Seizoensoverzicht 2012/2013

beschouwingen,Theatermaker — simber op 4 oktober 2013 om 10:00 uur
tags: ,

Het was het seizoen van de bijl. Op 1 januari 2013 ging de nieuwe cultuurnotaperiode in, en daarmee werden de inmiddels al zo lang geleden aangekondigde bezuinigingen werkelijkheid. Een aantal prominente instellingen sloot hun deuren en andere fuseerden, verhuisden of zochten eigen manieren om de kosten te drukken. Maar wat was er dit seizoen in de theaterzalen eigenlijk te merken van de kaalslag? En welke onderwerpen houden de theatermakers bezig?

De voortekenen waren niet gunstig. Toneelgroep Amsterdam had slechts drie nieuwe voorstellingen op de rol, in april gingen tien dagen voorbij zonder één theaterpremière. “Dat is, vermoed ik, buiten de zomervakantie nog niet eerder voorgekomen”, schreef Hein Janssen in een column in de Volkskrant. Het leek de voorbode van de zeer magere jaren die het theater te wachten stond, maar de situatie bleek genuanceerder te liggen. Seizoen 2012/2013 werd gepland nog vóór de uitslag van de subsidiebeslissingen bekend was. Omdat de theaterproducenten weinig zekerheid hadden over hun financiële armslag na 1 januari, kozen de meesten voor een uiterst voorzichtige planning, met veel reprises en weinig nieuw werk.

Vooral in de eerste seizoenshelft zetten de afscheidsvoorstellingen de sombere toon. Carver hernam hun eerste voorstelling, het ruim twintig jaar oude Café Lehmitz, Het O.T. speelde Zeezicht van Edward Albee, De Engelenbak hield haar laatste Open Bak, het Rozentheater verkocht haar inboedel op Facebook. Ook de groepen die aankondigden verder te willen gaan zonder subsidie maakten voorstellingen die doordrongen waren van verlies en afbraak, zoals De Samoerai van Bambie of de herneming van De laatste dagen der mensheid van ’t Barre Land.

Ook op andere manieren werd een periode afgesloten: Eric de Vroedt maakte zijn laatste Mightysociety en zowel Sadettin Kirmiziyüz als Ilay den Boer volbrachten voorstellingscycli over hun familie.

Met heel veel optimisme zou je in al deze eindes het potentieel kunnen zien voor een nieuw begin. En er waren ook genoeg positief ingestelde theatermensen die een heerlijke nieuwe wereld voorspelden van crowdfunding, cultureel ondernemerschap en beter publieksbereik. Iedere cultuurinstelling heeft minstens een dozijn aanbiedingen gekregen van bureaus die graag willen onderwijzen hoe je als kunstorganisatie ondernemender kunt worden. Tegen fikse betaling, dat spreekt.

De meest ambitieuze poging tot inhoudelijk vernieuwing kwam van acteursgroep Wunderbaum. Het Rotterdamse collectief kondigde aan de aankomende kunstenplanperiode te gaan werken aan één project, The New Forest, een nieuw op te richten alternatieve samenleving, waarbij het samenwerkt met de radicale socioloog Willem Schinkels, de achitecten van ZUS en reclamebureau KesselsKramer. Na de teleurstellende eerste voorstelling (The beginning), werd de reikwijdte van het project helderder met De komst van Xia, een locatievoorstelling waarbij zo’n dertig vrijwilligers meededen, die eindigde met een prachtig absurde, zelf verzonnen rituele inhuldiging van een nieuwe leider: het Chinese meisje Xia.

Toch lijkt The New Forest vooralsnog in de eerste plaats een context of thema om voorstellingen omheen te maken dan een nieuwe manier om voorstellingen te maken. Meer een nieuw ding dan een nieuw soort ding. Maar Wunderbaum denkt in ieder geval na over nieuwe vormen en strategieën om met het theater nog maatschappelijke betekenis te hebben.

Tegelijkertijd was de meest succesvolle voorstelling van het seizoen De Verleiders. Een relatief traditionele, cabareteske show over de vastgoedfraude, testosteronrijk gespeeld door onder anderen Pierre Bokma en Victor Löw en met de vrij cynische boodschap: u bent geen haar beter dan deze misdadigers. Na De Prooi vorig seizoen bewees De Verleiders opnieuw dat er prima publiek te vinden is voor de eeuwige verhalen over macht, hebzucht en hoogmoed, mits ze worden verteld in een moderne context.

Dat is precies de tegenovergestelde aanpak van de meeste theatergroepen. Kijk bijvoorbeeld naar het Noord Nederlands Toneel (maar ik zou bijna alle grote gezelschappen kunnen noemen), die vorig seizoen Hamlet al te hardhandig koppelde aan moderne psychiatrie en dit jaar rondom Misdaad en Straf geënsceneerde rechtszaken organiseerde om Dostojevski’s antiheld Raskolnikov bloot te stellen aan het moderne strafrecht.

Het is niet per se slecht, maar het voelt langzamerhand een beetje ouderwets. Ieder jaar studeren nieuwe regie-talenten af die hun diepe liefde voor het toneelrepertoire uitdragen en ieder seizoen stemt het theaterpubliek met de voeten over hun belangstelling voor oude stukken in een modern jasje. Daarom was Wassa van regisseur Alvis Hermanis ook zo’n openbaring. Tijdens het Brandstichters-programma van de Amsterdamse Stadsschouwburg, waarin vijf voorstellingen van de Letse Hermanis getoond werden, presenteerde hij Maksim Gorki’s stuk als een Mad Men-achtige tijdscapsule, met decor, requisieten en kostuums uit 1910. Mede door het prachtige spel van o.a. Elsie de Brauw en Katja Herbers bereikte die voorstelling een enorme gelaagdheid, zoals je die eigenlijk alleen uit de literatuur kent.

