Recensie: ‘Hamlet’ van Thalia Theater, Luk Perceval

buitenland,Parool,recensies — simber op 20 september 2010 om 10:43 uur
tags: , , , ,

“Sein”, zegt de ene Hamlet. “Oder nicht sein”, antwoordt de andere. En na een lange stilte de eerste weer: “Das ist die Frage?” Het is de kern van de Hamlet van de Vlaamse regisseur Luk Perceval, die nu al een aantal jaar in Hamburg werkt. Hij verdubbelt de hoofdpersoon en onderstreept daarmee de innerlijke strijd tussen gevoel en verstand. De tekst werd stevig bewerkt en tot twee uur ingekort door Günter Senkel de Turks-Duitse schrijver Feridun Zaimoglu. De voorstelling ging afgelopen zaterdag in première in het Thalia Theater, en is over twee weken al in Amsterdam te zien.

Het begin is meteen al van een onaardse schoonheid. De achterwand bestaat uit een eindeloze hoeveelheid opgehangen donkere, lange jassen, over de hele hoogte van het toneel, en bijna de hele breedte. De acteurs gehuld in hetzelfde soort jassen komen op door de kledingrekken heen, zodat de hele wand meegolft. Eerst een jongetje met een brief, dan een vrouw in een rolstoel, dan alle spelers in een schitterend tableau.

Linksachter zit Hamlet, een man in een enorme zwarte trui, met een kartonnen kroon op zijn hoofd en nog eentje op zijn schoot. En dan ineens in de tweede scène komt onder de kroon een hoofd omhoog, dat begint te spreken. Het lijkt alsof Hamlet een moeder is die een kind baart (en wiegt en bijna wurgt), maar tegelijkertijd wordt Hamlet zo ook opgedeeld in een hoofd en een hart. In de loop van de voorstelling komen de twee acteurs (Josef Ostendorf en Jörg Pohl) steeds verder los van elkaar te staan. De een kan alleen langzaam en gekunsteld bewegen en praten als een computer, de ander wordt steeds schreeuwender, expressiever en bloter; maar tot daden komen ze geen van beide.

In het zijlicht blijft de voorstelling donker en dreigend. Hamlet’s moeder Gertrude is wulps en vlezig in een te klein balletpakje, zijn vriend Laërtes loopt op stelten en diens vader Polonius is een vrouw in een rolstoel. Tijdens de belangrijkste scènes staat een hele groep kinderen toe te kijken, half verscholen tussen de jassen. Een opgezet rendier ligt voor op het toneel. Vrijwel de hele tijd speelt muzikant Jens Thomas piano, en zingt hij met hoge uithalen als Anthony and the Johnsons of Jeff Buckley. Maar ondanks deze overdaad voelt de voorstelling door de extreme stilering sober en uitgebeend aan.

“Hamlet is de Mona Lisa van het toneel”, zei regisseur Marcus Azzini, die zelf werkt aan zijn eigen versie bij Toneelgroep Oostpool. Dat klopt wel, maar het zijn de versies zoals deze van Perceval die laten zien hoe fris de taal ervan is en hoe vol onontdekte ideeën het stuk zit. En misschien is dat ook wel het onderwerp. De Hamlet van het hoofd heeft wel wat weg van het enige bekende Shakespeare-portret. Staat de vrijgemaakte hart-Hamlet misschien ook voor de vrijheid die iedere regisseur of toneelspeler moet nemen om de tekst tot leven te brengen? Deze versie is complexer en wellicht minder toegankelijk dan die van Thomas Ostermeier die vorig jaar in de Stadsschouwburg te zien was, maar heeft een visuele kracht die hem een onontkoombare theatergebeurtenis maakt.

Hamlet van Thalia Theater. Regie: Luk Perceval. Gezien 18/9 in Hamburg. Te zien in Amsterdam (Stadsschouwburg): 8 en 9/10. Meer info op www.ssba.nl

Berliner Tagebuch 2

buitenland,overig,Theatermaker — simber op 2 september 2010 om 10:16 uur
tags: , , ,

Voor het seizoen begint even de archieven opruimen en oude stukken online zetten.

TM-redacteur Simon van den Berg is nog steeds in Berlijn. Nu het Theatertreffen is begonnen is hij fulltime Theatertreffenbezoeker geworden, maar daarnaast gaat het gewone Berlijnse theaterleven gewoon door.

7 mei
Opening TheaterTreffen: Kasimir und Karoline van Schauspiel Köln, NT Gent en de Veenfabriek

Het TheaterTreffen wordt geopend door Jack Lang die kunstenaars oproept om politici te blijven voeden met hun ideeën en utopieën, maar het is de vraag of hij daarvoor wel het juiste festival heeft opgezocht. De selectie is met z’n aandacht voor de kredietcrisis niet bijster optimistisch en Johan Simons, de regisseur van de openingsvoorstelling, zei in onlangs in een interview dat we moeten erkennen dat het theater de antwoorden niet heeft, sterker nog: dat we zelfs de vragen niet meer weten.

Het theater lijkt het daarom te zoeken in de verhalen van kleine individuën. Zoals dat van Kasimir en Karoline, die hun liefde niet kunnen behouden als hij wordt ontslagen en zij versierd wordt door een paar hoge heren. Weerbaarheid en wereldse problemen, daar gaat deze onderkoeld wanhopige voorstelling over en Simons heeft de juiste melancholische toon gevonden, die hij in de Nederlands/Vlaamse versie (die ik slechts op televisie zag) duidelijk niet te pakken kreeg. Het was overigens heel grappig om de muziek van de jonge multi-instrumentalisten van de Veenfabriek uitgevoerd te zien worden door veel oudere Keulse muzikanten. Ze deden het goed, maar echt rocken deed het niet.

