Recensie: ‘Sartre zegt sorry’ van Laura van Dolron, Het Nationale Toneel

Parool,recensies — simber op 21 april 2011 om 14:36 uur
tags: , , ,

Waarom hebben sombere uitspraken van lelijke mannen toch altijd zoveel succes? Laura van Dolron ergert zich er wild aan. In Sartre zegt sorry roept ze de existentialistische (en zoals bekend afstotelijke) filosoof ter verantwoording voor het leed dat hij de wereld heeft aangedaan. Want volgens dertiger Van Dolron is het allemaal zijn schuld: de twijfel van haar generatie, het morele relativisme, het onvermogen om tot handelen te komen.

Zelf staat ze als aanklager op het podium, met de welwillende Steve Aernouts als Sartre, als het ware uit de dood herrezen om onze zonden op zich te nemen. Geestig en spits attaqueert Van Dolron de arme Sartre, en Aernouts mag pas wat zeggen als hij het echt meent. Stand-up philosophy noemt Van Dolron dit zelf uitgevonden genre. Ze maakt dit soort voorstellingen nu al een aantal jaar, een persoonlijke zoektocht naar een uitweg uit het cynisme, en ze beheerst de vorm inmiddels virtuoos. De tobberige Van Dolron schuurt prettig met Aernouts’ zachtmoedigheid.

Mooi is het als ze Sartre’s stelling dat schoonheid niet bestaat pareert met een ellenlange opsomming van alledaagse pracht. Extreem herkenbaar is haar beschrijving van dertigersvriendschappen als het uitwisselen van monologen in steriele koffieplekken. Verwarrend is het als ze praat over haar vriendje dat ze na een negen jaar durende anti-romantische relatie ten huwelijk vraagt. Is het authentiek of spel? Van Dolron is altijd meer agitator dan actrice geweest, en haar pogingen tot oprechtheid voelen vaak nogal instrumenteel.

De voorstellingen van Laura van Dolron zijn als afleveringen van een tijdschrift: het format en de toon liggen vast, de onderwerpen verschillen, maar hebben een beperkte bandbreedte. Na er meerdere gezien te hebben begint er iets een beetje dwars te zitten.

Pas aan het eind, als Sartre het woord neemt, wordt het duidelijk: Sartre heeft het allemaal niet zo bedoeld, ook hij was in de greep van angst een een verlammende liefde voor Simone de Beauvoir. “Ben je ooit zo bang om iets te verliezen dat je het niet wilt bezitten?” Sartre is juist altijd op zoek geweest naar tegenspraak, zegt hij. Maar daar zit ‘m nou net de kneep: dat zijn niet de woorden van Sartre, maar die van Van Dolron, uitgesproken door een acteur. En daardoor slaan ze ook weer op Van Dolron zelf terug. Haar voorstellingen blijven discussies met zichzelf en inmiddels is wat meer invloed van buiten, een beetje échte tegenspraak nodig.

Sartre zegt sorry van Laura van Dolron. Gezien 19/4/10 in Den Haag. Te zien in Amsterdam (Frascati): 26/4 t/m 14/5. Meer info op www.nationaletoneel.nl

Recensie: ‘Bij het kanaal naar links’ van De Mexicaanse Hond en Olympique Dramatique

“Wees blij dat de situatie gespannen is”, zegt de ene buurman over de andere. En later; “Wat is er tegen haat? Tegen pure, zuiver haat?” Alex van Warmerdam maakt ongeveer net zo vaak een film als een theatervoorstelling, maar gezellig wordt het nooit. Bij het kanaal naar links biedt weer dezelfde afgemeten zinnen, absurde situaties en droge acteerstijl als zijn eerdere werk, dit keer verpakt in een buitengewoon boosaardig sprookje met zowaar een randje maatschappijkritiek.

Twee families delen de speelvloer, een hellend vlak met een groen en bruin achterdoek, een abstracte jungle. Ieder gezin heeft een éénpersoonsbed en een tafel, links staat een schuurtje waar rechts een kast staat. De familie links bestaat uit een politieagent (Aat Ceelen), die met zijn zwarte uniform met een leren band over zijn borst onmiskenbaar aan een NSB’er doet denken, zijn vrouw en twee kinderen.