Kortom: voor optimisme en echte innovatie is in Nederland nog even geen ruimte. De wonden zijn nog te vers en de schulden van het verleden zijn nog te zwaar. Niets illustreerde dit punt wranger dan de volstrekte teloorgang van De Utrechtse Spelen (DUS). Optimistisch berekend risico nemen (cultureel ondernemerschap!), geen alternatief bij tegenvallers, een restschuld die bij de gemeenschap komt te liggen; de lijn tussen de kunsten en de financiële sector was in Utrecht akelig dun.

Het ergste van de hele affaire is dat een Basisinfrastructuurgezelschap als DUS too big to fail blijkt: de organisatie is nu een lege huls, zonder leiding, zonder raad van toezicht, zonder eigen gebouw en zonder voorstellingen. Geen enkele getalenteerde artistiek of zakelijk leider zal daar z’n vingers aan willen branden, zo lang er zonder geld nog wel aan de functionele eisen van OCW moet worden voldaan. Opheffen, zou je denken en het geld geven aan het Fonds Podiumkunsten –dat nog een aantal gezelschappen met een positief advies onder de zaaglijn heeft staan– of desnoods naar een productiehuis –waarvan ze in Den Haag nu ook wel zien dat het opheffen iets te rigoreus was– maar nee, voor de gemeente is de anderhalf miljoen rijkssubsidie een verworven recht en bovendien had DUS zich in korte tijd onmisbaar gemaakt voor de organisatie van het bid voor Culturele Hoofdstad van Europa. Gelukkig liep dat op rolletjes… Oh wacht…

Je zou kunnen zeggen dat het Nederlands theater vast zit. Vast tussen teruglopende inkomsten, hoge functionele eisen, eigen artistieke wensen, de nooit eindigende crisis, de oprechte wil om een groter en nieuw publiek te bereiken en onwankelbare, romantische ideeën over de taak en functie van kunst.

Zo bezien is het eigenlijk heel logisch dat Nora van Ibsen hét stuk van het seizoen werd. Vier uitvoeringen waren te zien, van Toneelgroep Amsterdam, Sarah Moeremans bij het NNT, Stan, en van Ton Lutz Prijs-winnares Maren Bjørseth. Vier keer een schijnvrome vrouw gevangen in een leugenachtig huwelijk. En vier keer is Nora niet zomaar een willoos slachtoffer, maar medeschuldig aan haar situatie, en vier keer is de radicale, maar pijnlijke keuze aan het eind onafwendbaar.

Het zal ongetwijfeld niet zo bedoeld zijn door de makers, maar bij de derde Nora die ik zag (van Stan) kon ik het niet meer anders zien dan als uitstekende metafoor voor de positie van het Nederlandse theater in de maatschappij. En met die blik zag ik ineens overal Nora’s: Marjolijn van Heemstra die vertelde over wereldverbeteraar Garry Davis en haar eigen avonturen met zijn zelfuitgevonden wereldpaspoort; Dood Paard de De Warme Winkel die de crisis te lijf gingen door hun eigen groente te verbouwen voor hun voorstelling Paradijs; Eric de Vroedt die in Mightysociety10, een sleutelvoorstelling over zijn eigen familie, zichzelf op het toneel zette als kunstenaar die bunkers bouwt; en natuurlijk wederom Wunderbaum met The New Forest. Het zijn allemaal makers die zich opgesloten lijken te voelen, allemaal struikelend op zoek naar de bevrijdende deur om uit te ontsnappen en achter zich dicht te slaan.

Zoals ik eerder al schreef ben ik niet bijster optimistisch over de mogelijkheden die het theater heeft om werkelijk nieuwe richtingen in te slaan zonder zichzelf te verloochenen. Tegelijk is de zoektocht van de kleinschalige gesubsidieerde theatergezelschappen juist nu belangrijk, omdat het de enige plek is waar nog onderzoek naar nieuwe vormen en strategieën kan plaatsvinden.

De versplintering van het theaterveld heeft nog lang niet zijn hoogtepunt bereikt. Op mijn computer heb ik al een lijstje aangelegd van de meest deprimerende theaterproducties van volgend seizoen. Wat te denken van de Smart&Sexy theatershow van Lisa Portengen (“een mix tussen de Oprah Winfrey talkshow & theater met bijzondere inzichten, kadootjes, muziek, kippenvel en volop inspiratie”) of Mari Experience van kapper Mari van de Ven (“Tijdens deze avond leert  Mari je alles over haar en make-up,  vertelt hij  over trends en geeft unieke en niet te missen tips en tricks die jou er voortaan nóg mooier uit laten zien”). Dit soort marketingtheater zal de komende jaren een onontkoombaar onderdeel worden van de theaterprogrammering in Nederland.

Tegelijkertijd is er de afgelopen jaren een heel nieuw fringe-circuit ontstaan van jonge makers die vrijwel zonder geld op niet-reguliere plekken voorstellingen maken. Dit circuit lijkt het domein te worden van de talloze talentontwikkelingsinitiatieven die dit jaar na de subsidiestop voor de productiehuizen opkwamen, hoewel die hun makers weinig meer te bieden hebben dan een speelplek en minimale begeleiding.

Het gesubsidieerde toneel moet zich er na de bijl rekenschap van geven dat het een minder prominente rol speelt in het theaterlandschap. Voor het publiek is subsidie al lang geen kwaliteitskenmerk meer. Dat hoeft niet erg te zijn, zo lang duidelijk is dat subsidie bepaalde taken en functie mogelijk maakt. Gesubsidieerd theater hoeft niet per se beter te zijn, als het maar duidelijk te onderscheiden ánders is.

Top 5

De wederopbouw van het Westen: witroodzwart van De Koe.
Erudiet en bijzonder geestig, lichtvoetig en diepgravend, alomvattend en precies; schrijvers en spelers Willem de Wolf, Natali Broods en Peter van den Eede schetsen een mentaliteitsgeschiedenis van de modernste tijd. Topvermaak dat nog lang nazindert in het hoofd.

