Interview Rob Klinkenberg

interviews,Parool,PS Kunst — simber op 13 oktober 2010 om 19:39 uur
tags: , ,

Sinds vorig seizoen geeft Rob Klinkenberg (1953) als intendant leiding aan Toneelgroep Oostpool in Arnhem. Dit weekend gaat daar Hamlet in première, van regisseur Marcus Azzini. De andere regisseur, Erik Whien, speelt daarin mee. Zelf regisseert of speelt Klinkenberg niet, maar hij is een bepalende factor in het succes dat de groep het afgelopen seizoen oogstte, met selectie voor het Nederlands Theaterfestival en een Theo d’Or voor Maria Kraakman. ‘’

Wat is een intendant eigenlijk precies? Hij zal de vraag wel vaker hebben moeten beantwoorden. Maar in zijn ruime kantoor in het Oostpool-gebouw, vlakbij de Rijn in Arnhem heeft Klinkenberg geen standaardantwoord paraat. ‘Het lijkt op het Duitse systeem, waarbij iemand die niet regisseert de artistieke leiding heeft over een theatergezelschap. Maar zo iemand is een poppenspeler met heel veel regisseurs en een groot ensemble aan de touwtjes. Daar is Oostpool te klein voor. En daarnaast ben ik ook heel dienend en wil ik ruimte geven aan de artistieke ontwikkeling van de twee regisseurs. Ik vind het prettig om dat leidende en het dienende door elkaar te laten lopen. Maar ik ben wel de baas. Het is mijn verantwoordelijkheid dat het gezelschap ergens over gaat.’

In het gesprek gaat het vaak over ‘instabiele situaties’, ‘ontregelen’, ‘dingen door elkaar laten lopen.’ Klinkenberg lijkt niet zoveel behoefte te hebben aan vaste grond onder de voeten. Zijn manier van werken en leiding geven komt danook voort uit een ferme opvatting over kunst: ‘We willen graag over alles controle houden, maar iemand moet onzekerheid in je bestaan brengen. Kunst kan je in verwarring brengen en zo misschien iets van vrijheid teruggeven.

Als jongen op de middelbare school in Amersfoort ontdekte hij die vrijheid toen ‘een gekke leraar’ hem naar Mickery stuurde, het legendarische theater van Ritsaert ten Cate in Loenersloot, waar in de jaren ’60 en ’70 de internationale theater-avant-garde te zien was. Met understatement: ‘Dat was van vormende invloed.’ Hij studeerde Nederlands en theaterwetenschap en solliciteerde bij het Publiekstheater, toen het grootste gezelschap van het land, als dramaturg. ‘Ik had een mislukt gesprek met de artistieke leiding, Ton Lutz en Guus Rekers. Zij hadden het over klassiek repertoire, en ik vertelde wat ik kende van Mickery. Het waren toen volkomen gescheiden werelden. Dat is niets geworden.’

Continue reading “Interview Rob Klinkenberg” »

Interview Erik Whien

Parool,recensies — simber op 23 maart 2010 om 11:49 uur
tags: , , ,

Sinds een jaar is Erik Whien (Gendt 1978) een van de vaste regisseurs van Toneelgroep Oostpool in Arnhem. Eerder dit jaar maakte hij een lovend ontvangen Wachten op Godot, nu regisseert hij Van de brug af gezien van Arthur Miller in de grote zaal. Die tragische liefdesgeschiedenis in een Italiaans migrantenmilieu wordt bij Whien geen integratiedrama. “Ik sta niet zo politiek in het leven.”

Het is nogal een verschil; de strenge modernist Beckett en het Broadway melodrama van Miller. “Toen we anderhalf jaar geleden het programma van dit seizoen samenstelden had ik  niet door dat het twee stukken uit dezelfde periode waren”, vertelt Whien in een Amsterdams café.  “Nu vind ik het juist leuk dat het zover uit elkaar ligt en dat ik me na Beckett kan bezighouden met een stuk met een dwingende plot. Voor veel makers van mijn generatie voelt een verhaal in een toneelstuk als een blok aan hun been. Maar ik merk nu opnieuw wat een ontlading het voor de toeschouwers is als je jezelf verbindt met een of twee personages, ook al voel je al aan dat het slecht met ze gaat aflopen.”

