Seizoensoverzicht 2013-2014

beschouwingen,Theatermaker — simber op 21 oktober 2014 om 09:55 uur
tags: ,

Hoe zullen we in de toekomst leven? Zowel in de kunst als in de randvoorwaarden werden in het afgelopen seizoen lijnen naar de toekomst uitgezet. Minister Jet Bussemaker beloofde bestuurlijke rust in de tent en die politieke luwte werd door het theaterveld aangegrepen om –voor het eerst sinds de invoering van de Basisinfrastructuur– na te denken hoe het zichzelf beter kan organiseren. Maar hoe kijken kunstenaars in hun werk vooruit?

Temidden van een seizoen vol zorgen over talentontwikkeling, zich roerende jonge makers, debat over kritiek, geroddel over Johan Simons en maxi-aandacht voor de megaproductie Anne zag ik drie thema’s die samen een goed beeld geven van waar het Nederlandse theater anno 2014 staat: toekomsttheater, parasitair theater en een golf die ik metadramatisch theater zou willen noemen.

In de nasleep van de kunstenaarsacties tegen de bezuinigingen van het kabinet Rutte I viel onder theatermakers vaak te horen dat ze liever wilden opbouwen dan protesteren. Geëngageerde makers zochten manieren om de energie die onder meer de Mars der Beschaving opriep een rol te geven in hun werk. Was het niet een traditionele taak van de kunst om alternatieven te laten zien voor de huidige samenleving? Was het scheppen van utopieën (of het aan Foucault ontleende ‘heterotopieën’ – plekken met een ander perspectief) niet de core business van maatschappelijk geëngageerde kunst?

Een groot aantal voorstellingen speelde dit jaar (deels) in de toekomst. In Vermogen van Mugmetdegoudentand is het 2023 en handelt een van de hoofdpersonages in geprivatiseerd water met de Chinezen; in Achterkant van De Warme Winkel is het 2027 en viert Toneelgroep Amsterdam nog steeds triomfen met Lange dagreis naar de nacht; Aan het eind van Hospital van Wunderbaum is het 2018 en wordt de gezondheid van het hoofpersonage gemanaged door een buurtzorgteam; in Domo de E?ropa Historio en Ekzilo van Thomas Bellinck is het eind 21e eeuw en wordt in een versleten museum teruggekeken op de idealen van de inmiddels ter ziele gegane Europese Unie.

Continue reading “Seizoensoverzicht 2013-2014” »

Seizoensoverzicht 2012/2013

beschouwingen,Theatermaker — simber op 4 oktober 2013 om 10:00 uur
tags: ,

Het was het seizoen van de bijl. Op 1 januari 2013 ging de nieuwe cultuurnotaperiode in, en daarmee werden de inmiddels al zo lang geleden aangekondigde bezuinigingen werkelijkheid. Een aantal prominente instellingen sloot hun deuren en andere fuseerden, verhuisden of zochten eigen manieren om de kosten te drukken. Maar wat was er dit seizoen in de theaterzalen eigenlijk te merken van de kaalslag? En welke onderwerpen houden de theatermakers bezig?

De voortekenen waren niet gunstig. Toneelgroep Amsterdam had slechts drie nieuwe voorstellingen op de rol, in april gingen tien dagen voorbij zonder één theaterpremière. “Dat is, vermoed ik, buiten de zomervakantie nog niet eerder voorgekomen”, schreef Hein Janssen in een column in de Volkskrant. Het leek de voorbode van de zeer magere jaren die het theater te wachten stond, maar de situatie bleek genuanceerder te liggen. Seizoen 2012/2013 werd gepland nog vóór de uitslag van de subsidiebeslissingen bekend was. Omdat de theaterproducenten weinig zekerheid hadden over hun financiële armslag na 1 januari, kozen de meesten voor een uiterst voorzichtige planning, met veel reprises en weinig nieuw werk.

Vooral in de eerste seizoenshelft zetten de afscheidsvoorstellingen de sombere toon. Carver hernam hun eerste voorstelling, het ruim twintig jaar oude Café Lehmitz, Het O.T. speelde Zeezicht van Edward Albee, De Engelenbak hield haar laatste Open Bak, het Rozentheater verkocht haar inboedel op Facebook. Ook de groepen die aankondigden verder te willen gaan zonder subsidie maakten voorstellingen die doordrongen waren van verlies en afbraak, zoals De Samoerai van Bambie of de herneming van De laatste dagen der mensheid van ’t Barre Land.

Ook op andere manieren werd een periode afgesloten: Eric de Vroedt maakte zijn laatste Mightysociety en zowel Sadettin Kirmiziyüz als Ilay den Boer volbrachten voorstellingscycli over hun familie.

Met heel veel optimisme zou je in al deze eindes het potentieel kunnen zien voor een nieuw begin. En er waren ook genoeg positief ingestelde theatermensen die een heerlijke nieuwe wereld voorspelden van crowdfunding, cultureel ondernemerschap en beter publieksbereik. Iedere cultuurinstelling heeft minstens een dozijn aanbiedingen gekregen van bureaus die graag willen onderwijzen hoe je als kunstorganisatie ondernemender kunt worden. Tegen fikse betaling, dat spreekt.

De meest ambitieuze poging tot inhoudelijk vernieuwing kwam van acteursgroep Wunderbaum. Het Rotterdamse collectief kondigde aan de aankomende kunstenplanperiode te gaan werken aan één project, The New Forest, een nieuw op te richten alternatieve samenleving, waarbij het samenwerkt met de radicale socioloog Willem Schinkels, de achitecten van ZUS en reclamebureau KesselsKramer. Na de teleurstellende eerste voorstelling (The beginning), werd de reikwijdte van het project helderder met De komst van Xia, een locatievoorstelling waarbij zo’n dertig vrijwilligers meededen, die eindigde met een prachtig absurde, zelf verzonnen rituele inhuldiging van een nieuwe leider: het Chinese meisje Xia.

Toch lijkt The New Forest vooralsnog in de eerste plaats een context of thema om voorstellingen omheen te maken dan een nieuwe manier om voorstellingen te maken. Meer een nieuw ding dan een nieuw soort ding. Maar Wunderbaum denkt in ieder geval na over nieuwe vormen en strategieën om met het theater nog maatschappelijke betekenis te hebben.

Tegelijkertijd was de meest succesvolle voorstelling van het seizoen De Verleiders. Een relatief traditionele, cabareteske show over de vastgoedfraude, testosteronrijk gespeeld door onder anderen Pierre Bokma en Victor Löw en met de vrij cynische boodschap: u bent geen haar beter dan deze misdadigers. Na De Prooi vorig seizoen bewees De Verleiders opnieuw dat er prima publiek te vinden is voor de eeuwige verhalen over macht, hebzucht en hoogmoed, mits ze worden verteld in een moderne context.

Dat is precies de tegenovergestelde aanpak van de meeste theatergroepen. Kijk bijvoorbeeld naar het Noord Nederlands Toneel (maar ik zou bijna alle grote gezelschappen kunnen noemen), die vorig seizoen Hamlet al te hardhandig koppelde aan moderne psychiatrie en dit jaar rondom Misdaad en Straf geënsceneerde rechtszaken organiseerde om Dostojevski’s antiheld Raskolnikov bloot te stellen aan het moderne strafrecht.

Het is niet per se slecht, maar het voelt langzamerhand een beetje ouderwets. Ieder jaar studeren nieuwe regie-talenten af die hun diepe liefde voor het toneelrepertoire uitdragen en ieder seizoen stemt het theaterpubliek met de voeten over hun belangstelling voor oude stukken in een modern jasje. Daarom was Wassa van regisseur Alvis Hermanis ook zo’n openbaring. Tijdens het Brandstichters-programma van de Amsterdamse Stadsschouwburg, waarin vijf voorstellingen van de Letse Hermanis getoond werden, presenteerde hij Maksim Gorki’s stuk als een Mad Men-achtige tijdscapsule, met decor, requisieten en kostuums uit 1910. Mede door het prachtige spel van o.a. Elsie de Brauw en Katja Herbers bereikte die voorstelling een enorme gelaagdheid, zoals je die eigenlijk alleen uit de literatuur kent.

