Portret: Toneelgroep Amsterdam

beschouwingen — simber op 15 september 2012 om 22:28 uur
tags: , ,

[Oude meuk van voor de zomer. Dit schreef ik voor het nieuwe (engelstalige) Arts Holland Magazine. Het tijdschrift is hier te lezen in het onhandige ISSUU formaat.]

In toneelspelerskringen heet het simpelweg ‘het plein’. Sinds eeuwen het adres van de Amsterdamse Stadsschouwburg, verzamelplaats van vuig artiestenvolk in de omringende kroegen en daarmee geroemd en gehaat maar onmiskenbaar het epicentrum van het theater in Nederland. Het Leidseplein in Amsterdam. Als het hier trilt, voelt heel het het land de naschokken.

In tegenstelling tot veel andere Europese landen zijn schouwburgen en toneelgezelschappen in Nederland gescheiden organisaties. De huisbespeler van de schouwburg is al vaak van naam veranderd, van Nederlandsche Comedie tot Publiekstheater tot –sinds 1987– Toneelgroep Amsterdam, maar in de basis is het steeds dezelfde organisatie en, gezien haar positie aan het plein, automatisch het eerste gezelschap van het land.

Dit is een verhaal over hoe Toneelgroep Amsterdam zich, onder leiding van artistiek leider Ivo van Hove, in het afgelopen decennium wist te ontwikkelen van een gewaardeerd nationaal avantgarde-groep tot internationaal toptheatergezelschap en hoe ze dat deed door de verworvenheden die in de kleine zalen van het Nederlands theater tot bloei waren gekomen op te nemen en te verbeteren.

Twee algemene opmerkingen vooraf: het Nederlandse kunstlandschap is nooit een plek geweest van grote instituten, zoals in Frankrijk of Duitsland. De dynamiek van de Nederlandse kunsten is altijd voortgekomen uit het bloeiende middenveld van kamermuziek, kleine en middelgrote theaterzalen, festivals op locatie en eigenzinnige musea voor moderne kunst.

Continue reading “Portret: Toneelgroep Amsterdam” »

De Komende Opstand

[Oude meuk van voor de vakantie. Dit schreef ik voor Rekto:Verso. Het staat ook hier]

Het Kunstenfestivaldesarts presenteert een opmerkelijk samenwerkingsproject van de Duitse theatergroep Andcompany&Co met Nederlandse en Vlaamse toneelspelers. Der (kommende) Aufstand is een radicaal politieke manifestatie, een ideaal vechthuwelijk van Duitse filosofische degelijkheid en Hollandse botte directheid. Het vaderlandse politieke theater kan daar een voorbeeld aan nemen.

‘Wees maar niet bang! Wij zijn slechts acteurs. We zijn verkleed als bedelaars. Wij oefenen hier de opstand.’ Het is een ratjetoe aan spelers dat met deze woorden Der (kommende) Aufstand opent: roepatleten van het Duitse provincietheater (in dit geval het Oldenburgisches Staatstheater), muzikale performance-mimers uit Nederland, drie muzikanten, de Vlaamse regisseur Joachim Robbrecht en een spelende dramaturg van het kleine Andcompany&Co.

Al in de eerste scène blijkt hoezeer de Nederlandse en Duitse mentaliteiten elkaar aanvullen. De overdaad en het directe contact met het publiek doen denken aan het werk van De Warme Winkel, maar inhoudelijk krijg je een razend knappe opeenstapeling van de meest uiteenlopende referenties: van de zestiende-eeuwse watergeuzen (genoemd naar het Franse woord voor bedelaar, ‘gueux’) tot de huidige Occupy-beweging en de Nederlandse kunstbezuinigingen. Steeds staat een van de acteurs met de rug naar het publiek – precies zoals de politiek hen verwijt – terwijl hij ons toespreekt via de human mic van de anderen.

Uitgangspunt voor de voorstelling is een essay van Friedrich Schiller, Der Abfall der Niederlande, over de Nederlandse opstand tegen de Spaanse koning, die leidde tot de Tachtigjarige Oorlog en de onafhankelijkheid van het land. Nederland kan nu wel een beetje opstand gebruiken, moeten de makers gedacht hebben.