Rechts zijn ze iets minder nucleair, met alleen een vader (Pierre Bokma) en een zoon. De twee zoons worden gespeeld door acteurs van de Vlaamse groep Olympique Dramatique, die vroeger nogal opviel door heftig toneelspel, maar in deze voorstelling hebben de twee mannen (Stijn van Opstal en Tom Dewispelaere) precies die intense beheersing die Van Warmerdams stijl vraagt.

Aan het begin is het vooral die speelstijl die intrigeert; het afgepaste praten in korte zinnen, acteurs die nauwelijks lijken te denken of voelen, maar uitsluitend praten en handelen. Bokma is weergaloos onderdanig als gluiperige vader die door zijn zoon wordt afgeblaft, Annet Malherbe als de kalmeringspillenverslaafde moeder is een brok zenuwen, zonder dat het een moment psychologisch wordt. Het verhaal, dat in het begin nog alle kanten op kan (wat doet de zoon de hele tijd in het schuurtje? Wat is de buurman toch aan het hosselen? Krijgt de vader ooit zijn loon? Gaan die geweren nog gebruikt worden?), wint echter al snel aan vaart en voert naar een onherroepelijk en sinister slot.

Van Warmerdam, in deze voorstelling verantwoordelijk voor tekst, regie, decor en muziek, heeft veel te maken met Wim T. Schippers. Beiden zijn buitenbeentjes in het Nederlandse theater. Ze maken slechts om de paar jaar een nieuwe voorstelling, tussen hun vele andere projecten door en juist omdat beide kunstenaars zich zo afzijdig houden van wat er elders in het theater te zien is, hebben hun voorstellingen altijd iets licht oubolligs, al weten ze hun weg naar een ruime schare vaste fans moeiteloos te vinden.

In al z’n eigenzinnige absurdisme staat  Van Warmerdam’s werk vaak een beetje naast de maatschappij. In Bij het kanaal naar links lijkt dat lange tijd ook zo maar in de magnifieke laatste scène en de grimmige uitkomst van het stuk is uiteindelijk duidelijk een statement over kleinburgerlijk nationalisme te zien. Een typische, goede Van Warmerdam kortom, met een aangenaam bijtend slot.

Bij het kanaal naar links van De Mexicaanse Hond en Olympique Dramatique. Gezien: 12/4/11. Te zien in Amsterdam (Stadsschouwburg) 20-25/5. Meer info op www.orkater.nl

Recensie: ‘Post’ van Bellevue Lunchtheater

‘Omschrijf uzelf in drie woorden’ luidt de eerste vraag op het formulier. Daar moet ze even over nadenken. ‘Ik ben… Elsa’, komt er tenslotte uit. Als iemand haar later wil helpen vraagt die: ‘U heeft toch wel een eigenschap?’ ‘Honderden, maar geen drie.’

Nathan Vecht schreef eerder stukken als Fietsen voor Malawi of Go Vote! voor o.a. De Parade, waarin hij grote wereldproblemen terugbracht tot een menselijke schaal. Post, zijn nieuwe stuk, over een klein postkantoor in een afgelegen dorp, kent mooie momenten, maar is niet scherp genoeg voor een satire en niet licht genoeg voor een komedie.

In het postkantoor dat bestiert wordt door Elsa (Leny Breederveld, als altijd aandoenlijk bits) staan de ansichtkaarten onder tl-licht en staat een pannetje soep te pruttelen. Vaste gasten zijn de vergeefs op pakketjes wachtende hangoudere (Cas Enklaar) en een eeuwig zich op nieuwe carrières heroriënterende vrouw (Christine Bijvanck). Het formulier is van de in strak pak gehulde Johnson (René Geerlings) van het hoofdkantoor.

Wat Johnson precies komt doen is niet helemaal duidelijk, maar goed nieuws brengt hij in ieder geval niet. Iets met ‘overcompleet’, ‘herprofilering’, of het ‘in- en doorstroomtraject’. Hij moet vooral heel veel bellen met het hoofdkantoor waar overigens uitsluitend mensen met engelse namen werken.

