Tijdlijn nieuw subsidiestelsel

overig,Theatermaker — simber op 5 januari 2009 om 12:06 uur
tags: ,

27 mei 2003
Medy van der Laan treedt aan als staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (belast met cultuur en media) in het kabinet Balkenende II.

4 september 2003
Staatssecretaris Van der Laan spreekt de State of the Union uit ter gelegenheid van de opening van Het Theaterfestival. Zij noemt het vierjaarlijkse proces rond de Cultuurnota ‘een procedure waarin de zon nooit onder gaat’ en belooft een eenvoudiger subsidiesysteem.

September 2005
Staatssecretaris Van der Laan presenteert de nota Verschil maken; Herijking Cultuurnotasystematiek. Hierin zet zij de belangrijkste eigenschappen van het nieuwe stelsel uiteen: driedeling in gesubsidieerde instellingen bestaande uit langjarigen, vierjarigen (samen de zogenoemde Basisinfrastructuur) en de rest naar de fondsen. Overheid betrokken waar nodig, op afstand waar mogelijk; scheiding van cultuurbeleid en subsidiebesluiten.

Continue reading “Tijdlijn nieuw subsidiestelsel” »

Interview Hedy d’Ancona

interviews,Theatermaker — simber op 5 januari 2009 om 11:51 uur
tags: , ,

Door: Simon van den Berg en Lorianne van Gelder

In september 2006 verscheen Uit!, het rapport van de commissie d’Ancona. De naamgeefster van de commissie is net 71, maar zit nog in meer dan tien besturen in de kunstensector. Van De Beierd in Breda, een nieuw museum voor graphic design tot theatergroep Huis aan de Amstel. Als oud-minister van WVC volgt ze haar opvolger op de voet “Kennelijk wil de huidige minister het imago hebben dat hij zijn mannetje staat tegenover dat softe gedoe van cultuur.”

Paniek in huize d’Ancona. Er is een dubbele afspraak gemaakt. Het jubileumconcert van het Concertgebouworkest is vandaag en niet over een maand. Maar haar aanwezigheid bij de opening van een kunstenaarsroute door Amsterdam Zuid staat al in de boeken. “Een paar maanden geleden is mijn tas gestolen, met mijn mobiele telefoon en mijn agenda, op die Italiaanse manier, met een scooter. Zo’n jongen sloeg de ruit van m’n auto in, de tas lag op de passagiersstoel. Nu prop ik hem dus diep achter me. Zo wordt je steeds meer streetwise, en tutteriger ook.”

Continue reading “Interview Hedy d’Ancona” »

Positief advies, geen geld, protest

cultuurbeleid,nieuws,Parool — simber op 15 oktober 2008 om 00:41 uur
tags: , , , ,

Acht kunstinstellingen gaan de gemeenteraad inschakelen in hun protest tegen Wethouder Carolien Gehrels van cultuur. De acht, waaronder dansgroepen Anoukvandijk en Emio Greco en theatergroepen Discordia en Zep kregen van de Kunstraad een positief advies, maar krijgen geen geld van Gehrels, zo staat te lezen in het concept Kunstenplan dat de wethouder vorige week presenteerde.

Het komt wel eens voor dat instellingen die een negatief advies kregen van een adviesraad toch geld krijgen. Een bestuurder kan ‘politieke redenen’ noemen om een instelling toch te honoreren, en dat is precies wat Gehrels deed in het geval van o.a. het Rozentheater, De Waag, Festival Over het IJ en het Filmmuseum. Maar het omgekeerde, een zogenaamde “negatieve correctie”, is een unicum. Het komt eigenlijk niet voor dat instellingen geen geld krijgen na een positief advies.

Gehrels verdedigde haar keuze met het argument dat zij teruggrijpt op de oorspronkelijke verdeling van verantwoordelijkheden tussen rijk en gemeente: het rijk zorgt voor producerende gezelschappen, Amsterdam voor de theaters.

Maar dat argument is onzin, stelde Kunstraadvoorzitter Bert Janmaat vorige week al in NRC Handelsblad: “Als zij geen nieuwe groepen wil toelaten, had ze dat vooraf moeten zeggen. Niet nadat iedereen zijn aanvraag heeft ingediend, en de Kunstraad zich er al over heeft uitgesproken.” Daarbij kan Gehrels niet klagen over geldgebrek. Ze heeft juist vier miljoen euro extra voor de kunst uitgetrokken.

