Recensie: ‘Annie M.G. op Soestdijk’ van Het Toneel Speelt

Geweldige toneelspelers die doen alsof ze slecht spelen, dat is vaak grappig. In Annie M.G. op Soestdijk speelt een batterij topcomediènnes een geestige toneel-over-toneel-voorstelling en weet tussendoor ook te roeren.

In 1958 kreeg Annie M.G. Schmidt –toen nog vooral bekend vanwege haar hoorspelserie over de Familie Doorsnee en haar kinderboeken– het verzoek van paleis Soestdijk om een toneelstuk te schrijven voor de toneelclub van koningin Juliana en haar Leidse studievriendinnen.

Schmidt schreef Vrouwen om dr. Deninga, een eenakter over de secretaresse, echtgenote, maîtresse, moeder en vriendin van moeder van dr. Deninga, die zelf verder niet op het toneel verschijnt. Het stuk werd in 1995 herontdekt, Mary Dresselhuys en Nettie Blanken speelden een paar scènes in het Theaterinstituut, maar openbaar opgevoerd werd het nooit.

Nu vormt het stuk de basis voor de voorstelling Annie M.G. op Soestdijk. Ton Vorstenbosch en Janine Brogt verwerkten een groot deel van Schmidts stuk in een verhaal over hoe de koningin met haar vriendinnen op het paleis repeteert onder leiding van een artistieke regiedame. Pikant is dat het stuk, over een man die even overspelig als afwezig is, natuurlijk overduidelijke paralellen heeft met het moeizame huwelijk van Juliana en Bernhard.

Regisseur Mette Bouhuys gebruikt het weinige dat er bekend is over de toneelavonturen van de vorstin, de vele bekende kwesties in het leven van Juliana –de Greet Hofmans affaire, haar afkeer van protokol, etc.– en een hoop fantasie om een portret te schetsen van een koningin die niet alleen het toneel gebruikt als uitlaatklep voor het verstikkende hofleven, maar die door het spelen ook iets essentieels over zichzelf ontdekt.

Dat klinkt misschien pretentieus, maar het werkt door de uitmuntende cast. Ria Eimers maakt van de vorstin een grillig, steeds verrassend personage, nu eens over het toneel stampend, dan weer esotherisch dwepend met “het hogere”, soms bars uitvallend, maar dat dan weer compenserend met een boertige lach, even bazig als besluiteloos.

Annet Malherbe en Trudy de Jong zijn uiterst komisch als jeugdvriendinnen die niet per se tot hun genoegen zijn verordonneerd om ‘Jula’ een beetje op te vrolijken. Zij zijn de generatie van keeping up appearances, maar in het stuk-in-het-stuk moeten ze zich laten gaan, wat veel ruimte laat voor fysiek humor.

Saskia Temmink als de regisseuse (goed getroffen) en Julia Akkermans –die eerder al komisch talent vertoonde in De Verleiders– vertegenwoordigen de jongere generatie, hoopvol over een “een nieuwe tijd waarin het eindelijk allemaal leuk gaat worden”, zoals Akkermans uitroept terwijl ze danst op Jailhouse Rock.

De setting is een ouderwets coulissendecor (ontwerp: Catharina Scholten), beschilderd als bos, dat later in miniatuurvorm terugkomt als het decor waarin de uiteindelijke voorstelling speelt. Een knap Droste-effect in een voorstelling die enthousiast speelt met de theatersetting.

Maar misschien gaat de voorstelling vooral over de intimiteit van het repetitieproces, waarin voor een korte periode alles gezegd kan worden en formele verhoudingen oplossen. Het is die intimiteit die Juliana in deze voorstelling zo begeert.

Schmidts stuk eindigt cynisch, met straf en zelfbedrog. De makers van Annie M.G. op Soestdijk proberen er een positieve draai aan te geven, maar kunnen niet verhullen dat hun Juliana aan het eind even eenzaam is als aan het begin. Topamusement met een schrijnend randje.

