Reportage: Boukje Schweigman in Shanghai

PS Kunst,Parool,buitenland,verslagjes — simber op 7 augustus 2010 om 08:05 uur
tags: , ,

Shanghai is een stad van superlatieven. Met zo’n 14 miljoen inwoners een van de grootste steden op aarde, De mensenmassa’s die zich in de metro en door winkelstraat Nanjing Lu wringen zijn verbijsterend, de felle lichten op de talloze wolkenkrabbers van Pudong zijn onvoorstelbaar subliem en de energie die het financiele brandpunt van nog steeds aanzwellende economische macht van China uitstraalt is bijna tastbaar. En midden in die opeenhoping van licht, auto’s, mensen, smog, glas, metaal en etensgeuren draait een jonge vrouw een uur lang rondjes.

Drie avonden speelt de Nederlandse mimester Boukje Schweigman haar voorstelling Wervel in het Dutch Cultural Centre (DCC) in een voormalig industriecomplex in de wijk Jing’An. Het DCC is onderdeel van de Nederlandse bijdrage aan de Wereldtentoonstelling die op dit moment in Shanghai plaatsvindt. Nederland is het enige land dat naast een paviljoen op het expoterrein in het zuiden van de stad (het speelse Happy Street van architect John Körmeling) nog een aparte ruimte heeft in de stad zelf, met een expositieruimte en een theater voor zo’n 120 toeschouwers, waar naast filmvertoningen, concerten en workshops ook regelmatig Nederlands theater en dans te zien zijn. Toneelgroep De Appel is al geweest, Emio Greco komt nog

Voordat het publiek naar binnen mag, moet iedereen op het pleintje voor het theater een lichtgekleurde pij aan. De temperatuur is dan wel niet meer 36 graden zoals eerder op de dag, maar warm is het wel. Een voor een worden de toeschouwers binnengelaten. Het is een mengeling van jongere mensen uit de (kleine) kunstscene en nieuwsgierige oudere buurtbewoners. Voor Chinezen zijn ze onkarakteristiek stil, driftig wapperen ze met hun waaiers. Daarnaast zijn er een paar expats en Nederlandse toeristen.

De voorstelling Wervel (Whirl in het Engels, en Xuanwo in het Chinees) bestaat uit niets anders dan Schweigman die om haar as draait. Ze leerde de techniek van een Soefi, een volgeling van een mystieke traditie, waarin derwisjen eindeloos ronddraaien als spirituele oefening. Maar gaandeweg weet Schweigman wel degelijk theater te brengen in haar minimalistische performance. Soms is ze als een sierlijke ballerina, dan lijkt ze een vurige tangodanseres, dan is ze weer jagend, als een kat achter z’n eigen staart aan. Af en toe lijken haar handen de andere kant op te draaien dan haar lichaam. Als ze een enkele keer versnelt lijkt haar beweging mechanisch, alsof ze ieder moment kan opstijgen.

Het publiek, uniform gekleed in de pijen, zit in een cirkel om haar heen en worden zo deel van het decor, zodat het geheel lijkt op een boeddhistisch ritueel. De soundscape (van componist en theatermaker Paul Koek) bestaat uit mechanisch vervormd geruis, waarin de geluiden van Schweigmans eigen lichaam -hartslag, voeten stem- zijn verwerkt. Ook worden, heel subtiel, geuren van anijs, kaneel en hout verspreid.

De voorstelling is uitgebeend en meditatief, en je moet je eraan overgeven. Dat is te veel gevraagd voor een paar van de oudere dames, die de rest van de voorstelling hardop van commentaar voorzien. Ook andere toeschouwers moeten veel zuchten en hun mobiele telefoons bekijken. Sommige pijen gaan uit, het is te warm. Toch weet Schweigman met haar dwingende aanwezigheid de concentratie weer terug te brengen.

Bij het nagesprek direct na de voorstelling blijven er zo’n 25 mensen over. Een tolk vertaalt van Engels naar Chinees, maar veel toeschouwers blijken redelijk Engels te spreken, wat in Shanghai redelijk bijzonder is. Het publiek is in eerste instantie vooral geinteresseerd in praktische zaken: hoevaak draait ze precies rond? Heeft ze er al eens aan gedacht om een wereldrecord te vestigen? Hoeveel moet je per dag trainen? Ligt de voorstelling helemaal vast of is er ruimte voor improvisatie?

