Recensie: ‘Obsession’ van Toneelgroep Amsterdam en The Barbican

Een affaire die sexy en veelbelovend begint, maar die een fatale afslag neemt en niet goed afloopt. Dat is het verhaal van de voorstelling Obsession, die regisseur Ivo van Hove maakte als coproductie tussen Toneelgroep Amsterdam het het Londense Barbican theater. Maar het geldt ook voor de voorstelling zelf.

Bijzonder is het wel: Halina Reijn, Gijs Scholten van Aschat en Robert de Hoog in vlekkeloos Engels spelend tegenover Jude Law. Law speelt zwerver Gino die iets te eten komt bietsen in het restaurantje van Joseph (Scholten van Aschat als een fijne rotzak) en als een blok valt voor diens vrouw Hanna (Reijn). Jan Peter Gerrits bewerkte de film Ossessione van Visconti, die op zijn beurt het boek The Postman Always Rings Twice van James M. Cain als basis had.

De verleidingsscène is mooi werk; Law kalm en met militair postuur tegenover een speelse, ervaren femme fatale, zoals Reijn er al meer speelde. Maar zoals altijd bij Van Hove is de liefde onmogelijk: hij wil met haar vertrekken, zij wil niet weg. Het contrast tussen de twee wordt in de vormgeving (Jan Versweyveld) met grof penseel geschetst: Gino speelt mondharmonica, en op het toneel staat een machinale accordeon die vervormde klanken uitbraakt; Gino rent op een lopende band – een knipoog naar films – en de tirannieke Joseph heeft een auto, gesymboliseert door een grote, vieze, ronkende en schuddende motor.

Met een flinke dosis goede wil zou je er een metafoor in kunnen zien voor de kloof tussen kosmopolieten en neo-nationalisten die Europa nu splijt.

De twee zien maar één uitweg: Joseph moet dood. Na een smerig autoongeluk, waarbij de machine olie over de spelers uitspuugt, volgt de mooiste scène van de voorstelling: Van Asschat boent de vlekken van zijn eigen fatale ongeluk weg, terwijl Reijn en Law in bad zichzelf schoon wassen voor het happy end.

Daarna glijdt de voorstelling weg, want ineens is Hanna veranderd van vamp in nood naar zeurende huisvrouw. Dan begint ook op te vallen dat Reijn al het zware werk moet doen in dit duet: tegengas geven aan het moeiteloze, jongensachtige charisma van Law plus de mensbeeldtechnisch onaantrekkelijke positie van de huismus vertegenwoordigen.

En dan gaan al die elementen in het decor onbedoeld tegen de voorstelling werken: de motor die brommend in de lucht hangt maar nergens naartoe gaat; Law die heftig rennend op de loopband op dezelfde plek blijft; De Hoog – in een geestige bijrol als Jack Kerouac-achtige avonturier – die een muntje opgooit om te beslissen welke kant hij op gaat, maar beide kanten niet aanwijst en erna ook blijft staan: het is een voorstelling die veel moeite doet om intens te zijn, maar uiteindelijk vrij dof is.

Leuk is het wel om het verschil tussen Nederlandse en Engelse acteurs te observeren. Zo zie ik Chukwudi Iwuji of Aysha Kala (die kleinere rollen spelen), laat staan Law, nog niet zo gauw de vloer boenen of hard en vrij lelijk opera zingen. Die performance-achtige inzet compenseren de Britten dan weer met fijnzinnigheid in tekstbehandeling en spel. De twee tradities hebben elkaar dus wel degelijk iets te bieden. Het is te hopen voor Van Hove en Toneelgroep Amsterdam dat het geen gedoemde liefde is.

Obsession van Toneelgroep Amsterdam en The Barbican. Gezien 25/4/2017 in Londen. Te zien in Amsterdam tijdens het Holland Festival. Meer info op www.tga.nl

Recensie ‘Glazen speelgoed’ van Toneelgroep Amsterdam

De eerste helft van Glazen speelgoed lijkt een soort sitcom: amusante grappen in een luchtig neurotische gezinssituatie. Moeder is een albedil die haar volwassen zoon Tom zegt hoe hij zijn eten moet kauwen en zijn koffie moet drinken. Personages worden teruggebracht tot één eigenschap.

