Recensie: ‘Funzone’ van Mugmetdegoudentand

Funzone begint en eindigt met een lied. De opening is een vrolijk-radicale versie van Rudolph the red-nosed reindeer, waarin het rendier dat gepest wordt met z’n glimmende gok toedeloe zegt tegen de hypocriete Santa – die zonder gids pardoes met z’n slee tegen een boom klapt. De afsluiter is een ‘atheïstische gospel’ met de tekst “Wie ben ik?” als refrein.

Eigenlijk zijn het vier Rudolphs op toneel; allemaal buitenbeentjes op zoek naar zichzelf. Minou Bosua zoekt zelfkennis om zichzelf steeds maar weer te verbeteren, Dickie van den Toorn is bang dat om uit zichzelf niks te zijn en verschuilt zich steeds hilarisch nep-tappend, zijn moeder naspelend en playbackend achter iemand anders. Marcel Musters heeft zichzelf geaccepteerd, maar moet toch steeds schuimbekkend over de politiek tieren. Baby Dee heeft haar lichaam aan haar identiteit aangepast.

Ze is een New Yorkse transgender die amusant kan vertellen over haar leven onder de houthakkers en die zichzelf zingend begeleid op orgel, harp en accordeon. Allevier spelen ze min of meer zichzelf op het toneel, in een uitvergrote versie. Bosua’s zelfverbeterdrang leidt tot implosie, Musters showglimlach is zelfvoldaan op het agressieve af. Alleen Dee blijft nuchter en laconiek.

Met deze voorstelling grijpen Mugmetdegoudentand en Joan Nederlof (tekst en regie) terug op de identiteits-shows uit de jaren ’90, zoals Onder Controle en Enter. Die waren even ijdel en openharig, maar waren die zo licht en vluchtig als Funzone nu is? De spelers kibbelen, dansen, verkleden zich vaak, maar het blijft los zand. Aan het begin vertelt Musters expliciet dat ze het over ‘identiteit’ willen gaan hebben, maar is dat niet een iets te groot onderwerp voor een wufte revue van nog geen anderhalf uur?

Een tweede laag in de voorstelling is interessanter. In hun monologen en discussies playbacken de spelers soms stemmen van een geluidsband (Frans Bauer en Joop van den Ende), Baby Dee herhaalt een tekst van Musters in fonetisch Nederlands, een souffleur zegt teksten voor en tijdens het zingen raakt de tekst op het karaoke-scherm in de war. Onze identiteit komt immers voornamelijk voort uit de buitenwereld.

Ook de individuële acts zijn vaak leuk, met buitenissige, maar volkomen vanzelfsprekend zichzelf zijnde Baby Dee als middelpunt en een lieflijk absurd dansje van een roze thule bloem, een harig beest en een slaapzak als hoogtepunt.

Musters zingt aan het eind van de afsluitende gospel ‘Wie ik ben/weet ik alleen’. Dat is een wel erg gemakzuchtige uiting van het wezenloze cliché dat je in jezelf moet geloven. Heeft Musters probleemloze tevredenheid dan gewonnen? Niet helemaal. Terwijl het licht dooft roept hij met schorre stem: “Ik ga op zangles”. Toch nog iets bij te schaven.

Funzone van Mugmetdegoudentand. Gezien 28/12/12 in Haarlem. In Amsterdam (Bellevue): 28/2 t/m 17/3. Tournee t/m 30/3. Meer info op www.mugmetdegoudentand.nl.

Recensie: ‘Na de repetitie / Persona’ van Toneelgroep Amsterdam

Met haar rug naar het publiek ligt Marieke Heebink op een tafel. Onnatuurlijk uitgestrekt, monumentaal, naakt. De blauwe lijnen op haar bewegingloze lichaam versterken de suggestie van een marmeren beeld. Maar als ze zich omdraait zien we het stretchverband waarin de zender zit, het microfoonsnoer is op haar zij geplakt als de hechting op een lange wond. Voor een keer stoort het niet: Na de repetitie/Persona is een tweeluik dat het theater met al z’n trucs als onderwerp heeft.