Schweigman blijkt erg afgeleid te zijn geraakt door de pratende dames “Ik wilde bijna stoppen en vragen of ze wilden weggaan.” In Beijing, waar ze de voorstelling vorig jaar speelden, zijn meer studenten en is het publiek jonger en meer betrokken. “Vrouwen van die leeftijd hebben hun geduld opgebruikt”, verontschuldigt een van de jongere toeschouwers hen.

Een oude man is het er niet mee eens. Hij is 72 en heeft ervan genoten. Hij heeft kaartjes gekocht voor de twee volgende uitvoeringen en vertelt in het Chinees uitgebreid wat hij heeft gezien: een moeder die zwanger is van haar kind, het draaien als de energie van de jeugd, de cirkel publiek als de begrenzing van het leven. “God heeft ons gemaakt, maar hij heeft ons niet onsterfelijk gemaakt. Iedereen heeft dezelfde mogelijkheden; het komt erop aan om mooi te wervelen.”

Ook andere bezoekers beginnen te vertellen over hun eigen ervaringen en associaties: “Het was als een bloem die langzaam begint te bloeien”; “Ik weet niet precies welke emotie u probeert te tonen”; “Het voelde een tijd lang als een wedstrijd in uithoudingsvermogen tussen de performer en het publiek. Maar aan het eind bewoog je uit je eigen cirkel om ons te bereiken en werd het toch een beeld van communicatie.”

Schweigman vertelt over haar ervaring met de voorstelling in andere culturen. In Nederland probeert ze aan het eind van de voorstelling het publiek even aan te raken, maar in China zit iedereen achterover, dus kan ze er niet bij. In Iran, waar het soefisme verboden is door de orthodox islamitische dictatuur, had ze haar meest bijzondere ervaring: “Mensen zagen hun eigen geschiedenis en traditie, die ze zelf niet mogen uiten, beschermd worden door iemand uit een heel andere cultuur. Dat gaf een enorme ontlading.”

Helemaal na afloop, buiten op een terras met een mangosap is Schweigman nog niet helemaal tevreden. Ze herstelt van een lichte ziekte en heeft last van haar voeten, maar haar voornaamste zorg is het publiek in de zaal: “Ik vind het heel erg belangrijk om voor het passende publiek te spelen. Ik kom van heel ver gereisd en ik hoop met deze voorstelling juist jonge mensen van kunstopleidingen te bereiken. Ze leren hier op dansscholen geweldige techniek, maar niet om eigen werk te maken.”

Daarom geeft Schweigman ook workshops, waarin ze naast de techniek van het ronddraaien ook haar manier van werken probeert over te dragen. “Het is heel bijzonder dat veel van de deelnemers zich met een bepaalde naiviteit in het draaien storten. Een mevrouw deed het voor het eerst, maar ze kon het meteen een uur lang. Dat is heel bijzonder. Het groepje blijft ook bij elkaar om wekelijks te oefenen. Een meisje zei tegen mij: jij geeft mij het zelfvertrouwen om mijn eigen weg te gaan.”

Een paar jaar geleden wist niemand nog waarover je het had als je op de alom gestelde vraag “Where you from?” vertelde dat je uit ‘He-Lan’ komt. Deze zomer roept iedere taxichauffeur vrolijk: “Ah! Football number two.” Het zal nog wel even duren, maar ooit zullen ze naast Arjen Robben ook “Bo-Ke Si-Wei-Ge-Man” kennen.

Red Dead Redemption

PS Kunst,Parool,niet-theater — simber op 8 juli 2010 om 08:00 uur
tags: , ,

Hoe leuk kan een videogame zijn die voor een groot deel bestaat uit plantjes plukken, dieren villen en eindeloos op je paard door de prairie rijden? Heel erg leuk, bewijst Red Dead Redemption, het nieuwste spel van het Rockstar, het bedrijf achter de Grand Theft Auto serie. Maar ‘leuk’ doet geen recht aan de enorme ambitie van de makers. Hier wordt gepoogd een serieus computerspel te creëren.

