Recensie: De Kersentuin van ITA (HF)

De Engelse regisseur Simon McBurney werd in Nederland geïntroduceerd door het Holland Festival met The Master and Margarita in 2012 en regisseerde sindsdien een aantal opera’s bij de Nationale Opera en Ballet. Nu maakt hij zijn debuut bij Ivo van Hove’s ITA met een überklassieker: Tsjechovs Kersentuin.

Waar Van Hove in de angelsaksische theaterwereld vaak ‘a maximalist minimalist’ wordt genoemd – waarmee denk ik wordt bedoeld dat hij spaarzame theatermiddelen gebruikt, maar dan tot uiterste intensiteit opvoert – zou je McBurney juist een minimalistische maximalist kunnen noemen. In zijn voorstellingen gebeurt heel veel, maar de impact lijdt eronder.

Zo ook De Kersentuin, die tegelijk komisch, tragisch en geëngageerd wil zijn, in alledrie die registers mooie momenten heeft, maar als geheel onbevredigend blijft.

Opvallendste kenmerk aan deze enscenering zijn de beige pakken, bloemetjesjurken, wijde pijpen en brede stropdassen (ontwerp Fauve Ryckebusch). McBurney verplaatste de handeling – spilzieke landeigenenares Amanda (Chris Nietvelt) omringd door mensen met verantwoordelijkheidsvakantie moet haar landgoed verkopen – naar het Nederland van de jaren ’70. Robert Icke (die vorig seizoen een mooie, geheel naar het heden gehaalde Oedipus schreef en regisseerde) bewerkte de tekst en plaatst heel subtiel accenten op jaren ’60 idealen en de wens tot ongebondenheid van een gegoede klasse die de nieuwe tijd niet aankan.

De vet aangezette vormgeving geeft zeker aan het begin ruimte voor kluchtige scènes. De spelers komen door gemimede deuren (met geluidseffect) het houten platform op dat de kinderkamer voorstelt. Eromheen een enorm grasveld omsloten door een rond videoscherm dat een Hollands landschap met electriciteitsmasten en energiecentrale toont. De stemmen van achterop toneel krijgen een lichte echo mee, alsof ze vanuit een flashback praten.

Maar hoe clownesk de personages zich ook gedragen, Tsjechov toont altijd ergens hun tragische kern; het zelfinzicht van de kletsgrage, lollies sabbelende broer (Bart Slegers), het nihilisme van de stuntelige boekhouder (Robert de Hoog), de onbeantwoorde liefde van de verstandige maar saaie dochter (Janni Goslinga). Het blijft prachtig om te zien hoe de acteurs van dit ensemble een komische act kunnen doen en dan met een handbeweging of een halve zin de ijzingwekkende afgrond van hun personages kunnen laten zien.

Het geëngageerde aspect van deze Kersentuin gaat over de schulden uit het verleden die we meedragen in het heden. Op het landgoed is jaren geleden het zoontje van Amanda verdronken. We horen hem af en toe nog om haar roepen. Intrigerend is het moment dat plotseling een overduidelijk gewonde, zwarte man (Ruurt de Maesschalk) het podium op struikelt en door Amanda wordt afgepoeierd. Hij blijft staan terwijl eeuwige student Peter (Majd Mardo) een gloedvolle monoloog over de voorwaardse schuld van de lijfeigenschap houdt. “Om in het heden te gaan leven moeten we afrekenen met het verleden.” Zo verbindt McBurney knap Tsjechov aan het onverwerkte Nederlandse slavernijverleden.

In zijn maatschappijkritiek lijkt deze voorstelling op Kinderen van de Zon van Van Hove uit 2011: een intellectuele elite heeft haar verantwoordelijkheid voor de publieke verzaakt met gebeuzel en hedonisme. Alleen self made zakenman Steven (Gijs Scholten van Aschat), zoon van een arbeider op het landgoed, weet te handelen en koopt het landgoed om er op een nieuwe manier geld mee te gaan verdienen. In zijn ongepolijste vreugdedansje op Jimi Hendrix zit een verhaal van generaties samengebald.