Bovendien is de uitspraak van de wethouder inconsequent, zeggen de acht groepen nu in een brief aan de commissie Kunst en Cultuur van de gemeenteraad. Er zijn namelijk andere producerende instellingen die wél geld krijgen, en flink veel ook, zoals Toneelgroep Amsterdam (dat 3,3 miljoen krijgt – twee ton meer dan de Kunstraad adviseerde), Het Nationale Ballet, MC, of Theater het Amsterdamse Bos. Nog vreemder is dat de wethouder een aantal producerende instellingen wil redden die van de Kunstraad een onvoldoende kregen, zoals het ASKO/Schönberg Ensemble en het Handtheater. Waarom is het rijk daar ineens niet verantwoordelijk voor?

De protesterende instellingen hebben afgelopen maandag tijdens een hoorzitting hun bezwaren naar voren gebracht. Op 30 oktober behandelt de raadscommissie Kunst en Cultuur het concept kunstenplan.

Het conflict van de bestuurder met de adviesorganen lijkt een trend. Eerder sloegen in Rotterdam de stoppen door toen de Raad voor Kunst en Cultuur adviseerde om de subsidie voor de Kunsthal en het Gergiev Festival stop te zetten en de wethouder dat advies direct ongedaan maakte. En vorige maand nog bekritiseerde minister Plasterk de Raad voor Cultuur omdat die zich in de huidige adviesronde teveel als lobbyclub voor de kunstsector had gedragen.

Stroomschema Cultuursubsidies

cultuurbeleid,Theatermaker — simber op 27 maart 2008 om 17:19 uur
tags: , , ,

Een nieuwe winter, een nieuw stroomschema. Dit keer over de nieuwe verdeling van de cultuursubsidies over rijk en superfonds. Verscheen in de TM van maart ’08

Subsidiefabriek

Boekrecensie: Blokboek/Blokschijf

boekrecensies,Theatermaker — simber op 23 februari 2008 om 17:28 uur
tags: , , , ,

Toen de Prosceniumprijs in 2006 werd uitgereikt aan Tom Blokdijk moeten er veel mensen zijn geweest, zeker onder de jongere aanwezigen, die dachten: ‘Leuk hoor, maar wie is dat eigenlijk?’ Want de rol van dramaturg en bewerker, waarvoor de jury hem vooral lauwerde, speelt zich niet af op de voorgrond. Tom Blokdijk is behalve dramaturg ook beschouwer, chroniqueur en polemist en juist om die kant van zijn werk te (her)ontdekken heeft het TIN een buitengewoon fijne uitgave gedaan: BlokboekBlokschijf.

Het is vooral prettig dat de redactie heeft bedacht dat het voor een overzichtswerk in deze moderne tijden niet meer nodig is een kleine selectie te maken uit het werk van een auteur, maar dat je alles kunt ontsluiten. Zo ontstond de combinatie van het Blokboek – een mooi, in constructivistisch rood/zwart/wit vormgegeven boek, met artikelen van anderen over Blokdijk – en de Blokschijf, een cd-rom met daarop 98 artikelen van Blokdijk zelf, plus nog wat biografische informatie. (Op Windows-computers heeft de schijf een paar handige zoek- en filterfuncties die gebruikers van andere systemen moeten ontberen, maar door de heldere indeling is de schijf ook voor hen goed bruikbaar.)

De artikelen van Blokdijk worden met weinig context gepresenteerd, maar dat geeft niet. De context is steeds het veranderende theaterklimaat tussen 1970 en 2007, met daarin de vrij constante stem van Blokdijk die het keer op keer opneemt voor ‘theater dat je dwingt op een bepaalde manier naar de werkelijkheid te kijken’. De meest in het oog springende verandering in deze artikelen is het terugkomen op de revolutionaire spelling waarin de ‘kritiese analieses’ uit de vroege jaren zeventig zijn opgesteld.

De artikelen in het boek over Blokdijk variëren van een mooi persoonlijk artikel van theaterwetenschapper Anna van der Plas over Blokdijks opvattingen over acteren, tot een heldere beschrijving van de werkwijze van Blokdijk als dramaturg door Luc van den Dries en een wel erg cultuurpessimistisch artikel van Marianne van Kerkhoven. Meest waardevol is een glashelder betoog van Ellen Walraven (toch een beetje de geestelijk dochter van) over het belang van het denken van Blokdijk in de afgelopen decennia over ‘een paradigmawisseling (..) van een wereldbeeldbevestigend klassiek repertoiretoneel voor het brede publiek naar een meer subversieve vorm van theater dat probeert het hedendaagse levensgevoel gestalte te geven en erop te reageren.’

