Wat heeft Duitsland dat wij niet hebben?

buitenland,cultuurbeleid,overig — simber op 23 maart 2013 om 22:45 uur
tags: , ,

(Voor het Stadsschouwburg Journaal; ook te lezen op Issuu)

Het was een kort berichtje in de Nederlandse kranten begin november: “Duitsland blijft investeren in cultuur”. Al snel zoemde het artikel rond in culturele kringen op Facebook en Twitter. Zie je wel, was de teneur, onze Oosterburen zijn niet van die cultuurbarbaren als bij ons in de regering, daar geven ze nog wel geld aan de kunsten. Het bevestigde een oud beeld dat Nederlandse theatermakers hebben over Duitsland. Zodra je de grens oversteekt zou je terecht komen in een luilekkerland van onuitputtelijke subsidies en ontzaglijk prestige. Maar klopt dit beeld wel? Is het in Duitsland wel echt zoveel beter dan hier?

I. Geld

Om bij dat nieuwsberichtje te beginnen: het ging om een investering van 100 miljoen door de Bondsdag, waarmee het totale nationale cultuurbudget op 1,28 miljard euro komt. Da’s niet niks, maar vergeet niet dat (ook na de bezuinigingen) in het vijf keer kleinere Nederland de rijksoverheid bijna 1 miljard uittrok. Om een goede vergelijking te maken is het nodig om te kijken naar de verdeling van de verantwoordelijkheden over nationaal, regionaal en lokaal niveau. In Nederland verdeelt het rijk ongeveer dertig procent van de cultuurgelden, in Duitsland is dat nog geen vijftien procent. De rest komt voor rekening van de deelstaten en de steden. En tegenover de investering van de bondsdag staan vaak bezuinigingen op de lagere niveaus.

Toen Thomas Ostermeier, artistiek leider van de Schaubühne in Berlijn, een paar jaar geleden voor het eerst hoorde over de Nederlandse cultuurbezuinigingen zei hij: “In Duitsland wordt al jaren bezuinigd, alleen kondigt de overheid het niet aan, maar doen ze het langzaam en stilletjes.” Dat Berlijn –‘arm aber sexy’– zuinig aan moet doen is al jaren een gegeven, maar sinds de crisis beknibbelen ook andere steden en deelstaten op cultuur. In Wuppertal werd een theater gesloten en ook diverse musea en orkesten worden in hun voortbestaan bedreigd. Het gaat allemaal zonder de anti-elitaire retoriek die in Nederland de afgelopen jaren zo dominant was, maar als je naar de cijfers kijkt (voor zover bekend), ontlopen de bezuinigingen bij ons en bij hen elkaar niet veel.

Sterker nog: cijfermatig springt Nederland er op een ander punt juist bijzonder goed uit. De website Culturalpolicies.net houdt de uitgaven aan cultuur bij van alle landen in de Europese Unie. De laatste cijfers zijn inmiddels zo’n vijf jaar oud, maar het beeld is duidelijk: Nederland spendeert per hoofd van de bevolking veel meer dan Duitsland: 183 euro tegenover 101 euro per jaar. Dit lijkt onmogelijk: Duitse theaters hebben toch veel meer te besteden dan hun Nederlandse collega’s? Ostermeiers Schaubühne krijgt zo’n 12 miljoen euro subsidie: ongeveer het dubbele van Toneelgroep Amsterdam.

Nog los van het feit dat de Schaubühne een grote eigen zaal runt en in Amsterdam de Stadsschouwburg en TA aparte organisaties zijn, zit het verschil in de dichtheid: als je de kaart van Nederland op een even groot gebied in Duitsland legt, zie je dat Nederland veel meer toneelgezelschappen, schouwburgen, orkesten, musea, bibliotheken en muziekscholen heeft. Duitsland besteedt z’n geld aan een kleiner aantal grote instellingen, Nederland verdeelt de koek over ontelbare monden.

II. Prestige

In een ander opzicht zal Nederland nooit kunnen winnen van Duitsland: in Duitsland dóet theater ertoe. Sowieso zien Duitsers zichzelf als een volk van schrijvers en filosofen, maar theater neemt een speciale plek in. De Vlaamse regisseur Luk Perceval, sinds jaren directeur van het Thalia Theater in Hamburg vindt dat nog steeds opvallend: “In Duitsland is theater een polemische factor. Voorstellingen hebben sterke voor- en tegenstanders die in de kranten en soms in de zaal met elkaar in aanvaring komen. Het heeft een sterk moreel aspect.” Perceval ziet de oorzaak daarvoor in Duitsland’s verleden: “Na de oorlog wilde Duitsland de beste leerling van de Europese klas zijn. Er ontstond een bewustzijn dat kunst er is om de fouten uit het verleden niet te herhalen. Daar moet bij gezegd worden dat kunstenaars zoals Peter Zadek en Einar Schleef, die tegen de gevestigde orde aanschopten, beschermd zijn door de pers en het cultuurbeleid.”