De clash tussen grootsteedse efficiëntiedrang en rurale sociale cohesie wordt het mooist verwoord door Elsa: ‘Wij deden wat wij deden. En jullie deden wat jullie deden. Wat dat precies was is ons hier nooit helemaal  duidelijk geworden. Maar zolang jullie het niet hier deden ging alles van een leien dakje.’

Maar hoewel Vecht een goed oor heeft voor alledaagse absurditeiten is de tekst niet snedig genoeg. Ander probleem is de clichématige opbouw, met een snelle stadsjongen die zichzelf hervindt in een simpeler leven op het platteland.

En zo blijft Post een voorstelling waarin de acteurs grappiger zijn dan de tekst, zoals Leny Breederveld die aan het hannessen is met een plakbandroller of René Geerlings die bereik zoekt voor zijn mobiele telefoon. Om hen moet je hard lachen, om de rest af en toe een grinnik.

Post van Bellevue Lunchtheater. Regie: Loek Beumer. Gezien 13/3/11 in Bellevue. Aldaar t/m 3/4. Meer info op www.lunchtheater.nl

Recensie: ‘Bye Bye’ van Dood Paard

Parool,recensies — simber op 11 maart 2011 om 02:39 uur
tags: , , , , ,

Eerder dit seizoen maakte Dood Paard met Freetown een voorstelling voor drie vrouwen. Nu zijn de mannen aan de beurt. Kuno Bakker en Gillis Biesheuvel spelen in het kleinste zaaltje van Frascati een kwajongensachtige bewerking van Shakespeare’s Othello, die aan het eind buitengewoon geraffineerd blijkt.

Ze worden daarin bijgestaan door de Marokkaans-Nederlandse acteur Chaib Massaoudi, die de voorstelling opent met een gruwelijk verhaal dat hij vertelt in het Arabisch of Berbers en dat hij ondertitelt met behulp van een overheadprojector, over een kamermeisje dat een verminkt vrouwenlijk vindt in een hotelkamer.

Na dat zware begin wordt hij gedegradeerd tot bankzitter, terwijl Bakker en Biesheuvel in twee uur op weergaloze wijze Othello erdoorheen jassen. Na een ruzie over wie van de twee Othello mag spelen (waarin Massaoudi arbiter is) spelen ze in lange onderbroeken en met voor ieder personages speciaal gebruikte sjaaltjes de scènes over de jaloerse zwarte generaal (traditioneel vertaald als ‘moor’, maar nu consequent Berber of naffer genoemd) die door zijn vaandeldrager Iago wordt opgestookt te geloven dat zijn vrouw Desdemona een ander heeft.

Ze wisselen hedendaags taalgebruik moeiteloos af met prachtig vertaalde lyrische poëzie en na scènes met nu eens demonstrerend, dan weer ironisch ingeleefd spel, volgt altijd weer waaghalzerige slapstick op de vierkante meter. De twee staan op een klein podiumpje van losse planken dat steeds meer uit elkaar valt en dat achtereenvolgens toneel, zeilschip, rariteitenkabinet voor Noordafrikaanse meuk en graf kan zijn. Uit alles blijkt de jongensachtige bravoure van twee acteurs die niet bang zijn om ruw met elkaar om te gaan.

Je zou bij alle spelvreugde bijna vergeten dat Othello eigenlijk een nogal problematisch stuk is, met een zwarte hoofdpersoon geschreven door een witte schrijver voor een wit publiek, nog steeds vaak gespeeld door een witte acteur met zwarte schminck. Ook Biesheuvel verft aan het begin zijn gezicht slordig zwart, en in de loop van de voorstelling komt de grime op zijn handen en kleren te zitten.

Tegen het slot onderbreekt Massaoudi het spelletje. Mag hij ook nog een monoloog doen of zit hij er alleen voor de politiek correcte sier? Met tegenzin wordt hij op het podiumpje uitgenodigd en met z’n drieën doen ze de laatste scène: Bakker als Desdemona, Massaoudi als Othello die de tekst van Biesheuvel nazegt. En dan valt ineens alles in elkaar: Iago die beschuldigingen in Othello’s hoofd plant, Biesheuvel die Massaoudi souffleert, Shakespeare die die zijn denkbeelden over vreemdelingen projecteert en de allochtone indringer die aan het eind de schuld van alles krijgt.