Tom heeft een geestdodend baantje in een magazijn om het gezin te onderhouden, maar in het geheim is hij dichter, die hoopt te ontsnappen aan de leegheid van zijn bestaan. Zijn zus Laura (Hélène Devos) is een geval apart: ze is mank en stilletjes en het grootste deel van de tijd ligt ze op een kussen of poetst ze haar verzameling glazen speelgoeddieren.

Glazen speelgoed is een gastregie van de jonge Amerikaanse regisseur Sam Gold bij Toneelgroep Amsterdam. Hij maakt van Tennessee Williams’ autobiografische stuk – een onverbiddelijke klassieker in de VS, maar hier al een tijd niet meer gespeeld – een directe, goed uitgevoerde, maar vrij zijige tragikomedie. Vooral dat eerste deel is ergerlijk oppervlakkig.

Onderhoudend is het wel hoor. Chris Nietvelt maakt van de gesmoorde southern belle een geestige act, altijd bezigjes, te veel pratend en vast voor veel mensen zeer herkenbaar. De kwikzilveren stijl van Eelco Smits als Tom is intrigerend. Razendsnel schakelt hij van de geserreerde blik van de verteller naar razende zenuwen en frustratie en dan weer berusting. Aardig allemaal, maar wat staat hier nu precies op het spel?

Er komt schot in de zaak als vriend Jim (een soepele Harm Duco Schut) komt eten. Halverwege de maaltijd valt de stroom uit en de scènes die volgen worden gespeeld bij louter kaarslicht. Het perspectief kantelt daardoor van de ruzieënde moeder en zoon naar de dochter. Met een mooie decortruc zonderen Laura en Jim zich af en zij laat hem haar glazen menagerie zien. Devos speelt erg mooi het door de mannelijke aandacht uit haar schulp kruipende meisje.

Het contrast tussen het gekibbel van het eerste deel en de intimiteit van het tweede is de kracht van de voorstelling. Dat de opbloeiende dromen worden gefnuikt is onafwendbaar maar wel aandoenlijk en aan het eind is het commentaar van moeder niet meer grappig maar pijnlijk. Toch ontbeert Glazen speelgoed zwaarte. Het stuk doet ouderwets aan met de sterke gezagsverhouding tussen ouders en kinderen. De gestileerd nostalgische vormgeving, met draaischijftelefoons, typmachines en liedjes uit de jaren dertig, benadrukt dat nog eens.

Maar dat de gebeurtenissen aan het eind zo heftig zijn dat Tom zich gedwongen ziet te vertrekken is ongeloofwaardig. Het korte moment van geluk dat Laura vindt is voor sommige mensen genoeg, maar niet voor haar. Hetzelfde geldt voor deze voorstelling.

Glazen speelgoed van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 15/11/15 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 22/11 en 5/1 t/m 15/1/16. www.tga.nl

Recensie ‘De stille kracht’ van Toneelgroep Amsterdam

Boekbewerkingen van Couperus waren altijd een Haagse aangelegenheid. Bewerkers als Ger Thijs en Léon van der Sanden legden de nadruk op Indische weemoed of Hofstadse deftigheid. De stille kracht, de eerste van drie boekbewerkingen van schrijver die Toneelgroep Amsterdam heeft gepland in samenwerking met het Duitse festival Ruhrtriennale, maakt radicaal korte metten met die traditie.

Regisseur Ivo van Hove en bewerker Peter van Kraaij maakten van Couperus’ verhaal over de werdegang van de Nederlandse machthebber Otto van Oudijck (mooie rol van Gijs Scholten van Aschat) in een Indisch stadje een uitwaaierende voorstelling over strijd en onderwerping.

