Reportage/interview Dood Paard

Voor toneelgezelschap Dood Paard is een nieuwe fase aangebroken. Mede-oprichter Oscar van Woensel kickte af van zijn verslaving en verliet eerder dit jaar de groep. Tegelijkertijd lijkt de waardering voor Dood Paard als toonaangevend gezelschap in het avant-garde circuit breder te worden en wint de groep inmiddels acteerprijzen. Deze week gaat hun nieuwe voorstelling Reigen ad lib in première, naar het stuk van Arthur Schnitzler over tien seksuele ontmoetingen. “Het is ook wel geruststellend dat er nog steeds mensen zijn die schrikken van ons toneel.”

Rond een enorme tafel in een ruime kamer in een grachtenpand zitten vijf acteurs geconcentreerd te werken. Ze lopen de vertaling door van Reigen, dat over een paar weken in première gaat. Twee acteurs lezen hardop een pagina dialoog, daarna roept iedereen op- en aanmerkingen. Manja Topper, Gillis Biesheuvel en Kuno Bakker –die vandaag de laptop heeft en alle wijzigingen direct verwerkt- vormen nu samen Dood Paard. De twee anderen zijn Vincent Rietveld van theatergroep De Warme Winkel en Thirsa van Til, net afgestudeerd van de toneelschool. Maar bij het maken van de voorstelling is er geen hiërarchie.

Drie weken zitten ze al zo met z’n vijven rond de tafel. Eerst zin voor zin vertalend, discussiërend over de betekenis van moeilijke passages, later meer en meer inzoomend op de details; ritme, taalgebruik van de personages, dubbele betekenissen. “Is ‘griezelig’ een meisjeswoord?” “‘Voor iemand gáán’ vind ik té hedendaags, en het is lelijk.” “Dit riekt naar taalkunst.” “Wat staat er in het Duits?” Onder de stapels teksten, boeken, eerdere versies van het script, losse papieren vol aantekeningen en een paar laptops ligt oorspronkelijke tekst van Arthur Schnitzler, die soms het verlossende woord biedt, en soms alleen maar nieuwe vragen oproept. Gedisciplineerd wordt zo de hele tekst doorgeploegd, maar de sfeer is ontspannen.

Continue reading “Reportage/interview Dood Paard” »

Recensie: ‘Ritter Dene Voss’ van Dood Paard

Parool,recensies — simber op 8 maart 2009 om 13:46 uur
tags: , , ,

Ze steken een sterretje aan, tellen tot drie en glijden naast elkaar de goudglimmend metalen glijbaan af, het decor in. Tot zover de eendracht. Manja Topper en Femke Heijens spelen de zussen van de grote filosoof Ludwig, die ze zojuist hebben opgehaald uit een psychiatrische inrichting. Ze zijn steenrijk, de twee zussen zijn allebei actrice bij het theater waarvan de 51 procent van de aandelen bezitten.

De Oostenrijkse schrijver Thomas Bernhard schreef Ritter Dene Voss in 1986 speciaal voor drie acteurs van het Weense Burgtheater, de titel is ontleend aan hun namen. Het verhaal is zeer losjes gebaseerd op de neuroses van de familie van Ludwig Wittgenstein. Dood Paard speelt het nu als het ware als oefening in lelijkheid, maar weet daar niet bovenuit te stijgen.

Maar geestig is het vaak wel, bijzoorbeeld de scène waarin Topper pannekoeken bakt; na eerst alle benodigdheden te hebben verzameld (met een aanloopje de glijbaan op rennend en met tafeltjes er weer af) lukt het haar zelfs met de meest gemakzuchtige ingrediënten (een schudflesje met beslag) niet om een fatsoenlijke pannenkoek af te leveren. Sowieso maakt Topper van haar neurotische personage bijna een varieté-act.

Ook Benny Claesens als geesteszieke broer is het aanzien waard. Met zijn dikke lijf waar nauwelijks een badjas omheen past komt hij via de glijbaan het huis binnen en meteen is duidelijk dat hij er op eigen kracht niet uit zal komen. In andere rollen is hij vaak temerig en sarcastisch, nu breidt hij zijn repertoire uit met krankzinnige razernij.