Na eerder Scènes uit een huwelijk en Kreten en gefluister regisseert Ivo van Hove opnieuw scripts van de Zweedse filmmaker Ingmar Bergman, en wel twee achter elkaar. Na de repetitie is een televisiescript uit 1984 over een toneelregisseur in een repetitielokaal in een discussie verzeilt raakt met zijn jonge hoofdrolspeelster. Persona (1966) is een film over een actrice die gestopt is met praten en als vorm van therapie met een jonge verpleegster op een verlaten eiland belandt.

Van Hove regisseert Na de repetitie als kamermuziek. Gijs Scholten van Aschat speelt de regisseur zoekend, getergd, in wezen onzeker. Karina Smulders heeft lol met haar rol als slechte jonge toneelspeelster. Samen debiteren ze aardige wijsheden over toneel, maar het wordt pas interessant als Marieke Heebink opkomt. Is zij de overleden moeder van de jonge actrice, of een oudere (maar niet wijzere) versie van dezelfde vrouw? Heebink maakt er een gedenkwaardig nummer van, snel wisselend tussen hitsig, flemend en beklagenswaardig en continu in gevecht met de mouwen van haar jas.

Toch gaat het storen dat er zoveel clichés getoond worden; de regisseur wil controle en kan alleen in zijn kunst leven, de actrices zoeken aandacht en bevestiging. Het eindigt met een mooie dialoog tussen Smulders en Scholten waarin ze hun potentiële affaire in een serie toneelscènes aan elkaar voorstellen en zo de hele verhouding bij voorbaat overbodig maken.

Persona wordt bij Van Hove een soort opera. Na het begin met de naakte Heebink in een klinische ziekenhuiskamer, vallen de muren om en blijkt het hele toneel van de Rabozaal een gigantische vijver, met de vloer als het eiland waar de zwijgende actrice (Heebink dus) zich terugtrekt met haar verpleegster (opnieuw Smulders). Opnieuw is het spel prachtig: de zwijgende, maar aggressief expressieve Heebink tegenover de alsmaar wanhopiger voortbabbelende Smulders, terwijl ze gegeseld worden door de storm, regen en mist die gemaakt wordt door de pontificaal neergezette hi-tech toneelmachinerie rechts.

De paralellen en tegenstellingen tussen de twee delen zijn aardig. Theater als vlucht uit het leven, als plaatsvervanging voor het leven of als oefening hóe te leven. Maar het blijft light toneel, waarin de beelden het gekeuvel overdonderen.

Na de repetitie / Persona van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 13/12/12 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 22/12 en later in februari en mei. Tournee. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Recensie: ‘Somedaymyprincewill.com’ van Sadettin Kirmiziyüz en The Sadists

Daar staat ze: “De schone van Zutphen”. Het blijft een schriele, harige Turkse jongen met een pruik op die haar speelt, maar je ziet haar in de blikken van de mannen die haar bekijken. De Turks-Nederlandse theatermaker Sadettin Kirmiziyüz maakte een voorstelling over zijn zus, net als hijzelf geboren en getogen in Nederland, die een paar jaar geleden de beslissing nam om te trouwen in Turkije en in Istanbul te gaan wonen. Het is een mooie, tikje onevenwichtige  voorstelling geworden, waarin romantiek uiteindelijk sterker is dan maatschappijkritiek.

Kirmiziyüz is niet de enige die zich op toneel bezighoudt met zijn familie. Eric de Vroedt maakte van Mightysociety10 een portret van zijn ouders, Nasrdin Dchar speelde zijn moeder in Oumi en net als Kirmiziyüz maakt Ilay den Boer een reeks voorstellingen waarin hij zijn hele familie langs gaat. De mooiste van Kirmiziyüz was tot nu toe De vader, de zoon en het heilige feest, waarin hij vertelt hou hij als “agnostische, geassimileerde migrantenzoon” samen met zijn vader op Hadj ging naar Mekka.

Somedaymyprincewill.com speelt zich af in het decor van zijn zusters bruiloft, een uitbundig feest van roze thule en tafels vol colablikjes, met als band de drie geweldige theatermuzikanten van The Sadists (Erik van der Horst, Kaspar Schellingerhout en Viktor Griffioen) die hun hand niet omdraaien voor zoetgevooise close-harmony, vuige rock, techno of Turkse bruiloftstampers en die ook ingeschoven worden als secundaire personages, wat ze alledrie met buitengewoon geestig en innemend doen.

