schizofreen. Toen ik voor het eerst terugkwam na het maken van een voorstelling in Duitsland, deden mijn collega’s in Londen alsof ik thuiskwam van een begrafenis. Alsof ik volledig mislukt was en in de vuilnisbak van het theater terecht was gekomen. Dus ik vertrouw mijn succes in Duitsland en Frankrijk nooit helemaal, omdat dat in mijn eigen land geen waarde heeft.”

Mitchell kwam bij toeval in Duitsland terecht. Als jonge regisseur bezocht ze een conferentie, waar ze bevriend raakte met een Duitse collega, Karin Baier. “We bleven elkaars werk min of meer volgen, en toen zij artistiek leider werd van het theater in Keulen vroeg ze me om een voorstelling bij haar te maken. Die werd prompt uitgenodigd voor het Theatertreffen [het prestigieuze jaarlijkse festival met de tien beste voorstellingen uit het Duitse taalgebied], ik wist niet eens wat dat was.”

“Altijd wanneer ik een voorstelling maak in Engeland wordt er tegen me gezegd wat ik niet kan en mag doen. In Duitsland is het omgekeerd, ze willen dat je van alles méér doet. Onlangs regisseerde ik De Kersentuin in Londen en ik kreeg het niet goed voor elkaar. Ik wist niet meer wie ik was. Ik weet niet waar die negatieve ontvangst vandaan komt. Ik vermoed dat het een cocktail is van mijn feminisme, mijn Europeanisme en mijn radicale vormen.”

Waar Mitchell in Londen wel succes mee heeft is een serie voorstellingen over klimaatverandering en overbevolking. Na een ontmoeting met wetenschapper Stephen Emmot maakten ze samen de voorstelling 10 Billion, over de ecologische druk van een wereldbevolking van tien miljard mensen. “De wetenschap krijgt niet overgebracht hoe urgent het probleem is, misschien lukt het de kunst wel.”

Het project vergrootte met name ook haar eigen milieubewustzijn: “Je kunt niet zo’n ontmoeting hebben, zonder je leven te veranderen, en dus veranderde mijn leven. Ik vlieg niet meer en ik koop geen nieuwe kleren, en ik probeer mijn ecologische voetafdruk zo klein mogelijk te houden. Niet vliegen is soms lastig, maar treinen is een goed alternatief, zeker in Duitsland. Alleen is het jammer dat ze langzamerhand de nachttreinen afschaffen. Dat is een enclave voor allerlei wonderbaarlijke mensen.”

Ook in haar selectie voor Brandstichter komt het groene thema terug. De voorstelling Atmen, een oorspronkelijk Engels stuk van de jonge toneelschrijver Duncan Macmillan, gaat over een hipsterstel dat tobt over kinderen. Mitchell laat het de spelers de hele voorstelling lang fietsen op hometrainers, waarmee ze de electriciteit opwekken voor de theaterlampen. En ook in Glückliche Tage (Happy Days van Beckett) is het thema aanwezig. “Je ziet een vrouw tot haar nek in een berg aarde. Ooit ging dat over de angst voor nucleaire oorlog, maar ik zie er een parallel in met milieuproblematiek: de natuur eet de vrouw op. Juist datgene waarover we denken controle te hebben, de natuur, gaat ons vernietigen. Zo zie ik het steeds als mijn taak om iets helders en concreets te maken van een intellectueel idee.”

“Jarenlang wist ik niet zo goed waarvoor ik nu eigenlijk betaald kreeg. Inmiddels weet ik het: het gaat om het vertalen van je basismateriaal – een partituur, een script of een wetenschapper – in een driedimensionale handeling die beweegt in de tijd. Mijn taak is om dat voor me te zien. En het wordt moeilijker en moeilijker om dat interessant en dynamisch te houden voor het publiek. Mijn voorstellingen worden ook steeds korter.”

“Ik heb vroeger met neurowetenschappers gewerkt om beter te begrijpen wat acteurs moeten doen. Nu zit mijn onderzoek meer in mijn werk. Ik heb ruim zestig voorstellingen gemaakt, ik hoef niet meer aardig gevonden te worden. Mijn voorstellingen worden eigenlijk steeds moediger en radicaler.”

Brandstichter begint op 11/2 met The Forbidden Zone. Meer info op www.ssba.nl/brandstichter

Interview Meral Polat

interviews,Parool — simber op 3 februari 2015 om 16:02 uur
tags: ,

Ineens is Meral Polat overal. Ze speelt in de politieserie Noord/Zuid naast Ariane Schluter, was afgelopen zaterdag te zien in de telefilm Undercover en speelt de komende weken in twee theatervoorstellingen in Amsterdam. “Ik probeer zoveel mogelijk uit alle hokjes te blijven.”