Zonder enige voorkennis van Othello kan Bye Bye misschien een beetje lastig te volgen zijn, maar deze combinatie van spelerslol en intelligentie is onmogelijk te weerstaan.

Bye Bye van Dood Paard. Gezien 10/3/11 in Frascati. Aldaar t/m 26/3. Meer info op www.doodpaard.nl

Recensie: ‘Spoken’ van Toneelgroep Amsterdam

We zien recente filmbeelden van Schiphol en snelwegen, maar dan in vlekkerig zwartwit, als in een oeroude opname. Het is analoog aan wat Thomas Ostermeier wil doen in het theater: door het filter van het verleden kijken naar het heden. De Berlijnse gastregisseur maakt bij Toneelgroep Amsterdam van Ibsens Spoken een onderkoelde, zwarte en bij vlagen schitterende voorstelling, maar blijft worstelen met de actualisering.

In Ibsen’s tijd (het stuk werd in 1892 voor het eerst opgevoerd) was Spoken een schandaal. Het gaat over syfilis, buitenechtelijke kinderen en euthanasie. Weduwe Alving (Marieke Heebink, schitterend beheerst) heeft haar hele erfenis gespendeerd aan een weeshuis in de naam van haar man – een schaalmodel van een klein klassiek gebouwtje staat in het decor. Haar man leidde echter in weerwil van zijn reputatie ‘een liederlijk leven’ en mevrouw Alving wil niet daar hun zoon Oswald iets van hem erft.

Maar Oswald (oprecht aandoenlijk en onschuldig gespeeld door Eelco Smits) heeft al lang iets anders van zijn vader gekregen: erfelijke syfilis. Thuisgekomen wordt hij verliefd op zijn moeders dienstmeisje, maar dat blijkt een andere nalatenschap van zijn vader: een onechte dochter. Oswald was bij Ibsen schilder en nu videokunstenaar (net als Ostermeiers Hamlet, die vorig seizoen in Amsterdam te zien was), de zwartwitte filmbeelden van golven en wuivend gras zou je kunnen zien als zijn werk.

Achter op het podium regent het de hele voorstelling. In een ronddraaiend decor van moderne meubels en schuivende panelen waarop geprojecteerd wordt, geeft Ostermeier binnen een strakke mis-en-scène de acteurs de ruimte om Ibsens debat tot op het bot uit te vechten.

Daarin speelt huisvriend Dominee Manders een doorslaggevende rol. Hij is de morele autoriteit die alle onzedelijkheid ten koste van alles onder het tapijt wil vegen. ‘Welk recht heeft u op geluk?’, vraagt hij mevrouw Alving, die nu eindelijk in het reine wil komen met de losbandigheid van haar man. Hans Kesting speelt hem afwisselend zalvend en spijkerhard en maakt van dominee Manders een meesterlijk villein personage in een mooi pak, maar met versleten sokken. Tussen het leven van plichten dat hij voorstaat en de absolute vrijheid die Alving opeiste worden de jonge mensen vermorzeld.

Tussen de scènes is het af en toe een beetje veel gedraai en geschuif en geprojecteer, maar telkens wordt de voorstelling weer haarscherp in het felle, harde licht, en steeds zien we de schaduwen van de acteurs op de projecties, die helder maken dat wij altijd zelf onze eigen spoken zijn. En soms gebeurt er ineens in een scène tergend lang niets. Een maaltijd bij de familie Alving wordt in doodse stilte doorgebracht.

Ibsens onderwerpkeuze was destijds zo gewaagd dat hij de zaken waarover hij het wilde hebben niet bij naam kan noemen – het woord ‘syfilis’ komt niet voor – en dat maakt actualisering lastig. Het lijkt aan het eind Ostermeier er nog een schepje bovenop heeft willen doen door de incestueuze moeder-zoonrelatie iets te lichamelijk, bijna clichématig modern toneel, door te zetten. In de rest van de voorstelling weet hij meer te vertrouwen op stilering en heldere symboliek.