Mightysociety10 van Eric de Vroedt
Het laatste deel van Mightysociety is het meeste persoonlijke. De Vroedt is ontwapenend eerlijk en dat plaatst de hele cyclus in een nieuw licht. Prachtige vaderrol van Hein van der Heijden.

Spiegel van Schweigman&
Af en toe dreig ik het te vergeten, maar theater hoeft helemaal niet altijd actueel of kritisch te zijn. Meestal helpen de voorstellingen van Boukje Schweigman me daaraan te herinneren.

Somedaymyprincewill.com van Sadettin Kirmiziyüz
Kleinezaalhit van het seizoen, waarin Kirmiziyüz, begeleid door theaterband The Sadists, het verhaal verteld van zijn zus. Uiterst grappige, maar ook aandoenlijke voorstelling over roots en social climbing.

Wassa van de Münchner Kammerspiele
Oneindig gedetailleerd en gelaagd, deze period-voorstelling van Gorki. Theater kijken zoals je een boek leest.

Amsterdamse Kunstraad adviseert

cultuurbeleid,nieuws,Parool — simber op 15 juni 2012 om 17:12 uur
tags: ,

Spelers vóór stoelen en klein vóór groot. De Amsterdamse Kunstraad (AKR) –die gisteren haar advies over de culturele subsidies van de stad presenteerde aan de gemeenteraad en aan wethouder Carolien Gehrels van cultuur– bezuinigt bij grote instellingen en podia om kleine theater-, muziek- en dansgroepen overeind te houden. Maar dat betekent niet dat er veel opzienbarende veranderingen komen: het advies van de AKR, met als titel Kiezen voor perspectief, houdt de hoofdstedelijke cultuur knap in stand.

De grootste ingreep is het flinke aantal podia dat zijn subsidie gaat verliezen: De Engelenbak, het Tropentheater, Ostadetheater, Felix Meritis, Vondelpark Openluchttheater en M-lab worden als het aan de Kunstraad ligt geschrapt. In totaal verliezen 23 instellingen die nu in het kunstenplan zitten hun subsidie. Daar staat tegenover dat de gezichtsbepalende kleinere groepen en festivals hun subsidie behouden of in sommige gevallen (zoals bijvoorbeeld Dood Paard) méér krijgen.

De AKR had 82,6 miljoen euro te verdelen, tien procent minder dan de afgelopen periode. De raad kiest ervoor om de grootste instellingen de zwaarste bezuinigingen op te leggen. Zo krijgen de Stadsschouwburg, Paradiso, het Concertgebouw en het Amsterdam Musem rond de vijftien procent minder subsidie en moeten Toneelgroep Amsterdam en Het Nationale Ballet het met tien procent minder doen. Alleen het Koninklijk Concertgebouworkest is–door een besluit van de gemeenteraad– hiervan uitgezonderd en hoeft helemaal niet te bezuinigen.

De raad is vooral enthousiast over de veelzijdigheid en het hoge niveau van theater en muziek in de stad en deze genres krijgen er geld bij. Deze middelen worden weggehaald bij de podia en bij de musea. Hoewel de raad enthousiast is over de voorgenomen samenwerking van het Amsterdam Museum (voorheen Amsterdams Historisch Museum) met het Bijbels Museum en Ons’ Lieve Heer op Solder, moet het museum toch 1,3 miljoen inleveren.

Alles bij elkaar creëerde de Raad ruimte voor 48 nieuwe instellingen, zoals ArtZuid, het Harry Mulisch Huis, regisseur Jakop Ahlbom, Nachtgasten en de Tolhuistuin. Een groot aantal van die nieuwe instellingen (Orkater, Asko/Schönberg, het Nederlandse Blazers Ensemble, Oorkaan) bestonden al lang, maar wendden zich tot de gemeente omdat ze vanuit Den Haag minder subsidie krijgen of verwachten. Ook door instellingen als theater Frascati en jeugdtheatergroep De Toneelmakerij uit te zonderen van de bezuinigingen, repareert de stad een deel van de schade die de landelijke cultuurbezuinigingen aanrichten. Maar pas als het Fonds Podiumkunsten –dat naar verwachting slechts de helft van de aanvragen kan honoreren– op 1 augustus haar subsidiebesluiten bekend maakt, wordt duidelijk wat de gevolgen van de bezuinigingen precies zullen zijn.

In totaal kreeg de AKR 195 subsidieaanvragen, waarvan er grofweg een kwart werd afgewezen, de helft deels werd gehonoreerd en een kwart geheel gehonoreerd. Twee aanvragen moeten over: zowel het Stedelijk Museum als Dansmakers (het productiehuis voor dans) dienden een te hoge begroting in.

Op het gebied van cultuureducatie krijgt een consortium bestaande uit de Muziekschool Amsterdam, Aslan Muziekcentrum en het Leerorkest alle ruimte om veel meer basisschoolleerlingen in aanraking te brengen met muziek. De buitenschoolse cultuureducatie is vanaf nu een taak voor alle instellingen.

De keuze voor groepen in plaats van podia past in een langer lopende trend: vroeger subsidieerde het rijk de groepen en de gemeenten de podia, maar in het nieuwe beleid lijkt het erop dat het rijk de grote instellingen ondersteund en de gemeente de kleine. De podia worden meer en meer overgelaten aan de markt of aan private initiatieven, zoals gebeurde bij DeLaMar, Carré, het Compagnietheater of het Comedytheater in de Nes. Het is dus zeker niet gezegd dat M-Lab of het Openluchttheater in het Vondelpark nu moeten sluiten.

De raad presenteert haar adviezen in een aantrekkelijk geïllustreerd en opvallend leesbaar geschreven boekwerk van ruim 350 pagina’s, een kleurrijke staalkaart van wat Amsterdam op cultureel gebied te bieden heeft. De adviezen zijn uitgebreid onderbouwd en niet alleen de artistieke kwaliteit van de instellingen komt aan bod, ook hun ondernemerschap en samenwerkingen worden getoetst. De harde toon die de adviezen in bijvoorbeeld Rotterdam en Utrecht kenmerkten ontbreekt geheel en de raad toont zich terdege bewust van het feit dat ondanks de relatief milde bezuiningen ook in de Amsterdamse cultuursector banen gaan sneuvelen en instellingen gaan verdwijnen.