Hoewel de personages praten en praten over schilderkunst, theater en een klein beetje filosofie en Freud, Beethoven en Schopenauer voorbij komen is het kraakhelder dat de woorden te groot zijn voor deze kleinzielige mensen. In een decor van zilveren sliertgordijnen, bruine vloerbedekking, Christine-le-Duc-hempjes, glitterbollen en de Carpenters vieren ze hun neuroses, sadisme en incestueuze verlangens bot op elkaar. De achtergrond wordt gevormd door een foto van zeven blote mensen op de rug gezien, met hun handen tegen de achtermuur.

Eerder dit seizoen wist Dood Paard de ondoordringbare teksthoop Prinsessendrama’s van Elfriede Jelinek niet helderder te maken, en ook na het zien van Ritter Dene Voss blijft het onduidelijk wat de groep met dit cynische, van zelfhaat vervulde Oostenrijkse repertoire wil zeggen.

Ritter Dene Voss van Dood Paard. Gezien 7/3/09 in Frascati. Aldaar t/m 11/3 en 27-29/4. Meer info op www.doodpaard.nl

Recensie: ‘Lieve Kitty’ van Dood Paard en Nieuw West

Een ‘revue van de onmacht’ noemt toneelschrijver Rob de Graaf zijn nieuwe stuk, dat hij schreef voor toneelgroepen Dood Paard en Nieuw West. Dat geeft meteen al stekelige associaties, want Lieve Kitty is losjes gebaseerd op het dagboek van Anne Frank. Die ongemakkelijkheid wordt niet weggenomen als vier acteurs (Manja Topper en Gillis Biesheuvel van Dood Paard, Marien Jongewaard van Nieuw West en Benny Claessens als gast) met gebloneerd haar en in goedkope glitterkostuums elkaar opjagen om vooral iets positiefs te maken. Met een voetpedaaltje kunnen ze op ieder moment een luid lachsalvo uit de luidsprekers te voorschijn halen.

Ze spelen op een podium met publiek aan vier zijden eromheen. Via een luik kunnen ze ook de ruimte onder het toneeltje gebruiken om zich te verkleden, maar via videoschermen kun je alsnog zien wat daaronder gebeurt. De vijfde persoon op het podium, Ariadna Rubio Lleó, speelt de figuur die het meest op Anne Frank lijkt. Ze doet niet mee met het uitgesponnen spel van de anderen, heeft Israëlische legerkleding aan maakt gedurende de voorstelling uitgebreid haar automatische pistool schoon. Ze lijkt de bewaker in een gevangeniscel voor gevaarlijke gekken, maar wordt geneerd door de anderen.

Zijn het de bewoners van het Achterhuis die hier met kunstmatige vrolijkheid een optimistisch verhaal proberen te vertellen? “Wij kiezen in het zwartst van de ellende/Voor onze vorm van gein.” Door zo vrij om te gaan met de beladenheid van holocaust is de voorstelling verwarrend en confronterend. Als toeschouwer heb je al snel ongemakkelijke associaties met de concentratie op de verhalen van overlevers, het uitventen van slachtofferschap of het gelijkstellen van de holocaust met de misdaden van Israël.

Met het zijn geen holle provocaties. Langzamerhand maakt de campy glitter en de hysterische lachband plaats voor zware verhalen, zoals dat van Natascha Kampusch -het Oostenrijkse meisje dat acht jaar lang werd vastgehouden door een ontvoerder- of het bijbelverhaal van Josef die door zijn broers in een put werd geworpen. Ook dat zijn mensen die vast zijn komen te zitten, maar die konden overleven door hun verbeelding levend te houden.

Maar ook de vijf toneelspelers op hun provisorische podium zitten klem en wel in de door henzelf geschapen verwachting dat ze in anderhalf uur een voorstelling gaan spelen over Anne Frank. Om die taak te volbrengen moeten zij de vrijheid nemen om hun werk ongepast te laten zijn. Pas daarna kan de Israëlische soldate annex Anne Frank spreken. In haar eenvoudige woorden, over verbeelding en vertrouwen, kan de icoon weer even mens worden.

