Voor Bussemaker is alle kunst design

meningen,Parool — simber op 26 juli 2014 om 10:00 uur
tags: ,

Na een paar toespraken en interviews begon het op te vallen: minister Jet Bussemaker van cultuur heeft het wel heel erg vaak over ontwerpers. Jan Taminiau, Daan Roosengaarde, Rem Koolhaas zijn de kunstenaars die ze het meest noemt. Deze week stuurde ze haar beleidsbrief Cultuur verbindt: een ruime blik op cultuurbeleid naar de Tweede Kamer en blijkt dat in haar idee kunst net zoiets is als design: een instrument om problemen op te lossen.

Bussemaker trekt 1,7 miljoen uit voor projecten die cultuur verbinden met welzijn, zorg, sport en onderwijs. Bovendien gaat ze onderzoeken “hoe gemeenten cultuur in kunnen zetten bij de uitvoering van de nieuwe zorgtaken” (die ze krijgen toegewezen bij de decentralisatie van de AWBZ). In de brief geeft ze talloze voorbeelden van projecten die de gunstige invloed van de kunst aanwenden voor maatschappelijke doelen. Als klap op de vuurpijl wil ze meer onderzoek zodat de cultuursector wetenschappelijk kan onderbouwen wat werkt en wat niet.

Waar te beginnen om deze kluwen aan misplaatste ideeën te ontwarren?

Om te beginnen toont Bussemaker de typische PvdA-reflex om door middel van beleid kunst in te zetten voor andere doelen. Het is niet voldoende als er met kunstsubsidies kunst wordt gemaakt – nee, kunst moet helpen de leefomgeving te verbeteren, het welzijn te vergroten, jongeren of ouderen te ontwikkelen, etcetera. Daarbij doet ze net alsof een universele menselijke eigenschap als creativiteit het monopolie is van de cultuursector.

Het punt is: kunst is economisch en maatschappelijk van groot belang, maar dat is allemaal gelukkige bijvangst en niet het hoofddoel. De kunst vindt plaats ergens tussen het kunstwerk en de toeschouwer. Voor de een is het gezellig entertainment, voor de ander een diepe, levensveranderende ervaring, voor een derde een bevestiging van zijn of haar status. En het kan heel goed dat deze drie op dezelfde rij in het theater zitten of in dezelfde museumzaal rondlopen. In het individu krijgt kunst betekenis, en dat willen sturen in grote maatschappelijke bewegingen verkleint de reikwijdte van het kunstwerk. Dat is zonde.

Ten tweede zie je in de voorbeelden die Bussemaker geeft al talloze kunstenaars aan het werk die uit artistieke, commerciële of persoonlijke overwegingen samenwerking zoeken met andere maatschappelijke organisaties, van theatermaker Adelheid Roosen tot gamebedrijf IJsfontijn. Extra middelen vanuit de kunst zijn dus niet nodig. Sterker nog: juist vanuit de budgetten voor zorg en welzijn zou geld moeten worden vrijgemaakt. Dan kunnen ziekenhuizen of woningcorporaties diensten van kunstenaars inkopen als ze die nodig hebben. Dat houdt de onderlinge verhoudingen in ieder geval gelijkwaardig.

De cultuurgelden die nu worden toegekend aan dit soort initiatieven zullen ongetwijfeld terecht komen bij de netwerkorganisaties, artistieke aanjagers, ideeënmakelaars en cultuurbemiddelaars die nu als paddestoelen uit de grond schieten om de partners uit kunst, welzijn, zorg, sport, wetenschap, onderwijs en bedrijfsleven moeizaam bij elkaar te brengen.

De rijksoverheid heeft zich met de cultuurbezuinigingen hardhandig teruggetrokken uit het cultuurveld. Dat kun je goed of slecht vinden, maar minder geld moet ook minder sturing betekenen. Weg met de bedilzucht, laat kunstenaars zelf beslissen of ze willen bijdragen aan de zorg.

Een jaar of tien heeft de kunstsector gezucht onder het juk van het economische denken. Cultuurinstellingen probeerden –met het werk van de Amerikaanse econoom Richard Florida in de hand– te bewijzen dat kunstsubsidies hartstikke rendabel zijn. Nu moeten ze gaan aantonen dat kunst mensen gezonder, slimmer en gelukkiger maakt en wordt Alain de Botton de nieuwe goeroe: Art as therapy. Voor een light filosoof is dat prima, maar van een minister van cultuur verwacht ik dat ze beseft dat kunst meer is dan design. Dus graag binnenkort een net zo lange brief over de intrinsieke waarde van cultuur.