Gevolgen Raadsadvies voor theater in Amsterdam

cultuurbeleid,nieuws,Parool — simber op 21 mei 2012 om 15:10 uur
tags: ,

(Voor het Parool van morgen; andere specialisten schrijven over de andere disciplines.)

Op het eerste gezicht lijkt het advies van de Raad voor Cultuur voor het Amsterdamse theater relatief mild: de meeste instellingen krijgen een goed rapport en mogen rekenen op het bedrag dat ze hebben aangevraagd. Maar dat beeld is vertekend. Toneelgroep Amsterdam, het Holland Festival en Het Nationale Ballet hadden vantevoren te horen gekregen hoeveel ze maximaal zouden kunnen krijgen en pasten hun plannen daarop aan. Alledrie vroegen ze een half miljoen minder aan dan ze nu krijgen, De Nederlandse Opera zelfs anderhalf miljoen minder. Jeugdtheatergezelschap De Toneelmakerij krijgt danwel een half miljoen euro, maar dat is een miljoen minder dan het gezelschap nu ontvangt.

Een andere bezuiniging die je niet in het Raadsadvies terugleest is die op de productiehuizen. Die zijn door het ministerie met een pennestreek geschrapt. Juist daarvan is een groot aantal gevestigd in Amsterdam, zoals Frascati, het Veem, Dansmakers en MC. Die konden überhaupt geen aanvraag meer doen. Terecht constateert de Raad dat de ontwikkeling van jonge kunstenaars, de taak van de productiehuizen, in het gedrang komt. Een speciaal geval is jeugdmuziekgroep Oorkaan. Die werd door de rigide regels van het ministerie in het vakje ‘jeugdtheater’ gedwongen en wordt nu afgewezen. Ook het negatieve advies voor het Theaterinstituut voedt het beeld dat een ogenschijnlijk mild advies een stevige culturele verarming in de stad niet voorkomt.

Where do we go from here; een beknopte wegenatlas voor het theater

beschouwingen — simber op 3 mei 2012 om 21:25 uur
tags: , ,

(Voor het tijdschrift Boekman, najaar 2011)

De economische crisis heeft de Londonse horeca hard geraakt. De sjieke, onbetaalbare toprestaurants blijven goede zaken doen, maar de eenvoudige middenklasserestaurants hebben het zwaar. Vele moeten hun deuren sluiten. Maar tegelijkertijd is er wat de Guardian een ‘food revolution’ noemt losgebroken. Food trucks rijden met hun mobiele keuken en restaurant naar de meest onverwachte plekken, mensen serveren eenvoudige maaltijden voor betalende gasten in hun huiskamer en gespecialiseerde koks duiken een keer per maand op in bevriende restaurants.

Nee, dit wordt geen verhaal over eten en ook geen verhaal over dat iedere crisis een kans biedt. Maar de parallel is duidelijk. Ook in de kunsten in Nederland is het crisis. En ook in de kunsten zullen als reactie de komende jaren nieuwe vormen als paddestoelen uit de grond rijzen. Hoe zien die nieuwe vormen eruit op het gebied van theater? En zullen die met name de kleinere theatergezelschappen kunnen helpen bij het verwerven van nieuwe inkomsten en zo hun voortbestaan?

Laten we om te beginnen eens kijken naar de huidige ontwikkelingen en die extrapoleren. Theatermakers zijn al tijden bezig met het verkennen van het terrein buiten de gebaande paden van de halfjaarlijkse nieuwe voorstelling. Voor een deel ligt dat op het gebied van het alweer een paar jaar hoogtij vierende ‘ervaringstheater’, waarbij het publiek niet langer veilig in het theaterpluche zit, maar meegenomen wordt op een intiemere, meer zintuigelijke reis. Voor een ander deel zijn het diverse vormen van vaak eenmalige theatrale happenings.

Maar ook in onderwerpkeuze zie je nieuwe ontwikkelingen. Het theater behandelt vaak de grote, meer abstracte thema’s als oorlog, verraad en waardigheid. Wat gebeurt er als theatermakers zich gaan bezighouden met veel concretere kwesties? Vanuit dit soort observaties kunnen we misschien een volgende stap maken. Is er een omslag denkbaar in het Nederlandse theater naar een aanpak waarin de voorstelling niet langer centraal staat, maar waarin een avond theater een verzamelterm is voor een nog veel bontere verzameling gebeurtenissen dan nu het geval is?

Om te beginnen het ervaringstheater. Dit beschrijft een genre waarin bezoekers vaak niet op een stoel in een theater zitten, maar bijvoorbeeld op een bed liggen in een eenvoudige hotelkamer, of achter een computer zitten chatten met hun blote voeten in het zeewater (beide voorbeelden uit voorstellingen van Dries Verhoeven), worden meegevoerd in in rondrijdende constructies (Boukje Schweigman) of met spelende kinderen mee wandelen (Alexandra Broeder). De trend lijkt inmiddels over zijn hoogtepunt heen – ervaringstheater is vaak extreem kleinschalig en dus duur om te maken – maar de invloed reikt ver.

Continue reading “Where do we go from here; een beknopte wegenatlas voor het theater” »

Silent planning; A letter from The Netherlands

beschouwingen,cultuurbeleid,english — simber op 13 maart 2012 om 22:33 uur
tags: , ,

(I wrote a follow-up to my first ‘Theaterbrief’ from The Netherlands for the wonderful people from TeaterTanken in Oslo, who last november invited me (along with Eric de Vroedt and Manja Topper) to explain what’s going on in The Netherlands for a surprisingly large and dedicated audience. They wanted to be kept up to date of the developments, resulting in this rather gloomy overview. Earlier today Nachtkritik published the German translation.)