Kortom: voor optimisme en echte innovatie is in Nederland nog even geen ruimte. De wonden zijn nog te vers en de schulden van het verleden zijn nog te zwaar. Niets illustreerde dit punt wranger dan de volstrekte teloorgang van De Utrechtse Spelen (DUS). Optimistisch berekend risico nemen (cultureel ondernemerschap!), geen alternatief bij tegenvallers, een restschuld die bij de gemeenschap komt te liggen; de lijn tussen de kunsten en de financiële sector was in Utrecht akelig dun.

Het ergste van de hele affaire is dat een Basisinfrastructuurgezelschap als DUS too big to fail blijkt: de organisatie is nu een lege huls, zonder leiding, zonder raad van toezicht, zonder eigen gebouw en zonder voorstellingen. Geen enkele getalenteerde artistiek of zakelijk leider zal daar z’n vingers aan willen branden, zo lang er zonder geld nog wel aan de functionele eisen van OCW moet worden voldaan. Opheffen, zou je denken en het geld geven aan het Fonds Podiumkunsten –dat nog een aantal gezelschappen met een positief advies onder de zaaglijn heeft staan– of desnoods naar een productiehuis –waarvan ze in Den Haag nu ook wel zien dat het opheffen iets te rigoreus was– maar nee, voor de gemeente is de anderhalf miljoen rijkssubsidie een verworven recht en bovendien had DUS zich in korte tijd onmisbaar gemaakt voor de organisatie van het bid voor Culturele Hoofdstad van Europa. Gelukkig liep dat op rolletjes… Oh wacht…

Je zou kunnen zeggen dat het Nederlands theater vast zit. Vast tussen teruglopende inkomsten, hoge functionele eisen, eigen artistieke wensen, de nooit eindigende crisis, de oprechte wil om een groter en nieuw publiek te bereiken en onwankelbare, romantische ideeën over de taak en functie van kunst.

Zo bezien is het eigenlijk heel logisch dat Nora van Ibsen hét stuk van het seizoen werd. Vier uitvoeringen waren te zien, van Toneelgroep Amsterdam, Sarah Moeremans bij het NNT, Stan, en van Ton Lutz Prijs-winnares Maren Bjørseth. Vier keer een schijnvrome vrouw gevangen in een leugenachtig huwelijk. En vier keer is Nora niet zomaar een willoos slachtoffer, maar medeschuldig aan haar situatie, en vier keer is de radicale, maar pijnlijke keuze aan het eind onafwendbaar.

Het zal ongetwijfeld niet zo bedoeld zijn door de makers, maar bij de derde Nora die ik zag (van Stan) kon ik het niet meer anders zien dan als uitstekende metafoor voor de positie van het Nederlandse theater in de maatschappij. En met die blik zag ik ineens overal Nora’s: Marjolijn van Heemstra die vertelde over wereldverbeteraar Garry Davis en haar eigen avonturen met zijn zelfuitgevonden wereldpaspoort; Dood Paard de De Warme Winkel die de crisis te lijf gingen door hun eigen groente te verbouwen voor hun voorstelling Paradijs; Eric de Vroedt die in Mightysociety10, een sleutelvoorstelling over zijn eigen familie, zichzelf op het toneel zette als kunstenaar die bunkers bouwt; en natuurlijk wederom Wunderbaum met The New Forest. Het zijn allemaal makers die zich opgesloten lijken te voelen, allemaal struikelend op zoek naar de bevrijdende deur om uit te ontsnappen en achter zich dicht te slaan.

Zoals ik eerder al schreef ben ik niet bijster optimistisch over de mogelijkheden die het theater heeft om werkelijk nieuwe richtingen in te slaan zonder zichzelf te verloochenen. Tegelijk is de zoektocht van de kleinschalige gesubsidieerde theatergezelschappen juist nu belangrijk, omdat het de enige plek is waar nog onderzoek naar nieuwe vormen en strategieën kan plaatsvinden.

De versplintering van het theaterveld heeft nog lang niet zijn hoogtepunt bereikt. Op mijn computer heb ik al een lijstje aangelegd van de meest deprimerende theaterproducties van volgend seizoen. Wat te denken van de Smart&Sexy theatershow van Lisa Portengen (“een mix tussen de Oprah Winfrey talkshow & theater met bijzondere inzichten, kadootjes, muziek, kippenvel en volop inspiratie”) of Mari Experience van kapper Mari van de Ven (“Tijdens deze avond leert  Mari je alles over haar en make-up,  vertelt hij  over trends en geeft unieke en niet te missen tips en tricks die jou er voortaan nóg mooier uit laten zien”). Dit soort marketingtheater zal de komende jaren een onontkoombaar onderdeel worden van de theaterprogrammering in Nederland.

Tegelijkertijd is er de afgelopen jaren een heel nieuw fringe-circuit ontstaan van jonge makers die vrijwel zonder geld op niet-reguliere plekken voorstellingen maken. Dit circuit lijkt het domein te worden van de talloze talentontwikkelingsinitiatieven die dit jaar na de subsidiestop voor de productiehuizen opkwamen, hoewel die hun makers weinig meer te bieden hebben dan een speelplek en minimale begeleiding.

Het gesubsidieerde toneel moet zich er na de bijl rekenschap van geven dat het een minder prominente rol speelt in het theaterlandschap. Voor het publiek is subsidie al lang geen kwaliteitskenmerk meer. Dat hoeft niet erg te zijn, zo lang duidelijk is dat subsidie bepaalde taken en functie mogelijk maakt. Gesubsidieerd theater hoeft niet per se beter te zijn, als het maar duidelijk te onderscheiden ánders is.

Top 5

De wederopbouw van het Westen: witroodzwart van De Koe.
Erudiet en bijzonder geestig, lichtvoetig en diepgravend, alomvattend en precies; schrijvers en spelers Willem de Wolf, Natali Broods en Peter van den Eede schetsen een mentaliteitsgeschiedenis van de modernste tijd. Topvermaak dat nog lang nazindert in het hoofd.

Mightysociety10 van Eric de Vroedt
Het laatste deel van Mightysociety is het meeste persoonlijke. De Vroedt is ontwapenend eerlijk en dat plaatst de hele cyclus in een nieuw licht. Prachtige vaderrol van Hein van der Heijden.

Spiegel van Schweigman&
Af en toe dreig ik het te vergeten, maar theater hoeft helemaal niet altijd actueel of kritisch te zijn. Meestal helpen de voorstellingen van Boukje Schweigman me daaraan te herinneren.

Somedaymyprincewill.com van Sadettin Kirmiziyüz
Kleinezaalhit van het seizoen, waarin Kirmiziyüz, begeleid door theaterband The Sadists, het verhaal verteld van zijn zus. Uiterst grappige, maar ook aandoenlijke voorstelling over roots en social climbing.

Wassa van de Münchner Kammerspiele
Oneindig gedetailleerd en gelaagd, deze period-voorstelling van Gorki. Theater kijken zoals je een boek leest.

Jaaroverzicht Theater 2012

overig — simber op 31 januari 2013 om 08:13 uur
tags: ,

Een aantal jaar schreef ik het lemma ‘theater’ voor het Spectrum Jaarboek

Voor het theater was 2012 het jaar waarin de aangekondigde bezuinigingen op cultuur concreet werden. De Raad voor Cultuur en het Fonds Podiumkunsten publiceerden hun adviezen en ook de grote gemeenten beslisten over de verdeling van hun subsidies. Voor een aantal theaters en gezelschappen betekende dit de aankondiging van het einde. Het Onafhankelijk Toneel in Rotterdam, ’t Barre Land in Utrecht en De Engelenbak in Amsterdam zijn slechts enkele van de instellingen die per 2013 geen subsidie meer krijgen en hun activiteiten sterk moeten beperken of zelfs moeten sluiten.

De grote gesubsidieerde gezelschappen worden niet in hun voortbestaan bedreigd, maar met name Het Zuidelijk Toneel (HZT) uit Tilburg en De Utrechtse Spelen (DUS) uit Utrecht moeten een flinke korting incasseren. Beide gezelschappen kondigden een koerswijziging aan. HZT stopt met de gezichtsbepalende theaterspektakels zoals De reis om de wereld in 80 dagen met Bert Visscher en NUHR en Vertellingen van 1001 nacht met Marc-Marie Huijbregts en Ashton Brothers, die door de kritiek over het algemeen slecht werden ontvangen, maar die wel publiek trokken.