De scènes zijn al even gevarieerd, de voorstelling springt heen en weer tussen pastische op een kasteelroman, modern geëngageerd toneel en Bollywood-romantiek. In kort bestek schetst Kirmiziyüz het contrast tussen hemzelf (vwo, veel blowen, toneelschool, veel meisjes) en zijn zus (mavo, wonend bij haar moeder, baantjes bij een pizzeria en een zonnestudio, besluiteloos over wat ze met haar leven wil). Hij is een prettige, slimme toneelpersoonlijkheid, die familieverhalen moeiteloos lardeert met verwijzingen naar Homerus, Darth Vader en de Statenbijbel en die aan het eind een prachtig bruidje wordt. Dit is een voorstelling waarin de Teenage Mutant Ninja Turtles als heldere metafoor worden gebruikt. Kom er maar eens om.

In een effectief aandoenlijk op toneel gezette chat-sessie op Maroc.nl ontmoet ze een imam en besluit ze haar geloof serieuzer te gaan nemen een hoofddoek te gaan dragen. Haar broer is kritisch: “Je trekt een hoofddoek aan om weg te lopen voor de échte keuzes in je leven”, maar achter zijn commentaar schemert spijt dat híj niet met haar in gesprek is gegaan.

Een echte confrontatie blijft uit en dat is jammer, maar de voorstelling maakt mooi duidelijk waarom: deze familieleden hebben niet tegengestelde opvattingen, maar leven in volslagen verschillende werelden. Dat is een vorm van eigentijdse tragiek die Kirmiziyüz knap heeft gevangen.

Somedaymyprincewill.com van Sadettin Kirmiziyüz en The Sadists. Gezien 29/11/12 in De Brakke Grond. Aldaar t/m 1/12. Tournee t/m 1/3/13. Meer info op www.troubleman.nl

Recensie: ‘Nora’ van Toneelgroep Amsterdam

Het is een foefje dat Halina Reijn als geen ander beheerst: de ongepaste lach. Een echtgenoot leest haar de les over haar spilzucht: een ondeugende lach en de stemming wordt weer speels; een vriend zegt dat hij op sterven ligt: de lach maakt het ineens bespottelijk. Het ongelofelijk knappe aan Reijn is dat ze met dat lachje alle situaties kan omdraaien: dreiging wordt vrolijkheid, leed wordt hanteerbaar, ernst wordt spel.

Er wordt veel ongepast gelachen in Nora van Ibsen, dat vrijdag bij Toneelgroep Amsterdam in première ging. Het stuk uit 1879, dat als proto-feministisch wordt gezien, gaat over het huwelijk van de titelheldin en Torvald. Aan de buitenkant ziet het er gelukkig uit, maar de harmonie wordt bedreigt door een misstap van Nora uit het verleden: in moeilijke tijden heeft ze een keer geld geleend (op zich al iets om niet aan haar man te vertellen) en daar zelfs een handtekening voor vervalst (erg genoeg voor totale maatschappelijke uitsluiting).

Bij regisseur Thibaud Delpeut (die eerder bij TA Al mijn zonen maakte) is dat huwelijk een vrij lichtvaardige aangelegenheid: Reijn’s Nora is een shopverslaafd, oppervlakkig en kinderlijk prinsesje. Stiekem peuzelt ze de door haar man verboden koekjes. Als haar man (Thomas Ryckewaert) zijn krekeltje berispt wordt ze kirrend onderdanig en ontstaat er een even pervers als routineus machtsspel. Tussen glimmend witte wanden staan drie totaal niet bij elkaar passende, maar zeer duur uitziende meubels: het gaat hier om protserigheid zonder achterliggend idee of gevoel. Tegen iedere bezoeker die op de banken plaatsneemt verkondigt Nora met een beate glimlach hoe gelukkig ze wel niet is.

Dat dit niet goed afloopt is al snel duidelijk, maar wat de voorstelling spannend houdt is in hoeverre Reijn’s Nora zich bewust is van de leegte van haar huwelijk en in hoeverre ze die leegte in stand houdt omdat die lekker eenvoudig en comfortabel is.