Maar er speelt nog iets anders mee: “Duitsland heeft zich na de oorlog in culturele zin niet laten koloniseren door Amerika. Het cultuurmodel van de vrijemarkteconomie dat daar en steeds meer in Nederland wordt aangehangen is dodelijk voor de oude Europese cultuur. Duitsland definieert zichzelf als cultuurland en cultuur wordt ook gezien als exportproduct. De bewondering van landen als China of India geldt niet voor Mercedes en Siemens, maar ook voor Bach, Wagner en Goethe, en in handelsmissies gaan die twee facetten ook altijd hand in hand.”

III. Dynamiek

De verhouding tussen de lage landen en Duitsland is eind jaren negentig definitief veranderd. Voor die tijd keken Nederlandse en Vlaamse theatermakers, zoals Perceval, vol bewondering naar het Duitse repertoiretheater en werden Duitse regisseurs uitgenodigd om hier een voorstelling te maken. Perceval was een van de eersten die de andere kant op reisde en enorm succes oogstte met Schlachten, de vertaling van Ten Oorlog. In zijn kielzog volgden talloze Nederlandse en Vlaamse theatermakers, zoals Ivo van Hove, Paul Koek, Nanine Linnig, Anouk van Dijk, en natuurlijk Johan Simons.

In deze beweging openbaart zich de grote zwakte van het Duitse cultuurbestel: het is eenvormig, log en verstard. Perceval: “Dat begint bij de opleidingen. Als jonge regisseur in Duitsland mag je geen flops maken, dan wordt je meteen afgeschreven. Maar je moet kunnen mislukken om je methode en te ontwikkelen. Daarom zijn Nederlandse en Vlaamse regisseurs zo populair: wij hebben een vrijere, minder gestresste omgang met theater.”

Ook in Duitsland begint dit besef door te dringen en dit leidt, onvermijdelijk, weer tot polemiek. Vier schrijvers van Der Spiegel schreven vorig jaar een boekje Der Kulturinfarkt, waarvan de ondertitel de kwaal van het cultuurbestel adequaat samenvat: ‘Van alles te veel en overal hetzelfde’. Der Kulturinfarkt stelt voor om de helft van de Duitse theaters, opera’s en musea te sluiten en het geld dat dat oplevert in te zetten voor nieuwe vormen van ondersteuning van de kunsten. De schrijvers kregen te maken met een zelden vertoond spektakel van scheldpartijen, hoon en bedreigingen. Duitse politici en burgers voelen zich diep verbonden met hun culturele instituten, maar voor vernieuwing is weinig belangstelling.

En zo valt de vergelijking tussen Nederland en Duitsland helemaal niet zo ongunstig uit. Duitsland is en blijft het land waar de beste regisseurs hun meest weidse theatrale dromen kunnen verwezenlijken en impact kunnen hebben op het maatschappelijke debat. Maar Nederland blijft, ook na de bezuinigingen, het land waar jonge kunstenaars makkelijker aan geld en gelegenheid komen om nieuwe artistieke vormen en praktijken te ontwikkelen. Op prestige wint Duitsland, op dynamiek Nederland. En qua geld? Laten we het houden op een gelijkspel.

Amsterdamse Kunstraad adviseert

cultuurbeleid,nieuws,Parool — simber op 15 juni 2012 om 17:12 uur
tags: ,

Spelers vóór stoelen en klein vóór groot. De Amsterdamse Kunstraad (AKR) –die gisteren haar advies over de culturele subsidies van de stad presenteerde aan de gemeenteraad en aan wethouder Carolien Gehrels van cultuur– bezuinigt bij grote instellingen en podia om kleine theater-, muziek- en dansgroepen overeind te houden. Maar dat betekent niet dat er veel opzienbarende veranderingen komen: het advies van de AKR, met als titel Kiezen voor perspectief, houdt de hoofdstedelijke cultuur knap in stand.

De grootste ingreep is het flinke aantal podia dat zijn subsidie gaat verliezen: De Engelenbak, het Tropentheater, Ostadetheater, Felix Meritis, Vondelpark Openluchttheater en M-lab worden als het aan de Kunstraad ligt geschrapt. In totaal verliezen 23 instellingen die nu in het kunstenplan zitten hun subsidie. Daar staat tegenover dat de gezichtsbepalende kleinere groepen en festivals hun subsidie behouden of in sommige gevallen (zoals bijvoorbeeld Dood Paard) méér krijgen.

De AKR had 82,6 miljoen euro te verdelen, tien procent minder dan de afgelopen periode. De raad kiest ervoor om de grootste instellingen de zwaarste bezuinigingen op te leggen. Zo krijgen de Stadsschouwburg, Paradiso, het Concertgebouw en het Amsterdam Musem rond de vijftien procent minder subsidie en moeten Toneelgroep Amsterdam en Het Nationale Ballet het met tien procent minder doen. Alleen het Koninklijk Concertgebouworkest is–door een besluit van de gemeenteraad– hiervan uitgezonderd en hoeft helemaal niet te bezuinigen.