Bij DUS verliep de reorganisatie een stuk heviger. In het najaar werd bekend dat het gezelschap in grote financiële problemen verkeerde, door al te optimistische verwachtingen over de reprise van de voorstelling Orfeo ed Euridice, een opera op locatie in de tuin van Paleis Soestdijk. Het gezelschap kampte met een tekort van 2,1 miljoen euro. DUS wijtte de moeilijkheden aan de crisis, maar waarnemers konden zich niet aan de indruk ontrekken dat de ruime ambities van het gezelschap niet in overeenstemming waren met de zakelijke capaciteiten en dat het financiële toezicht behoorlijk heeft gefaald.

De gemeente moest bijspringen, het eigen theater van het gezelschap (De Paardenkathedraal) moet worden verkocht en de zakelijk leider vertrok. Aan het eind van het jaar kondigt ook artistiek leider Jos Thie zijn vertrek aan. DUS gaat als lege huls de nieuwe cultuurnotaperiode in: een flink kleiner gezelschap, zonder eigen theater, op zoek naar een artistiek directeur die nog jaren bezig zal zijn om de gemaakte schuld weg te werken.

Ook bij Toneelgroep Amsterdam was het onrustig. Een aantal gezichtsbepalende acteurs, onder wie Barry Atsma, Jacob Derwig en Fedja van Huêt, verliet het ensemble, en Het Parool publiceerde in het najaar een onthullend artikel over de grimmige werksfeer binnen het gezelschap en de despotische leiderschapsstijl van Ivo van Hove. Tegelijk wist het gezelschap zich te vernieuwen, met het engageren van nieuwe vaste acteurs als Ramsey Nasr, Bart Slegers en Aus Greidanus Jr. en het grotezaaldebuut van jonge regisseur Thibaut Delpeut. Zijn Nora, met een imposante Halina Reijn in de titelrol, was een geslaagd en venijnig commentaar op hedendaagse grotestadsprinsesjes. Ook bleef het gezelschap triomfen vieren in het buitenland, met een succesvolle tournee naar onder andere Seoul en New York.

Wie een hedendaagse roman voor het toneel bewerkt weet zich verzekerd van een vaste publieke belangstelling. De spoeling wordt echter dun, en gemakzuchtige toneelvoorstellingen van Herman Koch’s Het Diner en Saskia Noort’s De Eetclub voeden de verdenking dat producenten het publiek vooral cynisch aan het uitmelken zijn.

Het Nationale Toneel kwam origineler uit de hoek. Het gezelschap had een onverwachte hit met de voorstelling De Prooi, naar het onderzoeksjournalistieke boek van Jeroen Smit over de ondergang van ABN-Amro. Bewerker Sophie Kassies maakte van Smits non-fictie een Shakespeariaans drama, waarin Mark Rietman als bankdirecteur Rijkman Groenink tragisch te gronde gaat door zijn eigen hoogmoed. Voor werknemers in de financiële sector bleek het een must-see.

Het lijkt het begin van een trend: de komende jaren komen er nog meer non-fictie-boekbewerkingen op de podia. Zoals De Verleiders; de casanova’s van de vastgoedfraude, een vrije productie naar het boek van Vasco van der Boon en Gerben van der Marel, net als De Prooi over malversaties en grote ego’s in de financiële wereld, dit keer met Pierre Bokma en Victor Löw in een bijtende, cabareteske show over de verleidingen van het grote geld.

Nederland blijft het land van bewerkingen en nieuwe stukken. Hernemingen van Nederlandse stukken zijn bijzonder. Daarom was het dapper dat Het Toneel Speelt een oeroude traditie nieuw leven inblaast: op 1 januari speelde het gezelschap Gijsbrecht van Amstel in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Sinds de première van het stuk in 1638 is dat een goed gebruik, maar in 1968 vond met het maar ouderwets en werd de traditie afgeschaft. Mark Rietman maakte van de titelrol een memorabele polderpotentaat, als kopman van een ensemble dat Vondels verzen bijna nergens liet dreinen. Met de garantie van speelbeurten in 2013 en 2014 lijkt de traditie goed op weg naar herstel.

Een andere bijzondere herneming was die van Cloaca. Tien jaar geleden was het tragikomische stuk van Maria Goos over een uit elkaar spattende mannenvriendschap een opzienbarend succes. Nu regisseerde Gerardjan Rijnders een nieuwe versie, met een nieuwe generatie acteergozers als Tygo Gernandt en Thijs Römer, die toonden dat het stuk nog weinig van z’n venijn verloren heeft.

In de kleine zaal was er veel aandacht voor het langlopende Mightysociety-project van schrijver en regisseur Eric de Vroedt, dat zijn tiende en laatste voorstelling presenteerde. De serie voorstellingen over ‘brandende actuele thema’s’ werd de afgelopen jaren veelvuldig geprezen, en de lof bereikte zijn hoogtepunten toen De Vroedt deze zomer binnen een week zowel de Amsterdam Prijs voor de kunsten als de Prijs van de Kritiek in ontvangst mocht nemen. Later won hij ook nog de Clara Meijer-Wichmann Penning voor het ‘onder de aandacht brengen van brandende maatschappelijke kwesties waarin mensenrechten en de menselijke waardigheid onder druk staan.

Het laatste deel, Mightysociety10, was overigens een zeer persoonlijke voorstelling, waarin De Vroedt zijn eigen vader op het toneel zette, als het personage Lex, een failliete zakenman die in Indonesië een nieuwe liefde vindt, maar ten onder gaat aan drank en zijn eigen gal. Hein van der Heijden maakte er een memorabele rol van, hard en cynisch het leven met volle teugen nemend, zonder ervan te genieten.

Sowieso was het een goed jaar voor Van der Heijden. Hij won de Louis d’Or, de belangrijkste Nederlandse toneelprijs, voor zijn rollen in Oom Wanja en Vincent en Theo, beide van Hummelinck Stuurman Theaterproducties. De vrouwelijke tegenhanger, de Theo d’Or, ging naar Marlies Heuer voor haar rol in Am Ziel.

Die Am Ziel was nog onderwerp van een aardig akkefietje in de theaterwereld. Heuer speelde haar rol in een kleine voorstelling die de aanstormende regisseur Paul Knieriem maakte bij de Toneelschuur in Haarlem. De jury van Het Nederlands Theaterfestival was zodanig onder de indruk dat ze de voorstelling selecteerde als een van de tien beste van het seizoen voor het festival in september in Amsterdam. Maar in die periode was al een andere uitvoering van dit toneelstuk te zien in het De La Mar Theater, namelijk een versie van Productiehuis Zeelandia, met schrijver Arnon Grunberg in een van de rollen. Er ontstond een in Nederland ongebruikelijk conflict over de opvoeringsrechten van het stuk van Thomas Bernhard uit 1981. De Toneelschuur delfde het onderspit en mocht haar uivoering slechts één keer voor een besloten publiek spelen.

Het is niet nieuw dat theater zich ook vaak buiten de theaters afspeelt, maar de Wijksafari van Adelheid Roosen en haar groep Zina was iets zeer bijzonders: een wandeling door de Amsterdamse achterstandswijk Slotermeer, met in een aantal huizen kleine voorstellingen. Tijdens de tocht verplaatsten de toeschouwers zich deels achterop de scootertjes van hangjongeren. Roosen won er de Prosceniumprijs mee.

Aan het eind van het jaar werd de theaterwereld geschokt door de volstrekt onverwachte dood van acteur Jeroen Willems, die in elkaar zakte tijdens de repetities voor het gala ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van Koninklijk Theater Carré. De buitengewoon veelzijdige acteur had eerder in het jaar nog veel indruk gemaakt met zijn Duitstalige vertolking van de titelrol in Ludwig II, die hij speelde bij de Münchner Kammerspiele. Dat gezelschap, dat onder leiding staat van zijn oude kompaan regisseur Johan Simons, was in maart een week lang te gast in de Stadsschouwburg Amsterdam, een bijzondere kennismaking met het Duitse repertoiregezelschap dat imponeerde met voorstellingen als Gesäubert/Gier/4.48 Psychose (een compilatie van drie stukken van Sarah Kane) en Ruf der Wildnis van de Letse regisseur Alvis Hermanis, waarin zes acteurs samenspelen met evenveel honden.