Continue reading “De Komende Opstand” »

Modern Repertoire op het Theaterfestival

beschouwingen,Parool — simber op 29 augustus 2012 om 17:03 uur
tags: , , , ,

Morgen opent het Nederlands Theaterfestival met de voorstelling Dood van een Handelsreiziger van het Ro Theater. Een jury onder leiding van schrijver en (oud-)acteur Arthur Japin selecteerde de tien beste voorstellingen van het afgelopen seizoen. Naast de moderne klassieker van Arthur Miller is tijdens het festival opvallend veel twintigste-eeuws toneelrepertoire te zien.

Vooral Miller lijkt de laatste jaren herontdekt. Dood van een Handelsreiziger uit 1949, een meedogenloze afrekening met de American dream, is natuurlijk zijn meest bekende stuk, maar twee jaar geleden stond bijvoorbeeld Erik Whiens heldere regie van Van de brug af gezien op het festival en vorig seizoen maakte Toneelgroep Amsterdam indruk met de voorstelling Na de zondeval – losjes gebaseerd op Millers relatie met Marilyn Monroe.

Maar Miller is niet de enige moderne toneelschrijver die op het festival wordt gespeeld. Ook Thomas Bernhard komt langs (Am Ziel), net als Harold Pinter (Bedrog) en Hugo Claus (Onvoltooid verleden, uit de Vlaamse selectie). Normaal zou het misschien niet zo opvallen, al die moderne schrijvers, maar dit jaar springt het in het oog omdat er geen oudere stukken tussen staan. Alleen Tsjechov is vertenwoordigd, met Gerardjan Rijnders’ regie van, maar de immer populairste toneelschrijver in Nederland, Shakespeare, is geheel afwezig. Ook klassieke tragedies, waarvan er pakweg vijftien jaar geleden nog zeker tien per jaar te zien waren, lijken vrijwel geheel van het repertoire verdwenen te zijn.

Zegt deze focus op twintigste-eeuws repertoire iets over het huidige toneellandschap? Het ligt eraan waarnaar je op zoek bent. Miller blijkt bij uitstek geschikt om in tijden van crisis onze burgerlijke verlangens en angsten te onderzoeken; Am ziel, net als de meeste andere stukken van Thomas Bernhard een cynische afrekening met het hypocriete Oostenrijkse intelectuelenmilieu, is koren op de molen van kunstenaars die hun positie in de samenleving onder de loep willen nemen; en Bedrog van Pinter, een in omgekeerde volgorde verteld liefdesverhaal over een driehoeksverhouding, blijkt bij iedere opvoering een buitengewoon rake observatie over liefdesrelaties in tijden van individualisme.

Misschien zijn deze opvoeringen ook wel meer een onderzoek naar het toneelrepertoire zelf. We noemen deze stukken dan wel ‘modern’, maar hedendaags zijn ze niet meer. Alle genoemde auteurs zijn dood. Maar aan hedendaagse stukken lijkt juist een enorm gebrek: de huidige generatie toneelschrijvers, zoals Jon Fosse, Elfriede Jelinek of Marius von Mayenburg, schrijft geen affe stukken meer, maar teksten die niet het uitgangspunt zijn van een toneelvoorstelling, maar slechts één van de bouwstenen. In die zin zijn regisseurs die twintigste-eeuws werk ensceneren misschien wel op zoek naar ‘het laatste toneelstuk’.

Maar dat geldt natuurlijk niet voor alle theatermakers. Nederland is eigenlijk geen land van het ijzeren toneelrepertoire, hier worden vooral veel nieuwe teksten gespeeld. Maar ook die oogst valt dit jaar tegen. Een jongere generatie makers gaat juist heel beeldend en intuïtief te werk. De Warme Winkel samplet zich een slag in de rondte in Alma, haar collage-voorstelling over de Oostenrijkse society-dame Alma Mahler; mimegroep Boogaerdt/VanderSchoot heeft in Bimbo geen woord nodig om de hedendaagse sexuele beeldcultuur genadeloos te becommentariëren en Benjamin Verdonck creëert in zijn voorstelling Disisit met een eigen knutseltaal en -beeld een eigen fantasievolle wereld.

