Recensie: ‘LIstEn & See (LIES)’ van Oostpool en Ward/Ward

“Arnhem till I die” staat er op ronde, rode stickers overal in de Stadsschouwburg. Toneelgroep Oostpool is er een week neergestreken om haar veelzijdigheid te tonen aan het Amsterdamse publiek: lezingen, films en feesten, repertoire in een moderne jas (De Misantroop van Molière in regie van Erik Whien) en experimenteel beeldend theater. In die laatste categorie valt de première van de voorstelling LIstEn & See (LIES) die regisseur Marcus Azzini maakte met de Vlaamse choreografe Ann Van den Broek.

Een echte versmelting van toneel en dans stond beide makers voor ogen en daarin zijn ze zeker geslaagd; dansers praten en toneelspelers (en een paar mimers) dansen en geen moment ziet dat er raar of onnatuurlijk uit. De vorm borduurt sterk door op de eerdere beeldende voorstellingen van Azzini (zoals Er moet licht zijn en Een kleine zeemeermin), en wint aan kracht door de strakke vormentaal van Van den Broek. Alleen inhoudelijk is het zeer mager.

Vier spelers van Oostpool en vijf dansers en danseressen van Ward/Ward staan al voor aanvang als bevroren op het toneel, in nonchalant modieus zwart gekleed. Zodra het zaallicht dooft rennen ze  kriskras over het toneel, meestal alleen, maar steeds met botsingen en korte, heftige momenten van contact: zoenen, droogneuken, elkaar in de houdgreep nemen, of doen alsof de een de ander vermoord, met bewegingen als uit een videogame. Ze staan in het koude licht dat uit tl-buizen aan een vierkant plafond (ontwerp Theun Mosk) op hen schijnt.

Dan valt plotseling het plafond naar beneden. De spelers lijken het nu omhoog te houden, de kleinste met de armen uitgerekt, de grootste torst het gewicht op zijn schouders, het hoofd gebogen. Maar steeds blijven ze bewegen; ze tillen het helverlichte plafond hoger en laten het zakken, het helt een kant op als de lange jongens eronder naar één kant bewegen. En steeds onttrekt één van hen zich aan het ondersteunen om over zichzelf te praten.

En dat is nou jammer. Want die teksten (van Hannah van Wieringen), in krakkemikkig engels, zijn vrij banale puberclichés van onbegrepen individuën die zich door niets willen laten binden. Help toch liever mee die plaat omhoog te houden, wil je ze toeroepen. Of je de vermorzelende dreiging van het plafond nu ziet als de voortdenderende crisis of de onvermijdelijke dood, tegenover zo’n sterk beeld moet je even dwingende taal zetten óf zwijgen.

Wat er overblijft is vampiertoneel: de spelers zijn sexy maar eenzaam; de voorstelling is mooi, maar bloedeloos.

Oostpool is een van de weinige regionale theatergroepen die zo enthousiast blijft experimenteren en zoveel mogelijk vanuit een artistieke impuls blijft opereren, waar anderen kiezen voor toegankelijke formats en doelbewuste versimpeling. Dat is bijzonder te prijzen, zeker nu onvoorspelbare resultaten in de kunst niet meer zo gewenst lijken.

LIstEn & See (LIES) van Oostpool en Ward/Ward. Gezien 1/12 in de Stadsschouwburg. Meer info op www.oostpool.nl. Toneelgroep Oostpool in Stadsschouwburg Amsterdam duurt nog tot 4 december.

Recensie: ‘Krenz, de gedoodverfde opvolger’ van Willem de Wolf, De Koe

Parool,recensies — simber op 17 november 2011 om 02:10 uur
tags: , , ,

“Plaatsvervanger, troonopvolger en veelbelovende zoon.” Zo werd Egon Krenz in 1972 aan het Oostduitse volk voorgesteld. Zeventien jaar lang was hij de tweede man achter partijleider Erich Honecker. Krenz was het moderne gezicht van het Duitse communisme, maar tegelijk moest hij ideologisch zuiver zijn en vooral zich kwijten van zijn taken als tweede man: “stil te blijven zich ter beschikking te houden  en – en dat vooral – onbesproken te blijven.”