De Cultuurindex

nieuws,Parool — simber op 11 januari 2014 om 11:00 uur
tags: , , ,

Hoe gaat het eigenlijk met de cultuur in Nederland? Wie die vraag wilde beantwoorden kon tot nu toe alle kanten op, maar natte vingers en onbewijsbare aannames speelden een grote rol. Er is veel cijfermateriaal beschikbaar, maar pas vanaf vandaag zijn alle meetbare aspecten op één plek verzameld: de Cultuurindex. Vanmiddag wordt hij gepresenteerd in het Concertgebouw.

In die index zie je eenvoudig terug dat het aantal ZZP’ers in de cultuursector fors toeneemt, net als het aantal vrijwilligers. Of dat de groei van het aantal festivals aan het plafond zit, en consumenten minder platen kopen, maar veel meer abonnementen nemen op muziekdiensten als Spotify. En dat de verkoop van de Museumkaart enorm is gegroeid, maar dat in de theaters de incidentele bezoekers de abonnementhouders verdringen.

Cas Smithuijsen, directeur van de Boekmanstichting, is één van de inititatiefnemers van de Cultuurindex: “Tijdens een dienstreis van een van onze medewerkers in de VS kwam zij in contact met de lobbyorganisatie Americans for the Arts, die toen –in 2009– werkte aan de eerste editie van een ‘National Arts Index’. We beseften onmiddellijk dat zoiets ook voor Nederland buitengewoon nuttig  zou kunnen zijn.” Tegelijkertijd bleek het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) ook plannen te hebben voor het bijeen brengen van cijfermateriaal over het culturele veld.

Smithuijsen: “In Nederland is het tot nu toe vooral het ministerie van OCW dat cijfers verzamelt. Zij gaan vooral uit van het rijksbeleid en van het gesubsidieerde aanbod. Het veld heeft grote behoefte aan eigen cijfers over de hele breedte van het veld, bijvoorbeeld in de boekenbranche niet alleen de (gesubsidieerde) biblotheken, maar ook de (commerciële) boekhandels. In de samenleving worden transparantie van geldstromen en het effect van maatregelen steeds belangrijker. De Cultuurindex kan daarop inspelen.”

De Cultuurindex toont in de eerste plaats de trends binnen de sector. 2005 is het basispeiljaar: alle indicatoren zijn voor dat jaar op 100 gezet, zodat je in de jaren erna kunt zien of groei of afname plaatsvindt. Opvallend is bijvoorbeeld dat het aantal nieuw uitgebrachte boektitels tussen 2005 en 2011 is verdubbeld,  maar dat het aantal openbare bibliotheken is gehalveerd. Sterke groei zit bijvoorbeeld ook in het aantal bedrijven in de creatieve industrie (+78%), het aantal vrijwilligers in musea (+82%) of de exportwaarde van Nederlandse muziek en beeldende kunst (+166%).

In vier pijlers worden al die indicatoren samengevat: infrastructuur (hoeveel cultuur is er eigenlijk?), participatie (hoeveel gebruik wordt ervan gemaakt?), geldstromen en concurrentiekracht (hoe doet de cultuur het vergeleken met andere sectoren en met het buitenland?). “Daarmee maken we een soort AEX voor de cultuur”, zegt Smithuijsen, “Een stevige indicatie van hoe het met de cultuursector gaat.”

De Index is nog in ontwikkeling. “We varen op tweedehands cijfers, omdat we zelf geen onderzoek doen”, vertelt Smithuijsen. “En het verzamelen daarvan was zeer moeilijk, vooral van commerciële partijen, al is dat uiteindelijk beter gelukt dan verwacht. En zeker op het gebied cultuurdeelname via internet zijn er de komende jaren nog betere metingen nodig. We staan nog maar aan de vooravond van het gebruik van open source en big data. De komende vijf jaar zullen de accenten steeds meer die kant op verschuiven.”

En wat moeten de sector en de overheid nu met deze samenhangende cijfers? Smithuijsen is terughoudend met een antwoord: “Ik ben geen politicus. Maar je kunt wel zien dat voor de overheid de keuze tussen spreiding en kwaliteit nu heel urgent wordt. Ga je subsidiegeld concentreren bij de beste kunstintellingen of kies je voor toegankelijkheid voor zo veel mogelijk Nederlanders? In de Index zie je een kaalslag buiten de grote steden, dat vraagt om een beslissing. Een ander vraagstuk is amateurkunst: minder mensen doen dat, onder andere door traditionele organisatievormen, die niet meer aansluiten bij hoe mensen hun vrije tijd indelen.”

