Recensie: ‘De Arabier van Amsterdam’ van DNA

De Koopman van Venetië is tegenwoordig het lastigste stuk van Shakespeare. Ja, het verhaal is goed -liefdesgeschiedenis en zakendeals monden uit in rechtbankdrama- maar er is een probleem. De bad guy, een van de naarste figuren in Shakespeare’s oeuvre, is een jood. En niet zomaar een: alle antisemitische clichés over geld- en machtsbeluste, gierige, woekerende en hardvochtige joden worden in het personage Shylock samengebald. Wat te doen?

Ola Mafaalani maakte een paar jaar geleden een versie waarin het jood zijn van Shylock geheel was weggeretoucheerd maar schrijver en columnist Justus van Oel kiest in zijn nieuwe stuk voor De Nieuw Amsterdam voor een confronterende aanpak.

In De Arabier van Amsterdam verplaatste hij het verhaal naar Amsterdam, waar de Arabische jood Rafi, gespeeld door Sabri Saad El Hamus, een falafel-imperium heeft opgebouwd. Verder comprimeerde Van Oel de vele subplots tot de verhoudingen tussen vijf acteurs, gebruikt hij citaten uit Shakespeare’s sonnetten en het vermeend antisemitische Het vuil, de stad en de dood van Fassbinder en voert hij tenslotte Shakespeare zelf als personage ten tonele om hem door Rafi hem eens flink de mantel te laten uitvegen.

Rafi kent zijn klassiekers en als zijn hufterige Hollandse buurman (Hein van der Heijden) hem om een lening komt vragen voor zijn vriend eist hij net als Shylock als onderpand een pond vlees. Als hij niet betaald mag Rafi het uit zijn lichaam snijden. Het is een interessant gegeven en de voorstelling drijft op de suspense: bij Shakespeare wordt Shylock met een juridische truc vernederd en raakt hij uiteindelijk alles kwijt. Zal Rafi met deze voorkennis het er beter vanaf brengen?

Maar hoe prikkelend het idee ook is, de voorstelling gaat maar niet leven. Misschien ligt het aan Van Oel’s taal, die af en toe iets te hoogdravend poëtisch is. Maar ook de statische enscenering werkt niet mee. Regisseur Aram Adriaanse schiep een naargeestige sfeer met aan drie zijden van het toneel bouwsteigers en acteurs in zwarte kleding met veel leer. Het benadrukt hoe bijzonder onaangenaam alle personages eigenlijk zijn, maar de eenduidigheid is ook saai.

Het ligt in elk geval niet aan de acteurs. Van der Heijden en Saad El Hamus zijn lekker villein, maar de uitblinker is Mirjam Stolwijk. In een dubbelrol als de aanbeden hooghartige Portia en als de Bard zelf brengt zij op de juiste momenten lichtheid en scherpte in een verder nogal vlakke voorstelling.

De Arabier van Amsterdam van DNA. Gezien 18/10/07 in het Compagnietheater. Aldaar t/m 27/10, tournee t/m 22/12. Meer info op www.denieuwamsterdam.nl

Recensie: Maria Stuart van Het Nationale Toneel

Het is een Haags onderonsje de komende drie weken in Het Compagnietheater. Het Nationale Toneel vroeg Erik Vos, de inmiddels 77-jarige oprichter van het andere Haagse gezelschap, De Appel, voor de regie van Maria Stuart van Friedrich Schiller. Van zo’n combinatie moet je geen hemelbestormend toneel verwachten, maar juist omdat deze voorstelling in al zijn degelijkheid zo goed wordt uitgevoerd -een klassiek stuk zonder veel franje gespeeld door uitstekende acteurs- levert het een zeer aangename toneelavond op.

Maria Stuart is de katholieke koningin van Schotland die door de protestantse koningin Elisabeth I van Engeland gevangen is gezet op verdenking van samenzwering tegen de kroon en het bekokstoven van een moordaanslag op de vorstin. Hoewel er naast deze twee nog andere personages zijn, gaat het stuk volledig over de strijd tussen de twee koninginnen. In andere uitvoeringen worden ze vaak als tegenpolen neergezet -Elisabeth als de oude, ongetrouwde machtspolitica, Maria als jonge, mooie rebel-, maar Vos lijkt vooral de overeenkomsten tussen de twee te willen benadrukken.

Beiden zijn boos en angstig, maar proberen tegen de ander een schild op te bouwen. Elisabeth dat van fiere majesteit, Maria van verbeten zelfrechtvaardiging. Will van Kralingen speelt Elisabeth juist niet kuis, maar als een tikkeltje vermoeide majesteit, even seksueel als Maria. Mirjam Stolwijk speelt Maria op haar beurt als gekooid dier, krachtig en expressief, maar met nogal overdreven mimiek. De koninginnen dragen rood en wit, terwijl de andere acteurs theatrale kostuums in gedekte, donkere tinten dragen.

Het decor bestaat uit diagonale lijnen in grijs op het achterdoek en op de naar achter oplopende vloer met draaischijf, waarop de acteurs in iedere scène nieuwe constellaties van houten stoelen neerzetten. Af en toe biedt dat een mooi plaatje, maar meestal leidt het af. De acteurs zijn goed genoeg om ook in een lege ruimte volledig tot hun recht te komen. Hubert Fermin en Wim Meuwissen zijn een mooi koppel als havik en duif in de kring rond Elisabeth, Stefan de Walle als haar vertrouweling Leicester is scherp en sensitief.

Het stuk is voor hedendaagse toeschouwers misschien iets uit balans: het heeft te veel intrige (over de samenzweringen en de machtsspelletjes aan het hof) en de kern van de zaak, de confrontatie tussen Elisabeth en Maria -in deze voorstelling een prachtig spannende scène-, komt te vroeg en duurt te kort. Bovendien gebruikt deze voorstelling de inmiddels nogal ouderwetse vertaling van Gerrit Kouwenaar, waarin het retorische venijn te zeer wordt gladgestreken. Het wordt echter goedgemaakt door de présence van Van Kralingen en Stolwijk.

Theater Maria Stuart van Het Nationale Toneel. Regie: Erik Vos. Gezien 6/12/06 in het Compagnietheater. Aldaar t/m 23/12, tournee t/m 13/1/07. Meer info op www.nationaletoneel.nl

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2014 Simber | powered by WordPress with Barecity