Recensie: ‘De Wilde Eend’ van Maren Bjørseth/Frascati Producties

Tussen de zwart-witte cutouts van bomen lijken de smokings van de twee vrienden bijna camouflagekleding. Net als in haar eerdere voorstellingen zet regisseur Maren Bjørseth twee acteurs met behoorlijk verschillende speelstijlen tegenover elkaar. Thomas Höppener speelt alleen de buitenkant, met nadrukkelijke gestiek; Sander Plukaard is expressiever, alsof hij permanent onder druk staat.

De heldere contrasten geven een associatie met tekenfilms en dat lijkt goed te kloppen bij De wilde eend van Henrik Ibsen. Het is een raar stuk, waarin Gregers (Höppener) na jaren terugkomt bij zijn familie, een groot geheim ontdekt over zijn vriend Hjalmar (Plukaard) en hem aanmoedigt zijn levensleugen onder ogen te zien en te kiezen voor een leven in waarheid. Wat de arme drommel nog doet ook. Het loopt niet goed af.

Bjørseths regie is een beetje verwarrend omdat niet helemaal duidelijk wordt of het haar nu gaat over het verhaal of om iets anders. De afgelopen jaren is er in het Nederlands toneel flink gedold met het werk van Ibsen, met de vrolijke deconstructies van zijn wereld- en mensbeeld in Sarah Moeremans’ Crash Test Ibsen-serie als hoogtepunt. Is Bjørseth net zo kritisch of zoekt ze toch een modern equivalent van die ideeën? Ik kreeg sterk de indruk dat ik een puzzelstukje miste om deze voorstelling te ontsluiten.

Nu staat er een vrij volle voorstelling, met actrice Diewertje Dir die live met requisieten en zendmicrofoons een techno-achtige soundscape componeert, twee grappige bijrollen van Jochum ten Haaf en Mark Kraan als vaders van beide vrienden, een decor met verrassende verlichtingsmogelijkheden en slim gebruik van ballonnen.

Er zitten genoeg goede ideeën in deze Wilde eend (misschien te veel) en met name Plukaard is erg goed. Maar uiteindelijk krijg je je vinger er niet achter.

De Wilde Eend van Maren Bjørseth/Frascati Producties. Gezien 31/10/15 in Frascati. Aldaar t/m 6/11, daarna tournee. www.frascatiproducties.nl

Recensie: ‘JDX – a public enemy’ van STAN

“Wat het publiek nodig heeft is oude, gevestigde ideeën.” Je zou bijna denken dat STAN haar meest reactionaire personage serieus neemt: om haar 25-jarig bestaan te vieren herneemt de Vlaamse toneelgroep een 21 jaar oude voorstelling.

JDX – a public enemy is Vijand van het volk van Ibsen dat de vier toneelspelers Jolente De Keersmaeker, Sara De Roo, Damiaan De Schrijver en Frank Vercruyssen, aangevuld met Annette Kouwenhoven als half meespelende souffleur virtuoos, razensnel en kraakhelder spelen.

Vijand van het volk gaat over een dokter die ontdekt dat de geneeskrachtige baden van de stad vervuild zijn. Aanvankelijk prijst de stad hem voor het afwenden van groot onheil, maar de burgemeester, tevens de broer van de dokter wijst op de enorme kosten die reparatie met zich mee zou brengen en de mogelijke reputatieschade voor de stad. Langzaam keert de publieke opinie zich tegen de klokkenluider en wordt hij een vijand van het volk.

STAN speelt de vele rollen met vier acteurs, zonder attributen, met alleen een poel licht op de plaats van handeling. Razendknap is hoe de spelers met minieme details ieder personage een eigen accent geven, zonder de losse, aan Discordia en ’t Barre Land verwante stijl te doorbreken. Daarbij zijn deze spelers zó goed op elkaar ingespeeld dat de hele voorstelling wordt opgetild in een prachtige lichtheid.