De raad is vooral enthousiast over de veelzijdigheid en het hoge niveau van theater en muziek in de stad en deze genres krijgen er geld bij. Deze middelen worden weggehaald bij de podia en bij de musea. Hoewel de raad enthousiast is over de voorgenomen samenwerking van het Amsterdam Museum (voorheen Amsterdams Historisch Museum) met het Bijbels Museum en Ons’ Lieve Heer op Solder, moet het museum toch 1,3 miljoen inleveren.

Alles bij elkaar creëerde de Raad ruimte voor 48 nieuwe instellingen, zoals ArtZuid, het Harry Mulisch Huis, regisseur Jakop Ahlbom, Nachtgasten en de Tolhuistuin. Een groot aantal van die nieuwe instellingen (Orkater, Asko/Schönberg, het Nederlandse Blazers Ensemble, Oorkaan) bestonden al lang, maar wendden zich tot de gemeente omdat ze vanuit Den Haag minder subsidie krijgen of verwachten. Ook door instellingen als theater Frascati en jeugdtheatergroep De Toneelmakerij uit te zonderen van de bezuinigingen, repareert de stad een deel van de schade die de landelijke cultuurbezuinigingen aanrichten. Maar pas als het Fonds Podiumkunsten –dat naar verwachting slechts de helft van de aanvragen kan honoreren– op 1 augustus haar subsidiebesluiten bekend maakt, wordt duidelijk wat de gevolgen van de bezuinigingen precies zullen zijn.

In totaal kreeg de AKR 195 subsidieaanvragen, waarvan er grofweg een kwart werd afgewezen, de helft deels werd gehonoreerd en een kwart geheel gehonoreerd. Twee aanvragen moeten over: zowel het Stedelijk Museum als Dansmakers (het productiehuis voor dans) dienden een te hoge begroting in.

Op het gebied van cultuureducatie krijgt een consortium bestaande uit de Muziekschool Amsterdam, Aslan Muziekcentrum en het Leerorkest alle ruimte om veel meer basisschoolleerlingen in aanraking te brengen met muziek. De buitenschoolse cultuureducatie is vanaf nu een taak voor alle instellingen.

De keuze voor groepen in plaats van podia past in een langer lopende trend: vroeger subsidieerde het rijk de groepen en de gemeenten de podia, maar in het nieuwe beleid lijkt het erop dat het rijk de grote instellingen ondersteund en de gemeente de kleine. De podia worden meer en meer overgelaten aan de markt of aan private initiatieven, zoals gebeurde bij DeLaMar, Carré, het Compagnietheater of het Comedytheater in de Nes. Het is dus zeker niet gezegd dat M-Lab of het Openluchttheater in het Vondelpark nu moeten sluiten.

De raad presenteert haar adviezen in een aantrekkelijk geïllustreerd en opvallend leesbaar geschreven boekwerk van ruim 350 pagina’s, een kleurrijke staalkaart van wat Amsterdam op cultureel gebied te bieden heeft. De adviezen zijn uitgebreid onderbouwd en niet alleen de artistieke kwaliteit van de instellingen komt aan bod, ook hun ondernemerschap en samenwerkingen worden getoetst. De harde toon die de adviezen in bijvoorbeeld Rotterdam en Utrecht kenmerkten ontbreekt geheel en de raad toont zich terdege bewust van het feit dat ondanks de relatief milde bezuiningen ook in de Amsterdamse cultuursector banen gaan sneuvelen en instellingen gaan verdwijnen.

Gevolgen Raadsadvies voor theater in Amsterdam

cultuurbeleid,nieuws,Parool — simber op 21 mei 2012 om 15:10 uur
tags: ,

(Voor het Parool van morgen; andere specialisten schrijven over de andere disciplines.)

Op het eerste gezicht lijkt het advies van de Raad voor Cultuur voor het Amsterdamse theater relatief mild: de meeste instellingen krijgen een goed rapport en mogen rekenen op het bedrag dat ze hebben aangevraagd. Maar dat beeld is vertekend. Toneelgroep Amsterdam, het Holland Festival en Het Nationale Ballet hadden vantevoren te horen gekregen hoeveel ze maximaal zouden kunnen krijgen en pasten hun plannen daarop aan. Alledrie vroegen ze een half miljoen minder aan dan ze nu krijgen, De Nederlandse Opera zelfs anderhalf miljoen minder. Jeugdtheatergezelschap De Toneelmakerij krijgt danwel een half miljoen euro, maar dat is een miljoen minder dan het gezelschap nu ontvangt.