Red Dead Redemption is een kolossale en epische western, een tragedie van een outlaw die niet aan zijn verleden kan ontsnappen en een ontdekkingsreis door een enorm land van immense variëteit. Hoofdpersoon is John Marston, met de opgetrokken bovenlip van Clint Eastwood en een paar grove littekens als aandenken aan zijn vroegere leven als lid van een beruchte bende bandieten, die nu door een sluwe politieman wordt gedwongen om z’n oude handlangers uit te schakelen. Maar Marstons tegenzin is groot; hij heeft het boevenleven achter zich gelaten en wil met zijn vrouw en kind als rancher een nieuwe start maken.

Het verhaal wordt verteld in verschillende missies; opdrachten die Marston moet uitvoeren voor sheriffs, vrienden en vreemdelingen en die variëren van het overvallen van postkoetsen tot het hoeden van een kudde vee. Maar Red Dead Redemption is een zogenaamd ‘zandbak-spel’: er is geen duidelijk doel of een highscore, en als je geen zin hebt in het verhaal kun je jezelf amuseren met de talloze overige opdrachten en klusjes en je bekwamen als premiejager, scherpschutter of pokeraar. En telkens als je bezig bent met de ene expeditie wordt je al snel weer afgeleid door vreemdelingen in nood, schietpartijen waarin je geen idee hebt of het beter is om afzijdig te blijven of om in te grijpen, of een aanval van een poema of een beer. Je bent volledig vrij om je te verplaatsen over de gigantische kaart.

(meer…)

Interview Johan Simons

Het werk van theaterregisseur Johan Simons is inmiddels vaker te zien in Duitsland dan in Nederland. Vanaf september wordt hij intendant van de Münchner Kammerspiele, waar hij vorig seizoen al Drei Farben maakte naar de films van Kieslovski met onder anderen Jeroen Willems. Komend weekend is die voorstelling in de Stadsschouwburg te zien. “Het contact tussen spelers en publiek is in Nederland vele malen directer en eerlijker.”

Het publiek verstijft collectief. Zo’n zevenhonderd mensen in de jugendstilzaal van de Münchner Kammerspiele zien de kabel breken. Met donderend geweld stort de donkerblauwe Volvo stationwagen zich met de neus naar beneden dwars door de toneelvloer heen. Drei Farben is begonnen.

Pathos is regisseur Johan Simons niet vreemd. Hij vestigde zijn naam samen met Paul Koek in de jaren tachtig met het locatietheater van Hollandia. Daarna verhuisde hij naar de grote zalen, eerst in Eindhoven en vervolgens naar Gent. Sinds enige jaren werkt hij als gastregisseur in München, vanaf september is hij er artistiek leider, of zoals de functie in het Duits heet: Intendant.

Na een serie voorstellingen naar aanleiding van het werk van de Franse schrijver Michèl Houellebecq is Drei Farben nu zijn derde voorstelling gebaseerd op de Poolse cineast Krysztof Kieslowski. “Ik raakte geïnteresseerd in Kieslovski omdat ik in Berlijn was en veel gesprekken voerde met mijn goede vriend en decorontwerper Bert Neumann”, vertelt Simons een paar dagen later aan de telefoon. “Hij is Oostberlijner en samen hadden we het over het politieke systeem vóór de val van de muur en de situatie nu. Kieslovski maakte zijn belangrijkste werk rond Die Wende: Tien Geboden gaat over de tijd waar het vermolmde systeem dreigt om te vallen. De Trois Couleurs serie gaat over het nieuwe Europa na de val van de muur.”

(meer…)

Profiel: Theatercollectieven

PS Kunst,Parool,overig — simber op 27 januari 2010 om 13:59 uur
tags: , ,

Dit is een iets verder uitgewerkte versie van het verhaal dat vandaag in PS Kunst staat.

De theatercollectieven zijn terug! Twee jonge groepen, Schwalbe en de Tijdelijke Samenscholing, staan vanaf vandaag tegelijkertijd in de stad. Het is opvallend dat jonge theatermakers zich ineens weer in groepjes organiseren. We waren net gewend aan een nieuwe generatie krachtige, individuele makers (vaak regisseurs) zoals Lotte van den Berg, Jetse Batelaan, Erik Whien, Dries Verhoeven en Boukje Schweigman.