De Cultuurindex wordt vanaf vandaag gespresenteerd en bijgewerkt op www.cultuurindex.nl

De doelen van cultuurbeleid

cultuurbeleid,meningen — simber op 3 mei 2012 om 21:18 uur
tags: ,

(Voor het magazine van Kunsten ’92, najaar 2011)

In het intellectuele deel van de kunstsector wordt traditioneel veel geklaagd over de visieloosheid van het Nederlandse cultuurbeleid. Iedere minister of staatssecretaris verzint nieuwe regels, beleidslijnen en instrumenten, maar welk overkoepelend doel al die maatregelen tezamen moeten bereiken blijft altijd wat schimmig.

Ook bij de huidige bezuinigingen klinkt weer de roep om visie, al wordt die behoorlijk overstemd door het luide gekrakeel over linkse hobbies en onbeschaafden. Toch zou een klein beetje helderheid over wat de overheid nu wil bereiken met de kunst die ze nog wenst te ondersteunen erg van pas komen. Te meer omdat er tegenwoordig –vooral vanuit economische hoek– beweerd wordt dat het huidige Nederlandse cultuurbeleid ineffectief zou zijn. De eerste logische vraag zou dan toch moeten zijn: effectief waarin? Welke doelen worden niet bereikt?

Het helderst werd deze mening geuit door de cultuureconoom Pim van Klink, die begin september in NRC werd geïnterviewd over een (oud) onderzoek naar diverse Europese subsidiestelsels.

Het komt erop neer dat Van Klink het Nederlandse cultuurbeleid verwijt dat het er niet in slaagt om Engelse doelstellingen te verwezelijken. Dat haalt je de koekoek. Het Nederlands cultuurbeleid was echter heel lang heel erg goed in het verwezenlijken van de Nederlandse doelstellingen. Want onlangs de roep om een visie op cultuurbeleid hadden we die wel degelijk: Nederland wilde een breed, divers cultuuraanbod, goed gespreid over het land. En voila: we hebben het breedste, meest diverse en best gespreide cultuuraanbod ter wereld. De conclusie moet dan onvermijdelijk luiden dat het Nederlandse cultuurbeleid een lichtend voorbeeld voor de wereld moet zijn.

Kortom: ook Van Klink kampt met de pathologische neiging om in Nederland alleen over de middelen van het cultuurbeleid te kunnen praten en niet over de doelen. Als Van Klink had gezegd dat we de Nederlandse beleidsdoelstellingen moeten wijzigen dan heeft hij een punt, maar dat kan hij niet onderbouwen als onderzoeker. Dan begeeft hij zich op het terrein van de politiek.

Het kan geen kwaad om eens te kijken naar de verschillende doelstellingen van cultuurbeleid in de landen om ons heen. In Groot Brittannië bijvoorbeeld staat het publiek veel meer centraal. De diverse regeringen (Engeland, Schotland en Wales) hanteren doelstellingen als “deelname aan een rijkgeschakeerd cultureel leven aanmoedigen” of “de toegang tot kunst en cultuur voor iedereen te waarborgen.” Het zijn algemeenheden, maar uit dit soort formuleringen valt heel goed te verklaren waarom het Verenigd Koninkrijk op dit moment een florerende sector community art heeft, maar weinig internationaal aansprekende topkunst.

Of neem Frankrijk. Daar gaat het om “onderhoud en exploitatie van het cultureel erfgoed, het aanmoedigen van artistieke creativiteit en een optimalisering van de kunstbeoefening en het kunstonderwijs.” Dit sluit goed aan bij de grote instituten die in Frankrijk op cultureel gebied de toon bepalen en op de zeer sterke neiging om Frankrijk als ‘culturele uitzondering’ te positioneren binnen het angelsaksische vrijhandelsregime.

Het lijkt erop dat er in Europa grofweg twee hoofdstromingen bestaan, een waarbij het cultuurbeleid wordt bekeken vanuit de kunst, en een waarbij de overheid het perspectief kiest van het publiek. Met dit inzicht wordt ook duidelijk waarom het gesprek over visie zo urgent is: de huidige regering wil een fundamentele omschakeling maken van het ene gezichtspunt naar het andere. Het publiek, dat tot voor kort in het cultuurbeleid eigenlijk niet voorkwam, komt ineens centraal te staan.

Maar geen enkele politicus durft te zeggen: vroeger wilden we dít, maar nu willen we iets anders. En omdat die keuze niet expliciet gemaakt wordt doen veel beleidsmakers alsof we het de hele tijd wel ongeveer met elkaar eens zijn. Dat leidt tot een Orwelliaanse dehistorisering: de huidige doelstellingen zijn er altijd geweest. En tot de conclusie dat het huidige cultuurbeleid mislukt is.