In het jeugdtheater viel het Amsterdamse gezelschap De Toneelmakerij op, met de marathonvoorstelling Mehmet de Veroveraar. De Toneelmakerij, vier jaar geleden ontstaan uit een fusie van de groepen Wederzijds (van Ad de Bont) en Huis aan de Amstel (van Liesbeth Colthof) en toen nog door het ministerie van OCW opgetuigd als grote jeugdtheatergroep, ziet haar subsidie worden teruggebracht tot een derde van de huidige bijdrage. Mehmet was dan ook een eenmalige uiting van grootschaligheid, een feestelijke en weelderige voorstelling over een jonge Turkse prins. Ad de Bont nam met deze voorstelling afscheid van het jeugdtheater, zijn tekst won de Taalunie Toneelschrijfprijs.

De musical-gebeurtenis van het jaar was Hij gelooft in mij van Joop van den Ende Theaterproducties, over André Hazes. De nieuwe voorstelling, geschreven door Frank Ketelaar en Kees Prins en met muziek van de Amsterdamse smartlappenkoning, was een eclatant succes bij zowel kritiek als toeschouwers, met Martijn Fischer als geloofwaardige Hazes en Chantal Janzen als zijn vrouw Rachel. Ook ouder Amsterdams repertoire maakte een comeback: een nieuwe versie van De Jantjes oogste veel bijval.

In 2012 werden overigens geen John Kraaijkamp Musical Awards uitgereikt. Er was al enige tijd onvrede over de door Joop van den Ende in het leven geroepen prijzen, en musicalproducent Albert Verlinde had zijn medewerking aan de onderscheidingen al in 2011 opgezegd. De organisatie kondigde aan te onderzoeken of de prijzen konden samengaan met de VSCD Toneelprijzen (o.a. de Louis en Theo d’Or), maar aan het eind van het jaar volgde de bekendmaking van een nieuwe jury en een nieuw gala in 2013.

In het cabaret waren het de vertrouwde namen die de dienst uitmaakten. Theo Maassen maakte een programma, Met alle respect, waarin hij opnieuw zijn persoonlijke sores en de nationale crisis virtuoos aan elkaar wist te knopen, tegen het einde van het jaar maakte Freek de Jonge zijn tradionele, hoogwaardige kerstvoorstelling Circus Knibbe en Richard Groenendijk won de cabaretprijs Poelifinario voor zijn show Alle dagen. Opvallend was de prijs Neerlands Hoop voor rapper en knuffelallochtoon Ali B, die zich dus nu cabaret-talent mag noemen.

Maar uiteindelijk kregen de subsidieperikelen de overhand. Tegen het eind van het jaar druppelde het ene na het andere opheffingsbericht binnen. Gezelschappen als het OT in Rotterdam, Keessen&Co uit Arnhem en Carver uit Amsterdam speelden hun laatste voorstellingen, het Huis van Bourgondië in Maastricht, De Engelenbak en het Rozentheater in Amsterdam sloten hun deuren. Daarnaast is er nog een flink aantal groepen dat ondanks het stoppen van hun subsidie (nog) niet aan opheffing denkt, maar die het komende jaar moet gaan bewijzen zich te kunnen handhaven in de nieuwe kunstenwerkelijkheid.

Die onduidelijkheid geldt dubbel voor jonge theatermakers. Wie nu afstudeert aan een theateropleiding kan niet langer gebruik maken van de vele productiehuizen die Nederland tot en met dit jaar telde – waar jonge talenten hun artistieke signatuur kunnen ontwikkelen– en zijn afhankelijk van de grote gezelschappen, die zelf ook met veel minder geld moeten zien rond te komen. Bijna alle instellingen zijn bezig met nieuwe vormen van financiële ondersteuning – van crowdfunding en donateurskringen tot samenwerkingen met maatschappelijke partners – maar voor niemand is dat een afdoende tegenwicht voor de afgenomen subsidiestroom.

Ook het in aanraking brengen met cultuur van de jongste generatie staat door de bezuinigingen onder druk. Het vak CKV (culturele en kunstzinnige vorming) op de middelbare school dreigt te worden afgeschaft, waardoor (onder andere) klassikaal theaterbezoek afhankelijk wordt van het eventuele enthousiasme van de docent. De aangekondigde afschaffing van de cultuurkaart –waarmee leerlingen goedkoop culturele activiteiten kunnen bezoeken– gaat echter niet door; een van de eerste beslissingen van de in november aangetreden minister voor cultuur Jet Bussemaker (PvdA).

Een wel heel wrang verlies is de sluiting van het Theater Instituut Nederland. Verschillende reddingspogingen van het instituut –o.a. een nieuw theatermuseum in de Stopera in Amsterdam– hadden geen effect, de door professionals veelgebruikte bibliotheek moest sluiten en de collectie wordt deels overgenomen door de Universiteit van Amsterdam. Het verleden van het theater staat dus ook wankele benen en de toekomst is vooralsnog niet rooskleurig.

Seizoensoverzicht 2011/2012

beschouwingen,Theatermaker — simber op 15 september 2012 om 22:37 uur
tags:

Waar waren de premières? Het was onder recensenten en andere theaterzaalbewoners een kort moment van schrik. Het was normaal dat januari en februari niet de drukste maanden waren, maar zó weinig nieuwe voorstellingen was wel erg verrassend. Was het een vroeg gevolg van de bezuinigingen? Was dit hoe het theaterlandschap er over een jaar uit zou zien? De oorzaak bleek achteraf iets prozaïscher: alle subsidiënten hadden hun deadlines tussen januari en maart. Alle energie van de theatermakers ging in die maanden niet in voorstellingen zitten, maar in hun beleidsplan.

Het was een merkwaardig tussenjaar voor het theater. De bezuinigingen zijn onderweg en kregen in de loop van het seizoen steeds concreter vorm. Maar ondertussen is er in de subsidiestroom van de meeste gezelschappen nog niets veranderd en kunnen ze nog steeds op dezelfde manier voorstellingen maken als ze altijd al deden. Seizoen 2011/2012 werd er daardoor een van plannen maken en voorbereidingen treffen en artistiek gezien een van stilte voor de storm.

In de grote zaal ontstond er maart een discussie over de spektakelvoorstellingen van Het Zuidelijk Toneel (HZT) en het degelijke burgermanstoneel van De Utrechtse Spelen (DUS). Deze twee gezelschappen kozen al ruim voor de bezuinigingen voor een koers waarin publiekssucces de dominante factor werd. Rain Man (van DUS) werd echter een “nogal brave voorstelling die aan de film niets toevoegt, en nergens boven een vrije productie uitstijgt. Dat is voor een gesubsidieerd gezelschap te weinig”, oordeelde Herien Wensink in NRC.

Tijdens het debat dat de acteursbelangenvereniging ACT organiseerde legde Hein Janssen de vinger op de zere plek bij de voorstelling 1001 Nacht van HZT: “(regisseur) Matthijs Rümke kiest ervoor om aan cabaretier Marc-Marie Huijbregts een hoofdrol te geven, in plaats van aan een goeie acteur die die rol veel mooier zou spelen. Dan kies je dus voor een gegarandeerde publiekstrekker in plaats van een betere voorstelling.” (Rümke ontkende dit overigens krachtig.)

Deze discussie voorafschaduwde opvallend genoeg een van de keuzes van de Raad voor Cultuur, die in mei haar advies gaf over de (flink afgeslankte) basisinfrastructuur. Juist DUS en HZT werden door de Raad aangewezen als middelgrote gezelschappen, wat vooral in het geval van de Brabantse groep een flinke financiële aderlating betekende. Oostpool en het Noord Nederlands Toneel, juist de groepen die zich tegen de klippen op vooral artistiek willen profileren, mogen zich groot gezelschap noemen, met een rijksbijdrage van 2,5 miljoen euro.

Continue reading “Seizoensoverzicht 2011/2012” »

Jaaroverzicht Theater 2011

overig — simber op 31 januari 2012 om 08:08 uur
tags: ,

Een aantal jaar schreef ik het lemma ‘theater’ voor het Spectrum Jaarboek

Het theater werd in 2011 grotendeels overschaduwd door de aangekondigde bezuinigingen op cultuur. Hoewel er mooie voorstellingen werden gemaakt, waren veel theatermakers vooral bezig met actie voeren en plannen maken. Uiteindelijk ging de strijd niet eens zozeer tegen de bezuinigingen an sich, maar tegen de minachtende en destructieve toon die in de politiek gebezigd werd over de kunsten, die –vreest men– schadelijker is dan de 200 miljoen euro die het kabinet wil besparen.