Theatercollectieven hebben in Nederland een lange geschiedenis met in de jaren zeventig het Werkteater als oergroep en inspirator. Hier werd de verantwoordelijkheid voor alle facetten van het theatermaken gedeeld door alle leden van de groep, van het aandragen van materiaal voor de voorstellingen tot het opbouwen van de tent waar gespeeld werd, koken na de repetities en de administratie.

Na het Werkteater gingen ook andere groepen zich collectief organiseren, zoals Proloog, Sater en het Onafhankelijk Toneel. Deze groepen werden politieker; de theatermakers zagen hun groep als afspiegeling van hoe de ideale samenleving eruit moest zien: democratisch, progressief en niet-hiërarchisch. Maar de meeste clichés over theatercollectieven waren óók waar: het waren halve communes met eindeloze vergaderingen en continuë richtingenstrijd en waar iedereen het met iedereen deed.

In de jaren negentig stonden verrassend genoeg een aantal nieuwe collectieven op, waarvan ‘t Barre Land en Dood Paard de belangrijkste zijn. Zonder de ideologische scherpslijperij van de eerdere generatie en vooral geïnspireerd op de ideeën over de geëmancipeerde toneelspeler van Maatschappij Discordia verzetten zij zich tegen het idee van de theatervoorstelling als creatie van de schrijver of een regisseur. Het zijn de spelers zélf die gezamenlijk repertoire lezen en kiezen en voorstellingen maken.

Van de twee nieuwe groepen plaatst de Tijdelijke Samenscholing zichzelf het sterkst in deze traditie. “We hebben vorig jaar doelbewust Matthias de Koning van Discordia gevraagd om onze afstudeervoorstelling te begeleiden”, zegt Michiel Bakker: “We voelden ons aangetrokken tot hun manier van werken omdat de acteur op de centrale positie staat. Wat we delen is de behoefte om niet in de machinerie van een groot gezelschap terecht te komen.”

Voor de negen leden van de mimegroep Schwalbe ligt dat genuanceerder: “Wij waren vorig jaar de afstudeerklas van de mimeopleiding en binnen de mime leeft die traditie minder sterk” zegt Floor van Leeuwen, “Maar het is wel opvallend dat mimers nu ineens weer groepen vormen. Dat is heel lang niet gebeurd.” Schwalbe werkt nu aan de tweede voorstelling, met Lotte van den Berg als begeleider en  met een uitputtend idee. De negen spelers fietsen zich een uur lang de blubber op hun hometrainers en drijven zo de lamp aan die hen zichtbaar houdt voor het publiek.

“We zoeken naar een handeling die echt is, die niet gespeeld hoeft te worden”, zegt Hilde Labadie, “We hebben met z’n allen een enorme energie, dat is onze kracht. We zijn niet op zoek naar eigen momentjes of solo’s binnen de voorstelling, we willen een zo groot mogelijke gezamenlijkheid uitstralen.” Anders dan de Tijdelijke Samenscholing kennen de leden van Schwalbe elkaar al door en door: “We waren een hechte klas, we zijn bijna familie geworden”, zegt Labadie, “We zijn nu in ons eerste jaar na school allemaal onze eigen kant op aan het gaan en we ontwikkelen ander vocabulair. Er zijn nu veel meer discussies dan bij de eerste voorstelling. We gebruiken verschillende woorden voor hetzelfde. Dat is moeilijk, maar ook uitdagend omdat je voordat je voelt wat je deelt eerst ook je eigen ideeën onderuit geschopt worden.”

Het kernbegrip bij alle collectieven is ‘gesprek’. De leden van ‘t Barre Land, Schwalbe of de Tijdelijke Samenscholing gebruiken het heel vaak. Soms overdrachtelijk, om de samenwerking of de onderlinge verhoudingen aan te duiden, maar vaak ook letterlijk, het met elkaar praten is toch de kern van hun verband. Het is de verdienste van Maatschappij Discordia geweest dat die een manier vonden om dit gesprek voort te zetten op de speelvloer, soms in de woorden van anderen -de toneelschrijver- maar soms ook in hun commentaar op de tekst, op de manier waarop gespeeld wordt, of zelfs hoe een zin gezegd wordt.