Annie M.G. op Soestdijk van Het Toneel Speelt. Gezien 18/2/15 in DeLaMar. Aldaar t/m 22/2. Meer info op www.delamar.nl

Recensie: ‘Gijsbrecht van Amstel’ van Het Toneel Speelt (2014)

Het was de 333e nieuwjaarsdag waarop het hemelse gerecht zich ontfermd leekt te hebben de benauwde veste van Gijsbrecht, en voor de 333e keer kwam de heer van Amstel bedrogen uit. Twee jaar geleden blies Het Toneel Speelt de jaarlijkse Gijsbrecht-traditie (een van de oudste theatertradities ter wereld) nieuw leven in, met een eenvoudige, strakke enscenering. Gisteren ging deze versie in reprise, met een aantal nieuwe acteurs.

De vormgeving en de nadruk op de tekst in deze regie van Jaap Spijkers zijn nog dezelfde als bij de première, met dezelfde goede en mindere kanten: de lichte bewerking van Laurens Spoor en Ronald Klamer maakt de rijke, maar ook veeleisende tekst opvallend helder en inzichtelijk en de acteurs doen recht aan Vondels verzen zonder dreinen. Het grote klappende vlak waarop de voorstelling zich afspeelt blijft een moeizame –en voor de acteurs penibele- abstrahering.

Maar de nieuwe acteurs brengen nieuwe accenten aan en dat is mooi om te zien. Jules Croiset als geestelijke weet met bronzen stem en welluidende dictie de traditie invoelbaar te maken en Petra Laseur maakt de rei van burgzaten (“Waar werd oprechter trouw…”) menselijk en zoet.

Het is echter nieuwkomer Marlies Heuer als Gijsbrechts vrouw Badeloch die de voorstelling hart en passie geeft. Haar Badeloch is zinnelijk en lichamelijk, en als ze aan het eind als alles verloren is zegt “geef me een zwaard, ik ben bereid te vechten”, dan geloof je haar meteen. Ze vormt een spetterende combinatie met Mark Rietmans memorabele Gijsbrecht; in een stuk waarin zo veel verteld wordt en zo weinig getoond, weten ze samen uit de classicistische taal twee echte mensen te boetseren.

Deze voorstelling is nog niet op –in deze uitvoering viel ineens op hoe bloederig de Gijsbrecht eigenlijk is– maar Het Toneel Speelt heeft niet de middelen om volgend jaar op 1 januari de traditie voort te zetten. Het lijkt er dus op dat de onzekerheid van de laatste decennia over het voortbestaan van de traditie weer terugkeert. Wie durft het aan om hem over te nemen?

Gijsbrecht van Amstel van Het Toneel Speelt. Gezien 1/1/14 in de Stadsschouwburg, aldaar t/m 4/1. Meer info op www.hettoneelspeelt.nl

Familie van Het Toneel Speelt

Dertien jaar geleden, vers van het succes van Pleidooi en Oud Geld, schreef Maria Goos met Familie haar eerste grote toneelstuk. Het was een ongekend succes, alleen nog overtroffen door Goos’ volgende stuk: Cloaca. Na Cloaca vorig seizoen wordt nu ook Familie opnieuw opgevoerd, door een nieuwe cast, en met wat aanpassingen in de tekst.

Familie gaat over een vrouw die voordat ze aan kanker overlijdt nog één keer met het hele gezin –man en twee volwassen kinderen plus partners– een weekje in een Zwitsers chalet wil doorbrengen. Maar het wordt geen gezellig en liefdevol uitje, iedereen neemt de gelegenheid te baat om op geestige wijze elkaar eens flink de waarheid te zeggen. Een komedie met een venijnig randje dus.

In deze nieuwe versie zit het met dat venijn wel goed: vooral Guy Clemens als nurkse en teleurgestelde zoon is sterk: een chagerijnige brekebeen met een klein hartje. Astrid van Eck maakt van zijn bekakte vrouw een weergaloos typetje. De grappen zijn hard en gaandeweg krijgen alle personages fikse scheuren in hun sympathiek lijkende pantser.

Het probleem is wel dat je door de licht karikaturale behandeling van de personages moeilijk genegenheid voor ze kunt opvatten. Ontroering bij het uiteindelijke lot van de moeder (een waardige, nuchtere Catherine ten Bruggecate) blijft dan ook uit.

Een ander punt is dat het tempo nog veel te laag ligt en dat de scènewisselingen met black-out de voorstelling een schokkerig ritme geven. Dat zal in de loop van de (lange) tournee stellig nog verbeteren en dan zal deze harde komedie vast opnieuw een hit worden.