De plot wordt door Delpeut met een bijna abstracte helderheid afgewikkeld. De advocaat bij wie Nora ooit geld leende komt ongewild door haar toedoen in de problemen en dreigt de zaak openbaar te maken als zij hem niet helpt. Deze Krogstad wordt gespeeld door Bart Slegers, die per dit seizoen in het ensemble van TA is opgenomen. Dat is een aanwinst: zijn Krogstad is een prachtige engerd van wie je blijft zien dat zijn daden voortkomen uit wanhoop en niet uit perversie of sadisme.

Het eind, waarin alles uit elkaar knalt en er niets meer te lachen valt, is gelaagd en modern. Nora verwijt Torvald dat ze voor hem nooit meer is geweest dan een pop. Dat is waar, maar tegelijk is duidelijk dit geen onderdrukking is, maar een terugtrekking in gerieflijke rolpatronen met wederzijds goedvinden. Dat resoneert, niet in het minst omdat Reijn de hele voorstelling toch een soort uitvergrote versie speelt van haar eigen publieke imago.

Maar zowel Reijn als Nora zijn meer dan de oppervlakte die ze zo meesterlijk in de hand hebben. De slotscène is ronduit indrukwekkend, met een totaal getransformeerde actrice in diepe wanhoop en desillusie.

Nora is een van Reijns mooiste en meest intense rollen tot nu toe en is op een mooie manier complementair met haar rol van Kat in Het temmen van de Feeks van Ivo van Hove: allebei gevangen vrouwen die zich bevrijden. En meteen zie je hiermee zie je het verschil tussen de geestverwanten Van Hove, uiteindelijk een romanticus, en Delpeut, die jonger, politieker en harder is en die hier overtuigend debuteert in de grote zaal.

Nora van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 9/11/12 in de Stadsschouwburg. Aldaar 6 t/m 13/12 en 22 t/m 26/1/13. Tournee. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Recensie: Mightysociety10

Eindelijk zit de zoon tegenover de vader. Niet alleen is het de climax van de voorstelling, het lijkt alsof alle tien de delen van Mightysociety hebben toegewerkt naar dit moment. In negen delen nam schrijver en regisseur Eric de Vroedt de wereld op de korrel in een reeks maatschappelijk geëngageerde theatervoorstellingen. Het tiende en laatste deel, dat gisteren in première ging, is veel persoonlijker van aard. En in zijn openhartigheid blijkt De Vroedt even expliciet als eerder in zijn engagement.

Lex, een failliete horeca-ondernemer, is in Soerabaja terecht gekomen, waar hij in het Shangri La op de pof leeft en verliefd wordt op de zus van de hotelmanager. Als hij een hartaanval krijgt, belt hij zijn van hem vervreemde zoon Ramses, die een week later met z’n moeder op de stoep staat. Maar Lex blijkt nog niet stervend, hij heeft trouwplannen.

Met zijn goedkope smoking en zijn lichtpaarse zonnebril lijkt Hein van der Heijden’s Lex zo weggelopen uit een Martin Scorsese-film. Het is een weergaloze rol, een gladjakkerige hedonist die zichzelf in de puree draait, maar die nooit zielig is omdat hij met zijn grote bek altijd onafhankelijk blijft. Al even goed is Esther Scheldwacht als de moeder, en indovrouwtje dat even timide verontschuldigend als bikkelhard koloniaal is. Zoon Ramses (Bram Coopmans) is een succesvol beeldend kunstenaar, die twijfelt over de zin van zijn serie bunkers in conflictgebieden.

Met hen heeft De Vroedt zichzelf zijn eigen ouders op toneel gezet en hij gebruikt de opkomst van de Aziatische tijgerlanden, zoals Indonesië, slechts als aanleiding voor een veel persoonlijker confrontatie. Het publiek zit aan weerszijden van de speelvloer, de dansvloer van de hotelbar, met in het midden een podiumpje waar kortgerokte en barok hoog gehakte nachtclubmeisjes verveeld sexy dansen op de geweldige muziek (van Florentijn Boddendijk en Remco de Jong), wezenloze housebeats met aziatische accenten en verknipte jazz.

De Vroedt heeft nog steeds de vinger op de tijdgeest en Ai Wei Wei, Gangnam Style, de teloorgang van de Euro en de Aziatische voorliefde voor Louis Vuitton komen allemaal voorbij. Bovendien weet hij mooi het energieke optimisme van een continent in opkomst te plaatsen tegenover het wanhopige cynisme van het uitgebloeide Europa, al toont hij dat de hotelmanager (Phi Nguyen) heel snel bereid is om mee te gaan in het piramidespel van het kredietkapitalisme. Tegelijk is Mightysociety10 excessief: minstens een half uur te lang, en toch nog vol met onafgemaakte verhaallijntjes en niet ingeloste verwachtingen.