“In Miller las ik mijn eigen thematiek: de eeuwige strijd tussen hoofd en hart. Ik ben me ervan bewust dat het ook een immigrantendrama is, maar ik heb dat niet bewust naar boven gehaald. Ik sta niet zo politiek in het leven. En het publiek haalt het er zelf wel uit. De acteurs spreken in een verzonnen accent – een combinatie van plat Limburgs, Haags en nog meer- om ze aan de onderkant van de samenleving te plaatsen. En mensen beginnen automatisch over Wilders. Maar zelf ben ik veel meer geïnteresseerd in het personage van de advocaat, die uit dezelfde klasse komt, maar die zich omhoog gewerkt heeft. Maar daardoor is hij totaal onthecht en staat hij ver af van zijn gevoel.”

Oostpool wordt nu een jaar geleid door twee relatief jonge regisseurs –naast Whien ook Marcus Azzini- met Rob Klinkenberg als niet regisserende artistiek leider. Het Arnhemse gezelschap valt op door veel activiteiten, een hoog tempo van produceren en een in het oog springende groep acteurs. “We proberen bewust om Oostpool als merknaam in te zetten”, zegt Whien, “en dan vooral de acteurs. Zij zijn de kern van het gezelschap en de brug naar het publiek. De regisseurs staan iets meer op de achtergrond, wij hebben toch nog niet een naam die veel mensen naar de schouwburgzalen trekt.”

“We maken heel divers werk: klassieke stukken, boekbewerkingen, nieuw Nederlands werk. Ik denk dat het voor het publiek werkt, omdat het leuk is om onze acteurs steeds weer in nieuwe constellaties in een nieuwe rol te zien. Sanne den Hartogh is een acteur die nu te zien is in Er moet licht zijn, een nieuw Nederlands toneelstuk, en volgend jaar speelt hij Hamlet.”

Het is duidelijk dat het Whien bevalt om bij een groot gezelschap te werken: “Ik gedij het beste in een huis, als er een vertrouwensbasis is met de mensen om mee te werken, de acteurs, maar ook publiciteit en techniek. Ik denk ineens in seizoenen, over het tegenover elkaar zetten van verschillende voorstellingen. Dat is heel inspirerend. Mijn werk is altijd heel divers geweest, puur uit nieuwsgierigheid en jonge hondigheid. Nu pas durf ik na te denken over wat míjn speelstijl en míjn oeuvre is. Daarbij is zo’n apparaat een enorme luxe. Maar ik ben niet iemand die na een Beckett het liefst nóg een Beckett wil doen.”

Dienstbaar wil hij zichzelf niet noemen, eerder is hij op zoek naar samenwerking. “Er zit geen dictator in mij. Ik kan zelfs behoorlijk onpraktisch zijn: midden in de nacht mensen opbellen, acteurs blijven verdedigen ookal verstoren ze het werkproces, geen afstand nemen in de laatste week. Ik werk veel met dezelfde acteurs, met Ali Ben Horsting eigenlijk altijd. Het kost me veel tijd om nieuwe mensen of nieuw materiaal eigen te maken. Ik moet het laten gisten met mezelf, proberen ermee op gelijke voet te raken.”

Hoewel Whien een van de weinige jonge regisseurs is die zeer geïnteresseerd is in het toneelrepertoire, is het Marcus Azzini die bij Oostpool volgend seizoen Hamlet gaat regisseren. “Ik ben een beetje jaloers, vooral omdat ik denk dat Sanne dat heel erg mooi gaat doen. Maar Marcus had het plan al lang in zijn hoofd; hij had alleen nog een hoofdrolspeler nodig. Ik heb uit mezelf nu niet een idee over Hamlet, en dat is natuurlijk een basisvoorwaarde.” Lachend: “En ik heb mezelf wel de voorstelling ingewerkt: ik ga meespelen.”