Een andere bezuiniging die je niet in het Raadsadvies terugleest is die op de productiehuizen. Die zijn door het ministerie met een pennestreek geschrapt. Juist daarvan is een groot aantal gevestigd in Amsterdam, zoals Frascati, het Veem, Dansmakers en MC. Die konden überhaupt geen aanvraag meer doen. Terecht constateert de Raad dat de ontwikkeling van jonge kunstenaars, de taak van de productiehuizen, in het gedrang komt. Een speciaal geval is jeugdmuziekgroep Oorkaan. Die werd door de rigide regels van het ministerie in het vakje ‘jeugdtheater’ gedwongen en wordt nu afgewezen. Ook het negatieve advies voor het Theaterinstituut voedt het beeld dat een ogenschijnlijk mild advies een stevige culturele verarming in de stad niet voorkomt.

De doelen van cultuurbeleid

cultuurbeleid,meningen — simber op 3 mei 2012 om 21:18 uur
tags: ,

(Voor het magazine van Kunsten ’92, najaar 2011)

In het intellectuele deel van de kunstsector wordt traditioneel veel geklaagd over de visieloosheid van het Nederlandse cultuurbeleid. Iedere minister of staatssecretaris verzint nieuwe regels, beleidslijnen en instrumenten, maar welk overkoepelend doel al die maatregelen tezamen moeten bereiken blijft altijd wat schimmig.

Ook bij de huidige bezuinigingen klinkt weer de roep om visie, al wordt die behoorlijk overstemd door het luide gekrakeel over linkse hobbies en onbeschaafden. Toch zou een klein beetje helderheid over wat de overheid nu wil bereiken met de kunst die ze nog wenst te ondersteunen erg van pas komen. Te meer omdat er tegenwoordig –vooral vanuit economische hoek– beweerd wordt dat het huidige Nederlandse cultuurbeleid ineffectief zou zijn. De eerste logische vraag zou dan toch moeten zijn: effectief waarin? Welke doelen worden niet bereikt?

Het helderst werd deze mening geuit door de cultuureconoom Pim van Klink, die begin september in NRC werd geïnterviewd over een (oud) onderzoek naar diverse Europese subsidiestelsels.

Het komt erop neer dat Van Klink het Nederlandse cultuurbeleid verwijt dat het er niet in slaagt om Engelse doelstellingen te verwezelijken. Dat haalt je de koekoek. Het Nederlands cultuurbeleid was echter heel lang heel erg goed in het verwezenlijken van de Nederlandse doelstellingen. Want onlangs de roep om een visie op cultuurbeleid hadden we die wel degelijk: Nederland wilde een breed, divers cultuuraanbod, goed gespreid over het land. En voila: we hebben het breedste, meest diverse en best gespreide cultuuraanbod ter wereld. De conclusie moet dan onvermijdelijk luiden dat het Nederlandse cultuurbeleid een lichtend voorbeeld voor de wereld moet zijn.

Kortom: ook Van Klink kampt met de pathologische neiging om in Nederland alleen over de middelen van het cultuurbeleid te kunnen praten en niet over de doelen. Als Van Klink had gezegd dat we de Nederlandse beleidsdoelstellingen moeten wijzigen dan heeft hij een punt, maar dat kan hij niet onderbouwen als onderzoeker. Dan begeeft hij zich op het terrein van de politiek.

Het kan geen kwaad om eens te kijken naar de verschillende doelstellingen van cultuurbeleid in de landen om ons heen. In Groot Brittannië bijvoorbeeld staat het publiek veel meer centraal. De diverse regeringen (Engeland, Schotland en Wales) hanteren doelstellingen als “deelname aan een rijkgeschakeerd cultureel leven aanmoedigen” of “de toegang tot kunst en cultuur voor iedereen te waarborgen.” Het zijn algemeenheden, maar uit dit soort formuleringen valt heel goed te verklaren waarom het Verenigd Koninkrijk op dit moment een florerende sector community art heeft, maar weinig internationaal aansprekende topkunst.

Of neem Frankrijk. Daar gaat het om “onderhoud en exploitatie van het cultureel erfgoed, het aanmoedigen van artistieke creativiteit en een optimalisering van de kunstbeoefening en het kunstonderwijs.” Dit sluit goed aan bij de grote instituten die in Frankrijk op cultureel gebied de toon bepalen en op de zeer sterke neiging om Frankrijk als ‘culturele uitzondering’ te positioneren binnen het angelsaksische vrijhandelsregime.

Het lijkt erop dat er in Europa grofweg twee hoofdstromingen bestaan, een waarbij het cultuurbeleid wordt bekeken vanuit de kunst, en een waarbij de overheid het perspectief kiest van het publiek. Met dit inzicht wordt ook duidelijk waarom het gesprek over visie zo urgent is: de huidige regering wil een fundamentele omschakeling maken van het ene gezichtspunt naar het andere. Het publiek, dat tot voor kort in het cultuurbeleid eigenlijk niet voorkwam, komt ineens centraal te staan.

Maar geen enkele politicus durft te zeggen: vroeger wilden we dít, maar nu willen we iets anders. En omdat die keuze niet expliciet gemaakt wordt doen veel beleidsmakers alsof we het de hele tijd wel ongeveer met elkaar eens zijn. Dat leidt tot een Orwelliaanse dehistorisering: de huidige doelstellingen zijn er altijd geweest. En tot de conclusie dat het huidige cultuurbeleid mislukt is.