Zo bezien zijn die twintigste-eeuwse stukken nu ‘gewoon’ repertoire geworden en staan Pinter, Bernhard en Miller eenvoudigweg naast Shakespeare, Schiller en Racine te wachten om door hedendaagse regisseurs en toneelspelers wakker gekust te worden.

Het Nederlands Theaterfestival duurt van 30 augustus t/m 9 september. Meer info op www.tf.nl

De Meester en eigenschappen, of: De man zonder Margarita

Twee toneelbewerkingen van onbewerkbare boeken zijn dit weekend op het Holland Festival te zien in de twee zalen van de Stadsschouwburg, en aan de oppervlakte lijken The master and Margarita en De man zonder eigenschappen wel wat op elkaar in hun dromerige, filmische stijl. Maar daarachter gaat een diepgaand verschil van opvatting schuil over hoe literatuur op de planken te zetten.

De overeenkomsten tussen beide romans zijn opmerkelijk: zowel De meester en Margarita van de Russische schrijver Michail Boelgakov als De man zonder eigenschappen van de Oostenrijker Robert Musil werden geschreven in de jaren ’20 en ’30 van de vorige eeuw, kwamen niet door de censuur van hun land en werden pas na de dood van hun auteur erkend als literaire meesterwerken. Beide behandelen ze moreel failliete landen die afstevenen op een catastrofe en voorafschaduwen daarmee de Tweede Wereldoorlog.

De Britse acteur en regisseur Simon McBurney (twee jaar geleden regisseerde hij A dog’s heart bij De Nederlandse Opera, gebaseerd op een verhaal van Boelgakov) maakt met zijn gezelschap Complicite van The master and Margarita een multimediaal spektakel, dat met projecties, goochelkunsten, muziek, en een grote cast langs de drie verhaallijnen uit Boelgakovs roman vloeit. We zien hoe de duivel, vermomd als de Duitse professor Woland, zijn intrek neemt in Moskou en daar dood en verderf zaait. Tegelijk zien we een op Boelgakov zelf gebaseerde schrijver (de meester uit de titel) in een gesticht die een historische versie schrijft van het verhaal van Jesus Christus en Pontius Pilates.

In het boek hebben de drie verhalen ieder hun eigen stijl: de satanische streken van Woland en zijn metgezel, een mansgrote zwarte kater, zijn grotesk en surrealistisch, het Christusverhaal verheven en contemplatief en de romance tussen de schrijver en zijn geliefde Margarita lieflijk en poëtisch. In het laatste deel, als Margarita om de ziel van de schrijver te redden zich in dienst stelt van Woland die haar als heks een satanische Walpurgisnacht laat vieren.

Het is de vraag of toeschouwers die het boek niet kennen de kluwen verhalen en thema’s in McBurneys uitbundige, maar ook wat warrige regie kunnen ontwarren. Sprongen tussen locaties worden met Google-maps-animaties verbeeld en een mooi effect wordt bereikt door de acteurs meet te laten spelen met de projecties op de vloer, waarbij op de achterwand het resultaat te zien is: de Meester rijdt paard, Margarita vliegt. En aan het eind zit een mooie ontmaskering, een visie op het kwaad in het boek en in de wereld.

Hoe anders is de theaterbewerking van Het Toneelhuis van De man zonder eigenschappen. De Vlaamse regisseur Guy Cassiers maakte zo’n tien jaar geleden bij het Ro Theater naam met zijn rigoreuze bewerking van de roman Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust voor het theater. Nu kiest hij opnieuw een megaproject en opnieuw zoekt hij manieren om niet zozeer het verhaal te vertellen, maar de essentie uit het boek te destilleren en die als het ware als een nieuw, zelfstandig kunstwerk op het toneel te zetten.

De onopmerkelijke man uit de titel is Ulrich, een passieveling die in een ontbindend keizerrijk vruchteloos meewerkt aan een zinloos gebaar van eenheid, de viering van het jubileum van de vorst. Ook Cassiers gebruikt projecties, maar in plaats van overdaad kiest hij in het eerste deel voor intrigerende details van grote schilderijen, Da Vinci’s Laatste Avondmaal en Endsor’s De intocht van Christus in Brussel.