In de voorstelling Archiv maakt de Tijdelijke Samenscholing dit proces aanschouwelijk. Het is een collage van teksten (onder andere van Flaubert en Perec) over archieven, bibliotheken en geheugen, die af en toe wordt onderbroken door een geïmproviseerd opgesteld alfabet, moedwillig geklungel met licht en gesprekjes tussen de spelers over elkaars accent. De voorstelling wordt gespeeld door drie leden van het collectief, maar de andere drie verkopen kaartjes en staan achter de bar.

“Er is geen hierarchie, tenzij die zich aandient,” formuleert Carole van Ditzhuyzen de  werkwijze van de Tijdelijke Samenscholing. Ze weerspreekt meteen een paar van de misverstanden die er vaak over theatercollectieven heersen: “We streven niet naar uniformiteit. We zijn nu met zes acteurs van verschillende opleidingen en we willen de verschillen niet gladstrijken.”

Bakker vult aan: “Het doel is niet om het eens te worden. Waar het om gaat is dat je gezamenlijk de voorwaarden formuleert waaronder je wilt werken en dat daarna iedereen  zelf verantwoordelijk is voor het materiaal en het gesprek. Iedereen kiest positie. We zijn ook niet democratisch; we stemmen nergens over. Als iemand per se iets wil doen in de voorstelling, dan komt het erin.”

Ook Schwalbe koos oorspronkelijk voor Lotte van den Berg vanwege het “fijne gesprek” dat de spelers met haar voerden. Maar in hoeverre kun je gezamenlijk een voorstelling maken als er een gerenommeerde regisseur meedoet? Labadie: “Toen we Lotte vroegen om onze afstudeervoorstelling te begeleiden hebben we haar een hele duidelijke opdracht gegeven: we wilden geen verstilde voorstelling, we willen iets met rock ’n roll. Het uitgangspunt is wat wij willen vertellen. Maar als Lotte praat luistert iedereen. Ze brengt dingen tot de kern terug en laat zien dat je de uiterste consequenties moet nemen van je keuzes.”

Van den Berg zelf ziet de tegenstelling niet zo: “Meestal ben ik heel nederig. Ik heb veel ervaring met het maken van voorstellingen op basis van improvisaties; ik ken de processen en weet wanneer het tijd is om een beslissing te nemen. En soms druk ik dingen door, als ik ervan overtuigd ben dat de voorstelling daarom vraagt.

De Tijdelijke Samenscholing heeft meer last met regisseurs. Een van de zes leden is Bo Tarenskeen, afgestudeerd regisseur en winnaar van de Ton Lutz Prijs. Van Ditshuyzen: “We hebben een in Nederland een cultus van regisseurs en een collectief met een regisseur in het midden wordt al snel ‘het gezelschap van Bo Tarenskeen’. Maar het is een groep waarin zes mensen hun eigen driften volgen.” Michiel Bakker, “De eerste voorstelling maakten we met z’n zessen, maar nu werken we steeds in verschillende constellaties. Maar hoe we het precies willen vormgeven ligt nog niet vast. Dat is nog onderwerp van een heel interessant geprek.”

Archiv van de Tijdelijke Samenscholing speelt van 26-28/1 in Frascati WG
Schwalbe speelt Op eigen Kracht
speelt van 27-30/1 in Frascati 2

Interview: De Warme Winkel over ‘Gijsbrecht’

Ze zijn een jonge theatergroep, vooral bekend in het circuit van kleine zalen en zomerfestivals, maar op hun schouders ligt de taak om de eeuwenoude Gijsbrecht-traditie nieuw leven in te blazen. De Warme Winkel gaat de uitdaging aan, maar op haar eigen wijze; oneerbiedig en vol zelfvertrouwen, maar met eindeloze research gaan de drie spelers het stuk te lijf. “Eigenlijk zijn we drie enorme nerds.”

“We zijn maar een kleine groep tegenover die grote traditie”, zegt acteur Vincent Rietveld, een repetitielokaal in een gebouw op het WG terrein in Oud West. Die bescheidenheid is niet vals. Vanaf de première op 3 januari 1638 werd het toneelstuk Gijsbrecht van Aemstel van Joost van den Vondel 330 jaar lang gespeeld op een van de de eerste dagen van ieder jaar, tot er in 1968 een einde aan kwam die ijzeren regelmaat. In de vroege jaren tachtig werd nog een poging gedaan tot een revival, maar het was Kees Fens die een paar jaar voor zijn dood burgemeester Job Cohen suggereerde om een serieuze poging te doen de traditie nieuw leven in te blazen.