Toneelspeler en schrijver Willem de Wolf is zijn hele leven lang al gefascineerd door tweede mannen, al sinds zijn communistische jeugd in Groningen. Als toneelspeler is hij ook altijd aangever, eerst lange tijd voor Ton Kas in het in kleine kring zeer legendarische duo Kas & De Wolf, later voor anderen, zoals voor Lineke Rijxman in het weergaloze Hannah & Martin een paar jaar geleden.

In een door subsidieperikelen gedwongen onderbreking van zijn toneelcarrière voltooide hij de afgelopen jaren zijn studie Duits met een steengoede toneelmonoloog over Krenz, die hij nu, terugvertaald in het Nederlands, als solo opvoert.

In het eerste deel vertelt De Wolf aan de hand van drie geprojecteerde zwartwitfoto’s het verhaal van zijn eigen rode jeugd, waarin de totale ommekeer van de revolutie hand in hand ging met trouw aan zijn door een vernederend jeugdvoorval getekende vader. Het tweede deel gaat over de nadagen van Krenz, die uiteindelijk de macht kreeg op 18 oktober 1989, maar al na anderhalve maand zelf het veld moest ruimen en na de vereniging van Duitsland in de gevangenis kwam.

Het is een lastige tekst, vol herhalingen, zelf verzonnen woorden en uitwijdingen, maar daardoor ook heel geestig en met voldoende uitleg voor wie niet bekend is met de nadagen van de DDR. Hilarisch is het verhaal over intriges in het dorp Wandlitz, waar de hele DDR-top naast elkaar in identieke bungalows woonde, waarbij geheime ontmoetingen via de achtertuinen moeten worden geregeld, zodat Honecker uit zijn raam niet de samenzwering tegen hem zou kunnen zien.

Maar de charme van de voorstelling zit toch vooral in de speler die De Wolf geworden is. Nog steeds geen leading man, zoekt hij de hele voorstelling, met naast zich op toneel technicus en muzikant Pol Geusens naar een vaste rol: soms zie je z’n vader, dan weer een rechter die een vonnis voorleest, dan een geestige Krenz-imitatie op video, later weer een communistische partijspeech. Maar juist het zoeken geeft de voorstelling z’n geloofwaardigheid.

In zijn kritiek op de huidige samenleving schetst De Wolf impliciet een wereld die uit ‘tweede mannen’ bestaat. Want Krenz is geen afrekening met de socialistische idealen, integendeel. Zijn strijdbare conclusie maakt hem uiteindelijk toch een kopman, en dit een van de belangwekkendste voorstellingen van het seizoen.

Krenz, de gedoodverfde opvolger van Willem de Wolf, De Koe. Gezien 16/11/11 in de Toneelschuur. Te zien in Amsterdam (Frascati) 22-26/11. Meer info op www.dekoe.be
Koop de tekst bij De Nieuwe Toneelbibliotheek

Recensie: ‘Midzomernachtsdroom’ door Het Nationale Toneel

BNR Nieuwsradio draait Can’t buy me love van de Beatles, nadat de presentatrice de vijandige overname heeft aangekondigd van het bedrijf Amazona door Theseus, en dat in een moeite door de CEO’s van beide bedrijven ook nog gaan trouwen. Terwijl de muziek schalt, maken talloze bedienden en technici het toneel klaar voor het burgerlijke huwelijksfeest van de in powersuits geklede Theseus (Stefan de Walle) en zijn verovering, de Amazonekoningin Hippolyta (Ariane Schluter).

De voorstelling Midzomernachtsdroom begint bijna als parodie op het maatschappelijk geëngageerde theater dat nu in Nederland zo gangbaar is. Maar regisseur Theu Boermans maakt van zijn debuut bij Het Nationale Toneel een feestelijke, erg geestige avond die uiteindelijk een pleidooi is voor de fantasie op het toneel.

Midzomernachtsdroom is tenslotte Shakespeare’s meest uitbundige komedie, maar ook zijn meest dwaze. Aan de vooravond van de bruiloft verdwalen allerlei types in een sprookjesbos, dat beheerst wordt door elfenkoning Oberon (dubbelrol van De Walle), die met wat tovenarij de liefde, lust en verlangens van de mensen in zijn woud overhoop gooit.