It’s been a strange few months. In June the entire arts world stood united against the government’s austerity program and the arts cuts, but soon after the protest dissipated and the last few months everybody has been remarkably silent, if not to say apathetic. What you see is Dutch consensus-culture hard at work.

Artists like Johan Simons and Jonas Staal have warned about this for some time: the Dutch lack a mechanism to demonstrate their conflicts while leaving them intact. The strong urge to find middle ground, to dissolve our disputes, to working out solutions leaves us vulnerable to compromising our (moral) principles. Even the arts, which in other countries often are the natural arena for social conflict, are not immune to this predicament. “Noone speaks”, said Jan Joris Lamers –venerated innovator of the Dutch avant-garde theatre– in  an interview, “It seems like you would invalidate yourself by speaking.”

And so, after the anger was vented, all the artists and arts institutions quietly went to work on their grants applications. The big institutions needed to hand in their applications on February 1st, the applications of the small groups are due on March 1st. Some plans are still shrouded in secrecy, but most of the new projects and intentions are now becoming public.

Continue reading “Silent planning; A letter from The Netherlands” »

Interview Jan Joris Lamers

interviews,Parool,PS Kunst — simber op 11 januari 2012 om 20:57 uur
tags: , , ,

Toneelspeler en theatervernieuwer Jan Joris Lamers wordt dit jaar zeventig en werkt gestaag door aan zijn oeuvre. Met zijn groep Maatschappij Discordia maakt hij meerdere nieuwe voorstellingen per jaar en met repertoirevereniging De Veere herneemt hij ouder repertoire. En hij maakt zich grote zorgen over het circuit van kleine-zaal-toneelgezelschappen, waar de grote klap van de cultuurbezuinigingen het hardst gevoelt zal worden. “Het is helemaal niet moeilijk om een klein beetje geld uit de nationale economie te reserveren voor het vormgeven van ons dagelijks leven.”

Waarom horen we zo weinig van de kleine-zaalgroepen?

Er heerst totale stilte. Het is alsof je jezelf zou diskwalificeren als je zou zeggen dat je het er niet mee eens bent. De meeste van mijn collega’s zitten diep met hun kop in het zand, die wachten gewoon af totdat het 2013 is en ze geen salaris meer krijgen. Niemand wil het erover hebben. Behalve dan dat ze via achterkamertjes proberen hun positie veilig te stellen.

Ik kan niet begrijpen ook in de politiek niemand zich hiertegen verzet. Ik vermoed dus dat ze vroeger ook maar wat zeiden. De VVD wilde in 1998 nog één procent van het nationaal inkomen voor kunst. Ik kan de huidige standpunten over ‘je eigen broek ophouden’ en ‘worteling in de samenleving’ dus ook niet aux sérieux nemen.

De vraag rijst steeds vaker waarom de overheid de kunsten überhaupt moet subsidiëren. Is kunst niet gewoon luxe?

Maar een markteconomie zoals wij die nu hebben kan zich die kunsten toch permitteren? Er zijn ongelofelijk veel problemen en ik denk dat een groot gedeelte daarvan door kunstenaars worden opgelost, of in ieder geval ter discussie worden gesteld.

Mensen consumeren ongelofelijk veel kunst. Je hele omgeving is vormgegeven, alles is bedacht. Alles heeft een bepaalde tijdelijke dramaturgie en dat komt allemaal uit de kunstsector. Met tijdelijke dramaturgie bedoel ik hoe je met elkaar omgaat: als je een café van twee jaar geleden in zou kunnen lopen, zou je bij wijze van spreken al geen gesprek meer kunnen voeren. Dingen als De Wereld Draait Door zijn onvoorstelbaar maatgevend voor hoe we met elkaar waarover praten.

Of neem het grote succes van Apple. Hun ontwerpideeën komen van één Duitse ontwerper in dienst van Braun, Dieter Rams. Die man gaf leiding aan een team, gaf les op academies en nu is er een moment gekomen waarop de hele wereld rondloopt met die verworvenheden

Het is helemaal niet moeilijk om een klein beetje geld uit de nationale economie te reserveren voor het vormgeven van ons dagelijks leven. Om een beetje te besteden aan mensen die ervoor zorgen dat je je huis beter kunt inrichten of beter kunt praten. Of die iets zouden kunnen uitvinden waar je later misschien wel heel veel aan hebt.

Als je daar de consequentie van neemt, dan betekent dat dat de kunstenaar midden in de maatschappij moet staan. Na de oorlog vond men dat in onze sociaaldemocratie een kunstenaar in een burgerlijke samenleving moet kunnen functioneren zonder dat hij een buitenstaander is. En er is niks mis met volle zalen of  bestsellers of andere dingen die mensen graag willen, maar dat moet niet het énige zijn. Die populaire dingen kunnen bovendien nooit bestaan als ze niet worden geïnspireerd door onderzoek dat ergens anders wordt gedaan. Als je kijkt naar de avant-garde van de kunsten is dat een constante, zichzelf vernieuwende reeks van ontdekkingen.

Een van de problemen is dat mensen het idee hebben dat beslissingen over artistieke kwaliteit oncontroleerbaar zijn. Kwaliteit is toch niet te meten?

Kwaliteit is absoluut wel te meten. Als je de carrières van muzikanten en toneelspelers bekijken dan kun je daar toch een oordeel over hebben? In de wetenschap en de industrie, overal in de maatschappij, oordelen mensen die die ingewijd zijn in de materie over elkaars werk en dan beslissen ze wat ze gaan doen. Het is natuurlijk onzin om te denken dat iedereen zomaar zou kunnen oordelen over alles.

De grootste moeilijkheid bij het beoordelen van kunst op de korte termijn –wie krijgt wel geld en wie niet– is dat je het niet weet. Uit bepaalde dingen komt niks, of voorlopig niks. Sommige dingen beklijven en andere dingen raken vergeten. Je moet daar niet te streng in zijn en afwachten.