En zo dreigt het in Nederland te gaan zoals het altijd gaat: de visie hobbelt achter het beleid aan. Staatssecretaris Zijlstra heeft in zijn maatregelen duidelijk gemaakt dat hij zowel de topinstellingen wil sparen als de spreiding handhaven. Dat betekent dat hij de breedte en diversiteit van het aanbod deels opgeeft. Maar dat is een beslissing die hij niet durft te nemen, dus laten hij het gewoon maar gebeuren.

Natuurlijk heeft de staatssecretaris het een en ander geformuleerd over wat hij wil bereiken, maar het is vrij makkelijk om beleid te scheiden van visie. Zodra je in een geformuleerde doelstelling een vergrotende trap leest gaat het om beleid. In Zijlstra’s brief Meer dan Kwaliteit staat bijvoorbeeld: “Het kabinet wil dat culturele instellingen en kunstenaars ondernemender worden en een groter deel van hun inkomsten zelf verwerven. Culturele instellingen moeten minder afhankelijk worden van de overheid en daardoor flexibeler en krachtiger worden.” Op die manier doe je alsof iedereen het er al over eens is welke eigenschappen kunstinstellingen moeten hebben, en maak je van besturen een zaak van bijsturen. Maar beleid is relatief en visie is absoluut.

Was de invulling van de bezuinigingen niet heel anders geweest als ‘brede toegankelijkheid van een divers cultureel aanbod’ het kerndoel was geweest? Dan kun je het hebben over vragen als: is spreiding een doel, of een middel ter vergroting van de toegankelijkheid? Of: vergroot je de toegankelijkheid door die te zoeken in de breedte (voor elk wat wils) of in de diepte (zo hoog mogelijke kwaliteit bij een beperkt aantal instellingen)?

Zo blijven we doormodderen. De overheid blijft cultuur steunen, maar niemand kan precies zeggen waarom. Zolang dat zo blijft staat de deur naar verdere bezuinigingen wijd open.

De gegevens over Europees cultuurbeleid zijn ontleend aan de website Culturalpolicies.net

Interview Jan Joris Lamers

interviews,Parool,PS Kunst — simber op 11 januari 2012 om 20:57 uur
tags: , , ,

Toneelspeler en theatervernieuwer Jan Joris Lamers wordt dit jaar zeventig en werkt gestaag door aan zijn oeuvre. Met zijn groep Maatschappij Discordia maakt hij meerdere nieuwe voorstellingen per jaar en met repertoirevereniging De Veere herneemt hij ouder repertoire. En hij maakt zich grote zorgen over het circuit van kleine-zaal-toneelgezelschappen, waar de grote klap van de cultuurbezuinigingen het hardst gevoelt zal worden. “Het is helemaal niet moeilijk om een klein beetje geld uit de nationale economie te reserveren voor het vormgeven van ons dagelijks leven.”

Waarom horen we zo weinig van de kleine-zaalgroepen?

Er heerst totale stilte. Het is alsof je jezelf zou diskwalificeren als je zou zeggen dat je het er niet mee eens bent. De meeste van mijn collega’s zitten diep met hun kop in het zand, die wachten gewoon af totdat het 2013 is en ze geen salaris meer krijgen. Niemand wil het erover hebben. Behalve dan dat ze via achterkamertjes proberen hun positie veilig te stellen.

Ik kan niet begrijpen ook in de politiek niemand zich hiertegen verzet. Ik vermoed dus dat ze vroeger ook maar wat zeiden. De VVD wilde in 1998 nog één procent van het nationaal inkomen voor kunst. Ik kan de huidige standpunten over ‘je eigen broek ophouden’ en ‘worteling in de samenleving’ dus ook niet aux sérieux nemen.

De vraag rijst steeds vaker waarom de overheid de kunsten überhaupt moet subsidiëren. Is kunst niet gewoon luxe?

Maar een markteconomie zoals wij die nu hebben kan zich die kunsten toch permitteren? Er zijn ongelofelijk veel problemen en ik denk dat een groot gedeelte daarvan door kunstenaars worden opgelost, of in ieder geval ter discussie worden gesteld.

Mensen consumeren ongelofelijk veel kunst. Je hele omgeving is vormgegeven, alles is bedacht. Alles heeft een bepaalde tijdelijke dramaturgie en dat komt allemaal uit de kunstsector. Met tijdelijke dramaturgie bedoel ik hoe je met elkaar omgaat: als je een café van twee jaar geleden in zou kunnen lopen, zou je bij wijze van spreken al geen gesprek meer kunnen voeren. Dingen als De Wereld Draait Door zijn onvoorstelbaar maatgevend voor hoe we met elkaar waarover praten.