Alle discussies waarmee Blokdijk zich bezighoudt (grote zaal versus vlakke vloer, spreiding, publieksbereik, grote toneelhuizen versus kleine groepen, et cetera) zijn hierop terug te voeren. Wat opvalt, is dat Blokdijk buitengewoon scherp kan analyseren waarom de redenering van zijn tegenstander niet klopt waarbij hij vervolgens de neiging heeft het tegenovergestelde te bewijzen. Zegt het ministerie in 1986 dat het toneelbezoek in de vroege jaren tachtig is gedaald door gebrek aan kwaliteit, gaat Blokdijk een boom opzetten dat het publiek juist is afgehaakt door de toegenomen kwaliteit. Maar omdat hij niet zozeer argumenten ontkracht als wel een redeneertrant onderuit haalt, worden zijn eigen redeneringen net zo ongeloofwaardig als de redeneringen die hij bestrijdt.

Misschien is dit een gevolg van het door het Marxisme gevormde dialectische denken van de jaren zestig en zeventig, maar misschien komt het ook gewoon omdat Blokdijk vrijwel altijd schrijft vanuit woede. Die woede geeft de stukken bij herlezing soms iets ontevredens, maar vooral spreekt er zijn passie uit voor dat subversieve theater waaraan hij later bij Hollandia zelf ging bijdragen.

Walraven vindt het af en toe deprimerend dat het denken van Blokdijk zo weinig weerslag heeft gevonden in het cultuurbeleid. Blijkbaar is de paradigmawisseling nog niet voltooid. Maar je zou het ook anders kunnen zien: het subversieve theater moest haar positie bevechten vanuit een dialectische opstelling. Nu het een positie heeft verworven zijn er nieuwe ideologieën nodig.

Hoewel Blokdijks rol in het grote debat misschien is uitgespeeld (al schreef hij speciaal voor de bundel samen met Arthur Sonnen nog een lezenswaardig artikel over manieren om de grote zaal terug te winnen voor het progressieve toneel), blijft een groot aantal van zijn uitgangspunten van belang, met als voornaamste: ‘Hoe de discussie en het cultuurbeleid zich ook ontwikkelt, we moeten ervoor vechten dat dit gebeurt vanuit de kunstenaar.’ En dat blijft belangrijk, in welke discussie dan ook.

Datascape Cultuur

cultuurbeleid,nieuws,overig,Parool — simber op 6 september 2007 om 22:50 uur
tags: , , ,

Datascape Cultuur

Een slecht bekeken VPRO-zondagavond trekt met 100.000 kijkers ongeveer even veel publiek als de Stadsschouwburg Amsterdam in een jaar. Ondanks de klachten over bezuinigingen zijn de uitgaven aan cultuur door de overheid de afgelopen jaren sterk gestegen. De bekendste Nederlandse levende cultuurdragers in het buitenland zijn Rem Koolhaas en Victor & Rolf.

Deze en andere verrassende feiten en inzichten zijn terug te vinden in de Datascape Cultuur, een kleurrijke nieuwe uitgave van cultureel adviseur Johan Idema en ontwerper Hendrik-Jan Grievink. Op een zeven meter lange strook verzamelden zij de uitkomsten van 200 recente onderzoeken en rapporten over cultuur, vertaald in talloze kleurige infographics die samen een aantrekkelijk en origineel overzicht geven van wat er in het culturele veld speelt. De doelgroep is in de eerste plaats beleidsmakers en andere mensen die in de cultuursector werken, maar de mooie uitgave, de vele leuke weetjes en grappige vertalingen naar beeld zullen ook veel cultuurconsumenten hebberig maken.

Er is een ‘hoofdstuk’ over de spreiding van cultuur over het land, een over de opkomst van amateurkunst en een over het sterk groeiende aantal cultuurgebouwen en podia. Maar ook subsidieperikelen, erfgoed en het binnen de kunstwereld omstreden begrip ‘creatieve industrie’ komen aan bod.

Doelbewust wordt de definitie van cultuur heel breed gemaakt. Beeldende kunst, theater en literatuur is maar het topje van de ijsberg, blijkt uit één van de illustraties. Daaronder zit nog een groot aantal genres en disciplines, van popmuziek en games tot mode, design, amateurkunst en reclame. Zo bekeken is cultuur veel groter dan je denkt. Veertig procent van de Nederlanders gaat eens per jaar naar een cultuurinstelling, terwijl zestig procent een vorm van amateurkunst beoefend. En de totale creatieve industrie is met een omzet van 8,4 miljard euro ongeveer net zo groot als de horeca.

Daarbij stelt de Datascape Cultuur soms pijnlijke vragen. Waarom is bijvoorbeeld het bezoek aan de traditionele kunsten sinds de jaren zestig volkomen gelijk gebleven, terwijl het opleidingsniveau enorm is gestegen en er dus een groot publiek van potentiële cultuurminnaars bij is gekomen?