Cohen stelde het voor aan de gemeenteraad. De raad vroeg het aan het Amsterdams Fonds voor de Kunst, het Fonds gaf een opdracht aan Theater Frascati en Frascati nodigde De Warme Winkel uit. En zo krijgen de drie spelers op 1 januari bij de nieuwjaarsreceptie van de gemeente Amsterdam in het Concertgebouw drie kwartier om hún interpretatie van de Gijsbrecht te geven. Rietveld: “Het is natuurlijk een onmogelijke opdracht om de hele Gijsbrecht van Aemstel te spelen in drie kwartier. We willen liever een ode brengen, aan het stuk en aan de traditie, en we willen onze verhouding ertoe expliciet maken.”

De Warme Winkel, naast Rietveld bestaande uit Mara van Vlijmen en Jeroen De Man maakte de afgelopen jaren naam met een serie voorstellingen over Oostenrijkse kunstenaars: Totaal Thomas over Thomas Bernhard, Rainer Maria over Rilke , Villa Europa over Stefan Zweig en Alma over Alma Mahler. Dat expliciet maken van hun eigen relatie met het onderwerp is de rode draad in hun werk: in Villa Europa schetsten ze het leven van Zweig in het Wenen voor de Eerste Wereldoorlog struikelend over een enorme stapel boeken als in een op hol geslagen aflevering van Twee voor Twaalf en in Alma werden in steeds uitzinniger kostuums alle aanwezigen in de salons Alma Mahler doorgelicht, waarbij De Man sardonisch liet weten wie joods waren en wie later Nazi werd. Heftig theatraal zijn hun voorstellingen, een bonte verzameling stijlen, en meer dan een tikje recalcitrant.

(meer…)

Interview Thomas Ostermeier

PS Kunst,Parool,interviews — simber op 14 december 2009 om 12:02 uur
tags: , , , , , ,

Dit weekend in Amsterdam te zien: Hamlet als doorgedraaide, decadente dikzak. De Schaubühne, het befaamde theatergezelschap uit Berlijn, is te gast in de Amsterdamse Stadsschouwburg met Hamlet van regisseur en artistiek leider Thomas Ostermeier. Voor de Stadsschouwburg gaat hiermee de internationale programmering, een nieuw speerpunt, nu echt van start. Bovendien komt Ostermeier volgend jaar bij Toneelgroep Amsterdam een gastregie doen. “Ik zie Hamlet als een verwend kind; een product van deze wereld”

Als de voorsteven van een schip verrijst het gebouw van de Schaubühne aan de Kufürstendamm in Berlijn. Het gebouw met de halfronde, modernistische gevel uit 1928 was oorspronkelijk een bioscoop, maar sinds 1981 zetelt hier het belangrijkste theatergezelschap van West-Berlijn. In de gedeelde stad lag het theater net buiten het centrum rond station Zoo en warenhuis KaDeWe, in het herenigde Berlijn is de omgeving een rustige buitenwijk geworden, bijna een uur reizen van de hippe bezirke Mitte en Prenzlauer Berg.

Toch is het druk, eind november bij een reprise van Hamlet. Opvallend veel jonge mensen komen kijken. Ostermeier valt in deze enscenering meteen maar met de deur in huis: “Sein oder nicht sein, daß ist die Frage.” Het decor is een enorme bak aarde, met daarboven een bewegens plateau waarop de familietragedie aan het Deense hof wordt uitgevochten. Als mafiosi in goedkope pakken sluipen ze om elkaar heen. Prins Hamlet zegt zijn monologen tegen een videocamera; de beelden worden geprojecteerd op een kettinggordijn. Vooral hoofdrolspeler Lars Eidinger valt op. Hij durft heel ver te gaan in het neerzetten van Hamlet’s pesterige gekte, een soort kruising tussen Kurt Cobain en Theo van Gogh. Liefhebbers van het werk van Ivo van Hove of Johan Simons zullen beslist niet teleurgesteld zijn.