Of neem het grote succes van Apple. Hun ontwerpideeën komen van één Duitse ontwerper in dienst van Braun, Dieter Rams. Die man gaf leiding aan een team, gaf les op academies en nu is er een moment gekomen waarop de hele wereld rondloopt met die verworvenheden

Het is helemaal niet moeilijk om een klein beetje geld uit de nationale economie te reserveren voor het vormgeven van ons dagelijks leven. Om een beetje te besteden aan mensen die ervoor zorgen dat je je huis beter kunt inrichten of beter kunt praten. Of die iets zouden kunnen uitvinden waar je later misschien wel heel veel aan hebt.

Als je daar de consequentie van neemt, dan betekent dat dat de kunstenaar midden in de maatschappij moet staan. Na de oorlog vond men dat in onze sociaaldemocratie een kunstenaar in een burgerlijke samenleving moet kunnen functioneren zonder dat hij een buitenstaander is. En er is niks mis met volle zalen of  bestsellers of andere dingen die mensen graag willen, maar dat moet niet het énige zijn. Die populaire dingen kunnen bovendien nooit bestaan als ze niet worden geïnspireerd door onderzoek dat ergens anders wordt gedaan. Als je kijkt naar de avant-garde van de kunsten is dat een constante, zichzelf vernieuwende reeks van ontdekkingen.

Een van de problemen is dat mensen het idee hebben dat beslissingen over artistieke kwaliteit oncontroleerbaar zijn. Kwaliteit is toch niet te meten?

Kwaliteit is absoluut wel te meten. Als je de carrières van muzikanten en toneelspelers bekijken dan kun je daar toch een oordeel over hebben? In de wetenschap en de industrie, overal in de maatschappij, oordelen mensen die die ingewijd zijn in de materie over elkaars werk en dan beslissen ze wat ze gaan doen. Het is natuurlijk onzin om te denken dat iedereen zomaar zou kunnen oordelen over alles.

De grootste moeilijkheid bij het beoordelen van kunst op de korte termijn –wie krijgt wel geld en wie niet– is dat je het niet weet. Uit bepaalde dingen komt niks, of voorlopig niks. Sommige dingen beklijven en andere dingen raken vergeten. Je moet daar niet te streng in zijn en afwachten.

De overheid moet dus diversiteit in stand houden. Ik vind het onvoorstelbaar raar dat dat in het toneel nu niet gebeurt. Waarom krijgen de grote groepen maar zeven tot tien procent subsidiekorting en moeten de kleine groepen 72 procent inleveren? Waarom is dat? Dat heeft niemand ooit uitgelegd. Dat gaat niet over publiekscijfers –want die zijn in de grote zalen niet beter dan in de kleine– en niet over kwaliteit, want het is niet zo dat kleine en grote gezelschappen in kwaliteit verschillen. Ik denk dat het beter was geweest als ze wat nu de basisinfrastructuur heet evenredig hadden aangeslagen.

Waarom is dat circuit van kleine-zaal-groepen zo belangrijk?

De vernieuwing van de kunst komt van personen en collectieven, niet van organisaties. Die krijgen automatisch meer bureaucratie en de kunstenaars komen in dienst van die organisatie. Ze leggen zich voor lange tijd vast, ze anticiperen op wat ze moeten maken. En a priori komen daar niet de echte vernieuwingen vandaan.

Soms wordt er een artistiek leider aangenomen die uit een andere sector komt die de zaak een nieuwe injectie geeft, maar de bedrijven zelf zijn enorm log en strijken in feite de vernieuwing weg. Het grootste gedeelte van die collectieven heeft natuurlijk een beperkte levensduur. Daar moeten andere collectieven voor in de plaats komen. En dát is nu niet meer mogelijk. Door de huidige beslissing wordt de hele kleinschalige sector eigenlijk geliquideerd.

Een paar jaar geleden heeft de Raad voor Cultuur een ‘basisinfrastructuur’ vastgesteld, met daarin alle grote gezelschappen. Dat is natuurlijk een onzinnige term. En waarom zou die bovenlaag nu nog wel worden gesubsidieerd? Waarom zitten er geen kleine groepen in die basisinfrastructuur? Ik denk dat wat er nu wordt weggehaald juist de basis is. En ik denk dat het helemaal niet waar is dat de grote gezelschappen nu de taak van de kleine kunnen overnemen.