Initiatiefnemer Idema werkt bij adviesbureau Lagroup in Amsterdam, maar ontwikkelde de datascape als eigen project. “In mijn werk kom ik honderden onderzoeken over de cultuursector tegen, maar die zijn bijna allemaal gericht op één discipline. Ik raakte meer en meer geïnteresseerd in wat er zou gebeuren als je al die onderzoeken zou combineren. Een paar jaar geleden kwam ik een datascape tegen over toerisme en bedacht ik een manier om al die data visueel te presenteren.”

Met de Datascape Cultuur wil Idema in de eerste plaats discussie losmaken in de cultuursector: “Er moet anders worden nagedacht over cultuur. Er wordt nog te veel vanuit bestaande hokjes gedacht, maar dat zorgt ervoor dat de kunstsector kansen mist. Daarbij wil ik laten zien dat onderzoeksdata minder met cijfers en meer met beeld moet worden gepresenteerd.”

Ondanks de uitputtende opsomming van cijfermateriaal, logo’s en slogans ziet Idema nog wel witte vlekken: “Er wordt heel weinig onderzoek gedaan naar de inhoud of het onderwerp van kunstwerken. Waar gaat het over? Is kunst in Nederland politieker geworden of juist niet? Ook over de beleving van het publiek weten we weinig: waarom gaan ze en wat is de impact?” In de Datascape Cultuur wordt ook opgeroepen tot een nieuw soort vragen: “Waarom wel meten hoeveel mensen naar designmusea gaan, maar niet hoeveel mensen designproducten kopen?”

De datascape mondt uit in drie scenario’s voor de toekomst. Eén waarin de populaire cultuur meer diepgang krijgt maar waarin de traditionele kunsten een (nog) bescheidener plek zullen innemen, één waarin kunst en cultuur voornamelijk functioneel wordt ingezet om politieke, sociale of economische doelen te verwezelijken en tenslotte één waarin onder invloed van nieuwe media nieuwe verbanden en genres ontstaan.

“Ik denk niet dat het of het ene óf het andere scenario wordt”, zegt Idema: “De huidige ontwikkelingen zijn te complex om in één toekomstvoorspelling te vatten. Alledrie de richtingen zullen gedeeltelijk uitkomen. Maar ik ben zelf wel erg geïnteresseerd in de eerste richting: fotografie en popmuziek waren in het begin ook culturele uitingen die niet serieus genomen werden, maar die nu ook als kunst worden gezien. Er is cultuurbeleid en soms subsidie voor. Ik ben benieuwd om te zien hoe dat gaat gebeuren met graffiti of games.”

De Datascape Cultuur wordt aanstaande maandag 10 september om 15:00 uur gepresenteerd in De Balie.

Gelezen: ‘Luchtig en toch verlicht; Theater maken in de zomer’

In de zomer van 2006 deed het FAPK een pilot-project met de zomerfestivals. Het fonds vroeg de festivals om in gezamenlijk overleg een beperkt aantal projecten te kiezen waarvoor ze een beroep op het fonds wilden doen, zodat een klein aantal makers de kans kreeg om grootschaliger te werken en hun voorstellingen langs verschillende festivals te laten reizen. Eerdere jaren kreeg het FAPK zoveel aanvragen dat het leek of het fonds de festivals programmeerde door aanvragen af te wijzen of toe te kennen.

Deze pilot leverde een aantal geslaagde voorstellingen op, zoals Dreef van Boukje Schweigman en Theun Mosk, Broeders van Jetse Batelaan en Mobil van Deuten & De Goeij. Het Fonds stuurde ook nog drie journalisten, Anita Twaalfhoven, Bart Deuss en Jowi Schmitz, op pad om de festivals te verslaan en makers en directeuren te spreken. De weerslag van hun zomer levert een aardig inzicht op in de visies en problemen van de makers en de festivals, maar het geeft vooral een goede indruk van het enorm levendige circuit van de zomerfestivals.

Want bij alle crisis-taal in het theaterdebat wordt nogal eens vergeten dat de festivals op dit moment een bloeiend -en groeiend- onderdeel is van het veld, waar de meest interessante jonge makers hun beste voorstellingen maken en waar de tegenstelling tussen plat vermaak en hoge kunst niet zo’n grote rol speelt, omdat het eenvoudigweg als natuurlijke verscheidenheid wordt gezien.