Spoken van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 27/2/11 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 12/3 en 12/4 t/m 29/4. Tournee t/m 8/5. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Recensie: ‘Topdog/Underdog’ van MC

Parool,recensies — simber op 25 februari 2011 om 01:50 uur
tags: , , ,

De ene broer richt z’n huis in met de opbrengst van winkeldiefstalletjes, de andere broer laat zich verkleed als Abraham Lincoln dagelijks keer op keer neerschieten in een pretpark met een klappertjespistool. Hun vader heeft de oudste Lincoln genoemd, naar de Amerikaanse president, en de jongste Booth, naar z’n moordenaar. ‘Vond-ie grappig.’

Topdog/Underdog is een toneelstuk voor twee mannen van de zwarte Amerikaanse toneelschrijfster Suzan-Lori Parks. Het was een hit off-Broadway (onder anderen Don Cheadle en Mos Def speelden erin mee) en in 2002 won het de Pulitzer Prize voor drama. MC haalde het naar Nederland en zet toneelspeler José Montoya tegenover cabaretier Eric van Sauers.

Van Sauers legt helemaal aan het begin even de feiten uit, die voor Amerikaanse kinderen basiskennis zijn. Over president Lincoln (Van Sauers laat een vijf dollarbiljet zien waarop zijn afbeelding staat) die de slavernij afschafte en daarvoor een burgeroorlog moest voeren en over de toneelspeler John Wilkes Booth die hem tijdens een theatervoorstelling vermoordde met een enkel pistoolschot.

Het decor is de gezamenlijke woning van de twee mannen, een kartonnen vloer, plastic kratten en een enorme hoeveelheid pornoblaadjes. We zien Booth bezig met het verfijnen van zijn skills voor kaartje-kaartje (zeg maar balletje-balletje, maar dan met speelkaarten), om met die oplichterij extra geld te verdienen. Lincoln was vroeger een meester in het spel, en noemde zichzelf Slinke Linc (een geestige variant op de bijnaam van de president: Honest Abe). Bij al het gepraat over meisjes en hun familiegeschiedenis zit hier de echte twist tussen de broers. En als helemaal aan het begin al blijkt dat Booth een pistool onder z’n kussen heeft, is de afloop ook al onheilspellend duidelijk.

Maar door de inleiding is al meteen het grootste probleem van de voorstelling duidelijk. Topdog/Underdog is een mooi stuk, maar speelt op diverse lagen met zeer Amerikaanse geschiedenis en mythologie en de betekenis ervan voor een Nederlands publiek is discutabel. Dat neemt niet weg dat met name het hosselen met de kaarten een paar goeie scènes oplevert, waarbij Eric van Sauers even de meesterlijke komiek mag uithangen.

MC haalt haar toneelstukken meestal uit eigen kweek. Die laten regelmatig in kwaliteit te wensen over, maar zijn in ieder geval herkenbaar geworteld. Deze keuze voor een internationaal geprezen werk is begrijpelijk, maar levert in dit geval te weinig op.

Topdog/Underdog van MC. Gezien 24/2/11 in het MC Theater. Aldaar t/m 5/3 en 21-23/4. Tournee t/m 21/5. Meer info op www.mconline.nl

Recensie: ‘Till the fat lady sings’ van Oostpool

Parool,recensies — simber op 23 februari 2011 om 02:01 uur
tags: , , , , ,

‘Iedereen is bezig om een interessant iemand te worden’, zegt een jonge vrouw vol walging. Ze heeft besloten heeft om niet meer mee te doen en blijft op de bank liggen. Tegelijkertijd realiseert ze zich donders goed dat ze met haar anorexische gedrag, haar obscure Russische spirituele boekje en haar zelfmedelijden zelf ook een heel interessant iemand ligt te wezen.

Till the fat lady sings is een nieuwe voorstelling van Toneelgroep Oostpool, losjes gebaseerd op de novelle Franny en Zooey van J.D. Salinger, over een broer en zus uit een excentriek gezin, intelligent, artistiek en in de twintig. Schrijver Casper van de Putte maakte er samen met regisseur Erik Whien en de acteurs Maria Kraakman en Sanne den Hartogh een mooi oprechte zoektocht naar authenticiteit van, voor jonge mensen van nu.