Van de brug af gezien staat 24 en 25 maart in de Stadsschouwburg. Meer info op www.oostpool.nl

Recensie: ‘Wachten op Godot’ van Oostpool

Geen toneelstuk vertrouwder dan Wachten op Godot. We weten dat Godot niet komt, we weten net dat de hoofpersonen Vladimir en Estragon niet kunnen vertrekken en dankzij de strenge eisen van de erven Samuel Beckett weten we dat op het verder kale toneel één boom zal staan en dat de acteurs bolhoedjes zullen dragen.

Het geeft de nieuwe voorstelling van het modernistische meesterwerk –onlangs nog door lezers van theatertijdschrift TM en –website Moose gekozen tot beste toneelstuk aller tijden– door Toneelgroep Oostpool iets geruststellend vertrouwds.

Nederlandse regisseurs hebben vaak de neiging om het nauwe keurslijf van het stuk op te rekken, maar regisseur Erik Whien lijkt juist uit te proberen wat er gebeurt als je de aanwijzingen zo goed mogelijk volgt. En zie: het werkt. Wachten op Godot zit namelijk, ondanks het absurdisme, erg goed in elkaar.

We zien twee mannen bij een verwaaide berk, wachtend op een derde die niet komt. Ze verdrijven de tijd met praten en filosoferen, lijden aan honger en ander fysiek ongemak. Maar ze kunnen niet weg, ze wachten op Godot. Hun ledige bestaan wordt even opgeschud door de komst van twee andere reizigers, die wel weer verder gaan.

Deze dienstbare Godot wordt een heldere en frisse voorstelling, gedragen door een jonge cast met de lange, dunne Stefan Rokebrand als de flegmatieke Vladimir en de kleine, compact gebouwde acteur Sanne den Hartogh als de opvliegende Estragon. Ze zijn bijna een komisch duo, maar door door een doelbewuste timing –zoals in een bedaarde varieté-act met de hoeden- blijft Beckett’s abstractie intact.

Opvallend is het contrast met de twee andere personages Pozzo en Lucky. Ali Ben Horsting maakt van Pozzo bijna een circusdirecteur met zijn knallende zweep en zijn bulderende stem en Lard Adrian weet als Lucky een intens fysieke lijdzaamheid uit te stralen.

Over Godot is inmiddels veel geschreven, maar een recent boek van de Franse filosoof Pierre Temkine biedt een wel heel erg intrigerende interpretatie. In weerwil van de onbepaalde tijd en plaats van de handeling en de metafysische aspecten is Wachten op Godot volgens hem juist een historisch toneelstuk: Vladimir en Estragon zijn twee uit Parijs verdreven joden die in de lente van 1943 bij Roussillon wachten op een gids die hen naar neutraal gebied moet brengen.

Het lijkt vergezocht, maar als je de voorstelling met deze kennis ziet is het een verbijsterende ervaring. Het meest vertrouwde toneelstuk ineens weer als nieuw.

Wachten op Godot door Toneelgroep Oostpool. Gezien 27/10 in Amstelveen. In Amsterdam (Frascati) 3 t/m 7/11, tournee t/m 13/12. Meer info op www.oostpool.nl

Regiogezelschappen op zoek naar worteling

(voor Boekman 78; de opkomst van de regio)

Ineens waren ze er: acht ‘theater-brandpunten’. In het advies Innoveren, Participeren! van de Raad voor Cultuur waarin het ontwerp voor de nieuwe basisinfrastructuur theater werd neergelegd kregen acht plaatsen in Nederland een speciale status. Die theater-brandpunten moesten volgens de Raad ontstaan uit een combinatie en samenwerking van grote toneelgezelschappen, productiehuizen, opleidingen, jeugdtheatergezelschappen en schouwburgen.