8 mei
Trust
van Falk Richter en Anoukvandijk dc in de Schaubühne

Oh, dans, dacht ik vantevoren, maar een tipgever zei me dat het toch vooral heel veel tekst was, deze samenwerking tussen een Duitse schrijver en regisseur en een Nederlandse choreografe en danseres. Dat viel dan ook wel weer mee. Maar ik was er tamelijk van onder de indruk. Het uitgangspunt is nogal simpel: het gaat over vertrouwen in relaties en in geldzaken en komt dan snel weer uit op vertrouwen in banken en andere financiële instituties.

Continue reading “Berliner Tagebuch 2” »

Reportage: Boukje Schweigman in Shanghai

buitenland,Parool,PS Kunst,verslagjes — simber op 7 augustus 2010 om 08:05 uur
tags: , ,

Shanghai is een stad van superlatieven. Met zo’n 14 miljoen inwoners een van de grootste steden op aarde, De mensenmassa’s die zich in de metro en door winkelstraat Nanjing Lu wringen zijn verbijsterend, de felle lichten op de talloze wolkenkrabbers van Pudong zijn onvoorstelbaar subliem en de energie die het financiele brandpunt van nog steeds aanzwellende economische macht van China uitstraalt is bijna tastbaar. En midden in die opeenhoping van licht, auto’s, mensen, smog, glas, metaal en etensgeuren draait een jonge vrouw een uur lang rondjes.

Drie avonden speelt de Nederlandse mimester Boukje Schweigman haar voorstelling Wervel in het Dutch Cultural Centre (DCC) in een voormalig industriecomplex in de wijk Jing’An. Het DCC is onderdeel van de Nederlandse bijdrage aan de Wereldtentoonstelling die op dit moment in Shanghai plaatsvindt. Nederland is het enige land dat naast een paviljoen op het expoterrein in het zuiden van de stad (het speelse Happy Street van architect John Körmeling) nog een aparte ruimte heeft in de stad zelf, met een expositieruimte en een theater voor zo’n 120 toeschouwers, waar naast filmvertoningen, concerten en workshops ook regelmatig Nederlands theater en dans te zien zijn. Toneelgroep De Appel is al geweest, Emio Greco komt nog

Voordat het publiek naar binnen mag, moet iedereen op het pleintje voor het theater een lichtgekleurde pij aan. De temperatuur is dan wel niet meer 36 graden zoals eerder op de dag, maar warm is het wel. Een voor een worden de toeschouwers binnengelaten. Het is een mengeling van jongere mensen uit de (kleine) kunstscene en nieuwsgierige oudere buurtbewoners. Voor Chinezen zijn ze onkarakteristiek stil, driftig wapperen ze met hun waaiers. Daarnaast zijn er een paar expats en Nederlandse toeristen.

De voorstelling Wervel (Whirl in het Engels, en Xuanwo in het Chinees) bestaat uit niets anders dan Schweigman die om haar as draait. Ze leerde de techniek van een Soefi, een volgeling van een mystieke traditie, waarin derwisjen eindeloos ronddraaien als spirituele oefening. Maar gaandeweg weet Schweigman wel degelijk theater te brengen in haar minimalistische performance. Soms is ze als een sierlijke ballerina, dan lijkt ze een vurige tangodanseres, dan is ze weer jagend, als een kat achter z’n eigen staart aan. Af en toe lijken haar handen de andere kant op te draaien dan haar lichaam. Als ze een enkele keer versnelt lijkt haar beweging mechanisch, alsof ze ieder moment kan opstijgen.

Het publiek, uniform gekleed in de pijen, zit in een cirkel om haar heen en worden zo deel van het decor, zodat het geheel lijkt op een boeddhistisch ritueel. De soundscape (van componist en theatermaker Paul Koek) bestaat uit mechanisch vervormd geruis, waarin de geluiden van Schweigmans eigen lichaam -hartslag, voeten stem- zijn verwerkt. Ook worden, heel subtiel, geuren van anijs, kaneel en hout verspreid.

De voorstelling is uitgebeend en meditatief, en je moet je eraan overgeven. Dat is te veel gevraagd voor een paar van de oudere dames, die de rest van de voorstelling hardop van commentaar voorzien. Ook andere toeschouwers moeten veel zuchten en hun mobiele telefoons bekijken. Sommige pijen gaan uit, het is te warm. Toch weet Schweigman met haar dwingende aanwezigheid de concentratie weer terug te brengen.

Bij het nagesprek direct na de voorstelling blijven er zo’n 25 mensen over. Een tolk vertaalt van Engels naar Chinees, maar veel toeschouwers blijken redelijk Engels te spreken, wat in Shanghai redelijk bijzonder is. Het publiek is in eerste instantie vooral geinteresseerd in praktische zaken: hoevaak draait ze precies rond? Heeft ze er al eens aan gedacht om een wereldrecord te vestigen? Hoeveel moet je per dag trainen? Ligt de voorstelling helemaal vast of is er ruimte voor improvisatie?

Schweigman blijkt erg afgeleid te zijn geraakt door de pratende dames “Ik wilde bijna stoppen en vragen of ze wilden weggaan.” In Beijing, waar ze de voorstelling vorig jaar speelden, zijn meer studenten en is het publiek jonger en meer betrokken. “Vrouwen van die leeftijd hebben hun geduld opgebruikt”, verontschuldigt een van de jongere toeschouwers hen.

Een oude man is het er niet mee eens. Hij is 72 en heeft ervan genoten. Hij heeft kaartjes gekocht voor de twee volgende uitvoeringen en vertelt in het Chinees uitgebreid wat hij heeft gezien: een moeder die zwanger is van haar kind, het draaien als de energie van de jeugd, de cirkel publiek als de begrenzing van het leven. “God heeft ons gemaakt, maar hij heeft ons niet onsterfelijk gemaakt. Iedereen heeft dezelfde mogelijkheden; het komt erop aan om mooi te wervelen.”

Ook andere bezoekers beginnen te vertellen over hun eigen ervaringen en associaties: “Het was als een bloem die langzaam begint te bloeien”; “Ik weet niet precies welke emotie u probeert te tonen”; “Het voelde een tijd lang als een wedstrijd in uithoudingsvermogen tussen de performer en het publiek. Maar aan het eind bewoog je uit je eigen cirkel om ons te bereiken en werd het toch een beeld van communicatie.”