En zo dreigt het in Nederland te gaan zoals het altijd gaat: de visie hobbelt achter het beleid aan. Staatssecretaris Zijlstra heeft in zijn maatregelen duidelijk gemaakt dat hij zowel de topinstellingen wil sparen als de spreiding handhaven. Dat betekent dat hij de breedte en diversiteit van het aanbod deels opgeeft. Maar dat is een beslissing die hij niet durft te nemen, dus laten hij het gewoon maar gebeuren.

Natuurlijk heeft de staatssecretaris het een en ander geformuleerd over wat hij wil bereiken, maar het is vrij makkelijk om beleid te scheiden van visie. Zodra je in een geformuleerde doelstelling een vergrotende trap leest gaat het om beleid. In Zijlstra’s brief Meer dan Kwaliteit staat bijvoorbeeld: “Het kabinet wil dat culturele instellingen en kunstenaars ondernemender worden en een groter deel van hun inkomsten zelf verwerven. Culturele instellingen moeten minder afhankelijk worden van de overheid en daardoor flexibeler en krachtiger worden.” Op die manier doe je alsof iedereen het er al over eens is welke eigenschappen kunstinstellingen moeten hebben, en maak je van besturen een zaak van bijsturen. Maar beleid is relatief en visie is absoluut.

Was de invulling van de bezuinigingen niet heel anders geweest als ‘brede toegankelijkheid van een divers cultureel aanbod’ het kerndoel was geweest? Dan kun je het hebben over vragen als: is spreiding een doel, of een middel ter vergroting van de toegankelijkheid? Of: vergroot je de toegankelijkheid door die te zoeken in de breedte (voor elk wat wils) of in de diepte (zo hoog mogelijke kwaliteit bij een beperkt aantal instellingen)?

Zo blijven we doormodderen. De overheid blijft cultuur steunen, maar niemand kan precies zeggen waarom. Zolang dat zo blijft staat de deur naar verdere bezuinigingen wijd open.

De gegevens over Europees cultuurbeleid zijn ontleend aan de website Culturalpolicies.net

Silent planning; A letter from The Netherlands

beschouwingen,cultuurbeleid,english — simber op 13 maart 2012 om 22:33 uur
tags: , ,

(I wrote a follow-up to my first ‘Theaterbrief’ from The Netherlands for the wonderful people from TeaterTanken in Oslo, who last november invited me (along with Eric de Vroedt and Manja Topper) to explain what’s going on in The Netherlands for a surprisingly large and dedicated audience. They wanted to be kept up to date of the developments, resulting in this rather gloomy overview. Earlier today Nachtkritik published the German translation.)

It’s been a strange few months. In June the entire arts world stood united against the government’s austerity program and the arts cuts, but soon after the protest dissipated and the last few months everybody has been remarkably silent, if not to say apathetic. What you see is Dutch consensus-culture hard at work.

Artists like Johan Simons and Jonas Staal have warned about this for some time: the Dutch lack a mechanism to demonstrate their conflicts while leaving them intact. The strong urge to find middle ground, to dissolve our disputes, to working out solutions leaves us vulnerable to compromising our (moral) principles. Even the arts, which in other countries often are the natural arena for social conflict, are not immune to this predicament. “Noone speaks”, said Jan Joris Lamers –venerated innovator of the Dutch avant-garde theatre– in  an interview, “It seems like you would invalidate yourself by speaking.”

And so, after the anger was vented, all the artists and arts institutions quietly went to work on their grants applications. The big institutions needed to hand in their applications on February 1st, the applications of the small groups are due on March 1st. Some plans are still shrouded in secrecy, but most of the new projects and intentions are now becoming public.

Continue reading “Silent planning; A letter from The Netherlands” »

Dutch arts cuts explained

beschouwingen,cultuurbeleid,english — simber op 24 juni 2011 om 01:42 uur
tags: ,

(I wrote this article this morning for the German website Nachtkritik (read it in German). I wasn’t going to publish this English version as it hasn’t been corrected by a native speaker, but I received some requests to read it asap, so here it is. I hope to replace it with an edited version over the weekend.)

Next Monday, the Dutch parliament will decide on severe cuts in the arts budget. The minority government, consisting of the liberal VVD and christian conservative CDA and supported by the populist, right wing PVV (headed by Geert Wilders), wants to decrease the arts budget from roughly 950 to 750 million euro. These cuts aren’t distributed evenly across the board. Especially the performing arts will be hit hard, with an estimated 46 procent budget cut.

Before getting into the details, causes and effects of this shrinkage, it is necessary to explain a little about the byzantine way Dutch arts funding is structured. The state currently takes responsability for a so called ‘basic infrastructure’: museums, large theatre, dance and opera companies, orchestras, some festivals and seperate institutions called ‘production houses’ where  young theatre makers can develop their work and which also function as focal points for the small and midsize theatre scene.