Familie van Het Toneel Speelt. Gezien 26/9/13 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 29/9 en in december in DeLaMar. Meer info op www.hettoneelspeelt.nl.

Recensie: ‘Gijsbrecht van Amstel’ van Het Toneel Speelt

Je proeft de neiging tot applaus al na de eerste zinnen. Hoog boven het podium op een stalen constructie waarvan maar een reep te zien is tussen het half gesloten voordoek waarop een oude kaart van Amsterdam te zien is, zegt Mark Rietman de beroemde openingsmonoloog van de heer van Aemstel, die (ten onrechte) denkt dat “zijn benauwde veste en arme burgerij” zijn ontzet.

Het is tenslotte niet niks dat een toneelgezelschap zich ertoe zet om een traditie die 365 jaar geleden in 1638 begon, maar in 1968 werd beëindigd weer nieuw leven in te blazen, na een aantal dappere pogingen, zoals die van De Warme Winkel in het Concertgebouw in 2010. De voornaamste kwaliteit van deze Gijsbrecht is dat hij op deze eerste januari überhaupt ís, en dat de publieke belangstelling, met een zaal tot het derde balkon gevuld met politici, schrijvers en Theo d’Or-winnaressen, enorm blijkt.

Het beste aan deze voorstelling is de taal; Vondels rijmende alexandrijnen worden in de monden van vrijwel alle acteurs fonkelend helder en poëtisch Nederlands, soms subtiel zinnebeeldig, maar meestal opvallend alledaags en nuchter. Bijna nergens gaan de verzen dreinen. Zo is het stuk is fris en inzichtelijk gemaakt, maar daar staat tegenover dat de voorstelling in z’n vorm vaak een rommelige mengelmoes is van oud en modern. Dat klopt natuurlijk volledig met de opvoeringsgeschiedenis (waarin ieder jaar nieuwe elementen aan de traditie werden toegevoegd), maar hinderlijk is het wel.

Regisseur Jaap Spijkers plaatste de voorstelling grotendeels op een op en neer klappend plateau, met de scènes tussen Amsterdamse vijanden Willem van Egmond en Diedrick van Haerlem er onder, en het kasteel van Gijsbrecht en zijn vrouw Badeloch erop. De kostuums zijn zwart en grijze jassen en truien, alleen de geestelijken dragen het fel rood.

De reien of koorzangen zijn deels vervangen door nieuwe teksten van Willem Jan Otten. Waar de reien normaalgesproken extreem plechtig en abstract zijn, maakt Otten juist een aardse verbinding met de smart en de macht van vrouwen, waarmee hij, mede door de geweldige Marisa van Eyle die de reien speelt, de verbinding weet te leggen met de andere grote Nederlandse toneelklassieker, Op hoop van zegen.

Wees gewaarschuwd: Vondel is niet dramatisch maar retorisch; het gaat er niet om wat er op het toneel gebeurt, maar hoe het wordt verteld. Verwacht ook geen actuele parallelen, je moet Vondel tijdloos willen zien, of helemaal niet. Uiteindelijk maakt deze voorstelling mooi zichtbaar hoe ongerijmd het eigenlijk was om de verheven vorm van de classicistische tragedie toe te passen op de modderige moerasstad aan de Amstel. Onze polder is altijd iets te nat (en kunstmatig) geweest om vruchtbaar te zijn voor mythologie. Mark Rietman weet de lichte ironie die dus bij de Gijsbrecht anno 2012 past knap te vatten. Hij buldert, beveelt en kneedt de verzen tot een memorabele rol.

De kunst is nu om uithoudingsvermogen te tonen. Zal de periode 1968 tot 2010 uiteindelijk een tijdelijk hiaat blijken in een bijna vierhonderd jaar oude traditie? Nieuwjaarsdag 2013 is inmiddels al vastgelegd, daarna wordt het echt doorzetten. Maar het is de moeite waard.