Met een paar houten meubels, een cocktailshaker, een stippenjasje en een dun stropdasje wordt het verhaal onnadrukkelijk in de jaren vijftig of zestig geplaatst (Mad Man begint ook in de Nederlandse theatervormgeving flinke invloed uit te oefenen), maar de teksten zijn venijnig actueel. Hoe de twee over hun volwassen omgeving praten, vol mensen die commentaar hebben over hun ‘luie generatie’ of juist enthousiast zijn over het jeugdig elan, is venijnig en herkenbaar, net als hun hekel aan ‘de plicht om bijzonder te worden’. Maar de tekst is gemener dan de uitvoering.

Wat de voorstelling doet slagen is de prettig bedaarde toon en sfeer die doet denken aan films als The Royal Tenenbaums of Grey Gardens. Kraakman en Den Hartogh zijn allebei lichte, bijna zwevende acteurs, die inmiddels zoveel samen gespeeld hebben dat ze met minieme middelen hun familierelatie geloofwaardig weten te maken, zij met snelle, stuurse blikken en hij met zijn stem.

Uiteindelijk weten ze voor elkaar iets te vinden dat niet nep en onoprecht is: ze zijn allebei acteurs in radiohoorspelen en maken een ritueel van het poetsen van hun schoenen voor ieder optreden. Via deze zinloze zingeving wordt de voorstelling een liefdesverklaring van vier interessante theatermakers aan hun publiek. Hun schoenen blonken.

Till the fat lady sings van Toneelgroep Oostpool. Gezien 22/2/11 in Frascati. Aldaar t/m 26/2. Tournee t/m 19/3. Meer info op www.toneelgroepoostpool.nl

Recensie: ‘Faust’ van Het Nationale Toneel

Wie besluit Faust op de te voeren haalt zich een probleem op de hals. Want hoewel het tweedelige stuk een rijkdom aan ideeën en filosofie kent die slechts vergelijkbaar is met Hamlet, is Goethe veel minder dan Shakespeare geïnteresseerd in het componeren van een dramatisch spannend verhaal. Onspeelbaar leesdrama wordt het daarom regelmatig genoemd, en met name het tweede deel wordt niet vaak opgevoerd.

Regisseur Johan Doesburg en Het Nationale Toneel hebben het nu dan aangedurft en spelen Faust I & II als marathon van zes uur of op twee opeenvolgende  avonden. Maar ondanks dat het gezelschap groots uitpakt, leiden de bijzondere zaalopstelling, het enorme aantal kostuums en pruiken, de kordaat gemoderniseerde vertaling en bewerking van Janine Brogt en de grote hoeveelheid stijlen en thema’s niet tot een onmisbare theaterbelevenis.

Faust (betrouwbaar, maar niet opzienbarend gespeeld door Jaap Spijkers) is een oude kamergeleerde die aan het eind van zijn leven het gevoel heeft dat hij zijn tijd verspild heeft met het zoeken naar kennis, maar het leven aan zich voorbij heeft laten gaan. De duivel Mefisto biedt hem het bekende contract: een leven lang almacht in ruil voor zijn zieleheil, bezegeld met een drupje bloed. Wat Faust niet weet is dat hij de inzet is van een weddenschap tussen Mefisto en God (een gezette oudere heer in een wit trainingspak), die stelt dat in alle verleidingen de mens toch een gevoel van goed en kwaad zal behouden.

Zo begint Fausts zoektocht naar bevrediging, een reis langs genot, liefde, rijkdom en macht, begeleid door de trommels, bellen en piano-soundscape van Harry de Wit. Maar bij alles wat Faust wil – de liefde winnen van de mooie Gretchen, in de gunst komen bij de keizer, nieuw land winnen uit zee – stribbelt Mefisto tegen. Steeds wordt Faust uitgelokt om zelf morele grenzen over te gaan, moorden te plegen uit passie of om de heerschappij en uiteindelijk laat hij zelfs twee mensen doden omdat hun huis zijn uitzicht bederft.