In de interviews bezingen veel makers hun liefde voor locatietheater, met name vanwege “de enorme bereidheid van het publiek om contact met de voorstellingen te maken”, zoals Batelaan het formuleert. Veel makers geven vaak impliciet aan dat ze de schouwburgen en theaters vaak als belemmering zien: als iets dat tussen de makers en het publiek in staat. Dat lijkt me een zeer zorgelijke constatering die alle schouwburgdirecteuren ter harte zouden moeten nemen.

Overigens is het niet alleen jubel over de festivals wat de klok slaat: de verschillende festivaldirecteuren lijken weinig eensgezind in wat nu de juiste richting is voor dit circuit. Sommigen willen meer bundeling, zodat de festivals samen de kwaliteit kunnen verhogen, anderen willen juist meer nadruk op het eigen profiel. Ook over de werkplaatsfunctie van festivals zijn de meningen verdeeld. Directeur Ruud van Meijel van het Zeeland Nazomer Festival vind zelfs de hele nadruk op jonge makers nogal overtrokken: “Er komt onherroepelijk een moment dat er een minder produktie wordt gemaakt en dan wordt zo’n opgehemeld talent neergesabeld. En wat dan?”

Vaak klinkt in de woorden van de directeuren nog een underdog-denken door ten op zichte van het ‘reguliere’ theater. Maar juist zij moeten toch weten dat zij de makers niet een jaar lang aan het werk kunnen houden. De makers geven bijna allemaal aan graag werken in de schouwburgen willen combineren met werken op locatie. Daar ligt een enorme kans om het grote publiek dat de festivals weten te bereiken ook de rest van het jaar bij de podiumkunsten te betrekken. Daar is een structurele verbetering van financiële positie van de makers voor nodig, want het is natuurlijk een schande dat een onomstreden groot talent als Boukje Schweigman slechts zeven maanden per jaar betaald wordt.

Luchtig en toch verlicht; Theater maken in de zomer
Brochure van het FAPK, februari 2007

De gevaren van het publieksdenken

beschouwingen — simber op 24 juni 2007 om 21:10 uur
tags: , , ,

(Gepubliceerd in Boekman 71 over podiumkunsten, zomer 2007)

Er is crisis in het theater, zo zegt men. Er verschijnen pamfletten, adviezen en artikelen in de kranten en in veel daarvan komen dezelfde problemen steeds terug: overaanbod, versnippering, en gebrek aan doorstroming. Over de oplossingen bestaat iets minder overeenstemming, maar toch hoor je vaak dezelfde ideeën terugkeren: versterking van de stadsgezelschappen, een kwaliteitsimpuls voor de podia en de oprichting van een groot nieuw fonds voor de artistiek vernieuwende theatergroepen.

Vooral dat laatste plan werd onlangs uitgewerkt door de Raad voor Cultuur in haaar rapport Innoveren, Participeren!, waarin hij een scheiding uiteenzet tussen instellingen met voornamelijk artistieke bestaansgronden (die naar het nieuwe fonds worden doorverwezen) enerzijds en instellingen die functies vervullen in het veld (de basisinfrastructuur) anderzijds. Die functies bestaan voor een groot deel uit de spreiding van een kwalitatief hoogstaand theateraanbod over het land, maar ook wordt het spelen van repertoire expliciet als taak genoemd.

Het is van belang om duidelijk te maken dat de hele crisis-discussie plaats vindt binnen de context van een langer lopende vermeende trend: het gesubsidieerde theater raakt z’n publiek kwijt. De huidige ronde in dit debat werd afgetrapt door VNT-directeur Jan Post die begin 2006 in een interview in TM zei: “Wij [de gesubsidieerde theatergezelschappen] zaten zo’n acht jaar geleden nog op dertig procent podiumbezetting, nu zitten we op vijftien procent, bij ongewijzigd beleid gaan we door naar vijf procent. (…) We hebben te weinig een crisisgevoel. Een deel van de familie [de VNT] voelt die crisis en spreekt die ook uit, maar een ander deel kijkt weg, wil die crisis niet zien. (…) Dus zullen we de crisis moeten versnellen om haar te overwinnen.”

Let wel: het debat gaat dus niet over de kunst, maar over het publiek. Dat is belangrijk om te onthouden, omdat de gekozen oplossingen niet alleen vaak artistiek gemotiveerd worden, maar vooral omdat ze grote artistieke gevolgen gaan hebben. En het is daarbij de vraag of de voorgestelde wijzigingen in het theaterbestel wel aansluiten bij de artistieke wensen van de aankomende generatie theatermakers.

De in het afgelopen jaar voorgestelde oplossingen komen voor een belangrijk deel voort uit de Sectie 1 van de VNT, waarin de grote theatergezelschappen hun belangenbehartiging verenigd hebben.