Those small and midsize theatre and dance companies themselves, as well as music ensembles are funded by the Performing Arts Fund, the government fund for the professional performing arts. Finally, the municipalities have their own agenda, supporting theatre venues, adding local money to nationally funded companies, or supporting their own local institution. Local communities contribute roughly 1.6 billion euro to the total public spending on the arts.

Anglo-Saxon model

From the day the right wing liberal party VVD won the national elections one year ago it was clear that the arts were in trouble. The VVD, headed by current prime minister Mark Rutte, announced early on in the campaign that severe cuts in the government budget were needed to recover from the banking crisis, and the arts would not be exempted. The populist PVV, whose support Rutte needed to form an administration, went even further and tapped into a long running vein of anti-elitist sentiment that has always run close to the mercantile Dutch heart. Geert Wilders labeled arts subsidies, along with foreign aid and the European Union, as “leftist hobbies”

It is vitally important to understand that in The Netherlands the debate about the arts between conservative and progressive sides never followed the traditional European line of classical vs. modern. Politician’s interest in the arts is traditionally dim, and in the last decade parties on the left found the arts useful if they could be applied to their agenda (art enlightens, brings people together, bridges gaps, etcetera) and the right wing considered art as a form of luxury, and artists should be able to survive in the market or find a more economically feasable profession.

When the latter formed the new government, autumn last year, they immediately announced public spending cuts of around twelve percent. The VVD has shifted from classic liberalism towards a staunch neoliberalism, with its focus on small government an lower taxes. The arts however were clipped further, with cuts to the amount of twenty percent. The arts are too dependent on government subsidies, the reasoning went, more could and should be gained from the audience, business sponsorships and wealthy patrons. “The arts have their backs to the audience and their open wallet towards the state”, Rutte was heard saying.

The implicit ideal was the Anglo-Saxon model: in Britain and the US the state plays a very minor role in arts funding, leaving it to the market and and charity. However Rutte’s administration was inconsistent. It announced for instance that the performing arts would no longer fall under the low VAT-tariff, which kept covering movie, circus and sports events. So on the one hand the arts should gain more from the market, on the other hand it was made harder for them to do so. This lack of alternative chances and the ongoing belittleing of the arts cause many artists to think that this isn’t just a change of policy, it’s retaliation.

Consequences

Over the last few months the consequences of the cuts have gradually become clear. State secretary (or sub-minister) Halbe Zijlstra, responsible for culture, has decided to salvage cultural heritage, meaning the heaviest load of the cuts will come down on the performing arts. There he largely spares the big institutions, like De Nederlandse Opera, Het Nationale Ballet, Holland Festival and Nederlands Dans Theater. Large theatre companies, like Toneelgroep Amsterdam, wil face cuts, but their existance is secured.

This focus on “top institutions” means that the terrain below it, the fertile fields of small and midsize companies, will be decimated. All production houses lose their funding and the budget of the Performing Arts Fund will decrease from 64 to 27 milion. Only when the fund makes its grant decisions next year will the full scale of this annihilation be graspable. But it is already clear that the internationally renowned domain of small scale avant-garde companies, like Veenfabriek, Omsk, Bambie, Wunderbaum, Orkater and Dood Paard, artists like Dries Verhoeven, Boukje Schweigman, Anouk van Dijk, Emio Greco and Krisztina de Châtel, and festivals like Oerol and Festival a/d Werf will take a very tough blow.

Furthermore Zijlstra decided to cut funding for Theater Instituut Nederland and the training institutes like DasArts and the Rijksacademie, claiming that he wanted government funding to contribute to art productions rather than institutions for support, promotion and postacademic education. Many tasks that used to be acknowledged as essential for a functioning arts field are now considered a responsability of the market or the arts themselves.

And the worst is yet to come: the municipalities have to cut their budgets too. The exact amounts will not be learned until later this year, but cuts in the arts expenses of around twentyfive percent are generally expected. This will hurt community services like music schools and libraries on top of arts institutions.

Monday, as parliament gathers, there will be massive demonstrations in The Hague. There will be sit-ins in museums, concerts, marches through the country, and white crosses on black – the unofficial logo for the protest – are already seen all over theatre facades and Facebook profiles. Public opinion however has not been very supportive. The framing of the arts as estranged form the audience and addicted to subsidies has been very succesful and government plans in other sectors – like health, education and pensions – are pretty serious as well.

Even if the protests have any impact on the political outcome it seems that the artistic landscape of the Netherlands wil be fundamentally changed. Large institutions will dominate, the midfield will be devastatet and young artists who just graduated will find very little opportunities. After the decisions have been made, and the protest have died out, the art world needs to pick up the pieces and face an enormous challenge: win back the support of the public and find a new relationship with the powers that be. That is a necessary, maybe even exciting task, but it is enormously sad if so much might be lost in the process.