Gijsbrecht van Amstel van Het Toneel Speelt. Gezien 1/1/2012 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 8/1. Tournee t/m 18/2. Meer info op www.hettoneelspeelt.nl

Recensie: ‘Expats’ van Het Toneel Speelt

Ben je gezellig met vrienden aan het eten, wordt er ineens een baby voor je deur gedeponeerd. Dat is echt mega-a-rielekst. Dat kan zomaar de avond verpesten. Zakenman Thomas en zijn vrouw Barber wonen met een Chinese huishoudster op een westers compound in Beijing en de bekenden die deze avond langskomen zijn journalist Mark en zijn Ellen, plus ambtenaar Pim. De Amerikaanse Clyde completeert het gezelschap, totdat op de stoep het wiegje met een meisje erin wordt gevonden.

Peter van de Witte, in het dagelijks leven de helft van cabaretduo Droog Brood, schreef voor Het Toneel Speelt zijn eerste toneelstuk. Het is een geslaagde zwarte komedie geworden en tegelijk een tamelijk vinnig stuk over de huidige generatie dertigers: kinderen die schoolziek zijn voor iedere vorm van verantwoordelijkheid.

Want praten kunnen ze, maar beslissingen nemen niet. En wat zijn ze allemaal oppervlakkig, egoïstisch en lachwekkend kortzichtig. Van de Witte maakte er venijnige typetjes van, met typische spreektaal, creatief gescheld en overdreven grof Engels. Ze zijn goed in het voeren van gesprekken óver gesprekken, gevoelig voor sociale druk en hebben geen enkel moreel kader. Daan Schuurmans valt op als de gelijkhebberige cynicus Mark en Lies Visschedijk maakt van de naïeve Ellen binnen de scherpe dialogen een herkenbaar en tragikomisch personage.

Het probleem is dat de plot weliswaar afdoende macaber is, maar vooral ongeloofwaardig: na enig heen en weer gepraat komen de Nederlanders tot de conclusie dat het kind een verschrikkelijk leven tegemoet gaat en dood beter af is. Vervolgens probeert de voorstelling een situatie dramatisch te maken die wellicht beter in het absurde getrokken had kunnen worden.

Het is Sieger Sloot die met zijn fijne timing en zijn lange lichaam uiteindelijk het morele ijkpunt blijkt. Hij spreekt prima Amerikaans Engels, maar tegelijk blijft het een goede grap dat hij als Nederlander deze rol speelt.

Acteur Mark Rietman maakt met deze voorstelling zijn regiedebuut. Slechts op een paar momenten voegt hij een beeldend effect toe: Sloot dansend tussen de grote glazen schuifdeuren, de huishoudster verricht een magische handeling. Het zijn kleine momenten van schoonheid tussen het domme gehakketak.

Het is geen aangenaam beeld wat Van de Witte van zijn leeftijdsgenoten schetst, maar zeker het aanzien waard. Nederland heeft er een veelbelovende toneelschrijver bij, een scherp observator van een generatie opgesloten in de compound van hun eigen relativisme.

Expats van Het Toneel Speelt. Gezien 20/1/11 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 23/1 en 10-13/2. Tournee t/m 3/4. Meer info op www.hettoneelspeelt.nl

Recensie: ‘Ghetto’ van Het Toneel Speelt

Parool,recensies — simber op 16 oktober 2009 om 02:07 uur
tags: , , ,

De twee meisjes zijn volkomen gelijkwaardig: de één heeft blond haar en een kruisje om haar nek, de ander donker en een davidsster. Maar de opstandige jongen Rafaël heeft gekozen voor de shikse, de christelijke Rose. Het is de bron van een hoop ellende.

Vorig jaar bracht Het Toneel Speelt een kraakheldere en ingehouden Op hoop van Zegen, het meesterwerk van toneelschrijver Herman Heijermans. Nu speelt het gezelschap een minder bekend stuk van dezelfde schrijver, Ghetto, dat bij de première in 1898 veel succes oogste, maar na 1910 nooit meer werd gespeeld. Dus waarom nu ineens wel?

Het verhaal stelt niet zoveel voor –een sentimenteel drama over een zoon die  in opstand komt tegen z’n vader die een andere bruid voor hem heeft bedacht dan het meisje waarop hij verliefd is-, het gaat in Ghetto om de setting: de jodenbuurt van Amsterdam. Die geeft de plot zijn lading. Want de zoon van de blinde joodse voddenhandelaar Sachel kiest niet alleen voor een christelijk meisje, maar daarmee voor een leven buiten het zelfverkozen isolement van de joodse gemeenschap.