In de vier delen zit het publiek steeds ergens anders in het theater; een deel op de balkons, een deel op losse stoelen in de door een catwalk doormidden gedeelde zaal en een deel op een stellage van steigers op het toneel. Vlot beweegt de voorstelling van de ene scène naar de andere, maar met name in het tweede deel worden mooie scènes afgewisseld met vette kitsch en wijdlopige uitwijdingen over Walpurgisnacht en krijgt Mefisto een moeilijk te interpreteren eigen verhaal in de Grieke onderwereld.

Stefan de Walle speelt Mefisto adequaat, maar ook weer te weinig bijzonder. Hij is een mooie charmeur, met geestig schlemielige overdrijvingen in spel, maar hij is te weinig gemeen en intens om echt angstaanjagend te zijn. Aan de andere kant: helemaal op het eind – als hij zich Fausts ziel toch laat ontglippen – voel je oprechte sympathy for the devil.

De engelen die Fausts ziel toch nog weten te redden doen dat met het argument: ‘Wie tot het eind zoekt en streeft kunnen wij bevrijden.’ Zo is deze Faust te lezen als een oproep om verder te zoeken naar een betere vorm van samenleving dan de huidige, die aan het begin door Fausts onvrede samen met de rest van de Verlichting beëindigd wordt verklaard. Mocht dat de subversieve boodschap zijn van de voorstelling dan had die wel wat sterker mogen klinken, maar toch blijkt ook in een matige uitvoering als deze het stuk prikkelend genoeg.

Tenslotte is het moeilijk te begrijpen dat de tot in detail doordachte en zorgvuldig vormgegeven voorstellingen van Susanne Kennedy van hetzelfde gezelschap zijn dat zo’n slodderige productie aflevert: slechtzittende kostuums, acteurs die onhandig met bewegende decors moeten hannesen, goedkoop uitziende video-effecten. Het lijkt wel alsof Het Nationale Toneel deze mega-productie even tussendoor heeft willen doen. Jammer, er had meer in gezeten.

Faust I & II van Het Nationale Toneel. Gezien 19/2/11 in Den Haag. Te zien in Amsterdam (Stadsschouwburg) 24/2/ t/m 6/3. Meer info op www.faustoptoneel.nl

Recensie: ‘Dieven’ van het Ro Theater en KVS

Een vrouw heeft een wolf gezien aan de rand van de stad. Ze is opgetogen en verward. Niet per se omdat een wild dier niet thuis zou horen op deze plek, maar vanwege de vraag: ‘Staat wolf voor aanvang nieuw begin/of voor afscheid verval?’

Welkom in de wereld van Dea Loher. Loher is een van de belangrijkste Duitse toneelschrijfsters van dit moment en sinds een paar jaar regisseert Alize Zandwijk haar nieuwe stukken bij het Ro Theater. Dieven is haar meest recente tekst.

Net zoals haar eerdere stukken Onschuld en Het laatste vuur kent ook Dieven geen overkoepelend verhaal. Het is een mozaïek van personages, losjes met elkaar verbonden. De vrouw die de wolf heeft gezien heet Linda Tomason en heeft een vader in een bejaardentehuis, een broer die ze nooit ziet, maar die heeft besloten niet meer uit bed te komen en een vrouwelijke supermarktchef met dezelfde achternaam als zijzelf, die toch geen familie is. En dat is nog niet eens de helft van de rollen.

Ze bewegen zicht in een stad van kartonnen dozen op een hellend toneel. In korte scènes vertellen ze over wolven, verloren echtgenoten, pogingen tot moord en abortus, maar steeds afstandelijk, vaak heel geestig, maar steeds met iets hulpeloos. Er zit een diepe, wanhopige passiviteit in deze personages. De scènes zijn steeds tussen twee of drie mensen. Alleen als de vader een pot worsten heeft, rent iedereen naar hem toe om er een te bemachtigen.

Behalve de dozen en een constante soundscape (van Florentijn Boddendijk en Remco de Jong) laat Zandwijk vooral ruimte aan de acteurs om deze voorstelling richting en diepte te geven. Willy Thomas maakt van de kwade vader een typetje dat toch ontroert, Sylvia Poorta speelt prachtig een obsessieve doorzetter zoals die in ieder stuk van Loher voorkomt, Esther Scheldwacht en Greet Verstraete weten midden in kleine, komische fragmenten tragisch reliëf te brengen.