Na afloop van de voorstelling neemt Thomas Ostermeier ruim de tijd voor een paar Nederlandse journalisten. Het is een lange man, begin veertig, informeel gekleed in een streepjestrui en een jasje met heel veel pennen in het borstzakje. In zijn kantoor, hoog achterin het gebouw, vertelt hij levendig over zijn visie op het ultieme toneelstuk. Zijn kenmerkend hinnikende lach klinkt regelmatig. “Als regisseur is Hamlet altijd iets dat speelt op de achtergrond. Het is dat grote ding dat je moet aangaan. Ik heb het stuk heel vaak gezien en ik vond die vaak teleurstellend dat Hamlet wordt gepresenteerd als een pure ziel met decadente mensen om zich heen. Ik wilde Hamlet juist net zo vadsig en decadent maken als zijn omgeving. Ik zie hem als iemand met veel fouten, een vet, verwend kind; een product van deze wereld.”

(meer…)

Interview Lineke Rijxman

PS Kunst,Parool,interviews — simber op 1 december 2009 om 11:23 uur
tags: ,

Actrice Lineke Rijxman vertrok in 2003 bij Toneelgroep Amsterdam, maar heeft nu al geruime tijd een nieuw huis gevonden bij Mugmetdegoudentand. Voor haar rol van Hannah Arendt in de voorstelling Hannah en Martin won ze in september de Theo d’Or, de prijs voor de beste actrice. Deze week staat ze met die voorstelling in Amsterdam. “Ik kan iets pas mooi vinden als er een kras op zit.”

Soms vergist ze zich nog. Heeft ze het over ‘ze’ als de plannen van Mugmetdegoudentand bespreekt. “Ik moet oefenen met ‘we’ zeggen”, glimlacht ze. Ze is nu lid van het artistieke team van het theatergezelschap, naast artistiek leiders Joan Nederlof en Marcel Musters. “Het verschil is geloof ik dat ik bepaalde praktische en zakelijke dingen niet hoef te doen. Maar ik bespreek samen met Joan en Marcel wat we gaan spelen en welke onderwerpen we ter sprake willen brengen.”

Nadenkend is ze. Regelmatig vallen er lange pauzes in het gesprek. “Ik ben mijn houding ten opzichte van interviews aan het veranderen. Ik vind de openbaarheid ervan soms moeilijk, maar ik wil gewoon dat de zalen vol zitten.”

Rijxman (Bussum, 1957) groeit op in een Joods gezin in het Gooi. “Het was de tijd van het grote zwijgen over de oorlog. Ik was al heel jong geïnteresseerd in gewetenskwesties, en de vraag waar het kwaad vandaan kwam. En ik had al snel door dat bij mensen onder de oppervlakte allerlei onbewuste motieven speelden. Ik zag mensen ontspannen keuvelen met een kopje thee in de hand, maar onder tafel zag ik dat hun benen een heel ander verhaal vertelden.”

(meer…)

Reportage/interview Dood Paard

Voor toneelgezelschap Dood Paard is een nieuwe fase aangebroken. Mede-oprichter Oscar van Woensel kickte af van zijn verslaving en verliet eerder dit jaar de groep. Tegelijkertijd lijkt de waardering voor Dood Paard als toonaangevend gezelschap in het avant-garde circuit breder te worden en wint de groep inmiddels acteerprijzen. Deze week gaat hun nieuwe voorstelling Reigen ad lib in première, naar het stuk van Arthur Schnitzler over tien seksuele ontmoetingen. “Het is ook wel geruststellend dat er nog steeds mensen zijn die schrikken van ons toneel.”

Rond een enorme tafel in een ruime kamer in een grachtenpand zitten vijf acteurs geconcentreerd te werken. Ze lopen de vertaling door van Reigen, dat over een paar weken in première gaat. Twee acteurs lezen hardop een pagina dialoog, daarna roept iedereen op- en aanmerkingen. Manja Topper, Gillis Biesheuvel en Kuno Bakker –die vandaag de laptop heeft en alle wijzigingen direct verwerkt- vormen nu samen Dood Paard. De twee anderen zijn Vincent Rietveld van theatergroep De Warme Winkel en Thirsa van Til, net afgestudeerd van de toneelschool. Maar bij het maken van de voorstelling is er geen hiërarchie.