De vergelijking met moslims anno nu ligt voor de hand, maar wordt verder niet uitgespeeld. De tragiek ligt bij de oude Sachel, door Mark Rietman knap gespeeld tussen tiranniek en beklagenswaardig (al was de blindheid –met witte contactlenzen en een paar tics- nogal vet aangezet) die zijn zoon niet meer kan imponeren met fysiek overwicht. Sachel is te hard voor een handelaar: hij kan proeven of er door de wol een draadje katoen zit, maar zijn klanten lopen bij hem weg omdat hij nooit water bij de wijn doet. We zien hem geen enkele deal sluiten.

Spijkers voert opnieuw zijn subtiele en dienstbare regie. Kijk hoe de dienstmeid en de zus redderen om de blinde Sachel en hoe ieder personage reageert op de aangeboden boterkoek. In een prachtige scène gaat een gesprek met collega Aaron (een prachtige Dries Smits) over de prijs van een paar balen wol heel voorzichtig over in de onderhandeling over een huwelijk tussen hun kinderen. Maar de zoon heeft zelf al een andere keuze gemaakt. Later komt een rabbi nog proberen de jongen te redden: “Wat krijg je in de plaats als je weg gaat? Vreemden.” Joods zijn gaat hier niet over religie, maar over de gemeenschap binnen de golfplaten container van het decor, met een paar kleine raampjes bovenin.

Maar hoe aardig de situatie ook wordt geschetst, het stuk zelf is uiteindelijk niet al te best. De verwikkelingen in de tweede helft zijn té voorspelbaar en de personages niet zo uitgesproken dat je met ze mee kunt leven in hun uiteindelijke ellende. Ghetto blijft een obscurium, nu even opmerkelijk door een actuele gelijkenis, maar dat is nauwelijks genoeg voor een avond toneel.

Ghetto van Herman Heijermans door Het Toneel Speelt. Gezien 15/10 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 18/10, tournee t/m 19/12. Meer info op www.hettoneelspeelt.nl

Recensie: ‘Op hoop van zegen’ door Het Toneel Speelt

In de top-tien lijst van de verkiezing voor het beste toneelstuk aller tijden (op dit moment georganiseerd door theaterwebsite Moose en vakblad TM) komt het niet voor en na vanavond zou ik zeggen: onterecht. Op hoop van zegen van Heijermans blijkt opnieuw een meesterlijk toneelstuk, eenvoudig van opzet, ritmisch van taal en universeel in zijn menselijkheid.

Het Toneel Speelt benadrukt in een sobere enscenering met enkele heftige uitbarstingen vooral het universele van de visserstragedie –Heijermans’ eigen, meer politieke boodschap is begrijpelijkerwijs op de achtergrond geplaatst- en kiest als belangrijkste thema de gehoorzaamheid. De gehoorzaamheid van zeemansweduwe Kniertje aan reder Bos bij wie ze schoonmaakt om in haar levensonderhoud te voorzien, de gehoorzaamheid van kinderen aan hun ouders en de onderworpenheid van mensen aan een werkend en schijnbaar logisch, maar gruwelijk systeem: de gevaarlijke visserij die weinig geld oplevert maar veel mensenlevens kost.

Bijna de hele voorstelling speelt zich af in een zwart toneelbeeld, alleen onderbroken door een grijze cirkel op de vloer en een geschilderd zeegezicht. De acteurs dragen zwarte kostuums, losjes gebaseerd op oude visserskleding, de vrouwen dragen gekleurde rokken van aan elkaar genaaide theedoeken De emotionele impact is groot als een personage even tegen de heersende redeneringen ingaat. Kniertje’s oudste nog levende zoon Geert die de confrontatie met Bos zoekt, de angstige weigering van Kniertje’s jongste zoon Barend om met de lekke boot ‘Op hoop van zegen’ mee te varen, redersdochter Clémentine die haar vader ter verantwoording roept. Maar iedereen wordt steeds weer met harde hand in het gareel gebracht.