Schweigman vertelt over haar ervaring met de voorstelling in andere culturen. In Nederland probeert ze aan het eind van de voorstelling het publiek even aan te raken, maar in China zit iedereen achterover, dus kan ze er niet bij. In Iran, waar het soefisme verboden is door de orthodox islamitische dictatuur, had ze haar meest bijzondere ervaring: “Mensen zagen hun eigen geschiedenis en traditie, die ze zelf niet mogen uiten, beschermd worden door iemand uit een heel andere cultuur. Dat gaf een enorme ontlading.”

Helemaal na afloop, buiten op een terras met een mangosap is Schweigman nog niet helemaal tevreden. Ze herstelt van een lichte ziekte en heeft last van haar voeten, maar haar voornaamste zorg is het publiek in de zaal: “Ik vind het heel erg belangrijk om voor het passende publiek te spelen. Ik kom van heel ver gereisd en ik hoop met deze voorstelling juist jonge mensen van kunstopleidingen te bereiken. Ze leren hier op dansscholen geweldige techniek, maar niet om eigen werk te maken.”

Daarom geeft Schweigman ook workshops, waarin ze naast de techniek van het ronddraaien ook haar manier van werken probeert over te dragen. “Het is heel bijzonder dat veel van de deelnemers zich met een bepaalde naiviteit in het draaien storten. Een mevrouw deed het voor het eerst, maar ze kon het meteen een uur lang. Dat is heel bijzonder. Het groepje blijft ook bij elkaar om wekelijks te oefenen. Een meisje zei tegen mij: jij geeft mij het zelfvertrouwen om mijn eigen weg te gaan.”

Een paar jaar geleden wist niemand nog waarover je het had als je op de alom gestelde vraag “Where you from?” vertelde dat je uit ‘He-Lan’ komt. Deze zomer roept iedere taxichauffeur vrolijk: “Ah! Football number two.” Het zal nog wel even duren, maar ooit zullen ze naast Arjen Robben ook “Bo-Ke Si-Wei-Ge-Man” kennen.

Berliner Tagebuch: Bonuseditie

buitenland,overig — simber op 17 mei 2010 om 00:58 uur
tags: , ,

(Ik had veels te veel voor de TM van juni, daarom hier alvast een voorproefje, exclusief voor het web.)

21 april
Der gute Mensch von Sezuan
van de Schaubühne

Naar een Duitse première. Nou, daar merk je weinig van; het is zo mogelijk nog informeler dan in Nederland. De relatief jonge regisseusse Friederike Heller begint haar Brecht-enscenering als een concert: op het lege podium staan alleen wat stoelen en de instrumenten van het ‘post-rock’ trio Kante. Maar als de goden de prostitué Shen Te hebben uitverkoren tot Goed Mens komt er een showbühne en een glittergordijn uit de kap. ‘Goed’ genoemd worden is net zoiets als Deutschland sucht den Superstar (de lokale variant van Idols) winnen: met daadwerkelijke verdienste heeft het niet zoveel te maken en veel lol heb je er uiteindelijk ook niet van.

Mij beviel het wel, deze kraakheldere uitvoering, die op de juiste punten Brecht’s morele leerstelligheid relativeerde en me deed denken aan de versie die Koos Terpstra ooit maakte. Wat ook helpt is dat Heller een speelstijl inzet die ik niet anders kan omschrijven dan Nederlands: losjes, ironisch en de vele dubbelrollen meer aanduidend dan inlevend.

De critici waren het niet met me eens. Een oppervlakkige show, was het terugkerende commentaar. En daarnaast heeft Heller -foei!- een paar regels tekst geschrapt. Het is van een onbegrijpelijk tekstconservatisme, wat ik eerder in Londen zou verwachten dan in Berlijn.

23 april
Ein Chor irrt sich gewaltig
van de Volksbühne

Pollesch wederom, en wederom vermakelijk en intelligent, maar toch nog een stuk onbegrijpelijker dan de vorige. Een vrouw in een Belle Epoque-jurk (de geweldige actrice Sophie Rois) speelt twee mannelijke personages die meisjes versieren, die op hun beurt worden gespeeld door een koor van negen vrouwen, die alle teksten keurig unisono zeggen. Als in het verhaal (naar een film van Yves Robert) een meisje een van de mannen wil versieren, werpen de negen vrouwen zich op Rois, die bijkans verdrinkt in de ritselende stofjes. Mooi en sterk beeld.

Daarnaast gaat het natuurlijk ook weer over theater, representatie en de macht van de op een podium sprekende mens. De pointe werd echter een beetje bedorven door een grote groep Poolse theaterprofessionals die veel te laat uit de Schaubühne kwam en halverwege de voorstelling hun weg tussen de zitzakken moest zien te vinden. “Probeert de Schaubühne ons zo ook al te saboteren?” bitste Rois à l’improviste, en eigenlijk was dat de leukste grap van de avond.

Overigens is dit een voorstelling die gemaakt is in en voor het Prater, de kleine zaal van de Volksbühne in Prenzlauer Berg, net als de voorstellingen van Gob Squad. Prater is nu echter wegens verbouwing dicht, maar om die voorstellingen nu maar unverfroren in de grote zaal te zetten is ook niet echt een gelukkig idee.

24 april
Kean/Hamletmaschine
van de Volksbühne

Nog maar eens een Castorf proberen, maar dat was geen gelukkige keuze. Een 19e eeuws Frans stuk over een Engelse Shakespeare-acteur, vermengt met Müllers Hamletmachine. De acteur die Hamlet moet spelen moet een soort rockstar avant la lettre zijn, maar het blijft een poseur. De voorstelling komt nergens vandaan en gaat nergens naartoe. In de pauze weggegaan.