McBurney kiest voor grote gebaren en theatrale frivoliteit, maar pretendeert uiteindelijk niet meer dan de roman te illustreren. Cassiers is stijlvaster en kiest zelf meer positie, zodanig dat hij in het derde deel Yves Petry opdracht gaf een nieuwe tekst te schrijven, gebaseerd op Musil. Bovendien is hij explicieter in het benoemen van actuele paralellen. Wie van de twee trouwer is gebleven aan het boek is misschien wel de interessantste vraag van dit Holland Festival.

The Master and Margarita van Simon McBurney/Complicite is te zien 21-23/6 in de Stadsschouwburg.
De misdaad (De man zonder eigenschappen III)
is te zien op 22/6 en de hele Musil Marathon van Het Toneelhuis op 23-24/6  in de Stadsschouwburg.
www.hollandfestival.nl

 

Selectie Theaterfestival

Theatergroep De Warme Winkel en theatermakers uit Vlaanderen, dat zijn de smaakmakers van het toneel in Nederland. Dat beeld wordt bevestigd als je naar de selectie van het Nederlands Theaterfestival kijkt. De jury, onder leiding van de ooit acterende schrijver Arthur Japin, maakte afgelopen zaterdag de tien voorstellingen bekend die zij de beste van het afgelopen seizoen acht en die in september tijdens het festival nog een keer te zien zijn in de theaters rond het Leidseplein.

De Warme Winkel is met twee voorstellingen uitgekozen: Alma (een beeldende performance over Alma Mahler) en Viva la naturisteraçion, een voorstelling over naturisme, waarin de vijf spelers voornamelijk naakt op het podium staan, een coproductie met De Utrechtse Spelen. Vooral de selectie van Alma is opvallend: de voorstelling werd drie jaar geleden gemaakt op Oerol, en was afgelopen herfst slechts twee in Nederland keer te zien. Je zou de uitverkiezing kunnen zien als beloning voor het groeiende aantal reprises in Nederland, waarbij succesvolle voorstellingen, later worden hernomen zodat meer publiek de kans krijgt ze te zien.

Daarnaast telt de selectie drie voorstellingen uit Vlaanderen: Bedrog van Stan, Disisit van Benjamin Verdonck en Bloed & Rozen van Het Toneelhuis en regisseur Guy Cassiers, een nieuw toneelstuk van Tom Lanoye over Jeanne d’Arc en Gilles de Rais. Cassiers beleeft na zijn befaamde Proust-cyclus een nieuwe artistieke piek: zijn marathonvoorstelling naar het boek De man zonder eigenschappen van Musil staat binnenkort op het Holland Festival en had in deze Theaterfestivalselectie zeker niet misstaan.

Naast Bedrog van Pinter is er nog meer modern repertoire te zien in september: het Ro Theater werd uitgekozen met Millers De dood van een handelsreiziger en de jonge regisseur Paul Knieriem werd geselecteerd met Bernhards Am Ziel, een productie van de Toneelschuur met Marlies Heuer in de hoofdrol.

Amsterdams succes is er voor de vrije producent Hummelinck Stuurman, die geselecteerd werd met Oom Wanja waarin onder anderen Pierre Bokma en Hein van der Heijden meespelen, in regie van Gerardjan Rijnders en Husbands van Toneelgroep Amsterdam. Die laatste keuze is opvallend, want pers en publiek leken dit seizoen andere voorstellingen van TA, zoals In ongenade of Na de zondeval hoger te waarderen dan Ivo van Hoves bewerking van de film van John Cassavates.

De laatste uitgekozen voorstelling is Bimbo van mimegroep Boogaerdt/Van der Schoot, een fascinerend akelige verbeelding van de ‘pornificatie’ van de samenleving. Theater als het krassen van nagels op het schoolbord en dus bij uitstek geschikt voor het Theaterfestival dat naast mooie voorstellingen tonen toch ook discussie wil oproepen.

De selectie overziend rijst het beeld van een evenwichtige, degelijke keuze. De jury koos geen kleine, obscure voorstellingen, en vergat geen grote hits – of het moest De prooi zijn van Het Nationale Toneel, de voorstelling over de val van ABM Amro die dit seizoen het meeste media-aandacht wist te genereren. Bezoekers die in september voorstellingen gaan ‘inhalen’ zullen weinig te klagen hebben over het niveau en de diversiteit van het Nederlandse theater.