Het knappe van de voorstelling is dat hij ondanks de strakke vorm op de juiste momenten een lichte toets weet te raken. Hier toont Jaap Spijkers zijn precieze acteursregie. In de bijrollen vormt Myranda Jongeling een aards duo met Bart Klever. Opvallend is de mooie bijrol van Saskia Temmink die van Geert’s vriendin Jo een lachebekje maakt dat langzaam haar levenslust ziet verdwijnen. Heijermans schreef tamelijk precies hóe zijn personages praten, een volks soort vissersidioom, en Spijkers zorgde ervoor dat het niet klinkt als een slecht accent, maar als een theatraal, verhevigd soort Nederlands.

Marisa van Eyle, bijziend en met holle ogen, haar handen steeds dichtbij het lichaam, maakt Kniertje enerzijds beklagenswaardig, maar tegelijk ook ergerniswekkend in haar passiviteit. Het is een toneel vol gebroken mensen die tragisch worden omdat ze één keer proberen om onder hun lot uit te komen.

Op hoop van zegen wordt tegenwoordig eigenlijk te weinig gespeeld –de eerste helft van de twintigste eeuw was het het populairste stuk van het land-, maar voor eventuele navolgers heeft Het Toneel Speelt de lat zeer hoog gelegd.

Op hoop van zegen van Herman Heijermans door Het Toneel Speelt. Gezien 14/1/09 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 16/1 en 5-8/3. Tournee t/m 2/4. Meer info op www.hettoneelspeelt.nl

Recensie: ‘De geschiedenis van de familie Avenier, deel 3&4’ door Het Toneel Speelt

Er zijn in Nederland een hoop moderne mensen die niet van modern toneel houden. Dat is maar raar en onbegrijpelijk, met veel gescheld en blote mensen, en de regisseur vindt zichzelf altijd belangrijker dan de schrijver van het stuk, denkt men. Nu valt dat allemaal reuze mee, maar tegenover het vernieuwende kunsttoneel is er de afgelopen jaren een echte tegenbeweging ontstaan: Nieuw Burgerlijk Toneel. Dit is het soort theater dat gemaakt wordt door Het Nationale Toneel, Het Toneel Speelt en vrije (ongesubsidieerde) producenten zoals Wallis en Hummelinck Stuurman. Joop van den Ende probeerde hieraan mee te doen met zijn project Toneelmeesters.

De toneelstukken van Maria Goos zijn de kwalitatieve top van dit genre: goed geschreven stukken over herkenbare personages in herkenbare situaties met wie je kunt meevoelen en om wie je kunt lachen. De familie Avenier is haar voorlopige hoogtepunt, een ambitieuze en persoonlijke serie van vier toneelstukken over een Brabantse familie (gebaseerd op Goos’ eigen familie) gedurende de tweede helft van de twintigste eeuw. Deel 1&2 gingen vorig jaar in première, gisteren deel 3&4.

Om met het goede nieuws te beginnen: deel drie is verreweg het beste deel van de serie. De twee zonen en de dochter van mater familias Rita Avenier en hun aanhang staan op een camping. Zoon Janus heeft zijn witgoedimperium voor flink wat geld verkocht en alle familieleden die de verschillende filialen onder hun hoede hadden zullen meedelen in de winst. De personages laten zich van hun slechtste kant zien. In sterk, licht uitvergroot komediespel blijken hebzucht en familiebanden niet al te goed samen te gaan.

De voorstelling gaat vliegen als een familievriend na lange tijd terugkeert uit Marokko, of als Janus een onaangename mededeling moet doen. Maar tussendoor krijg je als toeschouwer het ongemakkelijke gevoel dat in een Oud Geld-achtige televisieserie meer getoond en minder verteld zou hoeven worden en dat de opbouw en de verdieping van de personages natuurlijker via de plot zou kunnen verlopen. Sterker nog: De Familie Avenier is waarschijnlijk de beste Nederlandse televisieserie die nooit gemaakt is.

Want intrigerend is het, dit burgerlijke epos. Er is niemand in Nederland die zulke ronde, raak getroffen personages kan schrijven als Maria Goos en in de handen van geweldige acteurs als Peter Blok, Marisa van Eyle en Tjtske Reidinga worden het personen die je een langer leven gunt dan hun paar uur op het toneel. En gaandeweg de serie zie je ook een alternatieve geschiedenis van Nederland, waarin het jaar 1985 niet wordt aangeduid met Wham! of Madonna, maar met Willy Alberti en Benny Neyman. Het verhaal van de mensen voor wie verandering altijd iets is geweest wat hen overkwam.