Maar, en dat is het machtige inzicht van deze voorstelling, de grote conflicten vinden niet plaats tussen continenten, maar tussen familieleden. De Vroedt heeft zelf aangegeven dat het stuk een poging is om een laatste gesprek te hebben met zijn vader, die vorig jaar overleed en die nooit iets begreep van zijn kunstenmakende zoon. Uiteindelijk gaat hun gesprek in de laatste scène niet over kunst of over onbegrip, maar over aandacht en genegenheid.

Hiermee beent De Vroedt zijn drijfveren uit tot op het bot. Dat is moedig en intiem en gek genoeg versterkt het de eerdere delen van de serie. Het is alsof hij met dit laatste deel van Mightysociety een verdiepende draai aan zijn kunstenaarschap heeft gegeven. Zo is hij enerzijds terug bij af en anderzijds klaar voor een toekomst vol nóg dieper geëngageerd theater.

Mightysociety10 van Eric de Vroedt. Gezien 4/11/12 in Frascati. Aldaar t/m 9/11 en 8 t/m 12/1/13. Tournee. Meer info op www.mightysociety.nl

Recensie: ‘Hetty & George’ van Adelheid Roosen en George Groot

Parool,recensies — simber op 28 oktober 2012 om 21:19 uur
tags: , , ,

We zijn op visite in een hondenmand. Geen stoelen en een podium in de Palonizaal van Bellevue, maar een zacht landschap van pastelkleurige dekens, kussens en doeken in helder daglicht. Voordat je naar binnen mag moeten je schoenen uit. Het is een ruimte die uitnodigt tot intimiteit en anderhalf uur lang bewegen George Groot en Adelheid Roosen zich op het randje van behagelijke en ongewenste openhartigheid.

Groot (oprichter van Don Quischocking) en Roosen (tegenwoordig vooral bekend van de Gesluierde monologen en haar community theaterproject Zina) maakten zo’n twintig jaar geleden een paar voorstellingen samen (o.a. Tergend langzaam wakker worden) en komen nu voor een lunchpauzevoorstelling in Bellevue weer bij elkaar.

Er is nogal wat gebeurd in de tussentijd: Groot’s vrouw Ank overleed twee jaar geleden en sindsdien komen er regelmatig jongens bij hem thuis, en Roosen’s autoritaire moeder (Hetty uit de titel) kreeg Alzheimer. Ze vertellen er luchtig en laconiek over tegen het her en der door de zaal verspreide publiek, en ook vooral tegen elkaar.

Het gemeenschappelijke thema is al snel helder: het leven werpt je iets verschrikkelijks toe, maar tot je eigen verbazing geeft het ruimte en wordt het op een bepaalde manier een geschenk. Groot, een man van 70, leeft weer als een 19-jarige en Roosen zegt: “Er is een kind in mij dat altijd op het kind in mijn moeder heeft gewacht.” Het zijn tere persoonlijke verhalen, die je soms in verlegenheid brengen; wil je wel horen over Roosen in de overgang of over de eerste keer dat er een escort jongen bij Groot in huis stond?

Daarbij komt dat er flink gesleept wordt met het publiek. Wil dat meisje even hier tegen deze jongen aan komen zitten? Directief sjort Roosen aan de toeschouwers todat ze het mooi vindt. Mag Groot even tegen die jongen met die mooie ogen aanliggen? Het knappe van de voorstelling is dat er zoveel mogelijk is door de knusse setting en Roosen’s intense en Groot’s ontwapenende optreden.

Eigenlijk is de voorstelling zelf ook een ongewenste gebeurtenis, die de verwachtingen van het publiek op z’n kop zet. Maar ook hier ontstaat ruimte voor iets bijzonders, juist door de zachte verlegenheid die Hetty en George oproepen.