Aan het eind staan het kind en de zwarte voorbijganger bij de stervende huisdienaar (Hugo Koolschijn), die door iedereen vergeten is bij het afsluiten van het landgoed. Een beeld dat zegt: we hebben onze kinderen, onze ouderen en onze minderheden niet beschermd tegen de grote lokroep van het geld die ná de jaren ’70 weerklonk.

Maar tegelijk echoot dit beeld een foto die ik gisteren zag van Greta Thunberg en Barrack Obama. Ik kan me moeilijk voorstellen dat de makers zo snel hebben kunnen reageren, maar het resultaat is een intrigerende combinatie van boete en hoop.

Holland Festival: De Kersentuin van ITA. Gezien 16/6/19 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 23/6 en 22/8 t/m 28/8.
ita.nl

Recensie ‘Liliom’ van TA2, Julie Van den Berghe

Een vrouw in een diep uitgesneden wit pak met een sigarettepijpje. Zo ziet een magistraat van het Hemelse gerecht eruit volgens regisseur Julie Van den Berghe. De edelachtbare (Chris Nietvelt, strak met af en toe plotseling een demonische grom tussen haar woorden) moet zich buigen over het geval Liliom, een klootzakje dat zichzelf na een mislukte overval min of meer per ongeluk heeft geëlectrocuteerd.

Het is een merkwaardig stuk, dit Liliom van de Hongaarse schrijver Ferenc Molnár (zeer populair in het begin van twintigste eeuw, maar in ieder geval zijn toneelwerk is in Nederland in de vergetelheid geraakt). Met zijn deemoedige blik op het liefdesleven van armelui en de setting rond de kermis lijkt het wel wat op Kasimir en Karoline van Von Horváth. Maar Ferenc’s personages zijn schetsmatiger, als grof geschilderde decorstukken in een carrousel. En dan is er nog dat rare bovennatuurlijke intermezzo dat leidt tot een 16-jarig verblijf in het vagevuur.

Liliom gaat over een schelm die zijn baantje en bijbehorend lichte leventje als propper voor een draaimolen op de kermis vaarwel zegt uit liefde voor een dienstertje (Hélène Devos). Maar de aanpassing aan het burgerlijke leven gaat niet makkelijk, want ze hebben geen werk en hij is nu eenmaal een etter. Hij mishandelt haar en rolt de criminaliteit in, met fatale gevolgen.

Van den Berghe – die zelf Hongaarse roots heeft – weet de keuze voor dit obscurium niet overtuigend te brengen. Ze benadrukt de ruwheid van het stuk met een donker, abstract rondrollend decor, groteske bijfiguren (de maskerachtige grijns van Robert de Hoog is knap volgehouden) en een soundscape die van alle geluiden een echo maakt. Middelpunt is Eelco Smits in de titelrol, zeer energiek, maar eerder een lieve deugniet dan echt gevaarlijk.

De voorstelling zwerft tussen ruig en elegant, tussen conceptueel en inspelend op herkenbare emoties. Het wordt maar niet duidelijk of Van den Berghe deze figuren nou opvat als te erbarmen mensen of als met houtskool getekende aanzetten. Een voorstelling in het vagevuur, kortom.

Liliom van TA2 (Toneelgroep Amsterdam en Frascati Producties), regie Julie Van den Berghe. Gezien 2/4/16 in Frascati. Aldaar t/m 16/4. Meer info op www.tga.nl

Recensie ‘Glazen speelgoed’ van Toneelgroep Amsterdam

De eerste helft van Glazen speelgoed lijkt een soort sitcom: amusante grappen in een luchtig neurotische gezinssituatie. Moeder is een albedil die haar volwassen zoon Tom zegt hoe hij zijn eten moet kauwen en zijn koffie moet drinken. Personages worden teruggebracht tot één eigenschap.

Tom heeft een geestdodend baantje in een magazijn om het gezin te onderhouden, maar in het geheim is hij dichter, die hoopt te ontsnappen aan de leegheid van zijn bestaan. Zijn zus Laura (Hélène Devos) is een geval apart: ze is mank en stilletjes en het grootste deel van de tijd ligt ze op een kussen of poetst ze haar verzameling glazen speelgoeddieren.