“Ik heb het nog nooit zo druk gehad”, zegt Meral Polat (1982) in een café in Amsterdam West. Afgelopen zomer nam ze drie films en een televisieserie op, meteen daarna volgde het werk aan twee theatervoorstellingen. In februari wordt het rustiger. “Dan is het alleen maar touren en ga ik overdag aan de slag met mijn band, Merals Harem.”

De drukte zit hem nu vooral in de première van haar eigen voorstelling Who’s afraid of Romeo & Julia, die ze maakte met Eran Ben Michael. “Het is een vervolg op onze afstudeervoorstelling. We vroegen ons af wat er zou gebeuren als Romeo en Julia niet dood zouden gaan aan het eind van het stuk, maar zouden trouwen. Zouden ze uiteindelijk gaan lijken op het ruziënde echtpaar George en Martha uit Who’s afraid of Virginia Woolf?

“Eran en ik zijn vrienden gebleven en we wilden altijd nog een keer samen iets doen. Hij stelde voorom deze voorstelling nog een keer te maken, maar nu vanuit onszelf. We praten veel over de liefde. Hij heeft heel lang een vriendin gehad, maar dat ging uit, en ik leef als een soort zigeunerin; mijn langste relatie duurde drie jaar, haha. We hebben zelf de tekst en de liedjes geschreven.”

Zijn ze wijzer geworden in de liefde? “We hebben meer ervaring. Maar ik ben bijna 33 en ik verlang nog steeds dezelfde dingen. Dat vind ik eigenlijk heel mooi. Wat we laten zien is onze bagage. Het gaat ook veel over onze ouders. Zijn ouders komen uit Israel de mijne uit Turkije. Het waren jonge mensen – mijn moeder was twaalf – die hiernaartoe zijn gekomen en tegelijkertijd volwassen moesten worden, een gezin moesten onderhouden, en hun identiteit moesten vinden in een andere cultuur. Ik heb nooit een rustige, burgerlijke gezinssituatie gehad. Mijn ouders hielden veel van elkaar, maar ze konden niet met elkaar leven. Qua temperament leek het op Martha en George.”

“Eran en ik hebben ook een soort Martha en George-gehalte: we kunnen heel hard naar elkaar zijn. De voorstelling is ook een excuus voor ons om ons gesprek voort te zetten. En voor Eran om meisjes te scoren, haha! Nee, dat is gemeen. Maar hij krijgt na afloop verdacht veel telefoonnummers van meisjes. En ik helemaal niks.”

Naast haar eigen voorstelling speelt Polat ook meer in Hoogwater voorheen Laagwater van Wim T. Schippers en de Veenfabriek. “Het werken aan die voorstelling was totale chaos, maar heel inspirerend. Wim heeft de bizarre combinatie van enorm intellect en de primaire reactie op de wereld van een kind. In de voorstelling komen veel disciplines en makers bij elkaar. Het was zoeken naar een manier om dat er niet op elkaar geplakt uit te laten zien, er moet echt contact zijn.”

Polat springt doelbewust om met haar veelzijdigheid. Haar ouders zijn Koerdisch, maar ze heeft er geen problemen mee om op de lijst invloedrijkste Nederlanders van Turkse afkomst te staan. “Mensen kunnen me niet claimen omdat ze uiteindelijk niet weten in welk hokje ze me moeten stoppen. Koerdisch of Turks, zangeres of actrice, film of theater, allochtoon of Nederlands. Ik probeer zoveel mogelijk uit alle hokjes te blijven door alle hokjes een beetje te besmeuren, haha. Ik geloof ook niet dat identiteit alleen maar kan bestaan als je ergens geworteld bent. We krijgen een meer vloeibare identiteit, en we hebben ankers die we soms uitgooien.”

Dat idee over identiteit speelt ook mee in haar manier van werken. “Elk personage dat je speelt brengt een wereld mee en ik mag in die wereld kijken. Ik speelde een undercoveragent in de telefilm Undercover en daarvoor sprak ik met politieagenten en het fascineert me hoe anders hun perspectief is. Ze lopen anders, ze kijken anders. Ik ben geïnteresseerd in de verschillende maatschappelijke lagen van een mens. Acteren is de wereld van de ander ontdekken.”

In april gaat ze met haar eigen band, Merals Harem, op tournee. “Die band bestaat al heel lang, en we komen allemaal uit andere disciplines. Sommige uit de pop op jazz, maar Beppe Costa is een Italiaanse theatermaker die veel met Orkater en het Ro Theater heeft gewerkt. We zoeken lang, en dan komt er iets uit wat vaak wereldmuziek heet, maar ik houd niet van dat label. Het is toch altijd een verhaal. Uiteindelijk ben ik een verhalenverteller.”

Who’s afraid of Romeo & Julia speelt 28 en 29/1 in Bellevue – www.rast.nl
Hoogwater voorheen Laagwater speelt 19 t/m 26/2 in Bellevue – www.veenfabriek.nl

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2017 Simber | powered by WordPress with Barecity