28 april
Das Versprechen
van het Maxim Gorki Theater

Maxim Gorki ken ik van vroeger als het saaiste en meest oubollige gezelschap van de stad. Maar er zit een nieuwe artistieke leiding en ik word getipt dat er een bijzondere actrice speelt. Das Versprechen is niet heel bijzonder; een filmscript van Friedrich Dürrenmatt over een detective die ver over de schreef gaat bij het zoeken naar een kindermoordenaar. De sfeer blijft erg Wallander/Frost/vul-uw-favoriete-krimi-in.

Maar die ene actrice zit erin: ze heet Fritzi Haberlandt en in de eerste helft speelt ze een lome dertiger, maar dan transformeert ze in een weergaloze scène tot een dertienjarig meisje. Je ziet het haar doen, je ziet haar verbazing over dat ze het doet, en je ziet haar daar vorm aan geven. Knap. Ook speelt in een paar dubbelrollen Thomas Schmauser mee, die in het ensemble van de Münchner Kammerspiele zit en in Simons’ Drei Farben speelde, ook al zo’n fijne acteur. Maar ja, de voorstelling ben ik alweer vergeten als het licht aangaat…

Wat niet veranderd is, is het verschrikkelijke theater zelf: martelende stoelen, afgrijselijke geluidsinstallatie, te smal en te hoog toneel. Je gunt de acteurs wat beters.

4 mei
Kontrakte des Kaufmanns
van de Schaubühne

Afstuderende regisseur met jonge acteurs doen Jelinek. Veel schreeuwen en gedoe met voorbindpiemels. Niet te veel woorden aan vuilmaken.

5 mei
Die Hamletmaschine
van het Deutsches Theater

Dimiter Gotscheff  is een veel gelauwerde, van oorsprong Bulgaarse regisseur -veel van Heiner Müller- van wie nog nooit iets in Nederland te zien is geweest. Daar komt komend seizoen verandering in en Die Hamletmaschine is een kans om al iets van zijn werk te zien, hij speelt ook zelf mee. Nou ja, meespelen: hij speelt het stuk bijna als solo, twee jonge DT acteurs mogen ook een scènetje doen.

Maar het is wel sterk: ik kende de Hamletmachine vooral als declameermarathon, maar Gotscheff speelt het met zijn indringende stem en eenvoudige dictie als tekst van een oudere Hamlet-acteur, die dus zijn hele leven getwijfeld heeft en tot geen enkele daad is gekomen. Het decor bestaat uit tien grafvormige gaten in de toneelvloer, corresponderend met het aantal doden in Hamlet.

Verslagje opening Theatertreffen

buitenland,Parool,verslagjes — simber op 10 mei 2010 om 00:47 uur
tags: , , ,

Ze zijn er niet. Normaal staan bij de opening van het Theatertreffen in Berlijn altijd minstens een half dozijn dames voor de ingang van het theater met een bordje ‘Suche Karten’. Ze doen een laatste, wanhopige poging om erbij te zijn, maar vanavond ontbreken ze. Ligt het aan de crisis? Of zien ze de openingsvoorstelling niet zitten?

Het Theatertreffen is het belangrijkste theaterfestival van Duitsland. Sinds 1964 wordt jaarlijks een selectie van de tien beste voorstellingen uit de ‘Deutschsprachige Raum’ (Duitsland, Zwitserland en Oostenrijk) uitgenodigd in Berlijn. Vrijdagavond werd het festival geopend met de voorstelling Kasimir und Karoline van de Nederlandse regisseurs Johan Simons en Paul Koek.

Het festival benadrukt  dit jaar de internationale dimensies van de selectie. Kasimir und Karoline is een coproductie van Schauspiel Köln met NT Gent en de Veenfabriek, maar er staat ook een vrijwel geheel Engelstalige voorstelling, Life and Times episode 1, van de New Yorkse groep Nature Theater of Oklahoma. Ook de Vlaamse regisseur Luk Perceval, die al jaren in Hamburg werkt, is uitgenodigd. De opening werd vrijdagavond verricht door de Franse oud-minister van cultuur Jack Lang.

Die legde meteen de verbinding met het meest in het oog springende onderwerp dat de Duitse kunstwereld bezighoudt: de crisis. Lang wees op de intellectuele en morele oorzaken van de kredietcrisis en riep politici op juist nu niet te bezuinigen op cultuur: “Politici hebben op dit moment een tekort aan ideeën. Het is aan de kunstenaars om utopieën te blijven ontwikkelen.” Waarna hij de daad bij het woord voegde door een ontwerp voor een Frans-Duits staatsburgerschap te lanceren.

Ook de keuze van de festivaljury weerspiegelt het crisisgevoel, met een selectie van uitvoeringen van nieuwe toneelstukken die vrijwel uitsluitend over de kredietcrisis lijken te gaan. Geen enkele Shakespeare, Tsjechov of Schiller dit jaar, maar schrijvers als Elfriede Jelinek, Dennis Kelly en Dea Loher werden uitgenodigd met stukken waarvan de titels alleen al weinig te raden over laten: Contracten van de Koopman, Liefde en geld en Dieven.

En ook in Koek en Simons’ voorstelling van Ödön van Horváth’s moderne klassieker gaat het om de menselijke gevolgen van laagconjunctuur: Kasimir en Karoline speelt tenslotte in 1932 en gaat over een paar dat uit elkaar groeit nadat hij z’n baan verliest. Simons en Koek maakten er een mooi melancholieke voorstelling van ondersteund door synthi-pop van de Veenfabriek. Verlaten mensen aan de achterkant van een kermisterrein, waar de rijke heren alleen komen om te pissen en meisjes te verschalken.

Alleen Simons kon bij de opening aanwezig zijn, maar hij heeft dan ook iets te winnen. Hij verhuist later dit jaar naar München om daar de Münchner Kammerspiele te gaan leiden. Donderdag was hij nog in München om zijn plannen achtereenvolgens aan de gemeenteraad, de pers en het personeel te presenteren, eerder op de vrijdag was hij nog in Amsterdam, waar die avond zijn voorstelling Gif in première gaat (met o.a. Simons’ vrouw Elsie de Brauw), en ‘s avonds in Berlijn willen diverse journalisten en televisiestations graag nog even praten met Herr Regisseur, die ze met een flesje bier in de hand in smeuïg NederDuits welwillend te woord staat.