De overgang van de mensen- naar de elfenwereld is een weergaloos effect: de tafels storten in, de enorme partytent zeigt neer en er valt een enorme stroom gruis uit de lucht, tot het hele podium eruit ziet als een open plek in het bos. De ceremoniemeester (Antoinette Jelgersma) transformeert tot Oberon’s knullige helper Puck.

Haar belangrijkste slachtoffer is Bok (Pierre Bokma), een van de theatertechnici die in het woud een amateurtoneelstukje aan het oefenen is om uit te voeren voor het verse bruidspaar. Bokma maakt er met plat Haags accent een verrukkelijk komisch type van, een bombast met een klein hartje, die betoverd wordt tot een angstig balkend ezeltje.

Helemaal aan het eind, als alle betoveringen verbroken zijn, en er inmiddels niet één maar drie huwelijken te vieren zijn, krijgen we als toetje ook nog dat toneelstukje te zien over de voor elkaar stervende geliefden Pyramus en Thisbe, waarin Bokma tussen twee grappen door met drie zinnen tekst en een deerniswekkende blik nog even echt weet te ontroeren. Alleen zijn rol is al de gang naar de schouwburg waard.

De hartstocht van de mens is wispelturig en het is maar goed dat we het huwelijk hebben om haar te temmen, lijkt Boermans te willen zeggen. Midzomernachtsdroom is een niet in de laatste plaats een wedstrijd voor het thuispubliek: Boermans moet de harten van het toch altijd wat conservatieve Haagse publiek weten te veroveren. Dat is hem, gezien de zeer lovende reacties op de première, ruimschoots gelukt. Maar je kunt de voorstelling ook zien als uitdaging aan zijn belangrijkste concurrent: Ivo van Hove’s Toneelgroep Amsterdam. Tegenover diens realistische engagement plaatst hij ongebreidelde verbeeldingskracht. Het Nederlandse theater wordt daar zeker niet minder interessant van.

Midzomernachtsdroom door Het Nationale Toneel. Gezien 11/11/11 in Den Haag. Te zien in Amsterdam (Stadsschouwburg) 19-21/12. Tournee t/m 1/2/12. Meer info op www.nationaletoneel.nl

Recensie: ‘Lokjoden’ van Nieuw West

Parool,recensies — simber op 28 oktober 2011 om 01:38 uur
tags: , , ,

En daar loop je dan door de Damstraat. Met een jas van blauwe vuilniszak met daarop een zwarte davidsster getaped, begeleid door drie chassidische joden en een boom box waaruit Erbarme dich schalt, ongemakkelijk aangestaard door de Wallentoeristen.

Lokjoden is een term van PvdA-politicus Ahmed Marcouch, die naar analogie van lokfietsen en lokhomo’s undercover politieagenten wilde inzetten om antisemitisch geweld tegen te gaan. Maar zo over straat lopend krijgt het woord ook een andere betekenis: de drie begeleiders zijn rattenvangers van Hamelen, die ons streng gebarend overal naartoe kunnen brengen.

Die drie chassidische joden, met hoed, talliet, bakkebaarden in pijpekrullen en zwarte brillen zijn Marien Jongewaard, Dik Boutkan en de veel jongere Diede Zillinger Molenaar. Aan het begin van de voorstelling, nog in een zaaltje van Frascati, zitten ze in een kooi met een enorme hoeveelheid servies en glaswerk. Aan weerskanten van het toneel hangen banieren met davidssterren, tegen de achterwand hangt een spandoek met daarop “Heil heil heil”.

Kortom, in geen tijden was een voorstelling van Nieuw West zo jennerig en irriterend als Lokjoden, en waarschijnlijk komt dat door de hereniging van Boutkan en Jongewaard, die de groep in de vroege jaren tachtig oprichten maar ook al snel weer uit elkaar gingen. Het zijn twee spelers die van elkaar geen bullshit verdragen op toneel en die elkaar opjutten om het publiek eens flink tegen de haren in te strijken.