Hetty & George van Adelheid Roosen en George Groot, Bellevue Lunchtheater. Gezien 28/10/12 in Bellevue. Aldaar t/m 18/11. Meer info op www.theaterbellevue.nl

Recensie: ‘In die nag’ van Dood Paard

Een groepje van vier hangt rond in de Blincker, het theatercafé van Frascati. Ze hebben blijkbaar diepzinnige onderonsjes en verplaatsen van tafel naar tafel, naar bar, naar trap. Ze vallen nogal op: ze zijn van top tot teen in het oranje, met maffe hoedjes, voetbalbroekjes, veiligheidshesjes en pruiken.

De vier, Manja Topper, Gillis Biesheuvel, Joachim Robbrecht en Marien Jongewaard, zijn de spelers van In die nag, de nieuwe voorstelling van Dood Paard, geschreven door Rob de Graaf. Na zijn stuk Freetown, ook voor Dood Paard twee jaar geleden, gebruikt hij nu opnieuw Afrika als lens om naar onszelf en onze relatie met de ander te kijken, maar de voorstelling In die nag is weerbarstiger en minder eenduidig.

De voorstelling is een drieluik dat begint in het café. De vier oranjeklanten blijken een totaal verzuurde, typisch Hollandse zeikfamilie. Vanaf de balustrade boven de bar krijsen ze hun ongenoegen over het land, het leven en elkaar uit over de toeschouwers onder hen. Ze spreken een voor een, heftig gesticulerend, maar als een ander het woord neemt bevriezen ze in een groteske grimas. “Als ik een mening heb, dan ventileer ik ‘m. Hersens zijn net darmen: als je ze niet af en toe leegt dan krijg je alleen maar verstopping.” Ontevreden zijn ze, en dat is van iedereen de schuld, van de kinderen, de ouders, het land, de bureaucratie, nu ja in ieder geval niet van henzelf.

Maar ze hebben een oplossing: ze gaan verhuizen naar Afrika. Het is de opmaat voor het langdurige ritueel waarmee het publiek de zaal wordt geloodst. De spelers dansen in pluchen dierenkostuums, delen een plukje gras en een boontje uit aan iedere bezoeker die binnenkomt en zetten met water een stip op hun voorhoofd. Ze verkleden zich in lange gewaden en spannen een enorm grote doek vlak boven de hoofden van het publiek.

Onder die tent is er ruimte voor voorzichtige en onzekere gedachten. Een groep mensen is op zee en zwalkt de aarde rond. Zijn het piraten, kolonisten of bootvluchtelingen? “Ons schip heeft geen roer en geen anker.” Zowel Dood Paard als De Graaf laten zich hier van een onkarakteristiek lyrische kant zien en dat smaakt naar meer.

Het laatste deel is echter koud en slepend. De vier spelen weer een familie, maar nu in Zuidafrikaanse woonwagens. Ze zijn niet meer verbonden met hun thuisland, maar evenmin geworteld in het land van aankomst. De tekst is ineens in het Zuidafrikaans, maar het is vrij goed te volgen – de taal is simpel en wat Jongewaard ook spreekt, het wordt toch Amsterdams. De lethargie is verwoestend. Wat het gezin aan het begin aan energie en woede te veel heeft, heeft deze te weinig.

Als je de vier aan het eind ziet als dezelfde familie van het begin (wat niet per se hoeft) is er niets van ze overgebleven behalve jaloezie op de buren en de verwachting dat het morgen op de een of andere manier vanzelf beter wordt. In vorm en spel is dit Dood Paard op z’n best, maar waar het ze nu om te doen is blijft te lang onhelder.

In die nag van Dood Paard. Gezien 27/10/12 in Frascati. Aldaar t/m 4/11. Tournee t/m 13/2/13. Meer info op www.doodpaard.nl

Recensie: ‘De verleiders: de casanova’s van de vastgoedfraude’

Nu zo’n beetje alle Nederlandse romans voor het toneel bewerkt zijn, ontdekken theatermakers een nieuwe bron: non-fictie boeken. Opvallend: twee boeken over witteboordencriminaliteit zijn het eerst aan de beurt. Vorig seizoen De prooi van Het Nationale Toneel over de val van ABN-Amro en nu De verleiders, naar De vastgoedfraude van journalisten Vasco van der Boon en Gerben van der Marel. Waar De prooi een Shakespeareaans koningsdrama werd, kiest bewerker George van Houts voor een prozaïscher invalshoek: wat zou u doen?