Kasimir und Karoline is min of meer een remake van de locatievoorstelling die hij vorig jaar maakte met Nederlandse en Vlaamse acteurs op vliegbasis Soesterberg bij Utrecht. Die werd niet bijster enthousiast ontvangen en tijdens een opvoering op het festival in Avignon ontstond een relletje toen een geïrriteerde toeschouwer de voorstelling onderbrak.

Simons: “Die voorstelling was uitbundiger, explosiever. Toen ik hem in Keulen opnieuw kon maken was dat in de zaal, en werd de voorstelling ingetogener.” Het decor is hetzelfde gebleven: een ijzeren stellage, een tijdelijke bouwconstructie waar met enorme glitterletters ‘Enjoy’ staat. “Ik had deze voorstelling moelijker in München kunnen maken, ook als speelt het stuk zich op het Oktoberfest af. Maar het is nu een rijke stad, de Münchner Kammerspiele heeft een welvarend, links-intellectueel publiek. Negentig procent leest de Süddeutsche Zeitung; in Keulen is het publiek armer. En in het Ruhrgebied weten ze wel werkloosheid is.”

Hoewel Simons de verschillen benadrukt, blijft het bizar om te bedenken dat er nu twee versies van zijn voorstelling door Europa reizen: de Duitse nu in Berlijn en later weer in Keulen, de Nederlands/Vlaamse later deze maand in Amsterdam en daarna weer in Frankrijk.

Ook Ivo van Hove en Jan Versweyveld lopen rond door het Haus der Berliner Festspiele. Van Hove regisseert hier bij de Schaubühne De Mensenhater van Molière, met in de hoofdrol Lars Eidinger, die Hamlet speelde in de voorstelling van Thomas Ostermeier die in december met groot succes in Amsterdam te zien was. De voorstelling gaat pas in september in première, maar door de drukke schema’s moet hij nu al afgemaakt worden.

Ongeveer tegelijkertijd gaat in München Simons’ eerste voorstelling in première: Hotel Savoy, naar het boek van Joseph Roth, waarin naast de Duitse acteurs uit het ensemble ook Pierre Bokma en Katja Herbers meedoen.

Zo zijn de regisseurs uit de lage landen grote meneren geworden in de landen waar regisseurs op een voetstuk staan en gegoede dames staan te bedelen om kaartjes. De ‘Suche Karten’ bordjes waren de dag na de première gelukkig weer present.

Berliner Tagebuch

buitenland,overig,Theatermaker — simber op 7 mei 2010 om 00:03 uur
tags: , ,

In de maanden april en mei woont theatercriticus Simon van den Berg in Berlijn om theater te zien en Duits te leren. Het eerste gaat aanmerkelijk beter dan het tweede. Voor TM houdt hij een theaterdagboek bij.

6 april
Ich schau dir in die Augen, geselschaftlicher Verblendungszusammenhang
van René Pollesch in de Volksbühne

De hele zaal van de Volksbühne is leeg gehaald. Alle stoelen zijn weg, ervoor in de plaats ligt er een enorme hoeveelheid witte zitzakken. De mooie houten wanden van het theater zijn verborgen achter grote lappen dik donker plastic. Het toneel is verborgen achter een kanariegeel voordoek, met een paar duidelijk zichtbare slijtgaten erin. Een combinatie van een aftanse lounge en een oversized fetish club. Wat een klus, om voor deze ene avond al die stoelen te moeten weghalen. In Duitsland spelen ze tenslotte repertoire, de volgende avond staat hier weer Castorf’s Fuck off America.

Alleen al aan de even geweldige als té lange titel kun je zien dat het een voorstelling van René Pollesch is. Pollesch is –net als Heiner Goebbels en de mensen van Rimini Protokoll, She She Pop en Gob Squad- afkomstig van de studie ‘Toegepaste Theaterwetenschap’ in Gießen, waar hoogtheoretische dramaturgie wordt omgezet in intelligent, maar niet per se toegankelijk theater. Ook Ich schau dir in die Augen… is weer een onnavolgbare opeenstapeling van sociologische en mediatheoretische teksten, met als pluspunt dat ze worden gesproken door de geweldige acteur Fabian Hinrichs, die in deze solo over het toneel stuitert, dramatisch declameert en drumt.

Uit de woordenstroom kan ik voornamelijk opmaken dat het gaat over de ‘representatiecrisis’ van het theater: dat we niet meer kunnen ‘doen alsof’ in het theater en dat daarom het interaktieve theater is uitgevonden. En dat geld vroeger een hoeveelheid goud representeerde, maar sinds het akkoord van Bretton Woods niet meer, en dat de economische crisis dus ook een representatiecrisis is. Intelligent en knap theater, met een paar geweldige decorvondsten (van Bert Neumann, die ook Johan Simons’ Duitse voorstellingen vormgeeft), waaronder een ruimteschip van theaterlampen dat Hinrichs ver omhoog trekt. En geestig ook: “Ik streef naar een ‘inter-passief theater’, waarin de acteur na afloop van de voorstelling met jóuw partner naar huis gaat.”

(‘Verblendungszusammenhang’ is een term van Adorno, leer ik naderhand, en heeft te maken met het begrip blindheid in de Westerse samenleving. Nounou.)

8 april
Heuschrecken
, van Rimini Protokoll in HAU3

Een nieuw woord geleerd: een Heuschrecke is een sprinkhaan. Documentairetheatergroep Rimini Protokoll (door mij bij deze uitgeroepen tot hipste groep ter wereld) verzamelde er 8000 in een woestijnlandschap in een reusachtig terrarium, dat het publiek voor de voorstelling uitgebreid mag besnuffelen. Maar ja, hoe maak je daar theater van? Rimini Protokoll heeft er veel voor nodig: heel veel ingezoomde videobeelden uit het terrarium, een actrice die uit de bijbel voorleest (plagen van Egypte, Openbaring van Johannes), een Somalische voedselchemicus die zijn levensverhaal vertelt, een muzikant en een Zwitserse astronome. Ster van de avond is sprinkhanenexpert Dr. Jörg Samietz die opgewekt vertelt over de sprinkhaan, zijn zwermgedrag en andere eigenaardigheden.