In mei adviseerde de Raad voor Cultuur over de bezuinigingsopdracht van de staatssecretaris. Het advies kwam neer op een evenredige verdeling van de bezuinigingen over alle sectoren (dus ook musea en erfgoed, ook al waren die in het regeerakkoord uitgezonderd) en drong sterk aan op een gefaseerde invoering van de bezuinigingen over een periode van drie jaar. Het was enerzijds een redelijk en goed onderbouwd verhaal, maar anderzijds per se niet waar staatssecretaris Zijlstra van cultuur om had gevraagd.

Begin juni bracht de staatssecretaris zijn eigen plannen naar buiten, waarin hij het raadsadvies voor een belangrijk deel naast zich neerlegde en besloot om grote instellingen overeind te houden en te schrappen in de humuslaag van kleine en middelgrote theatergezelschappen, muziekensembles en festivals. De grootste gezelschappen, zoals De Nederlandse Opera, het Nationale Ballet of Het Nationale Toneel komen grotendeels ongeschonden uit de strijd, de klap komt vooral terecht bij de vele kleine gezelschappen. De productiehuizen, zoals Frascati in Amsterdam of de Toneelschuur in Haarlem – typisch Nederlandse instellingen waar jonge regisseurs en spelers worden begeleid bij hun eerste voorstellingen, worden als het aan het rijk ligt helemaal opgeheven.

Nu de Raad voor Cultuur zo gepasseerd werd kon voorzitter Els Swaab niets anders doen dan opstappen. “De nieuwe politiek heeft geen respect voor de dialoog. De botte meerderheid beslist”, zei ze daarover in een interview met de Volkskrant. In november werd ze opgevolgd door Oud-omroepbaas Joop Daalmeijer.

Na het uitkomen van de plannen van Zijlstra in juni kwam de kunstwereld in actie. Het voornaamste protest was de door jonge theatermakers georganiseerde Mars der Beschaving, die werd ingeleid op Oerol en waarbij enkele dagen later duizenden kunstenaars ’s nachts van Rotterdam naar Den Haag liepen. Hoewel de acties veel publiciteit genereerden, haalden de kunstenaars geen poltiek resultaat. Integendeel: in het najaar werd bekend dat ook een groot deel van de gemeenten en provincies, op zoek naar sluitende begrotingen, het mes zetten in de ondersteuning van cultuur.

Tegelijk met de acties werd er ook vooruit gekeken. Verschillende initiatieven waren op zoek naar oplossingen voor de legitimatiecrisis in de kunsten, zoals bijvoorbeeld Koers Kunst, een nationale brainstorm voor innovatief cultuurbeleid, waarin experts binnen en buiten de kunstsector hun beste ideeën lanceerden. Opvallend vaak kwam daarin de aanbeveling naar voren om buiten de muren van de kunst te kijken naar nieuwe kansen om het publiek te betrekken

Dit sloot naadloos aan bij een beweging die in het theater al te zien was. In Rotterdam werkte de schouwburg samen met het universitair Erasmusziekenhuis in een theatraal seminar Rotterdam Health and Happiness; in verschillende Brabantse steden vond het project Sketch plaats, van het Zuidelijk Toneel en Stichting Nieuwe Helden, waarin theatermakers, ontwerpers en architecten in een papieren bouwwerk op een centraal plein het publiek verleidden na te denken over hun wensen voor de stad; en vond op 4 mei in Amsterdam voor de tweede keer Theater na de Dam plaats, een programma met voorstellingen over de Tweede Wereldoorlog, direct na Dodenherdenking in de theaters rond de Dam.

Hierbij sluit de opvallende trend van het zelfhulptoneel aan: voorstellingen als Ontboezemingen (over borstkanker), De Hormonologen (over de overgang) en Darm Dialogen (over darmziektes). Voorstellingen voor een heel specifieke doelgroep, waarin het taboe op een ziekte wordt doorbroken, patiënten en hun familie een hart onder de riem gestoken krijgen en drama en grimmige humor elkaar afwisselen, in een interessante combinatie van De Vagina Monologen en Cliniclowns. Met name de Darm Dialogen waren een pionier op de kruising van kunst en zorg: het stuk werd geschreven in opdracht van de Maag Lever Darm Stichting en maakte een tournee langs ziekenhuizen.

De legitimatiecrisis bij de kunstsubsidies leek ook direct z’n weerslag te hebben in de zalen: het gaat slecht met de bezoekersaantallen. Voor een deel is dit direct te wijten aan de verhoging van de BTW op theaterkaartjes die op 1 juli in ging, maar ook consumenten geven minder uit aan cultuur en uitgaan vanwege de crisis. Maar ook de negatieve beeldvorming rondom de kunsten zal een rol spelen.

Die financiële problemen kwamen pijnlijk aan het licht toen in oktober musicalproducent Mark Vijn failliet ging, iets meer dan een week na de première van zijn voorstelling De Producers. Die voorstelling, een scherpe Amerikaanse satire op het musicalbedrijf met harde grappen over Hitler en de holocaust, kreeg zeer positieve recensies, maar het publiek bleef weg. Een dergelijke risicovolle productie had het wellicht nog net gered in hoogconjunctuur, maar 2011 was er niet het jaar voor.

Dan had V&V Entertainment (dat na de overstap van topman Roel Vente naar Joop van den Ende’s Stage Entertainment in augustus 2011 verder ging als Albert Verlinde Entertainment) meer succes. Het bedrijf maakte nieuwe musicals over Boney M (Daddy Cool) en Ramses Shaffy. Ramses, met Hans Hoes en Willem Spaaij tegenover elkaar als de oude alcoholische chansonnier en jonge flamboyante verleider, werd goed ontvangen.

De overige musicalproducenten brachten weinig nieuw werk, maar vertrouwden op bewezen successen en sprookjes, zoals Wicked, Zorro en Miss Saigon (alle van Stage Entertainment) en Jungle Book (FanWork). Ook het succes van de shows van André van Duin in 2011 moet in dit licht worden gezien.

Na een jaar vol met politiek geëngageerd cabaret in 2010 leek het publiek in 2011 vooral vermaak te willen. Erik van Muiswinkel maakte het mild spottende programma 4-8-’61 over de geboortedatum die de cabaretier deelt met Barrack Obama en Hans Sibbel won de Poelifinario voor het beste cabaretprogramma voor zijn show Branding (pimped). De kleinkunstenaars lijken hun hang naar actualiteit allemaal bewaard te hebben tot het einde van het jaar: het aantal oudejaarsconferences loopt de spuigaten uit, met shows van oudgedienden als Youp van ’t Hek en Freek de Jonge tot historicus Maarten van Rossem, theatermaakster Laura van Dolron en televisiepersoonlijkheid Beau van Erven Dorens.

In het gesubsidieerde toneel was het belangrijkste nieuwsfeit het aantreden van Theu Boermans als de nieuwe artistiek leider van het Nationale Toneel in Den Haag. In september liet hij de nieuwe era van start gaan met een kennismakingsfestival met reprises van eigen producties, waaronder de legendarische voorstelling De Presidentes met dezelfde drie actrices als in 1993: Marisa van Eyle, Myranda Jongeling en Anneke Blok. In november maakte hij de hooggespannen verwachtingen waar met zijn eerste grote voorstelling, het feestelijke en fantasierijke Midzomernachtsdroom. Na een relatief zwakke periode onder Johan Doesburg lijkt het Nationale Toneel klaar te staan om de artistieke concurrentie met Ivo van Hoves Toneelgroep Amsterdam aan te knopen.

Bij Toneelgroep Amsterdam vielen vooral de gastregisseurs op. De hooggeprezen Berlijnse regisseur Thomas Ostermeier maakte een stijlvolle en onderkoelde Spoken van Ibsen, en de Vlaamse, maar reeds lang in Duitsland werkende regisseur Luk Perceval zette een sombere bewerking van de Zuidafrikaanse roman In Ongenade van J.M. Coetzee op het toneel, met een lucide Gijs Scholten van Aschat in dwalend in een decor van zwarte etalagepoppen. Artistiek leider Ivo van Hove regisseerde in het Holland Festival de grootschalige marathonvoorstelling De Russen!, waarin schrijver Tom Lanoye Tsjechovs stukken Ivanov en Platonov door elkaar weefde, maar haalde daarmee bij lange na niet zijn oude niveau en hij verslikte zich danig in De Vrek van Molière (waarmee hoofdrolspeler Hans Kesting zijn 25-jarig toneeljubileum vierde) die grappig noch tragisch werd.