Die grote toneelgezelschappen werden in het beleidsjargon al meteen omgedoopt tot stads- of regiogezelschappen. Amsterdam, Rotterdam en Den Haag hadden ieder al een duidelijk stadsgezelschap. Utrecht krijgt een nieuw. Buiten de Randstad waren er al sinds midden jaren tachtig regionale toneelvoorzieningen in Groningen, Arnhem en Eindhoven. Maastricht had al een middelgroot toneelgezelschap dat met ingang van de nieuwe vierjarige subsidieperiode werd ‘geupgrade’ naar een regionaal gezelschap.

In het advies staan de taken voor die stads- en regiogezelschappen opgesomd. Het produceren van repertoiretheater, binding met de andere instellingen in de regio, binding met de andere grote gezelschappen, talentontwikkeling, een breed publiek bereiken, educatie en tenslotte participeren in lokale netwerken.

Continue reading “Regiogezelschappen op zoek naar worteling” »

Recensie: ‘Wat het lichaam niet vergeet’ van Oostpool

Parool,recensies — simber op 12 januari 2009 om 17:09 uur
tags: , , , ,

“Vind je me mooi?”, vraagt actrice Eva Marie de Waal rechtstreeks aan het publiek, “Toen ik aan kwam lopen, dacht je toen ‘mooie vrouw’ of ‘lekker wijf’?” Ze staat achter een glazen wand die de speelvloer en het publiek volledig van elkaar scheidt. We horen haar via een zendmicrofoon en megafoon-achtige luidsprekers. Blijkbaar kan ze ons verstaan, want als het publiek antwoordt gaat ze erop in.

Regisseur Marcus Azzini is één van de twee nieuwe regisseurs van de Arnhemse toneelgroep Oostpool, zijn Wat het lichaam niet vergeet is de openingsvoorstelling van de vernieuwde groep. Het is een tamelijk minimalistische performance, ontstaan uit improvisaties van de negen acteurs over de schoonheid en de kwetsbaarheid van het menselijk lichaam. Maar daaronder ligt Azzini’s eeuwige zoektocht naar echte liefde en tederheid op het toneel.

We zien twee acteurs tergend langzaam hun hemdje uittrekken, twee mannen aggressief dansen en dan weer in elkaars armen springen, acteurs liggend op de vloer, soms eenzaam, soms met z’n tweeën en soms het uitschreeuwend. Tussendoor loopt acteur Ali Ben Horsting, piemelnaakt en met een koptelefoon op, nu weer zittend, dan weer dansend.

En steeds weer dat rechtstreeks aanspreken van het publiek. Eva Duijvestein bekijkt iemand uitgebreid en zegt: “Zoals je tanden op je onderlip liggen, dat vind ik mooi. Is dat echt?” Janneke Remmers kleedt zich uit, springt met haar borsten tegen de glazen wand en vraagt: “Doe ik het goed?”

Die afscheiding tussen het publiek en het verder lege toneelhuis, het kille tl-licht en de metalige geluidsversterking werken beklemmend Het zorgt voor afstand tot de soms heftige beelden, af en toe zie je als toeschouwer jezelf weerspiegeld. Is dit een peep-show, een inrichting of een laboratorium? En wie worden er dan onderzocht, de acteurs of het publiek?

Wat het lichaam niet vergeet is soms spannend en kwetsbaar, maar even vaak ijdel, een tikje gênant en ergerlijk. Oostpool wil nadrukkelijk werken aan een herkenbaar toneelspelersensemble. Deze voorstelling voelt een beetje als een etalage van hun jonge, mooie, imperfecte lijven. Aan het eind liggen ze allemaal bij tegen elkaar lepeltje-lepeltje op de vloer. Een harmonieus begin van hun verdere samenwerking.