Continue reading “Berliner Tagebuch” »

Programmablad ‘Die Ehe der Maria Braun’

(Geschreven voor het Chassé Theater, dat op 1 mei 2010 Die Ehe der Maria Braun van de Schaubühne programmeerde.)

De voorstelling Die Ehe der Maria Braun (‘Het huwelijk van Maria Braun’) is gebaseerd op de gelijknamige film van Rainer Werner Fassbinder uit 1979. De Berlijnse regisseur Thomas Ostermeier bewerkte in 2007 de film voor de befaamde Münchner Kammerspiele.

Bij de première werd de voorstelling, en met name hoofdrolspeelster Brigitte Hobmeier, zeer lovend ontvangen en in 2008 werd ze uitgenodigd voor het Theatertreffen in Berlijn, het festival met de tien belangrijkste Duitstalige voorstellingen van het jaar.

Het verhaal

Hermann en Maria Braun trouwen in 1943; tijdens de huwelijkscermonie vallen er bommen op het gemeentehuis. Twee dagen later vertrekt Hermann naar het front, maar keert niet terug. Hij is vermist. “Veel tijd hebben jullie niet gehad”, merkt een vriendin op. Maria: “Toch wel: een halve dag en een hele nacht.”

Ze begint haar leven als oorlogsweduwe, leert zich in leven te houden door te sjacheren op de zwarte markt, en ook haar liefdesleven wordt meer en meer ruilhandel. Ze krijgt een relatie met een zwarte Amerikaanse soldaat. Maar dan staat ineens Hermann voor de deur. Zonder aarzelen vermoordt Maria Braun de soldaat, maar bij de politie neemt Hermann de schuld op zich. Hij gaat de gevangenis in en opnieuw scheidt het echtpaar voor lange tijd.

Maria werkt zich langzaam maar zeker vooruit in het leven. Ze gaat de handel in en wordt een sluwe zakenvrouw. Ze begeeft zich in een mannenwereld, wordt soms gebruikt, maar  snel leert ze de regels van het spel en zet ze haar vrouwelijkheid en haar lichaam in als dat nodig is om voordeel te behalen. Steeds is ze op zoek naar meer welvaart, voor later als ze weer samen zal zijn met Hermann. Maar als het zover is, blijkt pas hoe hoog de prijs is die ze heeft moeten betalen.

De film en de voorstelling

Fassbinder’s film vertelt het verhaal van Maria Braun, met op de achtergrond de ontwikkeling van Duitsland na de Tweede Wereldoorlog: het opruimen van het puin en de verwoestingen en daarna het ‘Wirtschaftwunder’ van de jaren vijftig, de onvoorstelbaar snelle wederopbouw van industrie en handel en de welvaart die dat opleverde. In de beweeglijke, vloeiende stijl van Fassbinders vaste cameraman Michael Ballhaus wordt hoofdrolspeelster Hanna Schygulla langzaam van een radeloze schooier tot een elegante, rijke vrouw.

Regisseur Thomas Ostermeier koos in het theater voor een andere benadering. In het middelpunt staat Brigitte Hobmeier als Maria Braun, alle andere rollen –moeders, echtgenoten, soldaten, journalisten, zakenmannen en vriendinnen- worden door vier acteurs gespeeld. Zo ligt in de voorstelling meer de nadruk op de verhouding tussen Maria en de mannen. Soms zijn zij het die zich aan haar opdringen en haar in het nauw bringen, dan weer windt zij ze allemaal om haar vinger en domineert ze het podium. En soms worden in een scène de verhoudingen plotseling radicaal op hun kop gezet, zoals wanneer Maria door een Amerikaanse soldaat belaagd wordt in een treincoupé.

Met jaren vijftig meubeltjes -bijzettafels en stoelen- in steeds nieuwe opstellingen worden scènes vloeiend gewisseld en wordt subtiel Maria’s steeds grotere welvaart aangeduid. Steeds gebruikt Ostermeier kleren of gordijnen als projectiescherm voor documentaire beelden: van verwoeste steden tot reclamefilmpjes voor de nieuwe, luxe consumptiegoederen van de jaren vijftig.

De voorstelling eindigt met een voetbalcommentator die op de radio verslag doet van het door Duitsland gewonnen wereldkampioenschap voetbal in 1954. Voor veel Duitsers een symbolisch moment dat hun land de verschrikkingen van de oorlog te boven was gekomen. Maar in Die Ehe Der Maria Braun ook het moment dat de mannen de zaak weer overnemen van de noodgedwongen geëmancipeerde vrouwen.

Thomas Ostermeier

Thomas Ostermeier werd in 1968 geboren in Soltau, vlakbij Hamburg als zoon van een beroepssoldaat en een verkoopster. Na zijn opleiding in Berlijn heeft hij daar altijd gewerkt. Sinds 1999 is hij als artistiek leider van de Schaubühne am Lehniner Platz, een groot ‘Haus’ (dat wil zeggen een theatergezelschap met een eigen schouwburg) in het westen van de stad. De Schaubühne was meest centrale theaters van West Berlijn, met artistiek leiders als Peter Stein en Luc Bondy, maar sinds de Wiedervereinigung is het centrum van de stad oostelijker komen te liggen en wordt de omgeving van het theater als buitenwijk gezien. Toch is de Schaubühne, naast het Berliner Ensemble, de Volksbühne en het Deutsches Theater nog steeds één van de vier grote, belangrijke ‘Häuser’ van de stad.