Internationaal protest tegen cultuurbezuinigingen

cultuurbeleid,nieuws,Parool — simber op 20 juni 2011 om 00:23 uur
tags: ,

Een dertigtal gerenommeerde kunstenaars en kunstinstellingen uit de hele wereld hebben staatssecretaris Halbe Zijlstra van cultuur een brief geschreven om te protesteren tegen de bezuinigingen die hij wil doorvoeren in de cultuursector. De ondertekenaars, onder  wie choreografen William Forsythe en Sacha Waltz, operaregisseurs Jossi Wieler en Peter Sellars en vertegenwoordigers van de Salzburger Festspiele, het Festival van Avignon en de New York Theatre Workshop noemen het “rijke en diverse kunstenveld” van Nederland “een baken van excellentie in Europa”. Ze roepen het parlement op de bezuinigingen te heroverwegen, met name omdat het “innovatieve en gedurfde werk van onafhankelijke kunstenaars en kleine en middelgrote gezelschappen” bedreigd wordt.

De brief wordt vandaag aangeboden aan de Tweede Kamer. Daar worden vanmiddag hoorzittingen gehouden over de voorstellen van Zijlstra. Zo’n 25 experts zullen hun visie geven op de gevolgen van de bezuinigingen. De Amsterdamse wethouder Gehrels van cultuur zal daar haar alternatieve plan toelichten om middelgrote en kleinere instellingen te sparen. Andere sprekers zijn kunsteconomen Arjo Klamer en Berend Jan Langenberg, Vandenende Foundation-directeur Ryclef Rienstra en beeldend kunstenaar Jonas Staal.

Ook in Nederland komen acties tegen de cultuurbezuinigingen op gang. Lobbyvereniging Kunsten ’92 organiseert vandaag een serie one-minute-statements in een boksring op het Plein voor de Tweede Kamer en er worden voorbereidingen getroffen voor een massaal protest op zondag 26 en maandag 27 juni, wanneer de Kamer over de voorstellen stemt. Op zondag zullen kunstenaars Museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam bezetten en in de nacht van zondag op maandag vindt vanaf het museum een Mars der Beschaving plaats waarin kunstenaars en publiek worden opgeroepen mee te lopen naar Den Haag.

(Linkdump: Brief van de internationale prominenten; Mars der Beschaving; programma hoorzitting)

Analyse Cultuurbezuinigingen

cultuurbeleid,nieuws,overig — simber op 10 juni 2011 om 20:17 uur
tags: ,

Weg met het Dansgroep Amsterdam, MC, het Theater Instituut Nederland en alle productiehuizen, maar nauwelijks subsidiekorting voor het Rijksmuseum, De Nederlandse Opera en Het Nationale Ballet. Zo ziet de culturele visie van staatssecretaris Halbe Zijlstra eruit. De staatssecretaris, die vandaag een brief naar de Tweede Kamer stuurde met daarin zijn plannen voor het cultuurbeleid vanaf 2013, spaart grote ‘topinstellingen’ en snoeit hard aan de onderkant.

De uitgebreide brief leest als een handleiding voor een terugtrekkende overheid. Het kabinet wil veel minder instellingen gaan ondersteunen en zegt bij een groot aantal taken en functies dat ze de verantwoordelijkheid zijn van de sector zelf of van de markt. Het kabinet wil af van alles wat geen eigen inkomsten oplevert en zet het mes in sectorinstituten, productiehuizen en, op kleinere schaal, ook in vak- of literaire tijdschriften. Creatieve industrie (de marktgerichte sectoren design, architectuur en nieuwe media) wordt een nieuw ‘topgebied’, met een eigen sectorinstituut en een investeringsfonds, en in het internationaal cultuurbeleid staat voortaan het economisch belang centraal.

De staatssecretaris wijkt in zijn brief op diverse punten sterk af van het advies dat de Raad voor Cultuur eind april uitbracht. De Raad adviseerde om de bezuinigingen gelijkmatiger over alle sectoren en instellingen te verdelen (de zogenaamde kaasschaaf-methode) en drong er bovendien op aan om de bezuinigingen geleidelijk in te voeren, met 2015 als einddatum. Ook pleitte de Raad voor het handhaven van de Cultuurkaart voor jongeren en het lage BTW-tarief voor podiumkunsten.

Met het selectief ‘winkelen’ in het raadsadvies en het doelbewust negeren van aanbevelingen plaatst Zijlstra zijn officiële adviesorgaan in een buitengewoon lastige positie. Zijlstra’s voorganger, minister Ronald Plasterk, was drie jaar geleden ook niet blij met het toenmalige advies, maar gaf de Raad nog een herkansing door middel van een nieuwe adviesaanvraag. Zijlstra heeft hiervoor te veel haast. Hij moet en zal het tijdspad aanhouden dat hem op 1 januari 2013 een nieuw ingericht cultuurlandschap brengt. Insiders houden er echter rekening mee dat de geschoffeerde Raad voor Cultuur nu als geheel opstapt.