De overheid moet dus diversiteit in stand houden. Ik vind het onvoorstelbaar raar dat dat in het toneel nu niet gebeurt. Waarom krijgen de grote groepen maar zeven tot tien procent subsidiekorting en moeten de kleine groepen 72 procent inleveren? Waarom is dat? Dat heeft niemand ooit uitgelegd. Dat gaat niet over publiekscijfers –want die zijn in de grote zalen niet beter dan in de kleine– en niet over kwaliteit, want het is niet zo dat kleine en grote gezelschappen in kwaliteit verschillen. Ik denk dat het beter was geweest als ze wat nu de basisinfrastructuur heet evenredig hadden aangeslagen.

Waarom is dat circuit van kleine-zaal-groepen zo belangrijk?

De vernieuwing van de kunst komt van personen en collectieven, niet van organisaties. Die krijgen automatisch meer bureaucratie en de kunstenaars komen in dienst van die organisatie. Ze leggen zich voor lange tijd vast, ze anticiperen op wat ze moeten maken. En a priori komen daar niet de echte vernieuwingen vandaan.

Soms wordt er een artistiek leider aangenomen die uit een andere sector komt die de zaak een nieuwe injectie geeft, maar de bedrijven zelf zijn enorm log en strijken in feite de vernieuwing weg. Het grootste gedeelte van die collectieven heeft natuurlijk een beperkte levensduur. Daar moeten andere collectieven voor in de plaats komen. En dát is nu niet meer mogelijk. Door de huidige beslissing wordt de hele kleinschalige sector eigenlijk geliquideerd.

Een paar jaar geleden heeft de Raad voor Cultuur een ‘basisinfrastructuur’ vastgesteld, met daarin alle grote gezelschappen. Dat is natuurlijk een onzinnige term. En waarom zou die bovenlaag nu nog wel worden gesubsidieerd? Waarom zitten er geen kleine groepen in die basisinfrastructuur? Ik denk dat wat er nu wordt weggehaald juist de basis is. En ik denk dat het helemaal niet waar is dat de grote gezelschappen nu de taak van de kleine kunnen overnemen.

En nu moeten die gezelschappen ook nog van alles doen om ‘hun eigen broek op te houden’. Het betekent in feite dat rijke mensen extra belasting moeten betalen en dat stuit mij erg tegen de borst. Het was toch niet de bedoeling om het feodale stelsel alsnog op een andere wijze binnen te halen? Ik ben erg bang voor die nieuwe feodaliteit. Dat bedreigt het idee van de geëmancipeerde kunstenaar.

Voor het toneel begint dat idee bij (de Russische regisseur) Konstantin Stanislavski aan het begin van de twintigste eeuw. Stanislavski is de eerste die erop hamert dat een toneelspeler niet een uitvoerder is maar een kunstenaar. Daarom noemt hij zijn groep ook het Moskous Kunstenaars Theater. En inmiddels is er wel het besef ontstaan dat een schrijver of een schilder niet méér een kunstenaar is dan een toneelspeler.

Is dat ook waarom de nieuwe voorstelling van Discordia Stanislavski heet?

Stanislavski is iemand onder wie je allerlei actuele onderwerpen kunt verstoppen. Daar gaat het natuurlijk om. Het bijzondere aan Stanislavski is niet An actor prepares of de recepten die hij geeft voor toneelspelen, want die zijn voor een groot gedeelte achterhaald. Het belangrijkste aan hem is dat hij pleit voor het vrije onderzoek en dat hij de toneelspeler niet als materiaal ziet.

Uiteindelijk wordt er nu tomeloos ouderwets toneel gespeeld. Als je kijkt naar de nieuwste ontdekkingen in de sociologie of de psychologie die beschrijven wat mensen denken over te brengen als ze met elkaar praten, dan moet je als toneelspeler onderzoek doen naar de gevolgen van die inzichten voor je vak.

Stanislavski en Dansjenko hadden toen het het Moskous Kunst Theater operichtten precies hetzelfde probleem als wij nu: ze vochten tegen de commercie. De hele smaak en sfeer werd aangepast aan de omzet. Het ging om de bar en dat wilden we niet meer. Je moet het publiek niet geven wat ze willen, maar waarvan jij denkt dat ze er kennis van moeten nemen. Anders heeft het geen enkele zin.

Stanislavski van Maatschappij Discordia speelt van 17 t/m 28 januari in Frascati

Dutch arts cuts explained

beschouwingen,cultuurbeleid,english — simber op 24 juni 2011 om 01:42 uur
tags: ,

(I wrote this article this morning for the German website Nachtkritik (read it in German). I wasn’t going to publish this English version as it hasn’t been corrected by a native speaker, but I received some requests to read it asap, so here it is. I hope to replace it with an edited version over the weekend.)

Next Monday, the Dutch parliament will decide on severe cuts in the arts budget. The minority government, consisting of the liberal VVD and christian conservative CDA and supported by the populist, right wing PVV (headed by Geert Wilders), wants to decrease the arts budget from roughly 950 to 750 million euro. These cuts aren’t distributed evenly across the board. Especially the performing arts will be hit hard, with an estimated 46 procent budget cut.

Before getting into the details, causes and effects of this shrinkage, it is necessary to explain a little about the byzantine way Dutch arts funding is structured. The state currently takes responsability for a so called ‘basic infrastructure’: museums, large theatre, dance and opera companies, orchestras, some festivals and seperate institutions called ‘production houses’ where  young theatre makers can develop their work and which also function as focal points for the small and midsize theatre scene.

Those small and midsize theatre and dance companies themselves, as well as music ensembles are funded by the Performing Arts Fund, the government fund for the professional performing arts. Finally, the municipalities have their own agenda, supporting theatre venues, adding local money to nationally funded companies, or supporting their own local institution. Local communities contribute roughly 1.6 billion euro to the total public spending on the arts.