Geestig is het ook heel vaak, met De Schrijver’s burgemeester als geniale clown. Tegenover hem staat de uiterst serieuze Vercruyssen als de vasthoudende dokter. Ik weet niet waar JDX – a public enemy twintig jaar geleden over ging, maar nu herken je moeiteloos de paralellen met Assange of Snowden. Dat is de kracht van repertoire: de oude, gevestigde ideeën blijven altijd actueel.

JDX – a public enemy van STAN. Gezien 9/4/14 in De Brakke Grond. Aldaar t/m 12/4. Meer info op www.brakkegrond.nl

Recensie: ‘Nora’ van Toneelgroep Amsterdam

Het is een foefje dat Halina Reijn als geen ander beheerst: de ongepaste lach. Een echtgenoot leest haar de les over haar spilzucht: een ondeugende lach en de stemming wordt weer speels; een vriend zegt dat hij op sterven ligt: de lach maakt het ineens bespottelijk. Het ongelofelijk knappe aan Reijn is dat ze met dat lachje alle situaties kan omdraaien: dreiging wordt vrolijkheid, leed wordt hanteerbaar, ernst wordt spel.

Er wordt veel ongepast gelachen in Nora van Ibsen, dat vrijdag bij Toneelgroep Amsterdam in première ging. Het stuk uit 1879, dat als proto-feministisch wordt gezien, gaat over het huwelijk van de titelheldin en Torvald. Aan de buitenkant ziet het er gelukkig uit, maar de harmonie wordt bedreigt door een misstap van Nora uit het verleden: in moeilijke tijden heeft ze een keer geld geleend (op zich al iets om niet aan haar man te vertellen) en daar zelfs een handtekening voor vervalst (erg genoeg voor totale maatschappelijke uitsluiting).

Bij regisseur Thibaud Delpeut (die eerder bij TA Al mijn zonen maakte) is dat huwelijk een vrij lichtvaardige aangelegenheid: Reijn’s Nora is een shopverslaafd, oppervlakkig en kinderlijk prinsesje. Stiekem peuzelt ze de door haar man verboden koekjes. Als haar man (Thomas Ryckewaert) zijn krekeltje berispt wordt ze kirrend onderdanig en ontstaat er een even pervers als routineus machtsspel. Tussen glimmend witte wanden staan drie totaal niet bij elkaar passende, maar zeer duur uitziende meubels: het gaat hier om protserigheid zonder achterliggend idee of gevoel. Tegen iedere bezoeker die op de banken plaatsneemt verkondigt Nora met een beate glimlach hoe gelukkig ze wel niet is.

Dat dit niet goed afloopt is al snel duidelijk, maar wat de voorstelling spannend houdt is in hoeverre Reijn’s Nora zich bewust is van de leegte van haar huwelijk en in hoeverre ze die leegte in stand houdt omdat die lekker eenvoudig en comfortabel is.

De plot wordt door Delpeut met een bijna abstracte helderheid afgewikkeld. De advocaat bij wie Nora ooit geld leende komt ongewild door haar toedoen in de problemen en dreigt de zaak openbaar te maken als zij hem niet helpt. Deze Krogstad wordt gespeeld door Bart Slegers, die per dit seizoen in het ensemble van TA is opgenomen. Dat is een aanwinst: zijn Krogstad is een prachtige engerd van wie je blijft zien dat zijn daden voortkomen uit wanhoop en niet uit perversie of sadisme.

Het eind, waarin alles uit elkaar knalt en er niets meer te lachen valt, is gelaagd en modern. Nora verwijt Torvald dat ze voor hem nooit meer is geweest dan een pop. Dat is waar, maar tegelijk is duidelijk dit geen onderdrukking is, maar een terugtrekking in gerieflijke rolpatronen met wederzijds goedvinden. Dat resoneert, niet in het minst omdat Reijn de hele voorstelling toch een soort uitvergrote versie speelt van haar eigen publieke imago.