Daar staat tegenover dat je zonder moeite een aantal voorstellingen kan noemen die ook in de keuze zouden passen, zoals Mahabharata van Marjolein van Heemstra of Krenz van Willem de Wolf. Het reflecteert een theaterseizoen waarin de kwaliteit zeer hoog was, maar échte uitschieters (te) schaars.

Daar moet bij gezegd worden dat die uitschieters, zeker in de grote zaal, opvallend vaak Vlaamse voorstellingen zijn. Naast de eerder genoemde Musil-cyclus van Cassiers hoorden wat mij betreft ook het onvoorstelbaar weirde Robo-a-Gogo van Wayn Traub en het megalomane 300 el x 50 el x 30 el van FC Bergman tot de hoogtepunten van het seizoen. Helaas zijn die voorstellingen maar één of twee keer in Nederland te zien. Onder druk van bezuinigingen en publiekseisen schuiven Nederlandse gezelschappen langzaam naar het midden, terwijl in België de zucht naar avontuur nog groter is.

Dezelfde jury die deze selectie maakte, beslist ook over de acteursprijzen Theo en Louis d’Or. De nominaties daarvoor worden binnenkort bekend gemaakt.

Het Nederlands Theaterfestival vindt plaats van 30 augustus t/m 9 september. Meer info op ww.tf.nl

Where do we go from here; een beknopte wegenatlas voor het theater

beschouwingen — simber op 3 mei 2012 om 21:25 uur
tags: , ,

(Voor het tijdschrift Boekman, najaar 2011)

De economische crisis heeft de Londonse horeca hard geraakt. De sjieke, onbetaalbare toprestaurants blijven goede zaken doen, maar de eenvoudige middenklasserestaurants hebben het zwaar. Vele moeten hun deuren sluiten. Maar tegelijkertijd is er wat de Guardian een ‘food revolution’ noemt losgebroken. Food trucks rijden met hun mobiele keuken en restaurant naar de meest onverwachte plekken, mensen serveren eenvoudige maaltijden voor betalende gasten in hun huiskamer en gespecialiseerde koks duiken een keer per maand op in bevriende restaurants.

Nee, dit wordt geen verhaal over eten en ook geen verhaal over dat iedere crisis een kans biedt. Maar de parallel is duidelijk. Ook in de kunsten in Nederland is het crisis. En ook in de kunsten zullen als reactie de komende jaren nieuwe vormen als paddestoelen uit de grond rijzen. Hoe zien die nieuwe vormen eruit op het gebied van theater? En zullen die met name de kleinere theatergezelschappen kunnen helpen bij het verwerven van nieuwe inkomsten en zo hun voortbestaan?

Laten we om te beginnen eens kijken naar de huidige ontwikkelingen en die extrapoleren. Theatermakers zijn al tijden bezig met het verkennen van het terrein buiten de gebaande paden van de halfjaarlijkse nieuwe voorstelling. Voor een deel ligt dat op het gebied van het alweer een paar jaar hoogtij vierende ‘ervaringstheater’, waarbij het publiek niet langer veilig in het theaterpluche zit, maar meegenomen wordt op een intiemere, meer zintuigelijke reis. Voor een ander deel zijn het diverse vormen van vaak eenmalige theatrale happenings.

Maar ook in onderwerpkeuze zie je nieuwe ontwikkelingen. Het theater behandelt vaak de grote, meer abstracte thema’s als oorlog, verraad en waardigheid. Wat gebeurt er als theatermakers zich gaan bezighouden met veel concretere kwesties? Vanuit dit soort observaties kunnen we misschien een volgende stap maken. Is er een omslag denkbaar in het Nederlandse theater naar een aanpak waarin de voorstelling niet langer centraal staat, maar waarin een avond theater een verzamelterm is voor een nog veel bontere verzameling gebeurtenissen dan nu het geval is?