Glazen speelgoed is een gastregie van de jonge Amerikaanse regisseur Sam Gold bij Toneelgroep Amsterdam. Hij maakt van Tennessee Williams’ autobiografische stuk – een onverbiddelijke klassieker in de VS, maar hier al een tijd niet meer gespeeld – een directe, goed uitgevoerde, maar vrij zijige tragikomedie. Vooral dat eerste deel is ergerlijk oppervlakkig.

Onderhoudend is het wel hoor. Chris Nietvelt maakt van de gesmoorde southern belle een geestige act, altijd bezigjes, te veel pratend en vast voor veel mensen zeer herkenbaar. De kwikzilveren stijl van Eelco Smits als Tom is intrigerend. Razendsnel schakelt hij van de geserreerde blik van de verteller naar razende zenuwen en frustratie en dan weer berusting. Aardig allemaal, maar wat staat hier nu precies op het spel?

Er komt schot in de zaak als vriend Jim (een soepele Harm Duco Schut) komt eten. Halverwege de maaltijd valt de stroom uit en de scènes die volgen worden gespeeld bij louter kaarslicht. Het perspectief kantelt daardoor van de ruzieënde moeder en zoon naar de dochter. Met een mooie decortruc zonderen Laura en Jim zich af en zij laat hem haar glazen menagerie zien. Devos speelt erg mooi het door de mannelijke aandacht uit haar schulp kruipende meisje.

Het contrast tussen het gekibbel van het eerste deel en de intimiteit van het tweede is de kracht van de voorstelling. Dat de opbloeiende dromen worden gefnuikt is onafwendbaar maar wel aandoenlijk en aan het eind is het commentaar van moeder niet meer grappig maar pijnlijk. Toch ontbeert Glazen speelgoed zwaarte. Het stuk doet ouderwets aan met de sterke gezagsverhouding tussen ouders en kinderen. De gestileerd nostalgische vormgeving, met draaischijftelefoons, typmachines en liedjes uit de jaren dertig, benadrukt dat nog eens.

Maar dat de gebeurtenissen aan het eind zo heftig zijn dat Tom zich gedwongen ziet te vertrekken is ongeloofwaardig. Het korte moment van geluk dat Laura vindt is voor sommige mensen genoeg, maar niet voor haar. Hetzelfde geldt voor deze voorstelling.

Glazen speelgoed van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 15/11/15 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 22/11 en 5/1 t/m 15/1/16. www.tga.nl

Recensie: ‘Maria Stuart’ van Toneelgroep Amsterdam

“Ik ben koningin. Niet u.” Halina Reijn als Maria Stuart zegt het eerst tegen haar tegenstreefster Koningin Elisabeth, en later nog een keer, rechtstreeks tegen het publiek in de zaal. Ivo van Hove’s nieuwste regie bereikt uiteindelijk een intensiteit waardoor we ons inderdaad even allemaal haar onderdanen voelen.

In Schillers koninginnedrama uit 1802 staan de twee muzes van Van Hove tegenover elkaar. Chris Nietvelt is de machtige Elisabeth, die van haar maagdelijkheid haar grootste wapen heeft gemaakt, Reijn is haar tegenstreefster, gevangen gezet wegens hoogverraad, die juist haar vrouwelijkheid inzet als machtsmiddel. Om hen heen een imposante roedel acteurs als adjudanten, raadgevers en verraders. Vooral de onstuimige Matteo Simoni valt op als de schimmige intrigant Mortimer.

Van Hove en vormgever Jan Versweyveld maken een toneelbeeld als een serie schilderijen. Een half doorzichtige wand geeft de acteurs een relatief ondiepe ruimte voor op het toneel. In hun strenge, zwarte, moderne kostuums zijn ze minutieus in de ruimte gezet, soms dynamisch als een schuttersstuk van Rembrandt, dan weer verloren als bij Edward Hopper.

De opkomsten van de vorstinnen zijn ook al zo picturaal: eerst zijn ze er niet, dan een korte donkerslag met geluidseffect en dan lopen ze er alsof ze er de hele tijd al zijn geweest. Majesteit is een functie zonder begin of eind.