Buiten de Randstad lijken de grotere gezelschappen, zoals het Zuidelijk Toneel, De Utrechtse Spelen en het Noord Nederlands Toneel, hun artistieke kwaliteit meer en meer in de waagschaal te leggen, in een poging te voldoen aan de vele opdrachten vanuit de hun subsidiërende overheden die grotere toegankelijkheid, meer inbedding in de regio, talentontwikkeling en samenwerking wensen. Het theater in de provincie dreigt daadwerkelijk provinciaal te worden. De enige groep die zich daaraan vooralsnog onttrekt is Oostpool uit Arnhem, maar hun mooiste voorstelling, Till the fat lady sings, een tekst naar J.D. Salinger, speelde niet in de schouwburgen, maar in de kleine zalen.

En zo werd in de tweede helft van 2011 pijnlijk duidelijk dat het beste toneel dat in Nederland in de grote zalen te zien is (en dan nog maar mondjesmaat) afkomstig is uit België. De jonge Vlaamse honden van FC Bergman verbijsterden het Amsterdamse publiek met hun megalomane decor voor 300 el x 50 el x 30 el, waarin een levensecht bos, meerdere duiven, een filmcrew, een dood schaap en eindeloos veel figuranten meebouwden aan scènes over het verhaal van Noach en de Zondvloed. Regisseur Guy Cassiers werkt met zijn Antwerpse groep Het Toneelhuis gestaag verder aan zijn even weergaloze als apocalyptische serie voorstellingen naar het boek De Man zonder Eigenschappen van Musil.

In die kleine zalen viel de trend van egodocumentair theater op. Het wemelde dit jaar van de solovoorstellingen waarin makers van in de twintig of dertig zelf op het toneel stonden en op ongedwongen wijze het publiek zijn of haar verhaal vertelden. Nasrdin Dchar vertelde in Oumi hoe een toneelrol hem ongewild in een identiteitscrisis stortte; Marjolijn van Heemstra vertelde in Family ’81 hoe ze in India, Zuid Afrika en Frankrijk op bezoek ging bij drie mensen met dezelfde geboortedatum als zijzelf; Sadettin Kirmiziyüz vertelde in De vader, de zoon en het heilige feest hoe hij met zijn vader op Hadj ging naar Mekka; Sanne Vogel vertelde in Document over het borstkankergen dat in haar familie woedt. Kortom, het was een heuse trend.

Je zou het ‘Facebook-theater’ kunnen noemen, omdat de makers dezelfde bestudeerde openhartigheid hanteren als gebruikers van het sociale netwerk. Ze geven veel van zichzelf bloot, soms inclusief vakantie- of jeugdfoto’s, en hun ouders en opvoeding komen expliciet aan de orde. Vorig jaar speelde Ilay den Boer al een voorstelling samen met zijn vader, dit jaar werden de ouders van Joris Smit, Jetse Batelaan en van de hele Duitse groep She She Pop het toneel op gesleept.

De mooiste toneelrollen van het seizoen, die jaarlijks worden beloond op het prijzengala in september bleken al vorig jaar te zijn gespeeld: Jacob Derwig won voor zijn even hilarische als hartverscheurende rol in Kinderen van de Zon van Toneelgroep Amsterdam de Louis d’Or, Elsie de Brauw kreeg de Theo d’Or voor haar rol van moeder van een dood kind in Gif van NT Gent. De voorstelling Doek!, een komedie over twee acteurs van Maria Goos won de Toneel Publieksprijs.

Aan het eind van het jaar werken alle theatergroepen aan hun subsidieaanvragen. Halverwege 2012 zal duidelijk worden welke minderheid van groepen nog op ondersteuning kan rekenen. Achter de schermen wordt driftig gelobbyd, worden kongsi’s gesloten en fusies aangegaan. Het jaar 2011 ging duidelijk niet over de kunst, maar over overleven. De resultaten van de subsidiekortingen, de zoektocht naar nieuwe richtingen en nieuwe samenwerkingsverbanden zullen pas vanaf 2013 duidelijk worden, maar vast staat dat het theaterlandschap vanaf volgend jaar fundamenteel zal veranderen.

Het seizoen van de 200 miljoen; seizoensoverzicht 2010/2011

beschouwingen,Theatermaker — simber op 28 september 2011 om 09:21 uur
tags:

Het getal begon aan het eind van de zomer van vorig jaar al te gonzen: 200 miljoen. Dat zou het mooie ronde cijfer van de kunstbezuinigingen worden. En nadat op 30 september de kersverse premier Rutte zijn regeer- en gedoogakkoord presenteerde werd het ook het cijfer dat het hele seizoen 2010/2011 zou domineren.

Maar de cultuurkorting, hoe enorm ook en hoe keurig ook verpakt in een algemene bezuinigingsmantra, waren slechts de buitenkant. Achter de cijfers gaat een dieperliggend probleem schuil: een algehele legitimatiecrisis van de kunstsubsidies. Zelden zal er in een seizoen meer zijn geschreven over nut en wenselijkheid van overheidssteun voor cultuur, met als vaste ingrediënten de emotioneel moralistische verdediging van de kunstsector, de glibberige ratio van haar tegenstanders en het haatdragende en geborneerde reaguursels op internet.

Maar hoe zit dat met de kunstenaars zelf? Wat hadden die aan de discussie bij te dragen behalve verhitte postjes op Facebook of meer of minder doordachte opiniepagina-artikelen? Zou het kunnen dat theatermakers in hun eigen werk reflecteerden op de maatschappelijke deining en misschien zelfs de functie van kunst overdachten?
Het antwoord is vanzelfsprekend ja.

Het was opvallend hoe enorm veel kunstenaars er op het toneel te zien waren en dan bedoel ik niet de acteurs, maar als personage. Ik zag (semi-)biografische voorstellingen over de dichter Boris Rhyzy (het fantastische Poëten en Bandieten van De Warme Winkel), over filmmaakster Leni Riefenstahl (Amazones van Gerardjan Rijnders bij het Ro Theater), over de beeldend kunstenaars Basquiat en Warhol (Basquiat en Warhol van De Nieuw Amsterdam), over dichter Jan Arends (Pocoloco van de Tijdelijke Samenscholing) en over muzikant Fela Kuti (de musical Fela! in het Holland Festival).

Continue reading “Het seizoen van de 200 miljoen; seizoensoverzicht 2010/2011” »

Jaaroverzicht theater 2010

overig — simber op 31 maart 2011 om 08:00 uur
tags: ,

Een aantal jaar schreef ik het lemma ‘theater’ voor het Spectrum Jaarboek

Het theater in 2010 hield zich bezig met de politiek en de politiek met het theater. Expliciet maatschappelijk engagement is al enige jaren in de mode, maar in 2010 leek het de norm. Een geliefd onderwerp was de kredietcrisis die het publiek kon bekijken vanuit het perspectief van de daders, zoals de zwendelende verkopers van waardeloos vastgoed in Glengarry Glen Ross, door regisseur Eric de Vroedt bij Toneelgroep Amsterdam neergezet als snelle, eigentijdse komedie, of in Eerst de bonus, dan de moraal van theatergroep Klein Land, een beeldende locatievoorstelling op het Over het IJ Festival in Amsterdam Noord, waarin verstilde mannen in pakken door hun overbodig gemaakte kantoor dolen.

Ook de slachtoffers kwamen aan bod. In Interest van toneelschrijver Rob de Graaf door theatergroep Keesen & Co zien we de middenklassetragiek van een vaderloos gezin, waarin de nieuwe vriend van de moeder het familievermogen verkwist aan een hachelijk dotcom-avontuur. Van de brug af gezien van Arthur Miller uit 1956, waarin geïmmigreerde havenarbeiders vermorzeld worden door de druk van buiten, werd door regisseur Erik Whien bij Toneelgroep Oostpool licht geabstraheerd en daardoor moeiteloos in het heden geplaatst.

Een opvallende aanvulling op het crisistoneel was de voorstelling Underground van NT Gent: regisseur Johan Simons regisseerde de met name in Duitsland zeer hoog geachte toneeltekst Die Kontrakte des Kaufmanns van Elfriede Jelinek, een woedende klaagzang zonder individuele personages. Jelinek laat ‘de kleine beleggers’, ‘de bankiers’ en zelfs het geld zelf het publiek toespreken. De recensies over Underground waren vrij negatief, maar de heftigheid van Jelineks teksten heeft een niet te onderschatten impakt op het debat.