Anglo-Saxon model

From the day the right wing liberal party VVD won the national elections one year ago it was clear that the arts were in trouble. The VVD, headed by current prime minister Mark Rutte, announced early on in the campaign that severe cuts in the government budget were needed to recover from the banking crisis, and the arts would not be exempted. The populist PVV, whose support Rutte needed to form an administration, went even further and tapped into a long running vein of anti-elitist sentiment that has always run close to the mercantile Dutch heart. Geert Wilders labeled arts subsidies, along with foreign aid and the European Union, as “leftist hobbies”

It is vitally important to understand that in The Netherlands the debate about the arts between conservative and progressive sides never followed the traditional European line of classical vs. modern. Politician’s interest in the arts is traditionally dim, and in the last decade parties on the left found the arts useful if they could be applied to their agenda (art enlightens, brings people together, bridges gaps, etcetera) and the right wing considered art as a form of luxury, and artists should be able to survive in the market or find a more economically feasable profession.

When the latter formed the new government, autumn last year, they immediately announced public spending cuts of around twelve percent. The VVD has shifted from classic liberalism towards a staunch neoliberalism, with its focus on small government an lower taxes. The arts however were clipped further, with cuts to the amount of twenty percent. The arts are too dependent on government subsidies, the reasoning went, more could and should be gained from the audience, business sponsorships and wealthy patrons. “The arts have their backs to the audience and their open wallet towards the state”, Rutte was heard saying.

The implicit ideal was the Anglo-Saxon model: in Britain and the US the state plays a very minor role in arts funding, leaving it to the market and and charity. However Rutte’s administration was inconsistent. It announced for instance that the performing arts would no longer fall under the low VAT-tariff, which kept covering movie, circus and sports events. So on the one hand the arts should gain more from the market, on the other hand it was made harder for them to do so. This lack of alternative chances and the ongoing belittleing of the arts cause many artists to think that this isn’t just a change of policy, it’s retaliation.

Consequences

Over the last few months the consequences of the cuts have gradually become clear. State secretary (or sub-minister) Halbe Zijlstra, responsible for culture, has decided to salvage cultural heritage, meaning the heaviest load of the cuts will come down on the performing arts. There he largely spares the big institutions, like De Nederlandse Opera, Het Nationale Ballet, Holland Festival and Nederlands Dans Theater. Large theatre companies, like Toneelgroep Amsterdam, wil face cuts, but their existance is secured.

This focus on “top institutions” means that the terrain below it, the fertile fields of small and midsize companies, will be decimated. All production houses lose their funding and the budget of the Performing Arts Fund will decrease from 64 to 27 milion. Only when the fund makes its grant decisions next year will the full scale of this annihilation be graspable. But it is already clear that the internationally renowned domain of small scale avant-garde companies, like Veenfabriek, Omsk, Bambie, Wunderbaum, Orkater and Dood Paard, artists like Dries Verhoeven, Boukje Schweigman, Anouk van Dijk, Emio Greco and Krisztina de Châtel, and festivals like Oerol and Festival a/d Werf will take a very tough blow.

Furthermore Zijlstra decided to cut funding for Theater Instituut Nederland and the training institutes like DasArts and the Rijksacademie, claiming that he wanted government funding to contribute to art productions rather than institutions for support, promotion and postacademic education. Many tasks that used to be acknowledged as essential for a functioning arts field are now considered a responsability of the market or the arts themselves.

And the worst is yet to come: the municipalities have to cut their budgets too. The exact amounts will not be learned until later this year, but cuts in the arts expenses of around twentyfive percent are generally expected. This will hurt community services like music schools and libraries on top of arts institutions.

Monday, as parliament gathers, there will be massive demonstrations in The Hague. There will be sit-ins in museums, concerts, marches through the country, and white crosses on black – the unofficial logo for the protest – are already seen all over theatre facades and Facebook profiles. Public opinion however has not been very supportive. The framing of the arts as estranged form the audience and addicted to subsidies has been very succesful and government plans in other sectors – like health, education and pensions – are pretty serious as well.

Even if the protests have any impact on the political outcome it seems that the artistic landscape of the Netherlands wil be fundamentally changed. Large institutions will dominate, the midfield will be devastatet and young artists who just graduated will find very little opportunities. After the decisions have been made, and the protest have died out, the art world needs to pick up the pieces and face an enormous challenge: win back the support of the public and find a new relationship with the powers that be. That is a necessary, maybe even exciting task, but it is enormously sad if so much might be lost in the process.

Internationaal protest tegen cultuurbezuinigingen

cultuurbeleid,nieuws,Parool — simber op 20 juni 2011 om 00:23 uur
tags: ,

Een dertigtal gerenommeerde kunstenaars en kunstinstellingen uit de hele wereld hebben staatssecretaris Halbe Zijlstra van cultuur een brief geschreven om te protesteren tegen de bezuinigingen die hij wil doorvoeren in de cultuursector. De ondertekenaars, onder  wie choreografen William Forsythe en Sacha Waltz, operaregisseurs Jossi Wieler en Peter Sellars en vertegenwoordigers van de Salzburger Festspiele, het Festival van Avignon en de New York Theatre Workshop noemen het “rijke en diverse kunstenveld” van Nederland “een baken van excellentie in Europa”. Ze roepen het parlement op de bezuinigingen te heroverwegen, met name omdat het “innovatieve en gedurfde werk van onafhankelijke kunstenaars en kleine en middelgrote gezelschappen” bedreigd wordt.

De brief wordt vandaag aangeboden aan de Tweede Kamer. Daar worden vanmiddag hoorzittingen gehouden over de voorstellen van Zijlstra. Zo’n 25 experts zullen hun visie geven op de gevolgen van de bezuinigingen. De Amsterdamse wethouder Gehrels van cultuur zal daar haar alternatieve plan toelichten om middelgrote en kleinere instellingen te sparen. Andere sprekers zijn kunsteconomen Arjo Klamer en Berend Jan Langenberg, Vandenende Foundation-directeur Ryclef Rienstra en beeldend kunstenaar Jonas Staal.