Het beste stuk is de monoloog met instructies die Jongewaard geeft voor de wandeling door de stad. Onnavolgbaar weet hij de Hollandse Schouwburg, Exodus en de aangekondigde cultuurkaalslag met elkaar te verbinden. “Mensen die ergens in geloven lopen gebogen.” De wandeling zelf wordt een “antropologische déjà vu”.

Tussendoor wordt nog wijn ingeschonken maar nadrukkelijk niet geserveerd, komen Joseph Beuys en een verhaal over Jan Dibbets voorbij, klinkt een afschuwelijke cover van Hallelujah, moet het publiek uit foto’s van beroemdheden kiezen wie “mee” mag en eindigen we een kip zonder kop en de woorden: “Zoek achter de woorden altijd naar het raadsel.”

Het is een associatieve voorstelling, soms nogal hermetisch en vaak uitgesproken lelijk, dwingend en herhalend. Maar tegelijk doet hij de observatie dat al die moderne kunst uit de jaren zestig die nu zo onder vuur liggen ontstaan is vanuit de onmogelijkheid om te spreken over de werkelijkheid van de holocaust. Nieuw West is een groep die zich altijd heeft verzet tegen dat zwijgen. Lokjoden is pijnlijk en schurend en juist daarom nu zo noodzakelijk.

Lokjoden van Nieuw West. Gezien 27/10/11 in Frascati. Aldaar t/m 9/11. Meer info op www.nieuwwest.com

Recensie: ‘Onze Paus’ van Wunderbaum

Parool,recensies — simber op 27 oktober 2011 om 01:07 uur
tags: , , , ,

“Het triviale niveau van uw sociale en morele observaties is niets meer dan teleurstellend.” Met deze woorden wees de Poolse theaterdirecteur Krystyna Meissner het in haar opdracht geschreven stuk Onze Paus van Arnon Grunberg af voor opvoering. De Nederlandse theatergroep Wunderbaum speelt het nu alsnog en maakt er een zotte nachtmerrie van. Maar heeft Meissner niet toch een beetje gelijk?

De Vlaamse neerlandicus Van Rompuy vindt een baantje aan de factulteit Nederlands van de universiteit in Wrocklaw, een beetje tot zijn verrassing na het snotterige sollicitatiegesprek en ook behoorlijk tegen zijn zin want Polen blijkt een soort Wallonië, maar dan erger. Op de eerste dag krijgt hij een fietsongeluk en raakt z’n voortanden kwijt, terwijl zijn meegereisde vriendin nogal overstuur raakt van de vlekken in de matras in hun door de universiteit ter beschikking gestelde woning. En dat is nog maar het begin van zijn teloorgang.

Van Rompuy wordt gespeeld de Vlaamse acteur Oskar van Rompay, die er een weergaloze rol van verbijsterde lijdzaamheid van maakt. Hij zit machteloos in een tandartsstoel, verplaatst zich in een door de universiteit ter beschikking gestelde rolstoel – hoewel hij die niet nodig heeft – komt steeds meer onder het bloed te zitten en heeft voor iedereen die tegen hem spreekt eigenlijk maar één antwoord: “No Polski”.

Ook de rest van het acteursensemble heeft er zichtbaar lol in om er bij het steeds absurder ontsporende toneelstuk nog een schepje bovenop te doen, met een luid orerende professor (Walter Bart op z’n grappigst), naakte mannen met een blinddoek, een vrouw in lingerie met een bomgordel (“kunst is een excuus voor pornografie”, zegt een van de personages, en een hitsige Maartje Remmers doet een geweldige act als tandartsassistente die met geweld dreigt als ze geen nieuwslezeres mag worden) een kind en een paus.

Maar al die vrolijke theatraliteit is verspild aan het nogal magere stuk van Grunberg, dat vooral lijkt te bestaan uit lange monologen met te weinig Grunbergsiaanse aforismes en dat tegen het eind z’n toch al geringe samenhang helemaal verliest. Opvallend omdat het stuk De Hollanders, dat hij dit jaar voor de Amsterdamse toneelschool schreef zo scherp was.

Wunderbaum, dat anders nooit bestaande stukken speelt, zegt juist aangetrokken te zijn door de rare, onaffe structuur. Maar misschien hebben ze zich juist wel te dienstbaar opgesteld. Nu is het met name een voorstelling voor de grootste fans van de schrijver.