Het huidige zelfvertrouwen van de grote gezelschappen is ontleend aan twee parallelle ontwikkelingen die het afgelopen decennium hun beslag kregen. Allereerst kwam er langzaam maar zeker een nieuw burgerlijk theater op. De vrije producenten kregen meer ruimte in de schouwburgen voor hun ongesubsidieerde voorstellingen en konden daarmee hun publiek sterk vergroten. Zij deden dit met een slimme mix van recente toneelstukken van Franse of Amerikaanse schrijvers, bewerkingen van populaire boeken en vooral door van film of televisie bekende acteurs in te zetten. Ze keken daarbij goed naar Broadway en West End, waar sinds het eind van de jaren negentig steeds meer Hollywood-sterren op het toneel stonden in een vruchtbare ruilhandel: de sterren kregen artistieke geloofwaardigheid en de kassa’s van de theaters rinkelden lustig.

Naast dit vrije aanbod begonnen gesubsidieerde groepen als Het Toneel Speelt (HTS) en Het Nationale Toneel (HNT) op vergelijkbare manieren hun publiek uit te breiden. HTS commiteerde zich aan Nederlandse auteurs en gaf onder anderen Willem Jan Otten, Bas Heijne en Maria Goos schrijfopdrachten in een poging om het theater zijn literaire wortels terug te geven. HNT profileerde zich als nationaal reisgezelschap met groot opgezette producties in een tamelijk behoudende stijl. Het is opvallend dat juist deze twee gezelschappen niet worden geleid door een regisserende artistiek leider, maar door algemeen directeur (Evert de Jager bij HNT, Ronald Klamer bij HTS) die meer als intendant functioneren en per project een artistiek team bij elkaar brengen.

De tweede ontwikkeling is een artistieke bloeiperiode van het grote zaal-toneel die aan het begin van het huidige decennium aanbrak. Na een lange periode waarin al het interessante en belangwekkende theater gemaakt leek te worden in de vlakke vloer-theaters, vonden regisseurs Johan Simons, Ivo van Hove en Guy Cassiers een nieuw elan in de schouwburgen.

Simons, die in 2001 zijn groep Hollandia fuseerde met Het Zuidelijk Toneel en naar Eindhoven verhuisde, vond manieren om zijn door locatietheater gevormde stijl om te zetten naar aards en ritueel theater voor in schouwburgzalen; Van Hove maakte vanaf 2001 een moeizame startperiode door bij Toneelgroep Amsterdam, maar wist in een vruchtbare samenwerking met Amsterdamse Stadsschouwburgdirecteur Melle Daamen zijn groep tot enige huisgezelschap te maken en keerde die schouwburg vanaf 2003 samen met zijn vaste ontwerper Jan Versweyveld in diverse publieksopstellingen geheel binnenstebuiten; Cassiers tenslotte maakte bij het Ro Theater met zijn vierdelige Proustcyclus grensverleggend theater, waarin technologie, grootschaligheid en intimiteit elkaar op vanzelfsprekende wijzen vonden. Alledrie zijn het makers die binnen de structuur van het grote zaal-theater op zoek zijn naar nieuwe, hybride vormen, en verbindingen met beeldende kunst, literatuur, technologie en populaire cultuur.

In 2003 bleek ook al meteen de betrekkelijkheid van deze opbloei. Binnen korte tijd maakten zowel Cassiers als Simons hun vertrek naar België bekend. Het gebrek aan opvolgers voor deze generatie gezelschapsleiders werd op dat moment pijnlijk duidelijk. De meest getalenteerde theatermakers van eind-dertigers en begin-veertigers hadden zich verenigd in collectieven zoals Dood Paard, ’t Barre Land en Mug met de Gouden Tand en zagen geen mogelijkheden om de door henzelf bevochten eigenzinnige productie-omstandigheden vast te houden binnen de structuur van een groot toneelgezelschap, noch hadden ze daaraan veel behoefte.

Maar in dezelfde periode kwam ook een hele nieuwe generatie theatermakers op. Regisseurs als Lotte van den Berg, Marcus Azzini, Jetse Batelaan en Eric de Vroedt zochten expliciet een nieuwe verhouding op met het publiek. Ze onderzoeken de theatervorm zelf en zoeken de grenzen ervan op. Ze spelen graag en vaak op zomerfestivals, maken soms jeugdtheater en dan weer mime, zien weinig principieel verschil tussen een kleine autonome voorstelling in Frascati 3 en een grote productie voor een commerciële partij als MTV. Ze halen hun geld soms van het FAPK, soms van de particuliere fondsen, werken voor grote gezelschappen en voor productiehuizen, het liefst autonoom, maar als het moet ook in opdracht. Ze maken theater met gevangenen, blinden of geestelijk gehandicapten en zoeken doelbewust de grenzen op met welzijnswerk en politieke meningsvorming.