De plot draait rond de ter dood veroordeling van Maria door Elisabeth. De Schotse, katholieke Maria is een evident gevaar voor Elisabeth: al haar tegenstanders –onder wie de Franse koning, Engelse rebellen en de paus– zien Maria als brandpunt voor het verzet tegen de Engelse vorstin en bovendien heeft Maria haar eerste man laten vermoorden om later met de moordenaar te trouwen. Maar Elisabeth aarzelt om haar vijandin ter dood te brengen. Want wat zal het volk ervan denken? En hoe zit het met haar eigen zieleheil?

In het stuk wisselen scènes met Maria en scènes met Elisabeth elkaar af. Slechts op één moment staan de koninginnen tegenover elkaar. Bij Van Hove wordt het een catfight in slow motion, een vertraagde choreografie van grijpende handen en vertrokken monden.

De eerste helft van Maria Stuart is streng en traag; eerder degelijk repertoire dan sprankelend toneel, maar na de pauze gaat de voorstelling vliegen. Met name in het laatste bedrijf, wanneer met een spectaculaire theatrale vondst de zwarte jurken met netkousen van de koninginnen worden omgewisseld voor de prachtig gedetailleerde gewaden die we kennen van hun iconische portretten. De biecht van Maria voor haar terechtstelling –in moderne uitvoeringen vaak geschrapt– wordt met Reijns tranen een stomp in je maag.

Nietvelt heeft in de voorstelling een korte choreografie, een vliegende handbeweging voor de borst; het bonken van het hart wordt een dubbelzinnig gebaar van wegjagen. Anders dan in Van Hove’s vorige voorstelling The Fountainhead maakt de eenzaamheid van de macht alleen maar slachtoffers.

Maria Stuart van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 3/12/14 in Antwerpen. Te zien in Amsterdam (Stadsschouwburg) vanaf 17/12. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Bloedbruiloft van TA2 (Toneelgroep Amsterdam en Frascati Producties)

Het licht vormt een helder gemarkeerde ruit op de toneelvloer. De bruid (Lauranne Paulissen) balanceert voet voor voet op de scherpe lijn tussen licht en donker. Boven haar, precies boven de ruit, hangt dreigend een huis. Als het nu zou vallen zou het haar verpletteren.

Julie Van den Berghe won in 2010 de Ton Lutz Prijs voor meest veelbelovende regisseur. Inmiddels werkte ze in München en Gent en nu maakt ze in het kader van het talentontwikkelingsprogramma TA2 van Toneelgroep Amsterdam een voorstelling in Frascati. Ze koos voor Bloedbruiloft van Federico Garcia Lorca, over een plattelandshuwelijk dat door zich vrijvechtende passies bloedig eindigt.

De voorstelling begint met een serie stijlvolle, strakke tableaus van de zeven acteurs dicht op elkaar in de punt van de ruit. “Morgen zijn we gelukkig en blij”, zingen ze, maar erg overtuigend zijn ze niet, in hun sombere kledij en vale grime. Chris Nietvelt als moeder van de bruidegom (net als de meeste andere personages een naamloos archetype) is een geweldige feeks die met iedere klop van haar stok de orde handhaaft.

En daar gaat deze voorstelling over: de patriarchale orde en de bruid die zich wil bevrijden van het vooruitzicht van een leven met uitsluitend man en kinderen achter “muren van drie el dik”.

In de tweede helft, als de bruid vlucht met een oude vlam (een mooi aardse Dragan Bakema) knalt ook de voorstelling uit de strenge vorm, soms iets te wild. Waar de bruid het evenwicht zoekt tussen orde en hartstocht kiest Van den Berghe voor contrasten, en dat is spannend.

Bloedbruiloft van TA2 (Toneelgroep Amsterdam en Frascati Producties). Gezien 1/12/13 in Frascati. Aldaar t/m 14/12. Meer info op www.frascatitheater.nl

Recensie: ‘De Meeuw’ door Toneelgroep Amsterdam

Een lange, zwarte verfstrook trekt naar beneden op het achterdoek. Aan de achterkant schildert de onzichtbare Bas Peeperkorn met een kwast aan een lange steel langzaam en nonchalant een Chinees aandoend berglandschap. Met deze fraaie vondst opent De Meeuw van de Duitse regisseur Thomas Ostermeier bij Toneelgroep Amsterdam. Zowel de verwondering over het maken van kunst als het achterliggende onheil worden erin zichtbaar.