Maar zowel Reijn als Nora zijn meer dan de oppervlakte die ze zo meesterlijk in de hand hebben. De slotscène is ronduit indrukwekkend, met een totaal getransformeerde actrice in diepe wanhoop en desillusie.

Nora is een van Reijns mooiste en meest intense rollen tot nu toe en is op een mooie manier complementair met haar rol van Kat in Het temmen van de Feeks van Ivo van Hove: allebei gevangen vrouwen die zich bevrijden. En meteen zie je hiermee zie je het verschil tussen de geestverwanten Van Hove, uiteindelijk een romanticus, en Delpeut, die jonger, politieker en harder is en die hier overtuigend debuteert in de grote zaal.

Nora van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 9/11/12 in de Stadsschouwburg. Aldaar 6 t/m 13/12 en 22 t/m 26/1/13. Tournee. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Recensie: ‘Kleine Eyolf’ van Het Nationale Toneel

Parool,recensies — simber op 28 mei 2012 om 21:49 uur
tags: , , , ,

Een man rijdt op een hobbelpaard. Hij ziet er kinderlijk uit, maar is te groot voor dit soort spelletjes en hij gaat er ook veel te lang mee door om het nog spel te laten zijn. In haar nieuwe voorstelling deconstrueert regisseur Suzanne Kennedy Ibsens Kleine Eyolf tot een lange serie compacte beelden, staties bijna, waarbij verlossing onwaarschijnlijk is.

De jongen op het hobbelpaard is kleine Eyolf, de zoon van Alfred en Rita, die niet helemaal goed is sinds hij als kind van tafel viel terwijl zijn ouders lagen te vrijen. Dat incident leidde tot verwijdering in het huwelijk: Alfred trok zich terug om een boek te schrijven over De menselijke verantwoordelijkheid, Rita is bijna katatonisch in haar schuldgevoel en de wens om Alfred voor zichzelf te hebben.

Lars von Trier nam een deel van het verhaal als uitgangspunt voor zijn filosofische horrorfilm Antichrist en Kennedy liet zich weer door Von Trier is inspireren, en ook nog door The Shining – ook een vader met een boek dat niet afkomt. Het rattenvrouwtje dat bij Ibsen Eyolf meelokt, uiteindelijk de dood in, is bij Kennedy en een enge tweeling geworden.

Ze vertelt het verhaal fragmentarisch, in superkorte scènes die telkens maar twee of drie zinnen tekst hebben, met veel herhalingen en ellipsen, gescheiden door tussentitels van citaten uit Nietzsches Also sprach Zarathustra.

Punt is dat ondanks de messcherpe dramaturgische inzichten van Kennedy de voorstelling het theoretische maar niet wil ontstijgen. In eerdere voorstellingen keken de spelers het publiek constant aan; een brutaal en vervreemdend effect. Daardoor bleven haar voorstellingen, ondanks de gesloten vorm, opzichtig theatraal. Nu zitten de acteurs gevangen achter een doorzichtig scherm. Dat geeft ook een raar afstandelijk beeld, en de voorstelling wordt er onmiskenbaar filmisch van. Hier wordt de voorstelling té gestileerd.

Marlies Heuer als Rita is wel erg goed: een lelijk, onbeweeglijk stuk lijdzaamheid. Ook de andere spelers dragen de stugge vorm met passend aplomb.

Helemaal aan het eind suggereert Ibsen een vorm van verlossing voor Alfred en Rita. Kennedy kiest voor een oplossing vol pathos, met een groot kruis met tl-verlichting. Maar ook hier geldt: het klopt wel, maar het werkt niet.

Kleine Eyolf van Het Nationale Toneel. Gezien 16/5/12 in Den Haag. Te zien in Amsterdam (Compagnietheater): 31/5 t/m 9/6. Meer info op www.nationaletoneel.nl

Recensie: ‘Spoken’ van Toneelgroep Amsterdam

We zien recente filmbeelden van Schiphol en snelwegen, maar dan in vlekkerig zwartwit, als in een oeroude opname. Het is analoog aan wat Thomas Ostermeier wil doen in het theater: door het filter van het verleden kijken naar het heden. De Berlijnse gastregisseur maakt bij Toneelgroep Amsterdam van Ibsens Spoken een onderkoelde, zwarte en bij vlagen schitterende voorstelling, maar blijft worstelen met de actualisering.