Om te beginnen het ervaringstheater. Dit beschrijft een genre waarin bezoekers vaak niet op een stoel in een theater zitten, maar bijvoorbeeld op een bed liggen in een eenvoudige hotelkamer, of achter een computer zitten chatten met hun blote voeten in het zeewater (beide voorbeelden uit voorstellingen van Dries Verhoeven), worden meegevoerd in in rondrijdende constructies (Boukje Schweigman) of met spelende kinderen mee wandelen (Alexandra Broeder). De trend lijkt inmiddels over zijn hoogtepunt heen – ervaringstheater is vaak extreem kleinschalig en dus duur om te maken – maar de invloed reikt ver.

Continue reading “Where do we go from here; een beknopte wegenatlas voor het theater” »

Silent planning; A letter from The Netherlands

beschouwingen,cultuurbeleid,english — simber op 13 maart 2012 om 22:33 uur
tags: , ,

(I wrote a follow-up to my first ‘Theaterbrief’ from The Netherlands for the wonderful people from TeaterTanken in Oslo, who last november invited me (along with Eric de Vroedt and Manja Topper) to explain what’s going on in The Netherlands for a surprisingly large and dedicated audience. They wanted to be kept up to date of the developments, resulting in this rather gloomy overview. Earlier today Nachtkritik published the German translation.)

It’s been a strange few months. In June the entire arts world stood united against the government’s austerity program and the arts cuts, but soon after the protest dissipated and the last few months everybody has been remarkably silent, if not to say apathetic. What you see is Dutch consensus-culture hard at work.

Artists like Johan Simons and Jonas Staal have warned about this for some time: the Dutch lack a mechanism to demonstrate their conflicts while leaving them intact. The strong urge to find middle ground, to dissolve our disputes, to working out solutions leaves us vulnerable to compromising our (moral) principles. Even the arts, which in other countries often are the natural arena for social conflict, are not immune to this predicament. “Noone speaks”, said Jan Joris Lamers –venerated innovator of the Dutch avant-garde theatre– in  an interview, “It seems like you would invalidate yourself by speaking.”

And so, after the anger was vented, all the artists and arts institutions quietly went to work on their grants applications. The big institutions needed to hand in their applications on February 1st, the applications of the small groups are due on March 1st. Some plans are still shrouded in secrecy, but most of the new projects and intentions are now becoming public.

Continue reading “Silent planning; A letter from The Netherlands” »

De Warme Winkel en de Oostenrijkers

beschouwingen,Theatermaker — simber op 2 november 2011 om 15:07 uur
tags:

“als iemand mij vraagt
waar het beste theater ter wereld is
dan antwoord ik altijd oostenrijk
ik zeg oostenrijk
waarop mensen altijd vragen waar in oostenrijk
en ik antwoord niet in oostenrijk
oostenrijk
oostenrijk  zelf is het
rijdt u naar oostenrijk zeg ik tegen al die mensen
en u komt in het allerbeste theater ter wereld”
Peymann in: Claus Peymann kauft sich eine Hose und geht mit mir essen van Thomas Bernhard (vertaald door Discordia)

Öst’reich raus! heette de serie voorstellingen waarmee theatergroep De Warme Winkel de afgelopen jaren haar naam vestigde. Vijf voorstellingen over Oostenrijkse kunstenaars, die zweefden tussen biografie, hommage en persiflage. Dit najaar zijn ze onder de titel Weense Herfst alle vijf weer te zien, zodat je niet alleen een scherp beeld krijgt van een groep die een eigen stijl ontwikkelt, maar die samen ook een opmerkelijk consistent idee over kunst uitdragen.

De Warme Winkel bestond al voordat de groep in 2006 Totaal Thomas maakte, hun eerste Oostenrijkse voorstelling. In 2003 maakten Vincent Rietveld en Joep van der Geest de voorstelling Afgehaakt/Afgehakt (gebaseerd op gesprekken met dakloze drugsverslaafden), aangevuld met Mara van Vlijmen speelden ze het muzikale en cabareteske AJAH (Als je alles hebt) en Slippertje op het nippertje op de zomerfestivals. Pas met het toetreden van Jeroen De Man tot de groep vindt De Warme Winkel de juiste samenhang.