Lieve Kitty van Dood Paard en Nieuw West. Gezien 19/4/08 in Frascati. Aldaar t/m 26/4, tournee t/m 29/5. Meer info op www.doodpaard.nl

Recensie: ‘Bazel’ door Dood Paard

Parool,recensies — simber op 23 januari 2008 om 03:08 uur
tags: , , , , ,

Eigenlijk lijken ze een beetje op elkaar, Gillis Biesheuvel en Gerardjan Rijnders. Allebei geprononceerde gezichten met strenge design-brillen. En allebei een beetje onhandige acteurs. Maar juist daardoor intrigerend. Ze staan nu samen in Bazel, de nieuwe voorstelling van Dood Paard.

Bazel is een ijzersterke tekst van Willem de Wolf, die na de subsidiestop van zijn gezelschap Kas en de Wolf Duits ging studeren en deze tekst schreef, die eerst nog een tijd op de burelen van Toneelgroep Amsterdam lag voordat hij bij Dood Paard terecht kwam.

Het is een harde scheldmonoloog in de stijl van Thomas Bernhard, waarin een jongeman (Biesheuvel) zijn gal spuwt tegen een oudere vriend (Rijnders), een kunstverzamelaar die hem als loopjongen gebruikt. Ze waren in Bazel, op de belangrijke kunstbeurs (“5398 kunstwerken verdeelt over 267 stands in 4 gebouwen over 3 dagen”), en de verzamelaar pikt in een restaurant een arme zwarte keukenhulp op voor seks. De volgende dag moet de jongen zich om vijf uur melden.

Biesheuvel vertelt wat er gebeurde, wat hij, de verzamelaar en de zwarte jongen –die ze met gevoel voor ironie Allurie noemen- dachten en doet dat in scherpe, gedetailleerde observaties. Een klein verhaal wordt verteld, maar steeds met uitwijdingen, herhalingen en ellipsen. Een verhaal met een anti-climax bovendien, want die jongen komt niet opdagen. Gaandeweg blijkt het dan ook minder te gaan om de uitkomst, maar om het construeren, deconstrueren en reconstrueren van de drie mannen en hun relaties. Het decor bestaat –naast wat doeken, stoelen en lampen- vooral uit opname- en afspeelapparatuur.

Want net als de felrealistische foto’s van Japanse kinderen of Amerikaanse celebrities die de verzamelaar mooi vindt, zijn deze mannen steeds bezig met het zoeken van de juiste uitsnede van de werkelijkheid. Het mooie is dat het voor de acteurs op een vergelijkbare manier geldt. Biesheuvel is fel, spuwt zijn teksten uit, lijkt steeds boven zijn macht te spelen, maar weet iedere scheldkanonade toch weer te plaatsen. Rijnders is meer berustend en op zoek naar kwetsbaarheid. Juist hun gebrek aan virtuositeit of acteurstrucs geeft de tekst extra lading.

Bazel is de eerste van vier voorstellingen die Dood Paard de komende twee weken speelt in Frascati in het programma Stock à Deux. Ook de andere drie voorstellingen zijn duetten: Schuur –ook al zo’n goeie tekst, ditmaal van Rob de Graaf- tussen Dood Paard-acteurs Manja Topper en Oscar van Woensel; het vrolijk anarchistische Deconstructie van opnieuw Gillis Biesheuvel met Anouk Driessen van ’t Barre Land; en nog een nieuwe voorstelling, Mannetje met de lange lul van Kuno Bakker en Jorn Heijdenrijk van Discordia.

Net als andere groepen met een sterk collectieve manier van werken, zoals ’t Barre Land, zie je bij Dood Paard dat de acteurs na een aantal jaren minder met z’n allen voorstellingen maken en vaker als zelfstandige kunstenaars eigen projecten aangaan. Dat is jammer, want het gaat ten koste van de herkenbaarheid en identiteit en daarmee het bestaansrecht van de groep. Maar het voordeel is dat je als toeschouwer kunt zien hoe de individuele makers zich ontwikkelen. En bij een eigenzinnige toneelspeler als Biesheuvel is dat zeer de moeite waard.