In Ibsen’s tijd (het stuk werd in 1892 voor het eerst opgevoerd) was Spoken een schandaal. Het gaat over syfilis, buitenechtelijke kinderen en euthanasie. Weduwe Alving (Marieke Heebink, schitterend beheerst) heeft haar hele erfenis gespendeerd aan een weeshuis in de naam van haar man – een schaalmodel van een klein klassiek gebouwtje staat in het decor. Haar man leidde echter in weerwil van zijn reputatie ‘een liederlijk leven’ en mevrouw Alving wil niet daar hun zoon Oswald iets van hem erft.

Maar Oswald (oprecht aandoenlijk en onschuldig gespeeld door Eelco Smits) heeft al lang iets anders van zijn vader gekregen: erfelijke syfilis. Thuisgekomen wordt hij verliefd op zijn moeders dienstmeisje, maar dat blijkt een andere nalatenschap van zijn vader: een onechte dochter. Oswald was bij Ibsen schilder en nu videokunstenaar (net als Ostermeiers Hamlet, die vorig seizoen in Amsterdam te zien was), de zwartwitte filmbeelden van golven en wuivend gras zou je kunnen zien als zijn werk.

Achter op het podium regent het de hele voorstelling. In een ronddraaiend decor van moderne meubels en schuivende panelen waarop geprojecteerd wordt, geeft Ostermeier binnen een strakke mis-en-scène de acteurs de ruimte om Ibsens debat tot op het bot uit te vechten.

Daarin speelt huisvriend Dominee Manders een doorslaggevende rol. Hij is de morele autoriteit die alle onzedelijkheid ten koste van alles onder het tapijt wil vegen. ‘Welk recht heeft u op geluk?’, vraagt hij mevrouw Alving, die nu eindelijk in het reine wil komen met de losbandigheid van haar man. Hans Kesting speelt hem afwisselend zalvend en spijkerhard en maakt van dominee Manders een meesterlijk villein personage in een mooi pak, maar met versleten sokken. Tussen het leven van plichten dat hij voorstaat en de absolute vrijheid die Alving opeiste worden de jonge mensen vermorzeld.

Tussen de scènes is het af en toe een beetje veel gedraai en geschuif en geprojecteer, maar telkens wordt de voorstelling weer haarscherp in het felle, harde licht, en steeds zien we de schaduwen van de acteurs op de projecties, die helder maken dat wij altijd zelf onze eigen spoken zijn. En soms gebeurt er ineens in een scène tergend lang niets. Een maaltijd bij de familie Alving wordt in doodse stilte doorgebracht.

Ibsens onderwerpkeuze was destijds zo gewaagd dat hij de zaken waarover hij het wilde hebben niet bij naam kan noemen – het woord ‘syfilis’ komt niet voor – en dat maakt actualisering lastig. Het lijkt aan het eind Ostermeier er nog een schepje bovenop heeft willen doen door de incestueuze moeder-zoonrelatie iets te lichamelijk, bijna clichématig modern toneel, door te zetten. In de rest van de voorstelling weet hij meer te vertrouwen op stilering en heldere symboliek.

Spoken van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 27/2/11 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 12/3 en 12/4 t/m 29/4. Tournee t/m 8/5. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Dubbelinterview: Thomas Ostermeier en Ivo van Hove

De verschillen zijn groter dan de overeenkomsten. De een is zoon van een Vlaamse apotheker, de ander van een Westduitse beroepsmilitair. De een is klein en staat kaarsrecht, de ander is een kromme reus. En waar de een optimistisch, gepassioneerd en energiek is, lijkt de ander melancholiek en zwaarmoedig. Maar in hun werk zijn er tussen Ivo van Hove en Thomas Ostermeier opmerkelijke paralellen te zien. Modernisering van repertoire, gestileerde toneelbeelden en belangrijke vrouwenrollen zijn kenmerken van hun voorstellingen. In februari maken beiden een nieuwe voorstelling bij Toneelgroep Amsterdam. ‘Je karakter kan beschadigd raken van een toneelgezelschap leiden.’