Onze Paus van Arnon Grunberg door Wunderbaum. Gezien 26/10/11 in Frascati. Aldaar t/m 1/11. Meer info op www.wunderbaum.nl

Recensie: ‘Free Mason’ van Tjon Rockon

recensies — simber op 21 oktober 2011 om 09:55 uur
tags: , , , ,

Je moet maar durven: met een groot houten kruis over de Kruiskade in Rotterdam lopen en “Mason was een vis!” roepen. De drugsverslaafde bewoners van de Pauluskerk, de afwassers van de Chinese restaurants en wachtende passagiers bij de tramhalte kijken er verbijsterd naar. Sandro Lima schreeuwt als een bezeten godsdienstwaanzinnige teksten over Mason de verlosser.

Even ervoor zijn we bij de Schouwburg opgehaald door een oude man in een wit pak die Suriname bezingt, begeleid door een trompet. In een lange sliert lopen de toeschouwers door het centrum van Rotterdam, steeds begeleid door een paar Surinaamse spelers.

Tjon Rockon is een jonge, Rotterdamse theatermaker met Surinaamse roots. Hij viel de afgelopen jaren op als speler in voorstellingen van Made in da Shade en daarna als maker van gedurfde, performance-achtige voorstellingen. Free Mason, met als uitgangspunt Surinaamse begrafenisrituelen, maakte hij op Oerol – voor De Internationale Keuze bewerkte hij het tot een stedelijke versie, waar het hele verhaal me sowieso meer op z’n plek lijkt.

De optocht eindigt in een open bergruimte onder een stadsflat met veel beton en metalen kooien. Hier staat een grote witte doodskist met een vlag eroverheen. Er is een hond, getrommel, het ruikt naar wierook. We zijn op de begrafenis van ene Mason, maar veel komen we niet over hem te weten. Vijf mannen, allen suri’s met baarden, hebben allemaal zo hun eigen manier om met de dood om te gaan. Het lijkt een soort fantasie-ritueel, met godsdienstige extase, het plengen van sterke drank, winti, het uitdelen van taart, het ritmisch chanten van ‘iene-miene-mutte’ –het publiek doet enthousiast mee – en geborneerde wrok.

Mike Libanon speelt de achterblijver die nog een appeltje te schillen heeft met de overledene: “Maak die kist open! Even verifiëren. Even kijken of ik het niet zelf ben.” Zijn autoriteit geeft de voorstelling gewicht, terwijl de clownerie van Chiron Holwijn (met indianentooi, nertsencapen en trainingsbroek) het steeds licht houdt. Is dit een serieus begrafenisritueel of worden we met z’n allen in het ootje genomen? De absurde en ironische toon is prettig ambigu en deed me denken aan De Warme Winkel en Nik van den Berg.

Dan breekt regisseur Tjon Rockon gewelddadig in in de voorstelling. Met stoelen smijtend verwijt hij de spelers dat ze maar wat doen: “Wat heb jij eigenlijk met Suriname?” Het is een rare ingreep, vooral omdat hij zonder veel verdere uitleg van het toneel verdwijnt en het ritueel gewoon doorgaat, maar nu met een iets oprechtere toon. De overgebleven spelers kleden zich allemaal in het wit en nemen de kist mee naar buiten, waar de dansende stoet in een park tussen enkele vuren eindigt.

Zo is Free Mason een nogal dubbelhartige voorstelling geworden, waar ironie en zuiverheid naast elkaar willen staan. Als je dat bewust wilt doen is het lastig, maar als je het gewoon laat gebeuren, zoals Lima met het kruis voor de Pauluskerk, is het schitterend.

Recensie: ‘Bimbo’ door Boogaerdt/Vanderschoot

Wellustig draaien ze met hun heupen en billen. Borsten vooruit, pijpmondjes, zwart kant en leer. Toch klopt er iets niet. Het is de blik van de vijf speelsters in Bimbo, de nieuwe voorstelling van de mimegroep van Suzan Boogaerdt en Bianca van der Schoot. Die is hard en verveeld, robotachtig.