Wat het lichaam niet vergeet van Oostpool. Gezien 10/1/09 in Arnhem. Te zien in Amsterdam (Frascati) 3 t/m 7/2. Tournee t/m 21/2. Meer info op www.oostpool.nl

Over de opvolging in Arnhem

meningen,Theatermaker — simber op 5 juni 2007 om 10:14 uur
tags: , ,

Voor het theaterveld zijn het de spannendste tijden: een artistiek leider van een groot toneelgezelschap vertrekt en er wordt een nieuwe gezocht. Maanden kan er geroddeld, gespeculeerd en gekonkeld worden, en als de beslissing eenmaal gevallen is kan de keuze uitgebreid worden becommentarieerd.

In de aankomende Cultuurnota, die sowieso al grote veranderingen met zich meebrengt, is dit op twee plekken het geval: het Noord Nederlands Toneel en Oostpool. Het NNT maakte in november bekend dat artistiek leider Koos Terpstra per 2009 zou vertrekken en kon in februari al melden dat Ola Mafaalani zijn opvolger zou worden. Bij Oostpool kost het iets meer moeite. In december kondigde Rob Ligthert zijn terugtreden aan -in de wandelgangen was dat al minstens een half jaar bekend- en tot op heden heeft de zoektocht naar een nieuwe artistiek leider voor Arnhem geen resultaat opgeleverd.

Deze zoektocht is de verantwoordelijkheid van het bestuur van de Stichting Oostpool, dat onder anderen bestaat uit een oud hoofdcommissaris van politie (die ook voorzitter is van voetbalclub Vitesse), een accountant, een projectontwikkelaar en een lid van het college van bestuur van de Universiteit Twente. Het enige bestuurslid met een culturele achtergrond is Tonny Holtrust, voormalig secretaris van de Raad voor Cultuur en nu directeur van de faculteit beeldende kunst van de hogeschool voor de kunst in Arnhem.

Kortom: met de regionale verankering van de instelling is weinig mis, maar de kennis van het theaterveld van dit gezelschap laat toch enigszins te wensen over. Voor de sollicitatieprocedure is een aparte sollicitatiecommissie samengesteld, maar die bestaat uit de leden van het bestuur op één na, aangevuld met de zakelijk directeur van het gezelschap, Alex Kühne. Het bestuur heeft een -interne- profielschets gemaakt voor een nieuwe artistiek directeur, en voerde veel gesprekken met het veld over mogelijke kandidaten. “Het is absoluut niet zo dat wij hier als boertjes in de provincie even een nieuwe artistiek leider aanwijzen”, zegt Kühne, “maar als je op zoek bent naar een regisseur die ook de vaardigheden heeft om een gezelschap te leiden dan blijkt dat er daar maar heel weinig van zijn.”

In elk geval waren het niet Arie de Mol, Jos van Kan, Marijke Schermer, Lotte van den Berg en Jetse Batelaan. Allemaal makers die grote belangstelling hadden voor het artistiek leiderschap in Arnhem, allemaal te licht bevonden door het bestuur. Het plan van Van den Berg en Batelaan, die samen met zwaargewicht Dennis Meyer een gezelschap voor beeldend, fysiek theater wilden opzetten werd afgewezen na een gesprek met Meyer. Met de regisseurs werd niet gepraat.

Van den Berg schreef daarop in een brief aan het bestuur: “Ik kan me voorstellen dat u er voor kiest ons de leiding over Oostpool niet te geven, omdat het theater dat wij maken u niet aanspreekt. Misschien ook heeft u geen vertrouwen in ons organisatorisch talent. (…) Maar hoe kunt u dat weten zonder mij te ontmoeten? Zonder ooit een voorstelling te zien? (…) U lijkt meer geïnteresseerd te zijn in de structuur van de organisatie dan in het artistiek profiel.”

Het is niet voor het eerst dat in Arnhem gedoe is rond de opvolging. Don Duyns beklaagde zich acht jaar geleden in NRC Handelsblad al over het bestuur van toen nog het Theater van het Oosten toen zijn gezelschap Growing up in Public kwam solliciteren op de vrijgevallen plek van Leonard Frank: “Voor die mensen ben je een nobody. Ze bekijken je meewarig, ze zien je niet staan. Ik zou naar de bestuurders van die gezelschappen honderden tomaten meer kunnen gooien dan naar alle Gerardjan Rijndersen bij elkaar. (…) Tijdens het gesprek met een bestuurslid van Theater van het Oosten kregen we telkens weer in de schoenen geschoven: jullie willen het niet en jullie kunnen het niet, de leiding van zo’n groot gezelschap.”