Donderdag aan het eind van de middag, half december. Zojuist hebben Ostermeier en Van Hove de presentatie gehouden van de voorstelling Spoken, die Ostermeier als gast komt regisseren en die op 27 februari in première zal gaan. Zo’n presentatie is een gebeurtenis voor het hele gezelschap: de regisseur vertelt wat voor soort voorstelling het gaat worden, over zijn keuzes en fascinaties voor het stuk, de vormgevers presenteren de maquette. Alle werknemers van Toneelgroep Amsterdam zijn welkom. ‘We doen dat voor iedereen, het ensemble, de technici en het kantoor’ zegt Van Hove: ‘Zo willen we bij iedere voorstelling commitment krijgen van het hele bedrijf.’ Het was een drukke middag. ‘Het hele ensemble heeft uitgekeken naar Thomas’ komst. We hebben met z’n allen vorig jaar Hamlet gezien en de acteurs ontmoet. Het hele gezelschap is enthousiast dat hij nu aan het werk gaat.’

Eenmaal binnen in het kantoor van Van Hove, glaasje wijn nog in de hand, spreekt Ostermeier zijn waardering uit voor de nieuwbouw van de Stadsschouwburg en de de repetitieruimtes. Van Hove: ‘Het is heel mooi geworden, maar ik heb er zo lang voor moeten vergaderen.’ Dan valt Ostermeiers oog op het paarse hoogpolige kleed onder de vergadertafel: ‘Die kan ik gebruiken! Het past bij Helène Alving.’ Van Hove: ‘Dat tapijt is een ongebruikt decorstuk voor Zomertrilogie. De bank komt uit Romeinse Tragedies. Die moet je niet gebruiken, die herkent iedereen. Maar dat tapijt kun je zo meenemen.’

Continue reading “Dubbelinterview: Thomas Ostermeier en Ivo van Hove” »

Recensie: ‘Vijand van het Volk’ van Toneelgroep Maastricht

Parool,recensies — simber op 20 oktober 2009 om 01:17 uur
tags: , , , ,

Met Vijand van het Volk presenteert de nieuwe, grote theatergroep uit Maastricht met Arie de Mol als nieuwe artistiek leider zich voor het eerst. De Mol –eerder leidde hij Els Inc.- bewerkte Henrik Ibsens drama over idealisme en eigenbelang uit 1882 tot een pittig leerstuk en een volle, enthousiast gespeelde theateravond.

Dokter Stokman (Olaf Malmberg, op dreef als idealist met het gelijk aan zijn zijde) ontdekt dat het bronwater van het kuurbad dat zijn provinciestad tot trekpleister maakt vervuild is en gevaarlijk voor voor de gasten. Hij is ervan overtuigd dat iedereen in het dorp het probleem zal erkennen en zal proberen op te lossen, en aanvankelijk lijkt hij de pers en de burgerij achter zich te hebben. Maar zijn zus, tevens de burgemeester is niet zo blij met haar broers campagne.

Mara van Vlijmen maakt van de burgemeester een verrukkelijk soort Pauline Krikke, eerst als een reclamespot de grote winst die het “wellness gebeuren” het dorp heeft gebracht aanprijzend, later in een vinnige discussie de kosten die het verhelpen van de problemen met zich mee zou brengen memorerend. De grote confrontatie met haar broer is een kluchtige scène in een redactielokaal met onverwachte opkomsten en gedoe met een aktentas. We hebben dan al een scène gehad bij uitsluitend het licht van mijnwerkerslampjes op witte bouwhelmen en een changement waarbij de acteurs onverstoorbaar liedjes van de Velvet Underground spelen terwijl ondertussen het drumstel verplaatst wordt.