De verleiders zelf zijn vijf mannen in goed gesneden pakken: Pierre Bokma en Victor Löw zijn ieder voor zich al zwaargewicht genoeg om een voorstelling te dragen, samen met Leopold Witte, Tom de Ket en Van Houts is het een flinke testosteronbom op het toneel. Ze spelen personages die gebaseerd zijn op de kleurrijke figuren uit de fraudezaak rond het Bouwfonds, maar ze zijn gecondenseerd, net als hun namen: Nico Vijsma werd Vijs, Jan Van Vlijmen werd Vlijm, enzovoort. De acteurs geven zelf al toe dat ze de feiten gedramatiseerd hebben en sommige dingen zijn verzonnen.

We volgen ze in korte, cabareteske scènes bij het maken van grote vastgoeddeals (met geprojecteerde grafiekjes wordt tevergeefs gepoogd die te verduidelijken – het gaat steeds gaat over hoe geld verdeeld wordt, maar niet over waar het vandaan komt) en later in de rechtszaal waar ze ter verantwoording worden geroepen.

De mannen spelen vet en vaak over the top, maar in dit geval is het volkomen gerechtvaardigd. De details van de zaak zijn absurd en bijna ongeloofwaardig theatraal. Vooral Bokma als de goeroe-achtige adviseur Vijs (“Op welk gebied adviseert u?” “Breed. Heel breed.”) is erg leuk als de macher die met slijmen, intimidatie, citaten uit Macbeth en een overdosis ‘fuck you’ iedere deal in z’n voordeel beslecht.

Wat erg goed is, is de steeds terugkerende link met het hier en nu. De acteurs beginnen als zichzelf, Bokma vertelt over een extreem overbetaalde schnabbel die hij ooit voor het Bouwfonds deed en Van Houts en De Ket hebben een geestig conflict over een verkochte auto, een deal die uitstekend uitlegt wat er nou mis was met de onderhandse handel in vastgoed.

Het publiek wordt ter verantwoording geroepen door middel van het verhaal van Will en Mind, twee kleine vastgoedjongens die stapje voor stapje het spiel van de big boys ingetrokken worden. Steeds stappen ze even uit hun rol. Zou u dit anders doen? Wanneer zijn ze over de schreef gegaan?

Iedereen is schuldig, niemand slaat een meevallertje af, dat is de cynische moraal die de voorstelling uitdraagt. Het wordt er een beetje plomp ingeramd door een paar harde monologen over hebzucht en kapitalisme die de voorstelling platter maken dan nodig is.

De verleiders: de casanova’s van de vastgoedfraude van Bos Theaterproducties. Gezien 4/10/12 in DeLaMar. Aldaar 17/10 t/m 4/11. Tournee t/m 31/1/13. Meer info op www.bostheaterproducties.nl.

Recensie: ‘Spiegel’ van Schweigman&

Parool,recensies — simber op 27 september 2012 om 22:26 uur
tags: , , ,

Als het over theater gaat wordt het woord magie vaak misbruikt, maar hier is het een keer echt op zijn plaats: de voorstelling Spiegel van Boukje Schweigman is een magische belevenis, een serie beelden van onaardse schoonheid en een diepzinnige beschouwing over mens zijn.

Door een smalle kier in een lange wand zie je eerst flikkerende schimmen in rood en wit. Dan worden langzaam figuren duidelijk. Vliegen ze? Zweven ze gewichtloos? Drijven ze vlak onder een wateroppervlak? Zijn astronauten in een ver universum of embryo’s in een baarmoeder?

Zoals altijd bij de voorstellingen van Schweigman is het decor, of liever gezegd de installatie, ontworpen en belicht door Theun Mosk. Hij plaatste het publiek aan weerszijden van een grote doos, maar geeft ons maar een smalle streep waardoor we de beelden kunnen zien. Opnieuw werkt hij in het begin met onwaarschijnlijk weinig licht, zodat de lichaamloze gezichten van de twee spelers/dansers (Marinke Eijgenraam en Toon Kuijpers) geestverschijningen worden in een peilloze diepte.