Over de ‘pornificatie’ van de samenleving is de afgelopen jaren een hoop gediscussieerd, vooral naar aanleiding van de documentaire Beperkt Houdbaar van Sunny Bergman en het boek McSex van Myrthe Hilkens. Bimbo voegt daar weinig nieuwe inzichten aan toe, maar weet doeltreffend en fascinerend de grens tussen wellust en gruwel te bespelen.

Daarvoor worden de toeschouwers voor een batterij aan beeldschermen neergezet. Achter hun rug is het rechthoekige speelvlak, een rudimentaire studio. Met één vaste camera geven vijf speelsters een show die nog een beetje hitsig begint maar al snel ontspoort in een afschuw wekkend schouwspel van folie, maskers en kruispruiken, en alles in fel blauwig licht dat alle vlees er des te onsmakelijker uit doet zien en begeleid door een eindeloze loop van het ranzige hitje My Neck, My Back.

Vooral de doorzichtige plastic maskers die de vrouwen eruit doen zien als ingepakte robots zijn naar, maar ook de plasticine maskers waarmee ze levensechte mannengezichten maken maken je steeds onbehaaglijker. Alle pornoposes komen voorbij, maar ook plastische chirurgie, een zwangere oma en smerige blauwe verfdrank. En je kunt steeds ook even achterom kijken naar hoe de spelers in de smalle ruimte buiten beeld zich steeds opnieuw verkleden in nog sletteriger pakjes van roze leer, schortjes, breede riemen en nepgouden sieraden in de vorm van het dollarteken.

Het is duidelijk dat de makers zich hebben laten inspireren door het befaamde videoclipje bij Windowlicker van Aphex Twin, waar een roedel geile dansende hiphopmeiden het akelig grijnzende gezicht van de Britse deejay digitaal kregen opgeplakt. Maar het contrast tussen de platte beeldschermen en de hijgende, zwetende en onmiskenbaar echte vrouwen maakt deze voorstelling anderhalf uur boeiend.

Alleen het einde, wanneer de vrouwen het achterdoek wegrukken en één voor één alle tv’s uitdoen is stom en moralistisch. Boogaerdt en Van der Schoot tonen een wereld waarin het zoeken naar schoonheid uiteindelijk leidt tot horror. Dat is een rake karikatuur en eentje die je niet zomaar uit kunt zetten.

Bimbo door Boogaerdt/Vanderschoot. Gezien: 20/10/11 in Frascati. Aldaar t/m 22/10 en 13-17/12. Tournee. Meer info op www.bvds.nu

Recensie: ‘Gekluisterd’ van Het Nationale Toneel

Parool,recensies — simber op 20 oktober 2011 om 01:18 uur
tags: , , , ,

Als de witte wand voor het decor naar voren kiept verwacht je een enorme klap, maar net voor hij beneden is komt hij rustig en gecontroleerd neer. Alleen een koude windvlaag raast langs de hoofden van de toeschouwers. Een mooi inzoom-effect zuigt ons meteen in de smerig witte doos erachter, waar Maxie en Kate wonen. Of beter: ze zitten er opgesloten.

Gekluisterd (Bedbound) is een rauw maar erg talig stuk van de Ierse toneelschrijver Enda Walsh. Twee jaar geleden maakte regisseur Susanne Kennedy bij Het Nationale Toneel van zijn New Electric Ballroom een ijzingwekkend horrortableau, nu maakt Johan Doesburg bij hetzelfde gezelschap een voorstelling die volledig drijft op de acteurs.

Iedere ochtend gaat Maxie in zijn enige pak naar zijn werk in het magazijn van een meubelzaak. Het pak is nog klam van het wassen de avond ervoor. Als Mark Rietman het vertelt zie je het joch meteen voor je. Rietman draagt een veel te groot pak met een vistnetshirt eronder. Iemand die netjes wil doen, maar eigenlijk een beest is. Tijdens de lunchpauze maakt Maxie aantekeningen in zijn boekjes ‘vijanden’ en ‘verkopers’.

Als hij zijn verhalen vertelt, speelt Kate (Sophie van Winden) alle overige personages. Zij is dubbel opgesloten: niet alleen in de witte box, maar ook nog in het smoezelige bed in het midden. Ze heeft een bochel en een trekkend been van de polio. Zijn het vader en dochter? Al snel ontsporen de verhalen. Maxie blijkt nogal moorddadig en psychotisch aangelegd en Kate is geobsedeerd door stront en drek. Hoogtepunt is een door Rietman bloedstollend vertelde moordaanslag met terpentine en een sigaar.