De acteurs die ‘af’ zijn zitten linksvoor op het podium en grijpen soms in in de handeling, bijvoorbeeld als Stokman een uitgebreide tirade tegen de macht van de domme mensen houdt tegen het publiek in de zaal. Het is een beweeglijke, rommelige mis-en-scène, waarin subtiele discussies soms worden weggeschreeuwd in overdreven gedoe.

Maar in die overdaad aan ideeën, sommige slecht, andere briljant wordt het thema snel genoeg helder: de oudere idealist die aan zijn principes vasthoudt tegenover jongeren die het idee van de waarheid wel heel mooi vinden klinken, maar zich schielijk terugtrekken als blijkt dat hun welvaart op het spel staat. Zo wordt Ibsen’s drama een politiek leerstuk waarbij alle personages zich moeiteloos laten herkenbare types uit hedendaagse discussies, zoals met de revolutie flirtende intellectuelen en de goedmenende zoon die iedereen zo ongenuanceerd vindt.

Enthousiasme kortom, en veel ideeën. Van een nieuw gezelschap kun je weinig meer wensen.

Vijand van het Volk van Toneelgroep Maastricht. Gezien 19/10 in Utrecht. Vanavond te zien in Amsterdam (Stadsschouwburg); tournee t/m 22/12. meer info op www.toneelgroepmaastricht.nl

Recensie: ‘Hedda Gabler’ van Het Nationale Toneel

Parool,recensies — simber op 19 december 2008 om 13:39 uur
tags: , , ,

Nog voor de voorstelling goed en wel begonnen is schiet Hedda Gabler zichzelf al door het hoofd. Net als in Mulholland Drive van David Lynch kun je deze voorstelling zien als laatste gedachtes en angsten van Hedda; de korte periode tussen schieten en sterven opgerekt tot anderhalf uur, waarin we zien hoe het zo gekomen is.

Verwacht geen keurige opvoering van de klassieker van Ibsen. Regisseur Susanne Kennedy maakte voor Het Nationale Toneel een verfrissende, tegendraadse voorstelling, die drijft op het grote talent van haar hoofdrolspeelster, de Turks/Duits/Nederlandse actrice Çigdem Teke. Nadrukkelijk kiest Kennedy voor het perspectief van Hedda, de wilde generaalsdochter die verzeild raakte in een saai huwelijk, haar omgeving wil manipuleren, maar er zelf aan kapot gaat.

Alle acteurs zitten gevangen in een doos, behangen met gigantische foto’s van lichaamsdelen –vooral benen– tegen een achtergrond van onflatteuze stof. De kogelgaten zitten er al in. Voorlangs is over de hele breedte een dunne snaar gespannen. Doordringend kijkt Teke vrijwel continu het publiek aan terwijl ze daarme onheilspellende klanken voortbrengt.

Deze Hedda is een slechte poseur. In een te kort groen glitterjurkje en met Amy Whinehouse-haar blijft Hedda een gevoelig meisje dat zich een wild imago heeft aangemeten. Lijzig en met distantie zegt ze haar teksten –en regelmatig ook die van de andere personages- maar de verveling van iemand die daadwerkelijk uit het sociale patroon wil breken is voelbaar.

De andere personages zijn gemene karikaturen. Manlief Tesman is een sukkel in een hagelwitte kaftan en korte broek, Tante Julle is een oude man in drag. Alleen Eilert –de concurrent van Tesman- lijkt nog enigzins op haar met zijn emo look.

Tegen het eind raakt de voorstelling op drift, alsof Hedda’s bewustzijn uit elkaar valt. Een liederlijk feest met keiharde geluiden, een verkrachting, schreeuwende acteurs. Het is over the top en werkt maar half. Ook een soort balts-dans van de Tesman en Eilert wordt bijna kinderlijk.