Continue reading “De Warme Winkel en de Oostenrijkers” »

Het seizoen van de 200 miljoen; seizoensoverzicht 2010/2011

beschouwingen,Theatermaker — simber op 28 september 2011 om 09:21 uur
tags:

Het getal begon aan het eind van de zomer van vorig jaar al te gonzen: 200 miljoen. Dat zou het mooie ronde cijfer van de kunstbezuinigingen worden. En nadat op 30 september de kersverse premier Rutte zijn regeer- en gedoogakkoord presenteerde werd het ook het cijfer dat het hele seizoen 2010/2011 zou domineren.

Maar de cultuurkorting, hoe enorm ook en hoe keurig ook verpakt in een algemene bezuinigingsmantra, waren slechts de buitenkant. Achter de cijfers gaat een dieperliggend probleem schuil: een algehele legitimatiecrisis van de kunstsubsidies. Zelden zal er in een seizoen meer zijn geschreven over nut en wenselijkheid van overheidssteun voor cultuur, met als vaste ingrediënten de emotioneel moralistische verdediging van de kunstsector, de glibberige ratio van haar tegenstanders en het haatdragende en geborneerde reaguursels op internet.

Maar hoe zit dat met de kunstenaars zelf? Wat hadden die aan de discussie bij te dragen behalve verhitte postjes op Facebook of meer of minder doordachte opiniepagina-artikelen? Zou het kunnen dat theatermakers in hun eigen werk reflecteerden op de maatschappelijke deining en misschien zelfs de functie van kunst overdachten?
Het antwoord is vanzelfsprekend ja.

Het was opvallend hoe enorm veel kunstenaars er op het toneel te zien waren en dan bedoel ik niet de acteurs, maar als personage. Ik zag (semi-)biografische voorstellingen over de dichter Boris Rhyzy (het fantastische Poëten en Bandieten van De Warme Winkel), over filmmaakster Leni Riefenstahl (Amazones van Gerardjan Rijnders bij het Ro Theater), over de beeldend kunstenaars Basquiat en Warhol (Basquiat en Warhol van De Nieuw Amsterdam), over dichter Jan Arends (Pocoloco van de Tijdelijke Samenscholing) en over muzikant Fela Kuti (de musical Fela! in het Holland Festival).

Continue reading “Het seizoen van de 200 miljoen; seizoensoverzicht 2010/2011” »

Dutch arts cuts explained

beschouwingen,cultuurbeleid,english — simber op 24 juni 2011 om 01:42 uur
tags: ,

(I wrote this article this morning for the German website Nachtkritik (read it in German). I wasn’t going to publish this English version as it hasn’t been corrected by a native speaker, but I received some requests to read it asap, so here it is. I hope to replace it with an edited version over the weekend.)

Next Monday, the Dutch parliament will decide on severe cuts in the arts budget. The minority government, consisting of the liberal VVD and christian conservative CDA and supported by the populist, right wing PVV (headed by Geert Wilders), wants to decrease the arts budget from roughly 950 to 750 million euro. These cuts aren’t distributed evenly across the board. Especially the performing arts will be hit hard, with an estimated 46 procent budget cut.

Before getting into the details, causes and effects of this shrinkage, it is necessary to explain a little about the byzantine way Dutch arts funding is structured. The state currently takes responsability for a so called ‘basic infrastructure’: museums, large theatre, dance and opera companies, orchestras, some festivals and seperate institutions called ‘production houses’ where  young theatre makers can develop their work and which also function as focal points for the small and midsize theatre scene.

Those small and midsize theatre and dance companies themselves, as well as music ensembles are funded by the Performing Arts Fund, the government fund for the professional performing arts. Finally, the municipalities have their own agenda, supporting theatre venues, adding local money to nationally funded companies, or supporting their own local institution. Local communities contribute roughly 1.6 billion euro to the total public spending on the arts.