En nu moeten die gezelschappen ook nog van alles doen om ‘hun eigen broek op te houden’. Het betekent in feite dat rijke mensen extra belasting moeten betalen en dat stuit mij erg tegen de borst. Het was toch niet de bedoeling om het feodale stelsel alsnog op een andere wijze binnen te halen? Ik ben erg bang voor die nieuwe feodaliteit. Dat bedreigt het idee van de geëmancipeerde kunstenaar.

Voor het toneel begint dat idee bij (de Russische regisseur) Konstantin Stanislavski aan het begin van de twintigste eeuw. Stanislavski is de eerste die erop hamert dat een toneelspeler niet een uitvoerder is maar een kunstenaar. Daarom noemt hij zijn groep ook het Moskous Kunstenaars Theater. En inmiddels is er wel het besef ontstaan dat een schrijver of een schilder niet méér een kunstenaar is dan een toneelspeler.

Is dat ook waarom de nieuwe voorstelling van Discordia Stanislavski heet?

Stanislavski is iemand onder wie je allerlei actuele onderwerpen kunt verstoppen. Daar gaat het natuurlijk om. Het bijzondere aan Stanislavski is niet An actor prepares of de recepten die hij geeft voor toneelspelen, want die zijn voor een groot gedeelte achterhaald. Het belangrijkste aan hem is dat hij pleit voor het vrije onderzoek en dat hij de toneelspeler niet als materiaal ziet.

Uiteindelijk wordt er nu tomeloos ouderwets toneel gespeeld. Als je kijkt naar de nieuwste ontdekkingen in de sociologie of de psychologie die beschrijven wat mensen denken over te brengen als ze met elkaar praten, dan moet je als toneelspeler onderzoek doen naar de gevolgen van die inzichten voor je vak.

Stanislavski en Dansjenko hadden toen het het Moskous Kunst Theater operichtten precies hetzelfde probleem als wij nu: ze vochten tegen de commercie. De hele smaak en sfeer werd aangepast aan de omzet. Het ging om de bar en dat wilden we niet meer. Je moet het publiek niet geven wat ze willen, maar waarvan jij denkt dat ze er kennis van moeten nemen. Anders heeft het geen enkele zin.

Stanislavski van Maatschappij Discordia speelt van 17 t/m 28 januari in Frascati

Evaluatie Basisinfrastructuur

Theatermaker — simber op 2 september 2011 om 00:13 uur
tags: ,

(Dit artikel werd geschreven in opdracht van het TIN voor de Veldanalyse van het VTI. Het boek met die Vlaamse versie is te downloaden. Hieronder staat de bewerking (korter, minder voor Vlamingen noodzakelijke uitleg) die ik maakte voor de TM van april.)

De Basisinfrastructuur; ten halve gekeerd of ten dele gedwaald

Op 1 januari 2009 ging in Nederland een nieuw subsidiestelsel van start. Aan de introductie van de Basis Infra Structuur, kortweg BIS, ging zo’n zes jaar onderzoek, bestuurlijk passen en meten, analyse en discussie vooraf. In het tweede jaar van het nieuwe stelsel besloot een nieuwe regering zonder evaluatie of onderbouwing dat het niet voldeed. Maar omdat een nieuwe, zij het kleinere BIS in het vooruitzicht is gesteld, is het nuttig het huidige stelsel te evalueren en te bezien welke conclusies en aanbevelingen voor het volgende stelsel kunnen worden getrokken.

Cultuurbeleid in Nederland verloopt grotendeels in een continuüm, maar laten we de noodzakelijke voorgeschiedenis aanvangen met de invoering van de Cultuurnota (toen nog Kunstenplan geheten) in 1988. Dat behelsde dat alle kunstinstellingen eens in de vier jaar op hun kwaliteit zouden worden beoordeeld door één adviesorgaan: de Raad voor de Kunst (later Raad voor Cultuur). Dat raadsadvies zou op die manier leiden tot één nota voor de gehele cultuursector. Dat was een enorme verbetering ten opzichte van de bestaande praktijk, waarin per discipline nota’s werden geschreven en een groot aantal adviescommissies werd geraadpleegd. De Tweede Kamer zou op basis van die nieuwe Cultuurnota de discussie kunnen voeren over de hoofdlijnen van het beleid en de kunstenaars zouden vervolgens vier jaar ongestoord aan het werk kunnen.