Fania Sorel, inmiddels de sterspeler van het Ro, is opnieuw weergaloos als Linda, met haar mooie blonde haar en haar saaie steunkousen. Met minimale middelen, en weer totaal anders dan haar vorige rollen, zet ze een vrouw van gekneusd optimisme neer. Het is zo’n zeldzame actrice waarnaar je blijft kijken wanneer ze een beetje tussen de dozen scharrelt en die nooit verveelt.

De spaarzame regie is overigens ook de zwakte van de voorstelling. Bijna iedere keer staan de personages die aan het woord zijn middenvoor op het podium en richten ze het woord direct tot de zaal. Bij een lengte van tweeëneenhalf uur stoort dat. En bij het lopen door de dozen slaat de onbeholpenheid van de karakters terug op de voorstelling zelf.

Maar alleen al de kwaliteit van dit stuk is de gang naar de schouwburg waard. Loher weet iets duidelijk te maken over deze mensen. Iets waarvoor ze van de Japanse kunstenaar Genpei Akasegawa het begrip Tomason leende: ‘Een voorwerp, waarvan niemand weet, wat het voor betekenis heeft. (…) Ergens heeft iemand het bedacht, omdat hij het voor een bepaald doel nodig had. Maar dat is verloren gegaan.’

Dieven van het Ro Theater en KVS. Gezien 16/2 in Haarlem. Te zien in Amsterdam (Stadsschouwburg) 18 en 19/2. Tournee t/m 23/3. Meer info op www.rotheater.nl

Recensie: ‘Hondenliefde’ van Ulrike Quade en The Glasshouse

Parool,recensies — simber op 15 februari 2011 om 17:12 uur
tags: , , , , ,

Een eenzame man zit op een parkbankje. Het bankje staat op een groot schuin vlak, hier en daar liggen hoopjes herfstbladeren. Bij de eerste zinnen die hij spreekt blijkt het een begraafplaats: hij vertelt zijn overleden vrouw over wat hij met het huis heeft gedaan, dat hij haar kleren niet kan wegdoen. Matthias Maat speelt hem als een hond wiens baas verdwenen is.

Het is een gelukkige combinatie: de spaarzame, muzikale teksten van schrijver en regisseur Kees Roorda en de poppen van theatermaker Ulrike Quade. Ze werken nu voor het eerst samen in de lieve en nuchtere lunchpauzevoorstelling Hondenliefde.

Op het kerkhof komen verschillende personages voorbij, allemaal gespeeld door Quade, met steeds nieuwe poppen. Eerst de opzichter en schoonmaker Hafid, met een buitengewoon lange arm en zijn hoofd op Quade’s andere hand, dan een blinde vrouw – Quade met een uitvergroot hoofd. De voorstelling wordt vreemder als uit een gat uit de grond ook de moeder van de man opduikt of als het Christusbeeld dat de man in elkaar zet tegen hem begint te praten.

Het zijn korte, eenvoudige zinnen waarmee ze praten, sober en prettig onpoëtisch. Ze krijgen kleur door de fantasie van Quade die elk van haar personages weer een nieuw karakter geeft, terwijl ze de man steeds opnieuw hetzelfde advies geeft: sta op, ga verder met je leven, blijf niet stilstaan. Of, zoals de flegmatieke Jezus het formuleert: ‘Ga naar huis, koop een nieuwe fiets en ga op vakantie.’

Het is geen wereldschokkende boodschap die Roorda en Quade hebben, maar Hondenhart is eenvoudig en mooi. Overigens is de voorstelling onderdeel van het Pop Arts Festival dat Bellevue organiseert in samenwerking met De Krakeling en het Ostadetheater, waarin veel live animaties en een aantal Belgische voorstellingen te zien zijn.

Bellevue Lunchtheater: Hondenliefde van Ulrike Quade en The Glasshouse. Gezien 15/2/11 in Bellevue. Aldaar t/m 27/2. Tournee t/m 13/5. Meer info op www.lunchtheater.nl

« Vorige paginaVolgende pagina »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2014 Simber | powered by WordPress with Barecity