Ostermeier’s werk is min of meer te vergelijken met dat van Ivo van Hove in Nederland. Beiden kiezen radicale, vaak heftig emotionele interpretaties van klassieke toneelstukken, vaak met inzet van moderne videotechniek en beiden hebben een voorkeur voor vrouwen als het centrale personage. Ostermeier zei daarover in een interview: “Ik geloof dat vrouwen nog steeds, ondanks de strijd van de vrouwenbeweging, een zwakkere positie hebben in de maatschappij. Op het podium is dat interessant, want een dramatisch conflict van een vrouw in een toneelstuk is dan altijd ook een gevecht om macht en emancipatie.”

Ostermeier’s werk was de afgelopen jaren ook in Nederland regelmatig te zien. Hedda Gabler en Nora, die op het Holland Festival te zien waren, maakten indruk en in december vorig jaar speelde een door hem geregisseerde Hamlet met veel succes in de Amsterdamse Stadsschouwburg.

Zoals veel gerenomeerde Duitse regisseurs wordt Ostermeier veel gevraagd als gastregisseur en Die Ehe Der Maria Braun werd gemaakt bij het befaamde gezelschap Münchner Kammerspiele. En dat is nu net gezelschap dat vanaf volgend seizoen geleid gaat worden door de Nederlandse regisseur Johan Simons. Die krijgt dus als regisseur de beschikking over (onder anderen) de geweldige acteurs uit deze voorstelling. En omdat hij aangekondigd heeft dat hij de banden met Nederland warm wil houden zijn die waarschijnlijk de komende jaren nog wel vaker in Nederland te zien.

Verslag: ‘Paroles, pas de roles / vaudeville’ van de Comédie Française

Het 6e arrondissement, waar in ’68 de revolutie ontbrandde is inmiddels een keurige, bourgeois buurt op de linkeroever van Parijs. De Comédie Française, het oudste toneelgezelschap ter wereld (en een van de grootste), heeft er een kleine zaal: het Théâtre du Vieux-Colombier. Maar als je er de zaal binnenloopt waan je je ineens in Frascati. Hier staat een uiterst herkenbaar Discordia-decor.

Op het podium staat een tweede tribune met houten stoelen, op het speelvlak is het een wirwar van oude lampen, doeken en houten meubilair. In het midden hangt een stoel aan een touw. Op de muren zijn met geprinte letters toneelaanwijzingen geschreven: links staat ‘court’ en rechts ‘jardin’. De acteurs van de Comédie Française drentelen al rond. Eén leest de krant.

Deze verbazende transplantatie van de werkwijze en stijl van Discordia, Stan en De Koe kwam tot stand door een uitnodiging van de Comédie Française aan Peter van den Eede, Damiaan de Schrijver en Matthias de Koning om een voorstelling te komen maken, nadat de artistieke leiding hun voorstelling Vandeneedevandeschrijvervandekoningendiderot had gezien. De CF is natuurlijk een eerbiedwaardig instituut, met veel regels, hiërarchie en hokjesdenken, maar de drie makers bedongen volledige artistieke vrijheid, maar spelen zelf niet mee.

De vijf acteurs heten ons welkom en vertellen het publiek enthousiast door elkaar heen pratend het programma van de avond. Ze beheersen dezelfde aangename losheid van hun leermeesters, er is geen scheiding tussen de theatersituatie en de handeling in de tekst. Laatkomers worden vrolijk begroet.

Er komt een collage van teksten voorbij: alle aankomstscènes van de bezoekers uit Zomergasten van Gorki, fragmenten van Godard, Feydeau en van Vandeneede zelf. Het gaat vaak over acteren of oprechtheid, de acteurs ruzieën over rolverwisselingen en personages. Het is snel, geestig en elegant. Er wordt een doek opgetrokken, zodat de twee publieken elkaar niet meer kunnen zien en ervóór wordt tegelijk dezelfde scéne gespeeld over oprechtheid. “Ik speel dit niet, dit is écht zo”, klinkt het van twee kanten van de afscheiding. Bij sommige acteurs zie je dat ze moeite hebben met deze speelstijl, het wordt maniëristisch en gekunsteld. Maar de meesten gaat het verbazend goed af en je ziet het plezier van de bemachtigde vrijheid.

En middenin de voorstelling zit een hilarische vaudeville-scène, waarin de spelers deeg kneden, een lekke emmer vullen met een lekke gieter, iemand een bad neemt in een rieten kast en er vervaarlijke toeren worden uitgehaald met een uit elkaar vallende ladder. Erg leuk, maar je ziet meteen dat de acteurs hierin minder op hun gemak zijn. Het is in Nederland een opvallende trend dat alle groepen uit de Discordia-stal zich de laatste jaren met vaudeville bezighouden en met name ‘t Barre Land is daar zeer virtuoos in geworden.

“Mensen waarschuwden ons gewaarschuwd voor de conservatieve en traditionele manier van werken bij de Comédie Française”, vertelt Peter van den Eede een paar dagen later aan de telefoon, “Maar juist bij de acteurs was dat tegenovergesteld. Bovendien: wij geven les, willen onze manier van werken doorgeven en dan kun je zo’n uitnodiging niet afslaan. Als we gevraagd worden om terug te komen zijn we daar zeker toe bereid. In principe mogen wij als gastacteurs niet zelf spelen bij de Comédie Française, maar misschien kunnen we ook daar iets in veranderen.”

Paroles, pas de roles / vaudeville van de Comédie Française
Gezien 6/2/2010 in Parijs

Verslagje Impulse Festival

buitenland,Theatermaker,verslagjes — simber op 16 februari 2010 om 21:03 uur
tags: , , , ,

Geschreven samen met Lorianne van Gelder.

Net over de grens vierde Festival Impulse eind vorig jaar zijn vijftiende verjaardag. Impulse, dat zich afficheert als het belangrijkste festival in Duitsland na het Berlijnse Theatertreffen, biedt een podium voor het kleinschaliger theateraanbod uit de Duitstalige landen, voorstellingen die buiten de stadstheaters worden gemaakt – in goed Duits ook wel Off Theater genoemd. Door een jury (waarin dit jaar Rotterdamse Schouwburg-programmeur Annemie Vanackere zat) wordt jaarlijks de beste voorstelling gekozen, die op het Theatertreffen wordt getoond. In 2007 won Ivana Müller deze prijs met haar voorstelling While we were holding it together.