Want De Meeuw van Tsjechov gaat over kunst maken. De jonge, aanstormende generatie –de schrijver Kostja en actrice Nina– zoekt nieuwe vormen, maar is te driest en voelt zich continu tekort gedaan door de oudere – de gevierde actrice en Kostja’s moeder Arkadina en haar minnaar, de schrijver Trigorin.

Ostermeier, die als gastregisseur twee jaar geleden al een mooie Spoken maakte bij Toneelgroep Amsterdam, weet het ensemble een vrij opvallende nieuwe speelstijl mee te geven. Weg zijn de rauwe emotionele uitbarstingen en de gestileerde psychologie, er wordt losjes en naturel gespeeld; ze spelen bijna alsof ze niet spelen. De tekst is vlot gemoderniseert en er is ruimte voor improvisatie. Hans Kesting als Trigorin kondigt voor de zaal de scènes aan en omschrijft de plaats van handeling. In deze versie wordt Trigorin erg vereenzelvigd met Tsjechov: de oudere kunstenaar die een lucide toneelstuk schreef over de artistieke opstand van de jeugd.

Die opstand bestaat uit de rampzalige première van een toneelstuk van Kostja (een nijdig melancholieke Eelco Smits), waarin hij zelf de duivel speelt met een enorme rode voorbinddildo waaruit vuurwerk spuit. Plattelandsbakvis Nina (Hélène Devos) speelt de hoofdrol en je ziet haar oplichten onder de complimenten van Trigorin, die daarop meteen voor haar valt.

Deze Meeuw blijft lang lichtvoetig van toon en een beetje sloom. Er zit een subtiele, onderkoelde humor in hoe Nina de diva-poses van Arkadina afkijkt, en in het tragisch zwartgallige personage Masja (Janni Goslinga). En dan lopen er ook nog twee kippen te scharrelen over de met aarde bedekte toneelvloer. Die contrasteren mooi met de twee neergeschoten en opgezette meeuwen: symbool voor de radicale, idealistische kunst van Kostja en Nina; Trigorin en Arkadina hebben hun vleugels ingeleverd om veilig, comfortabel en laf hun graantjes te kunnen pikken.

Pas helemaal aan het eind krijgt de voorstelling ook emotionele impact. Een jaar later keert Nina –na omzwervingen een middelmatige actrice geworden– terug naar Kostja. Ze houdt zich groot maar is gebroken. Devos is prachtig in deze scène en het fatale eindpunt van het stuk is plotseling onontkoombaar.

Devos heeft iets weg van de jonge Chris Nietvelt, dezelfde sprietige, springerige uitstraling. De gelijkenis tussen de twee actrices werd eerder uitgebuit in Nooit van elkaar van Ivo van Hove. Ook in De Meeuw spiegelen ze elkaar en vullen ze elkaar aan. Maar hier laat Devos haar eigen kunnen zien. En dat is niet gering.

De Meeuw door Toneelgroep Amsterdam. Gezien 16/6/13 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 23/6 en vanaf 14/8. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Recensie: ‘Macbeth’ van Toneelgroep Amsterdam (HF)

Het mooist is het bloed. Zorgvuldig, teder bijna haalt Hans Kesting het uit een medisch uitziende container, een doorzichtige plastic zak met rode vloeistof. Hij loopt ermee naar het midden van het toneel, gooit hem met evenveel kracht als beheersing omhoog en kijkt hem na als hij vrijwel geluidloos op de vloer uiteenspat en het vocht in uitwaaierende patronen over de lichte vloer druipt, als in een kruising van CSI en Jackson Pollock.

Johan Simons regisseert Macbeth als seizoensafsluiter bij Toneelgroep Amsterdam, met Fedja van Huêt in de titelrol en Chris Nietvelt als zijn Lady. Het is een vette voorstelling geworden, vol bloed, slijk, spasmes en geschreeuw, waarmee de makers nauwelijks geprobeerd lijken te hebben om Shakespeares personages menselijk te maken. Het blijft nu eenmaal een bruut en duister stuk en het lukt regisseurs zeer zelden om van Macbeth en zijn vrouw iets anders te maken dan monsters in een nachtmerrie. Ook deze voorstelling blijft gruwelijk plaatjestheater, intens gespeeld, maar afstandelijk.