Anglo-Saxon model

From the day the right wing liberal party VVD won the national elections one year ago it was clear that the arts were in trouble. The VVD, headed by current prime minister Mark Rutte, announced early on in the campaign that severe cuts in the government budget were needed to recover from the banking crisis, and the arts would not be exempted. The populist PVV, whose support Rutte needed to form an administration, went even further and tapped into a long running vein of anti-elitist sentiment that has always run close to the mercantile Dutch heart. Geert Wilders labeled arts subsidies, along with foreign aid and the European Union, as “leftist hobbies”

It is vitally important to understand that in The Netherlands the debate about the arts between conservative and progressive sides never followed the traditional European line of classical vs. modern. Politician’s interest in the arts is traditionally dim, and in the last decade parties on the left found the arts useful if they could be applied to their agenda (art enlightens, brings people together, bridges gaps, etcetera) and the right wing considered art as a form of luxury, and artists should be able to survive in the market or find a more economically feasable profession.

When the latter formed the new government, autumn last year, they immediately announced public spending cuts of around twelve percent. The VVD has shifted from classic liberalism towards a staunch neoliberalism, with its focus on small government an lower taxes. The arts however were clipped further, with cuts to the amount of twenty percent. The arts are too dependent on government subsidies, the reasoning went, more could and should be gained from the audience, business sponsorships and wealthy patrons. “The arts have their backs to the audience and their open wallet towards the state”, Rutte was heard saying.

The implicit ideal was the Anglo-Saxon model: in Britain and the US the state plays a very minor role in arts funding, leaving it to the market and and charity. However Rutte’s administration was inconsistent. It announced for instance that the performing arts would no longer fall under the low VAT-tariff, which kept covering movie, circus and sports events. So on the one hand the arts should gain more from the market, on the other hand it was made harder for them to do so. This lack of alternative chances and the ongoing belittleing of the arts cause many artists to think that this isn’t just a change of policy, it’s retaliation.

Consequences

Over the last few months the consequences of the cuts have gradually become clear. State secretary (or sub-minister) Halbe Zijlstra, responsible for culture, has decided to salvage cultural heritage, meaning the heaviest load of the cuts will come down on the performing arts. There he largely spares the big institutions, like De Nederlandse Opera, Het Nationale Ballet, Holland Festival and Nederlands Dans Theater. Large theatre companies, like Toneelgroep Amsterdam, wil face cuts, but their existance is secured.

This focus on “top institutions” means that the terrain below it, the fertile fields of small and midsize companies, will be decimated. All production houses lose their funding and the budget of the Performing Arts Fund will decrease from 64 to 27 milion. Only when the fund makes its grant decisions next year will the full scale of this annihilation be graspable. But it is already clear that the internationally renowned domain of small scale avant-garde companies, like Veenfabriek, Omsk, Bambie, Wunderbaum, Orkater and Dood Paard, artists like Dries Verhoeven, Boukje Schweigman, Anouk van Dijk, Emio Greco and Krisztina de Châtel, and festivals like Oerol and Festival a/d Werf will take a very tough blow.

Furthermore Zijlstra decided to cut funding for Theater Instituut Nederland and the training institutes like DasArts and the Rijksacademie, claiming that he wanted government funding to contribute to art productions rather than institutions for support, promotion and postacademic education. Many tasks that used to be acknowledged as essential for a functioning arts field are now considered a responsability of the market or the arts themselves.

And the worst is yet to come: the municipalities have to cut their budgets too. The exact amounts will not be learned until later this year, but cuts in the arts expenses of around twentyfive percent are generally expected. This will hurt community services like music schools and libraries on top of arts institutions.

Monday, as parliament gathers, there will be massive demonstrations in The Hague. There will be sit-ins in museums, concerts, marches through the country, and white crosses on black – the unofficial logo for the protest – are already seen all over theatre facades and Facebook profiles. Public opinion however has not been very supportive. The framing of the arts as estranged form the audience and addicted to subsidies has been very succesful and government plans in other sectors – like health, education and pensions – are pretty serious as well.

Even if the protests have any impact on the political outcome it seems that the artistic landscape of the Netherlands wil be fundamentally changed. Large institutions will dominate, the midfield will be devastatet and young artists who just graduated will find very little opportunities. After the decisions have been made, and the protest have died out, the art world needs to pick up the pieces and face an enormous challenge: win back the support of the public and find a new relationship with the powers that be. That is a necessary, maybe even exciting task, but it is enormously sad if so much might be lost in the process.

« Vorige paginaVolgende pagina »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2014 Simber | powered by WordPress with Barecity