Bazel van Willem de Wolf door Dood Paard. Gezien: 22/1/08 in Frascati. Aldaar t/m 24/1, tournee. Meer info op www.doodpaard.nl

Recensie: ‘Schuur’ van Dood Paard

Parool,recensies — simber op 19 april 2007 om 08:19 uur
tags: , , ,

De voorstelling Schuur past mooi in twee hokjes. Het is het derde deel van een serie voorstellingen die Dood Paard maakte over de huidige staat van Nederland, waarvan de eerste delen –Zelfportret en Eco– deze weken onder de verzamelnaam Stock Nederland in Frascati staan. Daarnaast is het een nieuwe tekst van toneelschrijver Rob de Graaf, zijn derde al dit seizoen en na Ahab en het prachtige Vrede opnieuw een uitstekende aanwinst voor zijn oeuvre.

In Schuur, dat al eerder op Terschelling tijdens het Oerol festival speelde, is als in Vrede de dood van een bekende het onderwerp. Het hippe stel Ruprecht en Thalassa ruilde hun grachtenpandje in de stad in voor een waddeneiland, en meet zich meteen maar een veganistische levensstijl aan. Maar de verhuizing is niet alleen een gril, maar ook een vlucht. Na een lange dronken avond bij hen thuis reed een vriendin van hen zich te pletter en de schuld en schaamte dreven hen naar deze afgelegen plek.

Zo ver mogelijk van elkaar verwijderd op de designmeubels in hun tot woning verbouwde schuur storten ze in een bitter duet verwijten over elkaar uit. Een kleurrijk graffiti kunstwerk kijkt op hen neer. Het is een uitgebeende vorm van acteren die Oscar van Woensel en Manja Topper hier laten zien, maar wat een scherpte en concentratie weten ze te geven aan de poëtische vuistslagen. “Ons wereldbeeld wankelt omdat alles anders wordt als er echt iemand dood is en je je moet afvragen of je daar schuld aan hebt.”

Thalassa koestert nog een verlangen naar duidelijkheid, verlangt nog naar een ideologie, iets om zonder voorbehoud in te geloven. Vroeger was ze extreem links en geloofde ze in Pol Pot en Ulrike Meinhof, maar uiteindelijk koos ze voor pragmatisme en hield ze zich voor een stadsdeel bezig met “hangjongeren, begrotingstekorten en bejaardenzorg.” Ruprecht is cynischer en berust in het noodlot.

Qua engagement zijn de laatste voorstellingen van Dood Paard vergelijkbaar met de Mightysociety serie van Eric de Vroedt, maar Dood Paard is bozer en persoonlijker. De combinatie van De Graaf en Dood Paard werkt zo goed omdat de beschouwende manier van formuleren van de De Graaf’s personages naadloos past bij de afstandelijke speelstijl van de groep. Het levert lucide theater op, waarin de makers met minimale middelen nietsontziend onze maatschappij beschrijven. De Graaf en Dood Paard zoeken daarbij niet naar de de politieke dimensie, maar naar de individuele verantwoordelijkheid.

Schuur van Dood Paard. Gezien 18/4/07 in Frascati. Aldaar t/m 21/4, tournee t/m 19/5. Meer info op www.doodpaard.nl

Recensie: ‘Dakhemelruimte’ van Monk

Parool,recensies — simber op 12 maart 2007 om 10:42 uur
tags: , , ,

Vier vrienden verzamelen zich op het dak van een dijkhuisje aan een Hollandse rivier. Ze zijn uitgenodigd door de vijfde, Henk, maar die komt maar niet opdagen. Ze hebben elkaar al zo’n tien jaar niet gezien. De twee mannen zijn kunstenaar gebleven, de een is mislukt zanger, de ander maaakt schilderijen die worden gewaardeerd door de kritiek, maar slecht verkopen. Van de vrouwen is de een een hard zakentype geworden met ambities in de politiek en de tweede doet in de creatieve industrie iets met concepten.