Maar al snel begonnen juist bij die zogenoemde integrale visie de problemen. De Raad voor Cultuur moest zich niet alleen uitspreken over de kwaliteit van de aanvragende instellingen, maar ook over hun functioneren in de samenleving en over financieringsvraagstukken. Een groot deel van de beleidsontwikkeling op het gebied van cultuur vond niet meer plaats op het ministerie van OCW, maar in de statige villa van de Raad aan de Schimmelpennincklaan in Den Haag. De Raad speelde een grote rol in de steeds verder opgetuigde cultuurnotaprocedure, waar vooradviezen, sectoranalyses, een uitgangspuntennota en convenantbesprekingen aan werden toegevoegd. Critici spraken over een ‘ontzielde procedure’, met de Raad als ‘buitenministerie’ of ‘lobbyorganisatie voor de kunsten’.

Maar niet alleen de procedure dijde uit, ook het aantal instellingen groeide enorm. Vanaf 1992 verdubbelde het aantal vierjarig gesubsidieerde instellingen tot 433 in de Cultuurnota 2005-2008. Niet alleen kwamen er veel meer theatergroepen en muziekensembles bij, ook alle archieven, fondsen en kunstopleidingen werden de Cultuurnota in getrokken. Tegelijkertijd groeide het budget, maar door het principe van de verdelende rechtvaardigheid kregen slechts weinig aanvragers echt voldoende geld.

Continue reading “Evaluatie Basisinfrastructuur” »

Internationaal protest tegen cultuurbezuinigingen

cultuurbeleid,nieuws,Parool — simber op 20 juni 2011 om 00:23 uur
tags: ,

Een dertigtal gerenommeerde kunstenaars en kunstinstellingen uit de hele wereld hebben staatssecretaris Halbe Zijlstra van cultuur een brief geschreven om te protesteren tegen de bezuinigingen die hij wil doorvoeren in de cultuursector. De ondertekenaars, onder  wie choreografen William Forsythe en Sacha Waltz, operaregisseurs Jossi Wieler en Peter Sellars en vertegenwoordigers van de Salzburger Festspiele, het Festival van Avignon en de New York Theatre Workshop noemen het “rijke en diverse kunstenveld” van Nederland “een baken van excellentie in Europa”. Ze roepen het parlement op de bezuinigingen te heroverwegen, met name omdat het “innovatieve en gedurfde werk van onafhankelijke kunstenaars en kleine en middelgrote gezelschappen” bedreigd wordt.

De brief wordt vandaag aangeboden aan de Tweede Kamer. Daar worden vanmiddag hoorzittingen gehouden over de voorstellen van Zijlstra. Zo’n 25 experts zullen hun visie geven op de gevolgen van de bezuinigingen. De Amsterdamse wethouder Gehrels van cultuur zal daar haar alternatieve plan toelichten om middelgrote en kleinere instellingen te sparen. Andere sprekers zijn kunsteconomen Arjo Klamer en Berend Jan Langenberg, Vandenende Foundation-directeur Ryclef Rienstra en beeldend kunstenaar Jonas Staal.

Ook in Nederland komen acties tegen de cultuurbezuinigingen op gang. Lobbyvereniging Kunsten ’92 organiseert vandaag een serie one-minute-statements in een boksring op het Plein voor de Tweede Kamer en er worden voorbereidingen getroffen voor een massaal protest op zondag 26 en maandag 27 juni, wanneer de Kamer over de voorstellen stemt. Op zondag zullen kunstenaars Museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam bezetten en in de nacht van zondag op maandag vindt vanaf het museum een Mars der Beschaving plaats waarin kunstenaars en publiek worden opgeroepen mee te lopen naar Den Haag.

(Linkdump: Brief van de internationale prominenten; Mars der Beschaving; programma hoorzitting)

Koers Kunst

cultuurbeleid,niet-theater,overig — simber op 8 april 2011 om 12:53 uur
tags: ,

Vandaag lanceer ik samen met Johan Idema het project Koers Kunst – De beste ideeën voor een cultureler Nederland. Vanaf vandaag tot juli gaan we, samen met experts en betrokken buitenstaanders, op zoek naar concrete ideeën, die een denkrichting vertegenwoordigen, een knelpunt aanpakken of een kans grijpen. Niet defensief, over geld of belangen, maar een open zoektocht, die discussie losmaakt, zodat een nationale brainstorm ontstaat. De Volkskrant en de Avro volgen de zoektocht.