Die thematiek komt echter met een schok tot stilstand in deel vier. Het is 2000 en Rita kijkt terug op haar leven. Gezeten in een electrische rolstoel komen alle belangrijke mensen nog een keer langs. Ze praten dingen uit, nemen afscheid. Grotendeels is het een saaie opsomming van hoe het verder ging met het leven van de personages. De stijl is ook radicaal anders: na de naturalistische camping uit deel drie is het toneel nu vrijwel leeg en hebben de acteurs al hun pruiken en gekke kostuums afgelegd. Toch is daar, aan het eind even oprechte ontroering. De simpele maar eerlijke Christ vertelt oprecht over zijn levensgeluk achter de tap en zijn liefde voor zijn gecompliceerde, wijze vrouw Pieternel. Een memorabele scène van Gijs Scholten van Aschat en Carine Crutzen.

Allevier de delen zijn volgend seizoen in marathonvorm te zien en dat is sowieso aan te bevelen. Je bent dan minder tijd kwijt met bedenken wie ookalweer met wie is, en kan je meer concentreren op de langere lijnen. Wel op tijd reserveren, want zoals met het meeste Nieuw Burgerlijk Toneel: het loopt storm.

De geschiedenis van de familie Avenier, deel 3&4 van Maria Goos door Het Toneel Speelt. Gezien 16/3/08 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 19/3, tournee t/m 13/6, reprise volgend seizoen. Meer info op www.hettoneelspeelt.nl

Recensie ‘Ik ben weg’ van Het Toneel Speelt

Parool,recensies — simber op 26 september 2007 om 01:07 uur
tags: , , ,

Voor een toneelgezelschap dat maar twee producties per jaar maakt heeft Het Toneel Speelt flink wat langere lijnen in haar repertoire. Zo zijn er de gegarandeerde successtukken van Maria Goos, nieuw toneelrepertoire van Willem Jan Otten en soms Hugo Claus en opvoeringen van oude stukken van Vondel. Daarnaast neemt de groep volgend seizoen het zeer lovenswaardige initiatief tot het heropvoeren van recente Nederlandse stukken, de eerste daarvan is Geslacht uit 2004 van Prosceniumprijswinnaar Rob de Graaf, eerder uitgevoerd door Dood Paard. En dan zijn er de stukken van Ger Thijs.

Thijs is een buitenbeentje in het Nederlands theater. Een schrijver, regisseur en polemist met een klassieke opvatting over toneel, waarin realistische personages door middel van dialoog en confrontatie een dramatisch verhaal vertellen. Dat levert in het beste geval (Raak me aan twee jaar geleden) mooi degelijk en in het slechtste geval (De Stille Kracht, vorig seizoen) oubollig toneel op.

In zijn nieuwe stuk Ik ben weg, dat hij schreef en regisseerde, zet hij een opvallende combinatie acteurs tegenover elkaar. Mark Rietman, de getergde charmeur, die altijd een diep verdriet weet te suggereren en Peter Blok met zijn verraderlijke oppervlakkigheid en droge, komische timing.

Henry (Rietman) speelt een geslaagde kunstenaar met exposities in Zürich en Düsseldorf, die soms wel een ton krijgt voor één werk. Maar nu zit hij in een dip. Schilderen lukt al tijden niet meer en zijn vriendin heeft hem verlaten. Dan staat ineens Jozef (Blok) op de stoep. Een vriend van vroeger uit Limburg, de man die Henry’s talent zag en aanmoedigde en korte tijd zijn leermeester was. Maar Henry vertrok naar Amsterdam werd succesvol met “doorgaan waar Mondriaan is opgehouden”, terwijl Jozef in de provincie bleef aanmodderen met ansichtkaarten en kunstwerken voor bibliotheken.

De voorstelling drijft op de combinatie van de twee acteurs en de twee manieren van spelen en de confrontaties tussen de twee mannen zijn tragikomisch en onderhoudend. Het nadeel is dat als één van de twee niet op het toneel is de voorstelling danig inzakt. Jozef heeft zijn zeventienjarig dochter meegenomen en hoewel dat Rietman de kans geeft om een mooi ingehouden verleidingsdans te doen, is ze voor het verhaal geheel overbodig, net als de verwarrende flashback met Jozef’s overleden vrouw.