Dat het bestuur van Oostpool voorzichtig is, is natuurlijk wel te begrijpen. Het bestuur is verantwoordelijk en financieel aansprakelijk voor de daden van de directie. Benoemingen van jonge makers en ambitieuze plannen brengen natuurlijk een risico met zich mee. Dat kan goed uitpakken zoals in 1977 bij de keus van Globe voor de toen nog geen dertig jaar oude Gerardjan Rijnders of in 1990 van zijn opvolger Ivo van Hove (toen 32), mede te danken aan uitstekende zakelijk leiders die zij naast zich hadden. Maar bij hetzelfde gezelschap is het ambitieuze plan van de ervaren Matthijs Rümke en de jonge Olivier Provily vooralsnog ontaard in een artistieke mislukking, met ook financiële gevolgen.

Maar het is jammer als een bestuur te voorzichtig is, speciaal voor de veelbelovende tandem van Van den Berg en Batelaan. Hun voorstel lijkt misschien niet op het gedroomde stadsgezelschap van de grote VNT-leden, maar beloofde wel een verfrissende nieuwe aanpak op het gebied van publieksbereik. Deze makers deden hun ervaring met grootschalig werken namelijk vooral op tijdens de zomerfestivals, voor toeschouwers voor wie het toneelrepertoire geen vanzelfsprekende kennis meer is.

Is er dan een manier voor jonge makers om de besturen te omzeilen? Jawel, maar die is nogal radicaal. Raad voor Cultuur-voorzitter Els Swaab zei tijdens de presentatie van het advies Innoveren, participeren! nadrukkelijk dat het nieuwe cultuurnotastelsel, met zijn functiebenadering, een concessiestelsel wordt. Dat betekent dat elke geïnteresseerde een plan mag indienen voor bijvoorbeeld de functie ‘regiogezelschap in Arnhem’. Als er verschillende plannen voor één functie zijn, zal de Raad moeten kiezen. En het is nog niet helemaal duidelijk of de Raad in het voorkomende geval gaat kiezen voor het plan dat focust op de vervulling van de functie of voor het artistiek meest interessante plan.

In het eerste geval is de opmerking van Swaab een wassen neus. Dat zou namelijk betekenen dat nieuwe initiatieven geen schijn van kans hebben tegenover de bestaande regionale toneelgezelschappen met hun stevige verankering in de thuisgemeente en afspraken met de lokale schouwburg. In het tweede geval liggen er natuurlijk allerlei conflicten op de loer tussen rijk en gemeente, maar het dwingt zowel de Raad voor Cultuur als de gezelschappen om zich uit te spreken en zich niet zonder meer neer te leggen bij de status quo.

Het Arnhemse bestuur lijkt te nu gaan kiezen voor een niet-regisserende intendant als artistiek directeur met drie jonge regisseurs onder zich. Dat is een redelijk veilig alternatief dat waarschijnlijk prima zal uitpakken. Al kun je je afvragen of de rolverdeling tussen regisseurs en artistiek directeur op voorhand niet al erg onduidelijk is.

Daarom zou het goed zijn als een paar jonge makers zoals bijvoorbeeld Batelaan en Van den Berg alsnog een eigenwijs en ambitieus plan indienen voor een eigen gezelschap, zodat de Raad daadwerkelijk iets te kiezen heeft, niet alleen voor Arnhem, maar ook voor het nieuw op te richten stadsgezelschap in Utrecht. Dat is beter dan het alternatief waarbij de besturen bepalen hoe het theaterlandschap eruit gaat zien.

« Vorige pagina
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2019 Simber | powered by WordPress with Barecity