Bij Simons is Macbeth een veteraan die aan het begin van het stuk zojuist een opstand van rebellen wreed de kop heeft ingedrukt. Hij draagt, net als de andere personages, khaki badstof ondergoed: een soldaat met verlof.

Van Huêt valt zijn rol aan als een veldrijder een modderig parcours: verbeten, brullend, zwoegend en met het schuim op de lippen maakt hij van Macbeth een imposante rol in zijn oeuvre, maar de bewondering voor zijn temprament wordt afgewisseld met de vraag wat met al deze energie eigenlijk beoogd wordt.

De bloederige weg die hij aflegt naar de (hem door drie heksen voorspelde) Schotse troon kan dan niet anders worden gezien als de uiting van een posttraumatisch stresssyndroom. Zo gaat deze voorstelling al vanaf het openingsbeeld niet over wat een man in een beest kan doen veranderen, maar over een onmens die de oorlog naar huis brengt.

De speelvloer is een groot, licht gekleurd vierkant, omringd door een soort design keukenelementen en een wand met klapdeuren die langer heen en weer blijven bewegen dan fysiek mogelijk. Achteraan staat een kleine tribune waar de off-stage acteurs de verrichtingen volgen.

Vooral de rol van Lady Macbeth blijft onduidelijk: Van Huêt en Nietvelt praten met elkaar in kinderstemmetjes, hij voert haar mee als een hond aan een lijn en het is volstrekt duidelijk dat haar aanmoedigingen om de huidige koning te vermoorden geheel overbodig zijn: Macbeth kan zijn bloeddorst maar nauwelijks bedwingen. Aan het eind krijgt de Lady wroeging en pleegt ze zelfmoord, en Nietvelt vult Shakespeares tekst aan met fragmenten van Sarah Kane. Ook hier geldt: het is mooi, maar wat betekent het?

Aan het eind gooit Van Huêt een eindeloze hoeveelheid coniferen het toneel op – een vrij letterlijk citaat uit de Macbeth die Karin Henkel bij Simons’ eigen gezelschap Münchner Kammerspiele regisseerde. Het versterkt de indruk van een nogal stuurloze voorstelling. Macbeth blijft een rots die te steil is om te beklimmen.

Holland Festival: Macbeth van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 10/6/12 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 16/6 en volgend seizoen vanaf 15/8. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Recensie: ‘In Ongenade’ van Toneelgroep Amsterdam

Wat een hoop figuranten, denk je even als je de zaal binnen komt. Maar nee, het zijn poppen. Een toneel vol met zwarte etalagepoppen met goedkope kleren aan. Er zitten veel kinderen tussen, achterop staat een auto die helemaal vol staat met wassen beelden. En helemaal vooraan zit op een stoel Gijs Scholten van Aschat.

In zijn roman In Ongenade schetst de Zuidafrikaanse schrijver J.M. Coetzee op genadeloze wijze de schuivende machtsverhoudingen in zijn land. De toneelversie die bewerker Josse de Paauw en regisseur Luk Perceval maakten voor Toneelgroep Amsterdam is tegelijkertijd universeler en persoonlijker dan het boek. Een statige, sombere, maar ook een tikje eentonige voorstelling, gedragen door de lucide hoofdrol van Scholten van Aschat.

Het verhaal draait om de teloorgang van professor David Lurie, die in de problemen komt na een relatie met een studente aan de hogeschool in Kaapstad. Hij zoekt zijn toevlucht bij zijn dochter Lucy, die een boerderij heeft op het platteland, waar continu geweld dreigt. De voorafschaduwde uitbarsting komt als twee zwarte jongens de boerderij binnendringen en Lucy verkrachten.

David is geen aangename man, pompeus, zelfgenoegzaam en kritisch. Scholten van Aschat toont enerzijds Davids zelfinzicht, maar tegelijk laat hij hem opgaan in zijn grote liefde, de poëzie van Byron en de wens om over hem een kameropera te schrijven. Futiel plukkend aan een ukelele tussen al die zwarte figuren maakt hij prachtig duidelijk hoe zinloos en ijdel dat verlangen is.