Zijlstra’s keuze voor groot en gevestigd gaat ingrijpende gevolgen hebben voor het culturele landschap van Nederland en met name Amsterdam. Nederland was nooit het land van enorm grote instellingen, maar juist van het bloeiende middenveld: het enorme aantal diverse kleine en middelgrote instellingen. Na de huidige bezuinigingsoperatie zal de cultuur in Nederland meer lijken op de ons omringende landen als Frankrijk en Duitsland, waar grote instituten de toon bepalen en kleine instellingen vechten in de schaduw.

En hoe erg het snoeien van Zijlstra nu al lijkt, de échte kaalslag moet nog komen. Het Fonds Podiumkunsten moet niet alleen een flink deel van zijn budget inleveren (van 64 naar 45 miljoen euro per jaar), maar krijgt door de staatssecretaris ook nog eens een groot aantal extra instellingen toegeschoven, zoals een groot aantal festivals, een aantal dansgezelschappen en het Friestalige theatergezelschap Tryater. Daarbij mag het Fonds, dat overigens moet fuseren met het Fonds Cultuurparticipatie, niet langer subsidie voor vier jaar verstrekken, waar nu een groot aantal instellingen gebruik van maakt, zoals Orkater, Het Toneel Speelt, Dood Paard. Hier zullen het komende jaar nog enorme klappen gaan vallen.

Het publiek zal het allemaal pas over anderhalf jaar gaan merken, maar dan zal de verschraling van het culturele aanbod aanzienlijk zijn. Zeker in Amsterdam zal het aantal voorstellingen, concerten en evenementen waarschijnlijk drastisch afnemen, juist omdat hier zeer veel van de kleinere groepen gevestigd zijn. Zijlstra meent terecht dat met grotere efficiency en alternatieve vormen van financiering een aantal middelgrote instellingen overeind zou kunnen blijven, maar juist voor de kleinste cultuurinstellingen is dat het moeilijkst

Maar het allermeest zitten jonge, beginnende kunstenaars in een penibele situatie. Zowel werkbeurzen en stipendia als de WWIK worden afgeschaft, zodat beeldend kunstenaars die in 2013 van school komen geen enkele handreiking meer krijgen bij het opbouwen van hun ondernemerspraktijk. Voor jonge theatermakers en musici zijn er dan geen productiehuizen meer waar ze hun eerste projecten kunnen maken. Ze moeten allemaal terecht bij de grote gezelschappen, of als zelfstandige organisatie bij het overbelaste fonds aankloppen.

Koers Kunst

cultuurbeleid,niet-theater,overig — simber op 8 april 2011 om 12:53 uur
tags: ,

Vandaag lanceer ik samen met Johan Idema het project Koers Kunst – De beste ideeën voor een cultureler Nederland. Vanaf vandaag tot juli gaan we, samen met experts en betrokken buitenstaanders, op zoek naar concrete ideeën, die een denkrichting vertegenwoordigen, een knelpunt aanpakken of een kans grijpen. Niet defensief, over geld of belangen, maar een open zoektocht, die discussie losmaakt, zodat een nationale brainstorm ontstaat. De Volkskrant en de Avro volgen de zoektocht.

Gisteren stond een uitgbreid artikel in De Volksrant, nu staat het eerste idee online, een oproep tot een ‘seizoen van de amateur’ door Kesselskramer-directeur Engin Celikbas. De komende maanden zullen we zo’n twee keer per week een nieuw idee publiceren, steeds met een culturele insider of outsider als afzender. Maar ook jij kunt meedoen: reageer en stem op de ideeën of opper zelf een idee.

www.koerskunst.nl

Vier ‘best practices’ gemeentelijke cultuurpolitiek

cultuurbeleid,overig — simber op 13 januari 2010 om 03:12 uur
tags: ,

In opdracht van de Nieuwsbrief van Kunsten ’92 schreef ik over vier gemeentelijke cultuurprojecten, naar aanleiding van de aankomende gemeenteraadsverkiezingen. De Nieuwsbrief is hier te downloaden.

1. Elf Kernen Opera

Vijf jaar geleden werden De Lier, Monster, Naaldwijk, Wateringen en ‘s-Gravenzande samengevoegd tot de gemeente Westland. Eén gemeente met zo’n 100.000 inwoners onder de rook van Den Haag, bestaande uit elf dorpen, met ieder een eigen identiteit. Het eerste lustrum van de fusiegemeente was aanleiding voor een groots project: iedere maand een nieuwe operaproductie in één van de elf kernen, met als afsluiting de presentatie van een nieuwe musical over het Westland als geheel.

Het idee voor deze Elf Kernen Opera kwam van stichting Dario Fo, een in Poeldijk gevestigd bureau van ‘ondernemers in de kunst’ met veel ervaring met community art. Artistiek leider en regisseur Wilma Sekrève werkte eerder aan een vergelijkbaar –zij het kleinschaliger- project in Midden Delfsland en is gespecialiseerd in grote operaprojecten waarin amateurs en professionals samenwerken.

Continue reading “Vier ‘best practices’ gemeentelijke cultuurpolitiek” »

Volgende pagina »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2019 Simber | powered by WordPress with Barecity