“Wat ben ik als ik niet de woorden ben? Dan ben ik lege ruimte”, zegt Kate, en daar raakt ze de kern. Het zijn twee mensen die al pratend en verhalend zichzelf construeren. Nu eens lijzig, dan weer hyperactief, altijd vermoeid en waakzaam. Wat ze vertellen is heftig en soms gruwelijk, maar ook meteen op afstand door de virtuoze taal en beheersing in spel.

Daar wringt de voorstelling ook een beetje. Je luistert graag naar deze twee acteurs, maar waar ze het over hebben blijft ver weg. Net als aan het begin voel je de klap aankomen, maar wordt die uiteindelijk bedwongen.

Gekluisterd van Het Nationale Toneel. gezien: 19/10/11 in het Compagnietheater. Aldaar t/m 29/10. Meer info op www.nationaletoneel.nl

Recensie: ‘Ich schau dir in die Augen, gesellschaftlicher Verblendungszusammenhang!’

recensies — simber op 18 oktober 2011 om 16:40 uur
tags: , , , ,

Voor de openingsavond van De Internationale Keuze is de Rotterdamse Schouwburg even omgetoverd tot de Volksbühne in Berlijn. Dezelfde zwartplastic lappen aan de wanden, hetzelfde lelijke gele voordoek en –het meest in het oog springend – de stoelen in de zaal zijn vervangen door witte zitzakken. Die zitzakken worden in Berlijn overigens alom verfoeid en bespot, ze moeten immers vooral verhullen dat de Oostberlijnse Volksbühne lang niet zoveel bezoekers meer trekt als in de hoogtijdagen van het revolutionaire theaterbolwerk, in de jaren negentig.

Maar goed, bij de voorstelling Ich schau dir in die Augen, gesellschaftlicher Verblendungszusammenhang! passen ze dan weer uitstekend. Voor Nederland is het niet de eerste kennismaking met het werk van de Duitse theatermaker René Pollesch, maar zo prominent stond hij hier nog niet. Vorig jaar zou hij op De Internationale Keuze te zien zijn met de voorstelling Der perfekte Tag – net als Ich schau dir in die Augen… een solo van toneelspeler Fabian Hinrichs – maar Hinrichs brak toen zijn been en de voorstelling ging niet door.

Pollesch is een typisch exponent van de opleiding ‘toegepaste theaterwetenschap’ in Gießen, waar vanuit een theoretische invalshoek het theater bekeken en bedreven wordt. Het levert soms gortdroge, hoogintellectuele exercities op, met theaterteksten op basis van sociologische geschriften vermengd met achttiende-eeuwse boulevardkomedies, maar soms ook fonkelend scherp en ideeënrijk theater-over-theater. Ich schau dir in die Augen… is een eminent voorbeeld van dat laatste.

Waar kijken we naar als we naar iemand op het toneel kijken? Een lichaam? Een representatie? Of een idee? Dat is het centrale probleem van deze voorstelling. Sinds 1971, toen op een conferentie in Bretton Woods de goudstandaard werd losgelaten en het geld niets werkelijks meer representeert, is ook in het theater – volgens Pollesch – elke verbinding tussen wat er te zien is en iets échts louter fantasie, een verhaal. Zelfs het lichaam van de acteur ontkomt daar niet aan; een toeschouwer kan nooit voelen wat een acteur voelt en kijkt dus altijd naar een idee.

Het is de verdienste van de weergaloze Fabian Hinrichs dat deze materie geen droge kost blijft, maar een sprankelende happening wordt. Hij presenteert het met onstuitbare energie als een speels college – steeds onderbroken door old-school hiphop, raggend door het publiek, hangend aan een lampencontraptie, terwijl hij grappen maakt over de boventiteling, halve liedjes speelt op piano, gitaar en drums en de zaal in de maat mee laat klappen. Maar het toppunt is dat hij tegelijkertijd zichzelf als acteur op het toneel problematiseert én van die problematisering weer een sublieme act maakt.