In Ongenade is een voorstelling in een kalm, bijna plechtig tempo. De Pauw laat de literaire taal zijn vormelijke karakter houden. Meer dan het boek maakt Percevals voorstelling duidelijk tegen welke overmacht de beschaving die David pretendeert te vertegenwoordigen het moet opnemen. Ook de tegenstelling tussen de zwarte en witte acteurs wordt niet verhuld; Djamila Landbrug en Sergio Hasselbaink kunnen zich steeds verschuilen tussen de poppen, Chris Nietveld (in een mooie geestig-treurige bijrol) en Celia Nufaar steken er steeds tegen af.

Als Lucy (Janni Goslinga die prettig aards contrasteert met de soms wat klinische toon) zwanger blijkt en niet van plan is om het kind te aborteren ziet ze zich genoodzaakt zich uit te leveren aan de genade van haar zwarte voormalige klusjesman, nu haar buurman (Felix Burleson, tegelijk charmant en dreigend). Hier wordt de kloof tussen vader en dochter pijnlijk duidelijk. Hij leeft nog in een wereld waar begrippen als rechtvaardigheid, schuld en vergelding waarde hebben, zij ziet in dat dergelijke romantische abstracties niets betekenen in het huidige Zuid Afrika.

Vergeleken met Percevals recente voorstellingen in Duitsland (zoals Hamlet of Kleiner Mann, was nun?) is In Ongenade lelijker en iets minder uitdagend. De hooggespannen verwachtingen voor zijn gastregie bij TGA weet hij niet helemaal waar te maken. Wat blijft is het diepe gevoel van zwaarmoedigheid dat uit deze voorstelling spreekt, door Scholten van Aschat zo helder getoond.

In Ongenade van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 4/12/11 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 10/12 en in jan en feb 2012. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Recensie: ‘Nooit van elkaar’ van Toneelgroep Amsterdam

‘Ik ben groot en sterk en fantastisch.’ Steeds komt het zinnetje terug. Maar de vrouw die het uitspreekt zit alleen in haar lege appartement achter haar glazen rode wijn, wachtend op een man die niet komt. Maar ellendig is ze niet. In een schitterende rol geeft Chris Nietvelt haar wanhopig zelfinzicht en tegelijk bedaarde waardigheid.

De teksten van de Noorse toneelschrijver Jon Fosse (1959) werden tot nu toe alleen in de kleine zalen gespeeld, meestal door jonge acteurs. Het zijn anti-dramatische stukken over wat hij zelf noemt ‘de lege ruimte in menselijke relaties’, minimalistisch van taal en zonder conflict of climax. Dat Ivo van Hove het nu regisseert is alleen al interessant door de casting van Nietvelt en Gijs Scholten van Aschat, ineens wordt het ‘volwassen’.

De overeenkomsten met La Voix Humaine met Halina Reijn, vorig jaar in Amsterdam te zien, zijn duidelijk. Opnieuw zien we een eenzame vrouw die zich obsessief overgeeft aan verlangen naar een geliefde die haar al verlaten heeft. Maar in Nooit van elkaar komt de verbeelding tot leven en keert de man als droombeeld terug. Of is hun ontmoeting werkelijk en kunnen ze niet anders dan langs elkaar heen praten?

Het enorme decor is een onregelmatig gevormde ruimte, het lijkt een half verbouwd appartement, met onafgewerkte betonnen pilaren, een gat in het keukenblok en kartonnen dozen. Is ze er net in verhuisd of staat ze op het punt er te vertrekken? Zonnig licht schijnt door grote ramen links, later wordt het scherper en killer. De voorstelling is gestructureerd rondom de maaltijd, die in de schaarse tekst benoemd wordt. Aan het begin gaat Nietvelt naar het voorbeeld van Julia Child op televisie een kip te lijf, later dekt ze een tafel voor twee personen, terwijl ze maar één stoel heeft.

Het is de verdienste van Van Hove en zijn spelers – naast genoemden ook stagiaire Hélène Devos in een kleine rol als nieuwe vriendin van de man die akelig veel op haar voorgangster lijkt – dat ze in opperste beheersing de muzikaliteit en suggestieve kracht van Fosse’s steeds herhalende zinnetjes weten over te brengen en lading te geven.