Ook de jongere regiseusse Susanne Kennedy ensceneerde bij Het Nationale Toneel een tekst van Jelinek: Over Dieren, waarin ze het hedendaagse vrouwbeeld bestookt. Jelinek gebruikt teksten van afluistertapes van een Oostenrijks escortbedrijf, waarbij de onderhandelingen over seksuele diensten worden gevoerd als waren het catalogusproducten. Kennedy was een van de meest opvallende makers van het seizoen. Als jonge regisseur maakte ze bij Het Nationale Toneel drie opvallende voorstellingen (naast Over dieren ook The new electric ballroom en Emilia Galotti) en won ze in september de Erik Vos Prijs voor aanstormend regietalent.

Johan Simons begon dit jaar aan zijn intendantschap bij de Münchner Kammerspiele in Duitsland. Hij is de eerste Nederlander die een dergelijke functie uitoefent en een aantal Nederlandse en Vlaamse acteurs gingen met hem mee naar München, zoals Benny Claessens en Katja Herbers. Ook Pierre Bokma en Elsie de Brauw spelen gastrollen. Kennedy is een van de regisseurs die hij uitnodigde voor een gastregie bij het gezelschap, evenals het jonge talent Julie Van den Berghe, die dit jaar de Ton Lutz Prijs won voor de beste afstuderende regisseur. Simons’ eerste voorstelling als intendant, de Joseph Roth-bewerking Hotel Savoy, werd met enthousiasme onthaald in de Duitse pers.

De keuze van het Nederlands Theaterfestival, de jaarlijkse selectie van hoogtepunten uit het theaterseizoen, reflecteerde de hausse aan maatschappelijk betrokken theater: naast Over dieren, Underground en Van de brug af selecteerde de jury onder leiding van Adelheid Roosen Hannah en Martin van Mugmetdegoudentand (uit 2009; het Theaterfestival gaat over een seizoen), 11 Minuten van het Noord Nederlands Toneel (gebaseerd op het boek van Paulo Coelho en interviews met prostituees) en Woeste hoogten, rusteloze zielen, een ontroerende jongerenvoorstelling van het Nederlandse Artemis en het Vlaamse Antigone, met een gloedvolle hoofdrol van Alejandra Theus als Cathy.

Opvallende keuzes waren A l’attente du Livre d’Or, een losjes swingende voorstelling over Afrika en Europa, ontstaan uit een samenwerking tussen Vlaamse en Congolese acteurs en Dit is mijn vader van Ilay den Boer. Den Boer is een jonge theatermaker die onder de titel Het beloofde feest in een serie van zes voorstellingen zijn eigen joodse identiteit onderzoekt, aan de hand van zijn eigen familieleden. In Dit is mijn vader staat hij met zijn eigen vader Gert den Boer op het toneel en gaat hij met hem de confrontatie aan over de angst voor het antisemitisme in Nederland.

Maar volgens velen de mooiste voorstelling van 2010 was Branden van het Ro Theater. De Libanees-Canadese schrijver Wajdi Mouawad schreef een stuk over een westerse broer en zus die op zoek naar de geheimen van hun overleden moeder in een door burgeroorlog verscheurd land terechtkomen. Alize Zandwijk voerde een even heftige als poëtische regie, met kinderlijke schaduwspelen en realistische automatische geweren. De voorstelling ontleende haar specifieke authenticiteit met name aan de bijzonder multiculturele spelersgroep, met onder anderen de Liberiaanse Bright Richards, de Russische Oleg Fateev en de Iraanse Mahnaz Morrowatian, aangevoerd door de zeer geprezen Vlaamse actrice Fania Sorel als de moeder, die voor haar rol werd genomineerd voor een Theo d’Or, de prijs voor de beste vrouwelijke hoofdrol van het seizoen.

De Theo d’Or werd echter gewonnen door Maria Kraakman, voor de titelrol in Orlando van Toneelgroep Oostpool, het boek van Virginia Woolf over Orlando die zo’n driehonderd jaar leeft en van een man in een vrouw verandert. De jury prees haar ‘indringende en zeer fysieke aanwezigheid, en haar weergaloze timing, die de gecompliceerde tekst invoelbaar en transparant maakt.’ De Louis d’Or werd gewonnen door Kees Hulst voor zijn rol in de bewerking van Arnon Grunbergs Tirza bij Het Nationale Toneel in de regie van Johan Doesburg.

In maart zag een nieuwe toneelprijs het licht. Ter gelegenheid van haar vijftigjarig toneeljubileum kreeg Kitty Courbois een naar haar genoemde prijs uitgereikt: de Courboisparel. Het is een zogenaamde doorgeefprijs: de houdster kiest zelf welke actrice de volgende draagster is. Er bestond nog een dergelijke prijs: de Theo Mann-Bouwmeesterring, en die werd dit jaar doorgegeven. Anne-Wil Blankers gaf de ring in november na zestien jaar door aan Ariane Schluter.

Zoals uit de acteerprijzen blijkt zijn boekbewerkingen nog altijd populair op het toneel. Vooral theaterversies van Nederlandse literaire klassiekers trekken bovengemiddeld veel publiek. In 2010 waren naast Tirza ook Karakter (met Waldemar Torenstra en Joost Prinsen), Heren van de thee en De Avonden (met Thomas Cammaert als Frits van Egters) te zien, maar ook lichtere kost als Zadelpijn en ander Damesleed heeft succes. Begin 2011 volgt de toneelbewerking van De Aanslag. Ook filmbewerkingen zijn nog in trek, zoals Oog in oog met Victor Löw en Linda van Dyck, naar de film Dead man walking, dat de Toneel Publieksprijs won.

De grootste theaterhit was echter klassiek toneelrepertoire, zij het in een bijzondere setting: in Richard III van Orkater werd Shakespeare’s klassieker aangevuld met de liedjes van Tom Waits. De op papier gewaagde combinatie pakte verrassend goed uit en met een lepe Gijs Scholten van Aschat in de titelrol en live muziek van theaterband The Sadists leverde het een rauwe crowdpleaser op. Door de exclusieve programmering – de voorstelling speelde een maand lang uitsluitend in de Stadsschouwburg Amsterdam – kon ook worden geëxperimenteerd met dynamische toegangsprijzen, die in de loop van de verkoopperiode stegen.

Richard III was de laatste voorstelling voordat Scholten van Aschat toetrad tot het ensemble van Toneelgroep Amsterdam. Na de successen van een aantal jaar geleden (Opening night, Romeinse tragedies, Angels in America) leek het gezelschap in een zoekende periode beland. Ook in 2010 bracht het gezelschap goed gemaakte maar weinig opzienbarende voorstellingen als Zomertrilogie (met een uitmuntende komedierol van Karina Smulders), de filmbewerking La Grande Bouffe (met een ‘beeldconcept’ van kunstcritica en curator Anna Tilroe) en Phaedra van de Poolse gastregisseur Grzegorz Jarzyna en met Chris Nietvelt in de titelrol. Toneelgroep Amsterdam werd niet geselecteerd voor het Theaterfestival en ook bij de nominaties voor de acteursprijzen werd het gezelschap gepasseerd. Pas aan het eind van het jaar toonde Ivo van Hove weer eens zijn oude vorm met de voorstelling Kinderen van de zon, naar Maksim Gorki, waarin het verhaal over beuzelende intellectuelen omringd door armoede en cholera akelige actuele parallelen meekreeg.

Bij de musicals ging het er heel wat lichtvoetiger toe. In het najaar gingen verschillende nieuwe Nederlandse producties in première die grossieren in nostalgisch vertier. De zeer hoog geprezen Joop van den Ende-productie Petticoat haalt de jaren vijftig terug, met een origineel script van André Breedland over een meisje dat het wil maken in de grote stad en charmante pastiches op showbizliedjes van Henny Vrienten en met hoofrolspeelster Chantal Janzen als stralend middelpunt. Van een iets steviger kaliber was de musicalversie van Soldaat van Oranje, die voor onbepaalde tijd te zien is op de voormalige luchtmachtbasis Valkenburg bij Leiden. De voorstelling, geschreven door Edwin de Vries, met muziek van Tom Harriman en geregisseerd door Theu Boermans, trok vooral de aandacht door de spectaculaire en vernieuwende decors en techniek, met een bewegende publiekstribune, schuifwanden die vloeiende scèneovergangen mogelijk maken, projecties en een echt vliegtuig.