Ich schau dir in die Augen… is theatraal onderzoek van een niveau dat in Nederland niet alleen onbekend, maar ook ondenkbaar is. Daarvoor is het theoretisch denken hier te lande toch niet algemeen genoeg en daarom zit ons theater nog volstrekt gevangen in de “ellendige gezelligheid van de theaterzaal”. Maar het is wel een fabelachtige voorstelling die alles wat hierna op het festival zal volgen direct in een kader zet, als een nieuwe bril waarmee je alles ineens scherper kunt zien. En daarmee is het misschien wel de ideale openingsvoorstelling voor De Internationale Keuze.

Recensie: ‘De Vrek’ van Toneelgroep Amsterdam

Voor een stuk over een vrek ziet het decor er behoorlijk overdadig uit. Op kleur gesorteerde kleertjes  in een inbouwkast achteraan, glimmende nieuwe Macs en spelcomputers meer naar voren en overal in de huiskamer ligt consumptietroep op en onder de designmeubels: flessen drank in AH-tasjes, kant-en-klaartijdschriften en en wegwerppizza’s.

Voor regisseur Ivo van Hove en ontwerper Jan Versweyveld gaat De Vrek van de Franse komedieschrijver Molière (1622-1673) dan ook niet over gierigheid, maar over noodlottige liefde voor geld. Het levert een even modern ogende als stuurloze voorstelling op, veel te zwaar voor een komedie en niet diepgravend genoeg voor een tragedie.

De vrek uit de titel is Harpagon (Hans Kesting) die meer van zijn bezit houdt dan van zijn kinderen en die zich omringt met hielenlikkers en jazeggers, van wie een het heeft aangelegd met zijn dochter. Zijn zoon (Eelco Smits) werkt zich in de schulden en wordt tot overmaat van ramp verliefd op het meisje dat zijn vader voor zichzelf had uitgekozen.

Er lijkt genoeg pit in de dialogen te zitten, maar de toon van de voorstelling blijft lang vlak en afwachtend. Een poging tot fysieke humor als de spelers met veel energie maar zonder enig resultaat de bende in de kamer opruimen is pijnlijk onleuk. De overaanwezige muziek is te loom als de situatie op toneel naar spannend neigt en te gehaast als er niks gebeurt.

Aan Kesting de eigenlijk ondoenlijke taak om Harpagon niet alleen menselijk maar uiteindelijk ook meelijwekkend te maken. Enerzijds is hij zó opvliegend dat hij zijn zoon in een ruzie bijna wurgt, anderzijds is hij beheerst harteloos wanneer hij even later al diens kleren in een gouden hoeslaken vouwt en buiten de deur zet. Zelfs tijdens de lieflijker scènes sluimert de redeloosheid steeds onder de oppervlakte.  Slecht plus slecht slaat dood en als hij aan het eind, berooid en door iedereen verlaten, door zijn huis zwerft, wekt hij geen medelijden maar ongeduld. Kestings 25-jarig jubileum had een beter vehikel verdiend.

Zo blijven er kleine momenten van brille over. Huiskok Fred Goessens –de enige de af en toe even contact maakt met de zaal – bakt terloops een eitje en voert dat aan koppelaarster Marieke Heebink; Heebink en Kesting in een verlegen flirt, maar tijdens het zoenen kijkt zij al vanuit haar ooghoeken naar haar iPad en checkt hij op een monitor de beurskoersen.

De Vrek is een symptoom van waar het de laatste jaren wel vaker fout gaat bij Toneelgroep Amsterdam: oppervlakkige kenmerken van de gekozen toneelstukken worden naar het heden vertaald (wij houden net zo veel van geld als Harpagon!), over de betekenisverschuiving achter die buitenzijde lijken de makers niet zorgvuldig genoeg te hebben nagedacht. Meestal wegen de buitengewone kwaliteit van regie en spel daar ruimschoots tegenop, maar dit keer leidt het tot een ronduit teleurstellende seizoensopening.

De Vrek van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 25/9/11 in de Stadsschouwburg. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

« Vorige paginaVolgende pagina »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2014 Simber | powered by WordPress with Barecity