Later in het scherpe witte licht ontdekken de twee elkaar, kruipen hangend en vliegend naar elkaar toe, worden zichzelf gewaar in de spiegel uit de titel – die nog een prachtige verrassing herbergt – en zoeken éénwording met zichzelf. De spelers zijn niet alleen volledig beheerst, maar ook op een indrukwekkende manier leeg. Ze kijken naar zichzelf en naar ons zoals dieren kunnen kijken, of baby’s: peinzend, maar zonder gedachtenwereld.

Schweigmans beelden zijn altijd verraderlijk eenvoudig, maar blijken altijd oneindig gelaagd. En in het gebruik van spiegels, water en zwaartekracht doet haar werk nu meer dan ooit denken aan dat van de IJslandse kunstenaar Olafur Eliasson. Je zou kunnen interpreteren dat de voorstelling gaat over de evolutie van de mens, of over de mythe van Narcissus die verliefd werd op zijn eigen spiegelbeeld, of over lichamelijke vervreemding.

Schweigmans thema’s zijn vaak te banaal om op te schrijven, maar nu al zo’n tien jaar lang weet ze samen met Mosk in bijna iedere voorstelling op indringende wijze iets onzegbaars duidelijk te maken over het lichamelijke dier dat mens heet. Spiegel is gewichtloos theater van ondragelijke zwaarte.

Spiegel van Schweigman&. Gezien 27/9/12 in Frascati WG. Aldaar t/m 14/10. Tournee t/m 15/12. Meer info op www.schweigman.org

Recensie: ‘Pitbull’ van Bellevue Lunchtheater

Een schrijfster is zwanger, haar man is bankier, haar buurman fokt pitbulls om mee te vechten. De nieuwe lunchpauzevoorstelling in Bellevue lijkt even te gaan over een donker-romantische driehoeksverhouding, maar helaas heeft schrijfster Annemarie Slotboom veel verder reikende ambities.

De pitbullman –groot, kaal en getatoeëerd– staat op een dag bij de vrouw voor de deur op zoek naar zijn hond, maar blijkt al snel een vrij bedreigende belangstelling te hebben voor de bezittingen van het stel. Haar man vindt de pitbullman vooral intimiderend, maar de vrouw raakt gefascineerd door zijn morele ongebondenheid.

Slotboom wil het echter al te nadrukkelijk hebben over het thema verantwoordelijkheid trapt daarbij in een val die veel Nederlandse theaterteksten kenmerkt, namelijk dat de personages vrijwel uitsluitend in abstracties praten. De bankier is blijkbaar –en geheel vanzelfsprekend- verantwoordelijk voor veel ellende, maar wat dan precies blijft onduidelijk. De pitbullman leeft voor zijn hondengevechten, maar over hoe dat zoal in z’n werk gaat –je wordt toch nieuwsgierig naar zo’n personage– zwijgt hij. In plaats daarvan heeft hij het over dingen als “verbetenheid” en “instinct”; dingen die je als toeschouwer pas gaan interesseren als ze een bedding hebben van concrete context.

Het probleem wordt nog eens versterkt door de volstrekt humorloze regie van Leen Braspenning, die lijkt te denken dat Pitbull een groots ideeënstuk is. Door die zwaarte krijgt de problematiek -zwangere vrouw heeft crisisje uit onzekerheid over de toekomst– iets enorm verwends. Slotboom heeft echter een droge, licht absurde schrijfstijl die vaart nodig heeft en een lichte toets.

Alleen Jacqueline Boot, die de vrouw speelt, weet met een natuurlijke nuchterheid de juiste toon te raken. Noël S. Keulen is niet slecht als de pitbullman, maar is niet vervaarlijk genoeg en Niels Croiset als de man is veel te luid en te toneelmatig voor dit kleine podium. In het functionele decor, een designbank en een draaiend projectiescherm, vallen de rustige beelden van Johann van Gerwen op.

Het thema van een labiele relatie die verstoord wordt door een merkwaardige buurman gebruikte Slotboom een paar jaar geleden al in Er staat een boom in de weg, dat kleinzieliger en absurder en daardoor beter was. Ze blijft stukken schrijven die te breed opgezette thema’s in een te minimale setting wil behandelen. En dat blijft knellen.

Pitbull van Bellevue Lunchtheater. Gezien 21/9/12 (try-out) in Bellevue. Aldaar t/m 14/10. Meer info op www.lunchtheater.nl

« Vorige paginaVolgende pagina »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2016 Simber | powered by WordPress with Barecity