In het cabaret vielen twee programma’s op met een persoonlijke insteek en een blik over de generaties heen. Claudia de Breij plaatste haar programma Hete Vrede vijftig jaar in de toekomst en probeerde in een gesprek tussen haar imaginaire kleinkind en haar bejaarde zelf te reflecteren op het huidige tijdsgewricht. Ze won er de Poelifinario mee, de prijs voor het beste cabaretprogramma van het seizoen. In de herfst volgde het programma Daar werd wat groots verricht van Diederik van Vleuten, die na het uiteenvallen van het duo Muiswinkel & Van Vleuten solo verdergaat. Daar werd wat groots verricht is een combinatie van geschiedenisles en persoonlijke familieverhaal over Van Vleuten’s oom, die lang in Nederlands Indië woonde en werkte. De Neerlands Hoop, de prijs voor het meest veel belovende cabaret talent, werd in september gewonnen door de door taal geobsedeerde absurdiste Paulien Cornelisse.

Musical, toneel en cabaret kregen er in november een bijzondere nieuwe schouwburg bij: het nieuwe De La Mar Theater in Amsterdam. Het nieuwe gebouw, op de plek van het Nieuwe De La Mar Theater en de bioscoop Bellevue Cinerama aan de Marnixstraat heeft twee zalen (900 en 600 stoelen), een grand café en diverse foyers. Joop van den Ende en zijn vrouw Janine betaalden de benodigde 60 miljoen uit eigen middelen en dragen ook minstens tien jaar bij aan de exploitatie van het nieuwe theater. Janine verzorgde ook de opmerkelijke fototentoonstelling in het gebouw, waarvoor ze fotografen als Erwin Olaf, Viviane Sassen en Koos Breukel een speciale opdracht gaf. Met hun vrijgevigheid plaatsten de Van den Ende’s zich midden in de discussie over kunstmecenaat, die in het najaar zijn hoogtepunt bereikte.

Over een groot deel van het jaar hing voor de gesubsidieerde kunsten al de slagschaduw van de verkiezingswinst van VVD en PVV, twee partijen die al in een vroeg stadium aankondigden te willen bezuinigen op kunstsubsidies. De kunsten leken zelfs even een verkiezingsitem te worden, nadat zowel RTL Nieuws als Nova in het voorjaar uitgebreid berichtten over de gemeentelijke uitgaven aan kunst en cultuur en over een opiniepeiling waaruit bleek dat cultuur een van de meest genoemde potentiële bezuinigingsposten was.

De bezuiniging van 200 miljoen euro die de verse regering begin oktober aankondigde kwam daarom niet als een heel grote verrassing. Wel verrassend was de per 1 januari 2011 geplande verhoging van de BTW op kaartjes voor theatervoorstellingen, concerten en aankopen van beeldende kunst. Met nog een aantal andere maatregelen dreigt binnen de gesubsidieerde podiumkunsten een korting van ongeveer een kwart van het totale rijksbudget. De kunstwereld kwam al snel met acties, bestaande uit optredens, discussies, flash-mobs en demonstraties, uitmondend in de manifestatie Schreeuw om Cultuur op 27 november en de door Freek en Hella de Jonge georganiseerde televisieuitzending Leve de Beschaving twee dagen later.

Ook ongesubsidieerde producenten, podia en concertorganisatoren sloten zich aan als gedupeerden van de BTW-verhoging en veel festivals, o.a. Lowlands, deden goede zaken door de voorverkoop te vervroegen om zo het hogere BTW-tarief te vermijden. Ondanks deze grote aanhang en diverse prominenten als Joop van den Ende, Frits Bolkestein en Bernard Haitink die zich uitspraken tegen de bezuinigingen, kon de cultuursector aan het eind van het jaar pas na schermutselingen in de Eerste Kamer een minieme concessie van het kabinet loskrijgen: de BTW-verhoging werd een half jaar uitgesteld.

Seizoensoverzicht 2009/2010

Artistiek zelfonderzoek is uit, maatschappelijke betrokkenheid is in. Toneel ging het afgelopen seizoen over nu en verklankte de stemmen van internationale auteurs van vandaag. Dertigers staan niet langer als jong en aanstormend aan de kant, maar eisen hun plek op en met succes. Jammer dat de relevantie van kunst juist nu zo zwaar wordt betwist door burger en politiek.

Het is niet specifiek voor afgelopen seizoen, maar wel een onmiskenbare ontwikkeling van de afgelopen jaren: expliciet geëngageerd theater is ín. Alweer vijf jaar geleden riep theatermaker Eric de Vroedt op tot ‘nieuw geëngageerd toneel’ en werd Ivo van Hove door Johan Simons berispt omdat je volgens hem in een tijd van geweld en terrorisme geen huwelijkskomedie van Ayckbourn kon spelen.

Dat hebben ze geweten. Anno 2010 trok de hele wereld op het schouwtoneel voorbij. Van burgeroorlog (Branden) tot duurzaamheid (Schwalbe speelt op eigen kracht) en van misdaadverslaggever Peter R. de Vries (Rashomon Effect) tot meisjesmoordverdachte Joran van der Sloot (Met Joran aan zee). Het theater was als een iets artistieker en soms meer intellectuele versie van de babbelprogramma’s op televisie waar het dagelijks nieuws voorbijtrekt en van commentaar wordt voorzien. Familiedrama’s in de huiskamer kom je op het toneel eigenlijk bijna niet meer tegen.

Continue reading “Seizoensoverzicht 2009/2010” »

Seizoensoverzicht 2008/2009

Met de enorme stelselherziening in het theaterveld achter de rug kunnen we weer nadenken over de kunst, zou je denken. Maar zo simpel ligt dat niet. Het afgelopen seizoen boden de grote gezelschappen weinig avontuur en neigden de vlakke vloeren opvallend naar non-fictief documentairetheater.

In seizoen 2008-2009 werden de laatste slagen gemaakt van de grote beleidshervorming in het theaterveld. Op 1 januari 2009 trad de Basisinfrastructuur in werking: acht gezelschappen verspreid over het land moeten het kwaliteitstheater waarborgen, productiehuizen verzorgen de ontwikkeling van nieuw talent en de rest van de groepen werd ondergebracht bij het nieuwe Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+ (NFPK).

De meeste regiogezelschappen in de Basisinfrastructuur hebben een nieuwe artistiek leider, die nog maar een half seizoen aan de weg timmert. Ola Mafaalani lijkt in Groningen haar zaken het snelst op orde te hebben. Ze regisseerde zelf een goed ontvangen Medea en de ‘country-musical’ Heelhuids en halsoverkop van Ko van den Bosch werd geselecteerd voor het Nederlands Theaterfestival TF-1. In Arnhem ging de artistieke kern ‘over nul’, wat betekende dat met het aantreden van Rob Klinkenberg als intendant en Erik Whien en Marcus Azzini als regisseurs alle artistieke uitgangspunten opnieuw werden geformuleerd. Vooralsnog leverde het een aantal halfgeslaagde producties op, waaruit vooral duidelijk werd dat de regisseurs en het nieuwe, jonge spelersensemble nog hard op zoek zijn naar een nieuwe invulling van het begrip ‘groot gezelschap’.
Continue reading “Seizoensoverzicht 2008/2009” »

Seizoensoverzicht 2007/2008

Voor het TM/TIN nummer (voorheen Theaterjaarboek), september 2008

Was Maria Goos nou zó onredelijk? “Een wereldpremière van een nog nooit eerder gespeeld stuk, geschikt voor de grote zaal. (…) Dat zijn allemaal objectieve waarheden die naar mijn smaak maar wat al te snel als vanzelfsprekend worden aangenomen” schreef ze in maart dit jaar in een reactie op de recensies over De Familie Avenier op de website van recensent Wijbrand Schaap.

Maar nieuwe stukken voor de grote zaal zijn veel vanzelfsprekender dan Goos wellicht denkt. Ze is de norm, niet de uitzondering. Alleen al bij de Toneel Publieksprijs moet Avenier dit seizoen concurreren met drie andere succesvolle nieuwe teksten voor de grote zaal (Wuivend Graan van Wim T. Schippers, De Goede Dood van Wannie de Wijn en Bloedband van Geert Lageveen een Leopold Witte). Wie echt graag wil, kan in een seizoen eens in de twee weken naar de première van een nieuw stuk in de grote zaal.

Continue reading “Seizoensoverzicht 2007/2008” »

Volgende pagina »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2018 Simber | powered by WordPress with Barecity