Ze hebben, in tegenstelling tot Het Nationale Toneel, Het Toneel Speelt en de vele commissies die het theaterbestel willen verbeteren, niet de behoefte om het publiek opnieuw kennis te laten maken met het toneelrepertoire. Ze schrijven zelf teksten of doen het helemaal zonder taal. Als ze al een stuk spelen uit de theatercanon zijn ze -zoals in vrijwel al hun voorstellingen- juist op zoek naar de verwondering, naar nieuwe ogen om oude verhalen als nieuw te bekijken. Ze tonen daarin veel begrip voor toeschouwers voor wie het toneelrepertoire geen vanzelfsprekende kennis meer is. Waarschijnlijk is dat een betere aanpak dan het project van het nieuwe burgerlijke theater, dat uit is op het restaureren van een bepaald soort theateraanbod, en daarmee van een bepaald soort publiek.

Het nieuwe door de Raad geschetste bestel speelt hierop in, met een scherpe scheiding tussen artistiek werk en functioneel denken, tussen jeugd- en volwassen theater en tussen overheidsverantwoordelijkheid en de rest van het veld. Ik vraag me echter af of dit wel een houdbare structuur is. Deze generatie bestaat uit pragmatische individualisten, wil iets teweeg brengen bij een zo groot mogelijk publiek en streeft doelbewust naar een plaats in het centrum. Een aantal van hen heeft al aangegeven op korte termijn een groot gezelschap te willen leiden. Is het dan wel een goed idee om nu een stelsel te bouwen dat waarschijnlijk te star en te rigide is voor de nu opkomende kunstenaars?

Het is te hopen dat een paar van deze relatief jonge makers de kans krijgen om zich te bewijzen binnen een of twee van de acht door de Raad voorgestelde grote gezelschappen, om te kijken of ze die kunnen vormen naar hun wensen. Hun ondogmatische manier van werken is spannend, en het beleid zou er goed aan doen om hen te volgen, in plaats van hen in een vooropgelegde structuur te proppen. Misschien vinden zij met hun festival-ervaring en hun bewust naïeve houding wel op een heel andere wijze een nieuw, groot publiek voor hun theater.

Want, nogmaals: de stelselherziening heeft als onderwerp het publiek. En de belangrijkste conclusie uit dit nieuwe publieksdenken wordt niet zo vaak uitgesproken. Maar als gezelschappen en zalen zeggen dat het theater moet worden veilig gesteld door meer publiek de zalen binnen te halen, betekent dat automatisch dat artistieke kwaliteit niet meer voorop staat, en dat de theatersector bereid is om kwaliteit in te leveren in ruil voor publieksbereik. En dat klinkt als de anonieme Amerikaanse legermajoor die in 1968 tijdens de Vietnamoorlog over de verovering van een het provinciestadje Ben-Tre tegen een verslaggever zei: “It became necessary to destroy the town to save it”.

Het terugwerven van het theaterpubliek dreigt een beleidsdoel op zich te worden en dat is niet ongevaarlijk. De opkomst van het nieuwe burgerlijke theater is natuurlijk een uitstekende ontwikkeling, maar de hoofdlijn van het overheidsbeleid op het gebied van de kunsten zou toch moeten bestaan uit progressie en niet uit restauratie. De nieuwste generatie theatermakers ziet geen tegenstelling tussen autonome kunst en belangstelling van een groot publiek. Zij verdienen nu de kans om dat waar te maken.

Raad voor Cultuur presenteert Basisinfrastructuur

beschouwingen,cultuurbeleid,Theatermaker — simber op 24 april 2007 om 15:27 uur
tags: , ,

kaart1Begin maart presenteerde de Raad voor Cultuur het rapport Innoveren, participeren! waarin ze haar visie op het cultuurbeleid voor de komende jaren uiteenzet. Bovendien -en daar zat iedereen nu ècht op te wachten- presenteerde ze de invulling van de basisinfrastructuur die de minister van OCW aan de Raad gevraagd had. Hoe ziet het door de Raad gedroomde bestel eruit, en wat zijn de praktische consequenties

Hoe zat het ook al weer? Vanaf september 2005 was voormalig staatssecretaris Medy van der Laan bezig met het hervormen van de cultuurnotasystematiek. Toen publiceerde ze haar nota Verschil maken, waarin ze de contouren van een nieuwe subsidiestructuur schetst: ze introduceerde de term ‘basisinfrastructuur’ voor het geheel aan instellingen dat functies in het veld vervult, en daarom niet alleen op artistieke gronden moet worden beoordeeld, maar ook vanuit beleidsmatige overwegingen. Deze instellingen blijven onder het ministerie vallen, de meeste houden hun vierjarige subsidietermijn, sommige krijgen een langjarig perpectief. De rest van de instellingen, het overgrote deel, moet worden overgeheveld naar een nieuw, nog op te richten fonds.