Theatergroep Monk wilde een update maken van Titaantjes van Nescio, maar van het idealisme van Bavink, Koekebakker en de andere bohemièns vind je alleen glimpje terug bij schilder Lowie. “Waar is jouw eigen kleine Guernica?”, vraagt de conceptvrouw aan hem: “Een stukje inspringen op de realiteit?” Er is weinig onschuldigs meer aan deze hypermoderne mensen.

De vaste kern van Monk (Rutger Kroon, Maartje van den Brink en Ellen Goemans) schreef samen een trilogie -nou ja, eerder twee delen en een toegift- waarvan de eerste twee delen Dak en Hemel eerder dit seizoen als zelfstandige voorstellingen gespeeld werden. De hele trilogie die nu in tweeëneenhalf uur gespeeld wordt is een oefening in cynisme geworden, die beter verteerbaar zou zijn geweest als de clichés over de oppervlakkigheid van het moderne leven meer vermeden of iets beter verwoord zouden zijn.

In het tweede deel blijkt waarom Henk niet bij de vriendenreünie was. Hij is de moderne incarnatie van Japi die van de Waalbrug afstapte, pleegde zelfmoord en zit nu in de wachtkamer bij God. Die blijkt een nogal kleinzielig figuur te zijn, die graag veel waardering wil voor het vakwerk dat Hij met de schepping afleverde; hij is dan ook nogal verrast dat Henk minder enthousiast is over “die hele kutkolerekankertyfusmaatschappij”.

Er wordt opvallend goed gespeeld door de hele cast met Ellen Goemans -als de geslaagde maar toch ongelukkige conceptvrouw- als uitschieter. Ook Jack Vecht als de vermoeide en al te menselijke God van wie geen enkel antwoord te verwachten valt is geestig en schrijnend.

Met hun yuppie-personages, hun onnadrukkelijke speelstijl en hun cultuurpessimisme is Monk toch een soort light-versie van hun generatiegenoten Dood Paard. Maar die groep is in vergelijking toch veel scherper en eigenzinniger en beschikt met Oscar van Woensel over een veel betere schrijver. En zwartgalligheid kan het beste maar zo welsprekend mogelijk gebracht worden.

Dakhemelruimte van Monk. Gezien 10/3/07 in Frascati. Aldaar t/m 17/3, tournee t/m 31/5. Meer info op www.tgmonk.nl

Recensie: Eco van Dood Paard

Parool,recensies — simber op 3 november 2006 om 09:12 uur
tags: , , ,

“Creatieve industrie” is een modeterm die nu ineens overal in de culturele sector opduikt. Het is een verzamelterm voor reclamemakers, webdesigners, televisieproducenten en andere ondernemers met banden met de kunst. Eco, het nieuwe stuk van toneelschrijver Oscar van Woensel, onderzoekt hun motieven; het wordt een harde afrekening.

Acht mensen vergaderen over het shopping culture leisure dome resort EcoVille, een groots, ecologisch bouwproject in het Groene Hart van Holland. Conceptontwikkelaars, marketing consulentes, creatieve adviseurs en hun advocaten en financieel adviseurs moeten brainstormen over een naam en een slogan. De vier Dood Paard-acteurs Kuno Bakker, Gillis Biesheuvel, Manja Topper en Oscar van Woensel spelen ieder twee personages: één aan de modieuze vergadertafel, en met een snelle wisseling van design-bril de ander op een televisiescherm.

EcoVille is een prestigieus project met internationale uitstraling en daarom is het uiterst belangrijk dat iedereen Engels spreekt, ook al beheert niemand die taal goed en is iedereen eigenlijk Nederlands. Het hele stuk lang spreken de deelnemers soort steenkolenvariant met iets te letterlijke vertalingen zoals “I can be short from stuff” en verhaspelingen als “time is flying”.

De combinatie van flitsende rolwisselingen en taalmishandeling is erg grappig, maar de voorstelling heeft een onheilspellende ondertoon.Want de utopische ideeën van de creatieven hebben nare trekjes: moslims zijn niet welkom in EcoVille -“We have to guarantee a violence and aggression free world”- net zo min als mensen zonder credit card.

De voorstelling eindigt met de personages in een bijna religieuze vervoering over hun visioenen voor EcoWorld: “Een wereld waar je geluk inademt/We have plenty of splendid restaurants”, zegt de een, een ander: “Een gigaomzet/zonder winstoogmerk”.