In tien dagen, eind november, begin december, reizen zo’n vijftien voorstellingen tussen de kleine zalen van de Ruhrsteden Bochum, Düsseldorf, Mülheim en Keulen. De selectie bestaat uit bekende namen in het kleinezaalcircuit, zoals het Berlijnse Gob Squad, het duo Gintersdorfer/Klaßen (dat op de laatste Internationale Keuze indruk maakte met Othello, c’est qui?), het collectief Andcompany&co en enkele voorstellingen van het Weense productiehuis Brut.

Deze vijftiende editie van Impulse (25 november t/m 6 december 2009) kenmerkte zich door documentairevoorstellingen – een trend die in Nederland ook duidelijk aanwijsbaar is. Zoals Ruanda Revisited van Hans Werner Kroesinger, waarin vijf acteurs voor een wand met kaarten, cijfers en foto’s als een politieke lezing de geschiedenis van Rwanda ontleden, van koloniale heerschappij tot genocide. De acteurs lijken echter moeite te hebben de droge stof recht te doen; ze blijven vormelijk en demonstrerend waar de losse speelstijl van ’t Barre Land of Wunderbaum een levendiger resultaat zou opleveren. Na een eerste feitelijke historische les wordt het publiek uit zijn stoel gehaald en door een donkere gang met een lange rij piepkleine filmstills van de genocide geleid. Op tafeltjes in de gang liggen bordjes met broodjes kaas, slachtoffers zijn immers ook net broodjes kaas, aldus een VN-commandant ter plaatse:  ‘Nobody cares about a cheese sandwich.’

De voorstelling gaat door in een kille tent op het achtertoneel, waar vervolgens de volledige oorlog chronologisch wordt naverteld, inclusief houtspaanders ter illustratie van de doden. Ten slotte zakt het doek van de achterwand en zien we de verlaten stoelen waarop we eerder zelf zaten: wij waren al die tijd toeschouwers. Het is een beetje dik moralisme dat doodslaat door de heiligheid waarmee de makers hun onderwerp behandelen.

Beter bevallen de twee producties van Brut, ‘het Frascati van Wenen’, volgens artistiek directeur Thomas Frank. De eerste is Made in Russia van het Russische duo Andrei Andrianov en Oleg Soelimenko, waarin ze hun – grotendeels verzonnen – levensverhaal vertellen, de één een jonge danser bij het Bolsjoi en de ander een onechte zoon van Jean-Luc Godard, die samen nieuwe dansmethodes onderzoeken en uitvinden en via contactimprovisaties, tochten over de Alpen en liedjes van The Beatles uitkomen bij het eindpunt van de dans: twee mannen op het toneel, vrolijk keuvelend over dans.

Ook de dansperformance Spitze van Doris Uhlich bij Brut is de moeite waard. Ontstaan vanuit Uhlichs wens ooit op spitzen te dansen werkte ze samen met de bijna zeventigjarige prima ballerina Susanne Kirnbauer-Bundy en recent gepensioneerd danser Harald Baluch. Het werd een sympathieke voorstelling, ontroerend in haar weergave van de imperfecte balletdanser en met genoeg ironie om ook niet-dans-ingewijden te onderhouden.

Onder de Duitse makers is overigens ook duidelijk het stempel van de studie toegepaste theaterwetenschap in Giessen waarneembaar, waar makers als René Pollesch en Rimini Protokoll vandaan komen. F wie Fälschung van Giessenstudent Boris Nikitin bijvoorbeeld is extreem conceptueel theater met verwijzingen naar Orson Welles, Publikumsbeschimpfung en Woyzeck. Duidelijk theater voor ingewijden; voor leken of buitenlandse theaterkenners is het louter slaapverwekkend.

De Impulse-prijs werd op de slotavond uitgereikt aan Othello c’est qui?. Dat betekent dat de voorstelling behalve door Berlijn ook wordt uitgenodigd door de Wiener Festwochen en door De Internationale Keuze. Wat een beetje jammer is, want daar is ze al geweest.

Gezien: Impulse Festival
Waar: Düsseldorf, Keulen, Müllheim, Bochum (Duitsland)
Wanneer: 4 t/m 6 december 2009

Culturele Hoofdstad: Ruhr 2010

buitenland,overig — simber op 24 april 2009 om 01:10 uur
tags: , ,

Artikel voor Sica Magazine (het laatste nummer), online versie op sica.nl

Culturele Hoofdsteden van Europa komen en gaan, maar volgend jaar komt er  een wel heel dicht bij huis. Onder de naam Ruhr 2010 organiseren de steden in het Ruhrgebied (o.a. Essen, Bochum en Dortmund) in het Ruhrgebied volgend jaar een groot regionaal project. Maar hoe kan dat eigenlijk? Het Ruhrgebied is toch geen stad, hoe kan het dan hoofdstad zijn? En wat doet Nederland met zo’n hoofdstad naast de deur? En is er misschien iets te leren voor de Nederlandse kandidaatsteden die in 2018 graag de begeerde titel willen dragen?

De organisatie, een projectbureau met Essen als thuisbasis, laat niet na te benadrukken de het hele Ruhrgebied Culturele Hoofdstad is. In een programma dat draait om vier thema’s –creatieve stad, stad van mogelijkheden, kunstenstad en en stad van culturen– staan steeds de 53 steden van het Ruhrgebied centraal, met hun 100 concertgebouwen, 200 musea, 19 universiteiten 250 festivals en 120 theaters op zo’n 5,3 miljoen inwoners.

Continue reading “Culturele Hoofdstad: Ruhr 2010” »

« Vorige paginaVolgende pagina »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2019 Simber | powered by WordPress with Barecity