Verder weet Kennedy haar dadendrang beter te doseren. De voorstelling lijkt op het eerste gezicht kil en deprimerend, maar wordt daar bovenuit getild door de gretigheid in spel en regie, en het charisma van Teke. Dat maakt deze Hedda Gabler een buitengewoon prettige uitvoering van klassiek repertoire.

Hedda Gabler van Het Nationale Toneel. Gezien 17/12/08 in Den Haag. Te zien in Amsterdam (Frascati) 2/1 t/m 4/1. Meer info op www.nationaletoneel.nl

Recensie: ‘De Wilde Eend’ door De Theatercompagnie

Parool,recensies — simber op 20 januari 2008 om 19:19 uur
tags: , , ,

Regisseur Maaike van Langen maakte de laatste jaren vooral voorstellingen naar stukken van jonge schrijvers, maar beet zich nu weer eens vast in een klassieker: De Wilde Eend (1894) van Ibsen. Zoals alle stukken van Ibsen is dat een burgerlijk familiedrama, maar van Langen –vanaf 2009 overigens vaste regisseur bij Theu Boermans’ Theatercompagnie- brengt de ideeën erachter naar de voorgrond.

Een rijke jongeman, Gregers Werle (stijlvast gespeeld door Mike Reus), keert na lange tijd terug in zijn geboortestad en ontdekt dat zijn jeugdvriend Ekdal (een sympathieke Jasper Boeke) met hulp van Werle’s vader een eigen zaak en een gezin gesticht heeft. De aanvankelijk vriendelijke en geïnteresseerde Werle is een idealist en vindt dat Ekdal het geheim moet weten dat achter zijn huwelijksgeluk ligt. Met “idealen” bedoelt Werle maar één ding: de waarheid. En juist daarmee stort zijn vriend in het ongeluk.

De speelstijl is consequent licht overdreven en daardoor wordt het drama bijna een Brechtiaans leerstuk. Dat is de kracht van de regie van Maaike van Langen, die daarmee de belangrijkste valkuil voor moderne psychologische Ibsen-opvoeringen omzeilt: de redenen waarom de personages dingen doen zijn ouderwets en ongeloofwaardig. Iemand zal het nu geen schande vinden als zijn partner voor hem of haar een ander had, en een man zal nu niet zo snel een kind verstoten als er enige twijfel is over zijn vaderschap. Door van de personages typetjes te maken -Werle een stijve ambtenaar, mevrouw Ekdal een moederende huisvrouw- krijgt de voorstelling een heldere symboliek.

De belangrijkste tegenstelling wordt gepersonifieerd door de idealist Werle aan de ene kant en huisvriend dokter Relling, een pragmaticus, aan de andere. Als engeltje en duiveltje op Ekdal’s schouders geven ze tegengestelde adviezen. De dokter is een onaangename cynicus, die een levensleugen noodzakelijk noemt voor geluk, maar hij krijgt daarin wel gelijk.

Ekdal’s dochter heeft een kreupele wilde eend op zolder, waar ook opa (een mooie, maar licht detonerende bijrol van John Leddy) zich veilig kan wanen in een droomwereld, waarin hij zijn vroegere jachtavonturen kan naspelen met oude kerstbomen, kippen en konijnen. Zij symboliseren de vrijheid die het leven met een leugen ook kan bieden.

Maar die rationalisering is ook de zwakte van de voorstelling: Ibsen laat zich niet zomaar ontpsychologiseren. Ook Werle heeft een psychologisch motief -de dood van zijn moeder en de haat jegens zijn vader- maar door hem als abstracte levensopvatting neer te zetten worden zijn handelingen in de loop van het stuk absurd en ongeloofwaardig. Daarom overtuigt deze Wilde eend niet, ondanks het prima spel in alle rollen.

De Wilde Eend van Henrik Ibsen door De Theatercompagnie. Regie: Maaike van Langen. Gezien 19/1/08 in het Compagnietheater. Aldaar t/m 9/2, tournee t/m 28/3. Meer info op www.theatercompagnie.nl

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2019 Simber | powered by WordPress with Barecity