Maar meer nog dan de taal is het Chris Nietvelt die de voorstelling spannend maakt. Het is fascinerend hoe gecontroleerd ze haar personage laat ontsporen. Door taal houdt ze zichzelf in de hand, maar tegelijk laat ze in de taal haar obsessies de vrije loop. In alles is ze het tegendeel van de uitvergrote Phaedra die ze eerder dit seizoen speelde. Scholten van Aschat is ook al zo mooi, bedaard en bijna een zelfbewust fantasiebeeld.

Het is jammer dat de tekst tegen het einde te veel uitlegt en niet genoeg vertrouwt op z’n aangename raadselachtigheid. Nietvelt’s personage kan berusten in haar ongeluk, maar dat was al duidelijk. Nee, Fosse is noch een nieuwe Ibsen, noch Beckett. Er valt zeer veel te genieten aan Nooit van elkaar, maar de spelers overvleugelen de tekst.

Nooit van elkaar van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 10/2/11 in Antwerpen. Te zien in Amsterdam (Stadsschouwburg) 17/4 t/m 19/5. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Recensie: ‘Phaedra’ van Toneelgroep Amsterdam

Waarschijnlijk is Chris Nietvelt de grootste tragediènne van haar generatie. Maar -of misschien juist daarom- roepen haar expressieve lichamelijkheid en durf om lelijk te zijn bij de een bewondering op en bij de ander afschuw. Phaedra van Racine lijkt haar op het lijf geschreven, maar in de nieuwe voorstelling van Toneelgroep Amsterdam lijken vormgeving en regie haar in de weg te zitten.

De Poolse gastregisseur Grzegorz Jarzyna plaatste de voorstelling in een opzichtig kunstmatige ruimte. Met kleding van glimmende stoffen, rode lijnen op grijze schuivende panelen, nadrukkelijk gebruik van zendmicrofoons en een synthesizer soundtrack lijkt het nog het meest op een ruimteschip. En dat is helemaal geen raar idee: een klassiek Grieks verhaal verteld in een Frans classicistisch toneelstuk voelt inmiddels lichtjaren ver verwijderd.

Aanvankelijk werkt het ook: de afstandelijkheid van Racine’s verzen in de vertaling van Laurens Spoor en de beheerste emotionaliteit van de personages sluiten goed aan op de vormgeving. En wat een verademing om acteurs te horen die met de verzen uit de voeten kunnen.

Phaedra, echtgenote van koning Theseus is even wanhopig als heimelijk verliefd op haar stiefzoon Hippolytos. Als Theseus op een expeditie blijkt te zijn gedood volgt de mooiste scène: Phaedra verleidt Hippolytos (Eelco Smits). Nietvelt, gebeelhouwd als een Griekse godin, verklaart hem haar liefde, hij stelt zich teweer met een klein zwaard, dat ze tussen haar benen laat verdwijnen. Zij smeekt hem haar te vermoorden: ‘Hier is mijn hart. Hier dient je hand dus toe te slaan.’ Maar bij deze woorden ontbloot ze haar borst en legt zijn hand ertegen. De overweldigende vrouwelijke passie reduceert Smits tot kleine jongen.

De tragische afloop wordt onvermijdelijk als de dood gewaande Theseus (Hans Kesting) terugkeert. De voorstelling wordt aardser en de conflicten meer afgetekend. Kesting, met een blauw oog en een gevaarlijke loomheid, en Smits, met wanhopige waardigheid, vechten hun vader en zoon-geschil hardhandig uit. Maar tegelijk krijgt Nietvelt een steeds grotesker uiterlijk. Eerst een gouden jurk, dan een Beatrix-pruik, die aan het eind uitgroeit tot een soort farao-masker.

Zo’n vormgeving ondersteunt niet, maar vergroot uit. En Nietvelt houdt niet in, maar hoe fenomenaal ze ook brult, hijgt en in woede uitbarst (door Kitty Courbois als haar voedster schitterend geïncasseerd), de voorstelling schiet hier te ver over the top. Zo blijft een Phaedra over die alleszins het aanzien waard is, maar wel een waarin de vormgeving het wint van de tragiek.

Phaedra van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 7/11/10 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m  13/11 en 15 t/m 23/12. Tournee. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Volgende pagina »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2019 Simber | powered by WordPress with Barecity