Misschien had Ger Thijs iets beter moeten luisteren naar de succesformule van Henry
“iets kiezen en er consequent aan vasthouden” en zich moeten beperken tot een scherpere strijd tussen de twee mannen. Nu zijn aan het eind beide mannen iets meer verzoend met het leven, maar eigenlijk is er niets wezenlijks veranderd. Noch bij de personages, noch bij de toeschouwer.

Ik ben weg van Het Toneel Speelt. Gezien 25/9/07 in de Stadsschouwburg, aldaar nog vandaag en 6 t/m 9/11. Tournee t/m 1/12. Meer info op www.hettoneelspeelt.nl

Recensie: Alexander van Het Toneel Speelt

Parool,recensies — simber op 27 september 2006 om 08:27 uur
tags: , , , , ,

Willem Jan Otten is vooral bekend door zijn romans, zoals het met de Libris Literatuur Prijs bekroonde Specht en zoon. Maar daarnaast is Otten een productief toneelschrijver. Voor zijn nieuwe stuk Alexander baseerde hij zich op het leven van Alexander de Grote. We volgen de Macedonische vorst tijdens zijn veldtocht tegen het Perzië van koning Dareios. Bij de eerste veldslag neemt Alexander Dareios’ moeder, vrouw en minnares gevangen. Tegen de verwachtingen van zijn legerstaf in laat hij hen leven, terwijl hij tot aan Babylon toe verder jaagt op zijn grote vijand.

Otten schreef een stuk in vijfvoetige jamben dat druipt van symboliek. Grote kwesties als vrijheid en angst, geschiedenis en waarheid en de mogelijkheid van rechtvaardige oorlog stapelen zich op, naast verwijzingen naar de oorlog in Irak en christelijke symboliek. Hoewel het verhaal over de verwikkelingen en conflicten van Alexander en zijn oorlogsmakkers vlot verteld wordt, voelt de voorstelling al snel topzwaar door de overdaad aan thematiek. Als toeschouwer ga je ernaar verlangen de tekst nog eens rustig na te lezen, om de verschillende lagen en symbolen beter te begrijpen. Otten de toneelschrijver heeft zich te zeer laten meeslepen door Otten de romanschrijver.

Regisseuse Ira Judkovskaja, die met deze voorstelling debuteert in de grote zaal, maakte de verstandige keuze om niet de symboliek, maar het verhaal centraal te stellen. Vormgeving en spelstijl lijken de volheid en gelaagdheid van de tekst niet te veel in de weg te willen zitten. Met enkele sterke beelden -het uitstorten van emmers stenen over de speelvloer, het opzetten van een legertent- wordt de situatie neergezet, waarna de acteurs met verrassend gemak de poëtische tekst spelen.

Minder gelukkig is de keuze om de belangrijkste rollen te laten spelen door piepjonge acteurs, waarvan sommigen zelfs nog op de toneelschool zitten. Ze spelen zeker niet slecht, maar missen toch het gewicht om een voorstelling van dit kaliber te dragen. Vooral Kaspar Schellingerhout wordt in het begin nogal weggeblazen door Kees Boot en Mark Rietman, ervaren rotten in bijrollen. Rietman speelt overigens mooi een bulderende oude generaal wiens zoon sneuvelt, maar zit op momenten dicht tegen schmieren aan.

Speciale vermelding verdient Petra Laseur als de moeder van koning Dareios, die heen en weer geslingerd wordt tussen verdriet om haar zoon en bewondering voor diens vijand. Het is alleen zo jammer dat ze iedere keer in nieuwe lachwekkend lelijke jurken van glimplastic wordt gehesen. Dat doet toch afbreuk aan haar personage. De vormgeving kent meer van deze stevige missers, zoals de krakkemikkige maan op het achterdoek en de onfraaie grime. Het versterkt de indruk dat Alexander meer voor de leunstoel dan voor het toneel is gemaakt.

Alexander van Willem Jan Otten door Het Toneel Speelt. Gezien 26/9/06, Stadsschouwburg Amsterdam. Aldaar t/m 28/9 en van 31/10 t/m 2/11. Meer info op www.hettoneelspeelt.nl

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2018 Simber | powered by WordPress with Barecity