Drie weken zitten ze al zo met z’n vijven rond de tafel. Eerst zin voor zin vertalend, discussiërend over de betekenis van moeilijke passages, later meer en meer inzoomend op de details; ritme, taalgebruik van de personages, dubbele betekenissen. “Is ‘griezelig’ een meisjeswoord?” “‘Voor iemand gáán’ vind ik té hedendaags, en het is lelijk.” “Dit riekt naar taalkunst.” “Wat staat er in het Duits?” Onder de stapels teksten, boeken, eerdere versies van het script, losse papieren vol aantekeningen en een paar laptops ligt oorspronkelijke tekst van Arthur Schnitzler, die soms het verlossende woord biedt, en soms alleen maar nieuwe vragen oproept. Gedisciplineerd wordt zo de hele tekst doorgeploegd, maar de sfeer is ontspannen.

(meer…)

Interview Eric de Vroedt: “Ik ben op zoek naar het kwaad, en steeds kom ik bij mezelf terecht”

PS Kunst,Parool,interviews — simber op 5 januari 2009 om 12:36 uur
tags: ,

Aanstaande zaterdag gaat Mightysociety6 in première, het zesde deel van Eric de Vroedt’s monsterproject van tien theatervoorstellingen over de staat van de wereld. Na stukken over spin-doctors, moslimterrorisme, globalisering en de jeugd van tegenwoordig, richtte De Vroedt zich voor het zesde deel op de oorlog in Afghanistan en de Nederlandse bijdrage daar. “Ik hoop dat ik voorbij de EénVandaag-blik op de oorlog raak, die alles terugbrengt tot overzichtelijke jaren ’50 proporties.”

Eric de Vroedt ziet er vermoeid uit, na een doorwaakte nacht waarin hij aantekeningen voor de technici moest uitwerken, naar aanleiding van de eerste doorloop gisteren. Het slaapgebrek blijkt geen invloed te hebben op zijn enthousiasme. In rap tempo pratend vertelt hij over het onstaan van zijn laatste voorstelling.

Mightysociety6 vloeit voort uit waar ik mee bezig was in deel twee en drie: de angst voor de islam, moslimterrorisme en de war on terror. Ik las een boek van Gilles Kepel, een Franse socioloog die vanuit zijn vakgebied kijkt naar conflicten binnen de Islamitische wereld. Hij haalt de dogma’s weg over Amerika en Israël en het Midden Oosten en trekt lijnen van Washington naar Saudi Arabië, naar Afghanistan en Israël en naar Westerse achterbuurten, steeds met oog voor het standpunt dat bepaalde groepen hebben en welke sociale positie ze daarmee krijgen of houden. Door hem kreeg ik veel meer oog voor de nuances en complexiteit van het Midden Oosten-conflict.

(meer…)

Reportage: ‘Broeders’ van Jetse Batelaan op de Wiener Festwochen

PS Kunst,Parool,buitenland,overig — simber op 23 mei 2008 om 00:25 uur
tags: , , , ,

De Schwartzenbergplatz in Wenen is een druk verkeersplein, omringd door statige neo-renaissance gebouwen die zo kenmerkend zijn voor de Oostenrijkse hoofdstad. Auto’s, bussen, trams en een paar fietsers rijden haastig voorbij. Op het plein staat een grotesk Russisch monument voor de gevallenen in de Tweede Wereldoorlog. Voor het monument spuit een hoge fontein, volgens boze tongen zo gepositioneerd om het zicht op het monument te blokkeren. En daar weer voor staat een vierkante omheining van houten schotten, die niet helemaal in de omgeving lijkt te passen.

’s Avonds zitten er binnen de schotten mensen aan tafels. Hun hand wordt vastgehouden door witgeklede verplegers. Ze hebben geen idee dat die verplegers er zijn, maar zodra hun hand wordt losgelaten zakken ze als levenloze poppen in elkaar. Ze praten niet, behalve in woedende of verdrietige uitbarstingen. Als die te heftig worden ze door de verplegers op een brancard gezet en door de deur naar buiten gedragen. Kort erna komen ze weer binnen; de ‘patiënten’ in verplegerswit, de verplegers ineens in ‘normale’ kleren.

(meer…)

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2010 Simber | powered by WordPress with Barecity