Ook in Nederland komen acties tegen de cultuurbezuinigingen op gang. Lobbyvereniging Kunsten ’92 organiseert vandaag een serie one-minute-statements in een boksring op het Plein voor de Tweede Kamer en er worden voorbereidingen getroffen voor een massaal protest op zondag 26 en maandag 27 juni, wanneer de Kamer over de voorstellen stemt. Op zondag zullen kunstenaars Museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam bezetten en in de nacht van zondag op maandag vindt vanaf het museum een Mars der Beschaving plaats waarin kunstenaars en publiek worden opgeroepen mee te lopen naar Den Haag.

(Linkdump: Brief van de internationale prominenten; Mars der Beschaving; programma hoorzitting)

Analyse Cultuurbezuinigingen

cultuurbeleid,nieuws,overig — simber op 10 juni 2011 om 20:17 uur
tags: ,

Weg met het Dansgroep Amsterdam, MC, het Theater Instituut Nederland en alle productiehuizen, maar nauwelijks subsidiekorting voor het Rijksmuseum, De Nederlandse Opera en Het Nationale Ballet. Zo ziet de culturele visie van staatssecretaris Halbe Zijlstra eruit. De staatssecretaris, die vandaag een brief naar de Tweede Kamer stuurde met daarin zijn plannen voor het cultuurbeleid vanaf 2013, spaart grote ‘topinstellingen’ en snoeit hard aan de onderkant.

De uitgebreide brief leest als een handleiding voor een terugtrekkende overheid. Het kabinet wil veel minder instellingen gaan ondersteunen en zegt bij een groot aantal taken en functies dat ze de verantwoordelijkheid zijn van de sector zelf of van de markt. Het kabinet wil af van alles wat geen eigen inkomsten oplevert en zet het mes in sectorinstituten, productiehuizen en, op kleinere schaal, ook in vak- of literaire tijdschriften. Creatieve industrie (de marktgerichte sectoren design, architectuur en nieuwe media) wordt een nieuw ‘topgebied’, met een eigen sectorinstituut en een investeringsfonds, en in het internationaal cultuurbeleid staat voortaan het economisch belang centraal.

De staatssecretaris wijkt in zijn brief op diverse punten sterk af van het advies dat de Raad voor Cultuur eind april uitbracht. De Raad adviseerde om de bezuinigingen gelijkmatiger over alle sectoren en instellingen te verdelen (de zogenaamde kaasschaaf-methode) en drong er bovendien op aan om de bezuinigingen geleidelijk in te voeren, met 2015 als einddatum. Ook pleitte de Raad voor het handhaven van de Cultuurkaart voor jongeren en het lage BTW-tarief voor podiumkunsten.

Met het selectief ‘winkelen’ in het raadsadvies en het doelbewust negeren van aanbevelingen plaatst Zijlstra zijn officiële adviesorgaan in een buitengewoon lastige positie. Zijlstra’s voorganger, minister Ronald Plasterk, was drie jaar geleden ook niet blij met het toenmalige advies, maar gaf de Raad nog een herkansing door middel van een nieuwe adviesaanvraag. Zijlstra heeft hiervoor te veel haast. Hij moet en zal het tijdspad aanhouden dat hem op 1 januari 2013 een nieuw ingericht cultuurlandschap brengt. Insiders houden er echter rekening mee dat de geschoffeerde Raad voor Cultuur nu als geheel opstapt.

Zijlstra’s keuze voor groot en gevestigd gaat ingrijpende gevolgen hebben voor het culturele landschap van Nederland en met name Amsterdam. Nederland was nooit het land van enorm grote instellingen, maar juist van het bloeiende middenveld: het enorme aantal diverse kleine en middelgrote instellingen. Na de huidige bezuinigingsoperatie zal de cultuur in Nederland meer lijken op de ons omringende landen als Frankrijk en Duitsland, waar grote instituten de toon bepalen en kleine instellingen vechten in de schaduw.

En hoe erg het snoeien van Zijlstra nu al lijkt, de échte kaalslag moet nog komen. Het Fonds Podiumkunsten moet niet alleen een flink deel van zijn budget inleveren (van 64 naar 45 miljoen euro per jaar), maar krijgt door de staatssecretaris ook nog eens een groot aantal extra instellingen toegeschoven, zoals een groot aantal festivals, een aantal dansgezelschappen en het Friestalige theatergezelschap Tryater. Daarbij mag het Fonds, dat overigens moet fuseren met het Fonds Cultuurparticipatie, niet langer subsidie voor vier jaar verstrekken, waar nu een groot aantal instellingen gebruik van maakt, zoals Orkater, Het Toneel Speelt, Dood Paard. Hier zullen het komende jaar nog enorme klappen gaan vallen.

Het publiek zal het allemaal pas over anderhalf jaar gaan merken, maar dan zal de verschraling van het culturele aanbod aanzienlijk zijn. Zeker in Amsterdam zal het aantal voorstellingen, concerten en evenementen waarschijnlijk drastisch afnemen, juist omdat hier zeer veel van de kleinere groepen gevestigd zijn. Zijlstra meent terecht dat met grotere efficiency en alternatieve vormen van financiering een aantal middelgrote instellingen overeind zou kunnen blijven, maar juist voor de kleinste cultuurinstellingen is dat het moeilijkst

Maar het allermeest zitten jonge, beginnende kunstenaars in een penibele situatie. Zowel werkbeurzen en stipendia als de WWIK worden afgeschaft, zodat beeldend kunstenaars die in 2013 van school komen geen enkele handreiking meer krijgen bij het opbouwen van hun ondernemerspraktijk. Voor jonge theatermakers en musici zijn er dan geen productiehuizen meer waar ze hun eerste projecten kunnen maken. Ze moeten allemaal terecht bij de grote gezelschappen, of als zelfstandige organisatie bij het overbelaste fonds aankloppen.

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2018 Simber | powered by WordPress with Barecity