Gisteren stond een uitgbreid artikel in De Volksrant, nu staat het eerste idee online, een oproep tot een ‘seizoen van de amateur’ door Kesselskramer-directeur Engin Celikbas. De komende maanden zullen we zo’n twee keer per week een nieuw idee publiceren, steeds met een culturele insider of outsider als afzender. Maar ook jij kunt meedoen: reageer en stem op de ideeën of opper zelf een idee.

www.koerskunst.nl

Seizoensoverzicht 2009/2010

Artistiek zelfonderzoek is uit, maatschappelijke betrokkenheid is in. Toneel ging het afgelopen seizoen over nu en verklankte de stemmen van internationale auteurs van vandaag. Dertigers staan niet langer als jong en aanstormend aan de kant, maar eisen hun plek op en met succes. Jammer dat de relevantie van kunst juist nu zo zwaar wordt betwist door burger en politiek.

Het is niet specifiek voor afgelopen seizoen, maar wel een onmiskenbare ontwikkeling van de afgelopen jaren: expliciet geëngageerd theater is ín. Alweer vijf jaar geleden riep theatermaker Eric de Vroedt op tot ‘nieuw geëngageerd toneel’ en werd Ivo van Hove door Johan Simons berispt omdat je volgens hem in een tijd van geweld en terrorisme geen huwelijkskomedie van Ayckbourn kon spelen.

Dat hebben ze geweten. Anno 2010 trok de hele wereld op het schouwtoneel voorbij. Van burgeroorlog (Branden) tot duurzaamheid (Schwalbe speelt op eigen kracht) en van misdaadverslaggever Peter R. de Vries (Rashomon Effect) tot meisjesmoordverdachte Joran van der Sloot (Met Joran aan zee). Het theater was als een iets artistieker en soms meer intellectuele versie van de babbelprogramma’s op televisie waar het dagelijks nieuws voorbijtrekt en van commentaar wordt voorzien. Familiedrama’s in de huiskamer kom je op het toneel eigenlijk bijna niet meer tegen.

Continue reading “Seizoensoverzicht 2009/2010” »

Stille crisis in de kleine zaal

(Voor TM van mei 2009. Wederom met schitterende graphics van Hans Bos, foto volgt)

In de kleine theaterzalen van Nederland voltrekt zich een langzame, stille crisis. Lange tijd was er een min of meer stabiele situatie waarin bezoekersaantallen, subsidies en uitkoopsommen elkaar in evenwicht hielden. Nu van de groepen gevraagd wordt om meer eigen inkomsten te genereren en bezoekers wispelturiger worden, gaat het systeem schuiven. In de grote zalen wordt dat opgevangen door meer gegarandeerde publiekssuccessen te programmeren – vrije producties, cabaret en musical. Maar hoe zit dat in de kleine zaal?

Harm Lambers, directeur van Theater Kikker in Utrecht, was de eerste die de problematiek aan de orde stelde. In een brief aan een aantal mededirecteuren schetst hij de contouren van een bestelcrisis. De kern: “er bestaat veel te weinig samenhang tussen kosten van voorstellingen en publieksinkomsten.” Aanleiding is de stijging van de gevraagde uitkoopsommen door de bezoekende groepen. Omdat de subsidies gelijk blijven kan een theaterdirecteur twee kanten op: de kosten omlaag of de inkomsten omhoog.

Continue reading “Stille crisis in de kleine zaal” »

Regiogezelschappen op zoek naar worteling

(voor Boekman 78; de opkomst van de regio)

Ineens waren ze er: acht ‘theater-brandpunten’. In het advies Innoveren, Participeren! van de Raad voor Cultuur waarin het ontwerp voor de nieuwe basisinfrastructuur theater werd neergelegd kregen acht plaatsen in Nederland een speciale status. Die theater-brandpunten moesten volgens de Raad ontstaan uit een combinatie en samenwerking van grote toneelgezelschappen, productiehuizen, opleidingen, jeugdtheatergezelschappen en schouwburgen.

Die grote toneelgezelschappen werden in het beleidsjargon al meteen omgedoopt tot stads- of regiogezelschappen. Amsterdam, Rotterdam en Den Haag hadden ieder al een duidelijk stadsgezelschap. Utrecht krijgt een nieuw. Buiten de Randstad waren er al sinds midden jaren tachtig regionale toneelvoorzieningen in Groningen, Arnhem en Eindhoven. Maastricht had al een middelgroot toneelgezelschap dat met ingang van de nieuwe vierjarige subsidieperiode werd ‘geupgrade’ naar een regionaal gezelschap.

In het advies staan de taken voor die stads- en regiogezelschappen opgesomd. Het produceren van repertoiretheater, binding met de andere instellingen in de regio, binding met de andere grote gezelschappen, talentontwikkeling, een breed publiek bereiken, educatie en tenslotte participeren in lokale netwerken.

Continue reading “Regiogezelschappen op zoek naar worteling” »

Volgende pagina »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2017 Simber | powered by WordPress with Barecity