Continue reading “Raad voor Cultuur presenteert Basisinfrastructuur” »

Plasterk gooit cultuurbeleid om

cultuurbeleid,nieuws,Parool — simber op 6 maart 2007 om 16:42 uur
tags: , ,

PlasterkKunst en cultuur hebben een waarde in zichzelf. “Ze geven glans aan het leven. Dat heeft een positief effect in de samenleving, op integratie en de economie, maar een effect is iets anders dan een doel.” Met enkele woorden gooide minister Plasterk van cultuur gistermiddag acht jaar cultuurbeleid overboord.

Zijn voorgangers zoals Rick van der Ploeg en Medy van der Laan wilden juist dat kunstenaars meehielpen om allerlei problemen in de samenleving op te lossen, zoals de integratie van minderheden, maar Plasterk beloofde dat hij kunst juist “minder instrumenteel” wilde inzetten.

Plasterk deed zijn uitspraken in een zeer korte reactie bij het in ontvangst nemen van het rapport Innoveren, participeren! waarin de Raad voor Cultuur, het belangrijkste adviesorgaan op het gebeid van kunst en cultuur, haar visie uiteen zet op het cultuurbeleid van de komende jaren.

De Raad wil dat er twee nieuwe grote stadstheatergezelschappen worden opgezet in Utrecht en Maastricht, naast de zes die er al bestaan in de grote steden Amsterdam, Rotterdam en Den Haag en buiten de Randstad in Groningen, Arnhem en Eindhoven. Daarnaast moeten er volgens de Raad twee grote jeugdtheatergezelschappen komen, die voorstellingen voor de grote zaal maken.

Al deze instellingen zijn onderdeel van de zogenaamde Basisinfrastructuur. Volgens al door staatssecretaris Van der Laan opgesteld plannen moet het ministerie van OCW niet meer rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor alle meerjarige subsidies die nu aan culturele instellingen worden verstrekt. Alleen instellingen die ankerpunten vormen in de regio en die aanvullende taken zoals educatie en doorstroming van talent op zich nemen blijven direct onder het ministerie vallen. Alle andere instellingen kunnen voortaan terecht bij de fondsen.

In Amsterdam geldt dat laatste bijvoorbeeld voor De Theatercompagnie, Het Toneel Speelt het Willem Breuker Collectief en Leine & Roebana. Het Holland Festival, Toneelgroep Amsterdam en De Nederlandse Opera horen wel bij de basisinfrastructuur.

De plannen van de Raad voor de toneelsector lijken sterk op een plan dat elf toneelgezelschappen vorige week presenteerden. Daarin wordt gepleit voor acht stadsgezelschappen, met een eigen toneelspelersgroep en een sterke binding met de steden.

De Raad verzet zich overigens sterk tegen de in het regeerakkoord voorgenomen bezuiniging van 50 miljoen euro op cultuur via het zogenaamde profijtbeginsel, waarbij de ‘gebruiker’ van kunst, de toeschouwer of bezoeker, meer zou moeten betalen voor een toegangskaartje. De Raad vreest, net als Kunstraadvoorzitter Jan Riezenkamp gisteren in deze krant en vele theatergroepen en orkesten, dat dit zal leiden tot een grote afname van het aantal bezoekers.

Volgens Plasterk zelf staat het nog niet vast dat de bezuiniging zo slecht zal uitpakken voor de kunsten als de Raad denkt en is niet bij voorbaat tegen. Hij verwacht veel van oplossingen waarbij de verschillen in prijs tussen de eerste rang en het schellinkje worden vergroot en van het invoeren van goedkope concerten voor studenten op de woensdagmiddag. “En maak het galaconcert op de vrijdagavond flink duur, want de mensen die daar op af komen, kunnen het toch wel betalen”, aldus de bewindsman in De Volkskrant. Als zijn ministerie de gevolgen van deze ingreep heeft onderzocht, komt Plasterk met een definitief standpunt.

Het rapport is na te lezen en te bediscussiëren op www.agendacultuurbeleid.nl

Aaf was er ook

« Vorige paginaVolgende pagina »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2019 Simber | powered by WordPress with Barecity