Maar is de voorstelling nu méér dan een sarcastisch commentaar op Nederlandse vergadercultuur, of op semi-culturele ondernemers die idealisme als middel gebruiken om geld te verdienen of op populistische politici die van Nederland een overzichtelijke parkstad willen maken met groene weilanden en witte mensen?

Ik krijg de indruk van niet. Oscar van Woensel is een consequente moralist, die gelooft in heldere tegenstellingen, bijvoorbeeld tussen idealisme en geld verdienen of tussen kunst en commercie. Dat klinkt enorm ouderwets in deze liberale tijden, maar het portret dat hij hier van Nederland schetst -hoe overdreven ook- is pijnlijk en haarscherp.

Het zijn a-modieuze ideeën die Dood Paard hier naar voren brengt, maar juist het eigenzinnige engagement van de groep is buitengewoon waardevol als tegenstem tegen de heersende ideologie.

Theater Eco van Dood Paard. Gezien 2/11/06 in De Brakke Grond, aldaar t/m 4/11. Tournee t/m 15/12. Meer info op www.doodpaard.nl

Recensie: ‘Zelfportret; dat kan geen toeval zijn’ van Dood Paard

Parool,recensies — simber op 28 augustus 2006 om 18:15 uur
tags: , ,

Dood Paard heeft -onterecht- de reputatie een nogal weerbarstig en arrogant clubje theatermakers te zijn, maar dit keer doet het gezelschap echt zijn best om zich van zijn meest toegankelijke te laten kant zien. Het publiek mag aanschuiven bij een diashow van de kernleden van het gezelschap, Kuno Bakker, Manja Topper en Oscar van Woensel en krijgt bier en toastjes met brie. De dia’s worden aan het begin uit een bolhoed getrokken en met zorgvuldige willekeur in de slee gedaan.

Sommige dia’s zijn jeugdfoto’s van de drie acteurs, andere zijn krantefoto’s, op weer andere staan vragen uit een inburgeringscursus, maar er komt ook een prent van Don Quichotte voorbij, een foto van Beatrix en Claus, vakantiefoto’s uit Mexico, New York, Maleisië en Berlijn en foto’s van de jonge kinderen van de acteurs. De dia’s zijn aanleiding voor gedachten, bespiegelingen, korte scènes, geluidsfragmenten en slap geouwehoer waarbij het publiek betrokken wordt.

De toon is gemoedelijk en nostalgisch, maar het wordt snel duidelijk waar Dood Paard heen wil. De gesprekken naar aanleiding van de inburgeringscursus (waarin de cursist bijvoorbeeld moet weten dat in een Nederlandse voortuin slechts één afvalbak geaccepteerd is en lege bierblikjes niet mogen) leiden steeds tot desoriëntatie, alsof de acteurs niet weten of ze wel bij dit land willen horen.

Zoekend naar een beter passende identiteit komen ze uit bij hun jeugd en hun familie. Hun herinneringen hangen samen met een andere tijd, van autoloze zondagen, krakers en vredesdemonstraties. Wat opvallend genoeg ontbreekt in de persoonlijke dia’s zijn beelden van de theatercarrière van de drie makers. Ze zijn nu achter in de dertig en maken hun halve leven samen voorstellingen. Vermoedelijk heeft hun identiteitscrisis ook vat op hun kunstenaarsschap. Het is jammer dat ze dat in de voorstelling buiten beschouwing laten.

De voorstelling duurt te lang en niet alle fragmenten zijn geslaagd, maar weet toch te overtuigen. Door hun persoonlijke openhartigheid in dienst te stellen van politieke vraagstukken wordt hun onbehagen inzichtelijk en herkenbaar.

Theater Zelfportret; dat kan geen toeval zijn van Dood Paard, van en met Kuno Bakker, Manja Topper en Oscar van Woensel. Gezien 20/4/06 in Frascati. Aldaar t/m 28/4, tournee t/m 10/6. Meer info op www.doodpaard.nl

« Vorige pagina
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2019 Simber | powered by WordPress with Barecity