Vormgever Jan Versweyveld maakt de kracht uit de titel nadrukkelijk niet stil, maar vervaarlijk en pompeus. Een vleugel en een paar stoelen staan verloren op het enorme toneel van de Rabozaal en met een batterij aan theatertechniek creëert hij regengordijnen, stormen en mist van een schaal en intensiteit die werkelijk imposant zijn.

Kortom: de natuur heeft bij Van Hove en Versweyveld de plek ingenomen die het bovennatuurlijke heeft in de roman. Net zoals de bloemrijke, eindeloos meanderende beschrijvingen van Couperus vervangen zijn door korte voice-over fragmenten en video’s met Indische archiefbeelden.

De eerste helft van de voorstelling is het interessantst. Van Oudijck ontheft een lokale vorst uit zijn positie, en jaagt de bevolking tegen zich in het harnas als hij de smeekbedes van diens moeder in de wind slaat. Dit is een man die zich volledig onderwerpt aan zijn werk: hij zit geknield voor een stoel waarop zijn paperassen liggen.

Ondertussen negeert hij zijn vrouw (Halina Reijn, in een bijna potsierlijke opeenvolging van robes en peignoirs) die hem bedriegt met zijn stiefzoon en met de halfbloed lover van haar stiefdochter.

De koloniale attitude, de verhouding met de lokale moslims, het gevoel van futiliteit van de westerse beschaving in deze vijandige omgeving – mooi verbeeld door het van de vleugel druipende water – zijn veelbelovende thema’s die halverwege echter vrij plotseling overboord gegooid worden. Dan gaat het ineens alleen maar over de onttakeling van de familie van Oudijck.

Het zijn de twee bijpersonages Eva Eldersma en Frans van Helderen die de voorstelling een emotionele kern geven. Aus Greidanus Jr. en vooral Maria Kraakman weten te raken als een onmogelijk liefdeskoppel, waarbij Kraakman prachtige diepe wanhoop vertolkt – niet alleen van de zinloze aanwezigheid van Nederlanders in Indië, maar van ieder strevend mens in een chaotisch universum.

Verder zit de voorstelling vol weirde details: de acteurs die Wien Neêrlandsch bloed door d’aderen vloeit zingen, Rob Malasch in een figurantenrol, Marieke Heebink met een licht rollende r als Indische prinses – nog net geen blackface, maar wel opmerkelijk in een voorstelling die verder grotendeels etnisch gecast is. Niet onprettig, maar het is allemaal veel minder strak dan Van Hove’s recente werk.

De stille kracht van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 1/10/15 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 11/10 en vanaf januari 2016. www.tga.nl

Profiel Toneelgroep Amsterdam

“Een bizar fashion statement.” “Acteurs gevangen in opzichtige kostuums.” “Van Hove is verder gegaan op het heilloze pad van het steriele, technische theatermaken.” De recensies van The Massacre at Paris (2001), de eerste regie van Ivo van Hove bij Toneelgroep Amsterdam waren niet mals.

Anno 2015 is Toneelgroep Amsterdam toonaangevend in Nederland en zeer gerespecteerd in het buitenland. Het acteursensemble is meermaals geroemd als een van de beste ter wereld en Ivo van Hove en Jan Versweyveld vormen een graag gezien artistiek regisseur/vormgeversduo in Londen en op Broadway. Deze week ontvangen ze samen de Amsterdamprijs voor de kunsten voor bewezen kwaliteit. Maar bij het Amsterdamse debuut van Van Hove staat zijn toekomstige zegetocht nog allerminst vast.

In 1999 is Toneelgroep Amsterdam een avantgardistische, recalcitrante troep toneelkunstenaars. Artistiek leider Gerardjan Rijnders maakt briljante, vormelijke repertoirevoorstellingen als Richard III en De Cid in de Stadsschouwburg, maar het bruisende clubhuis van de groep staat op het Westergasfabriekterrein. Daar, in het Transformatorhuis, werken gastregisseurs aan wilde experimenten, kunnen toneelspelers hun eigen projecten uitvoeren en speelt de huisband tot diep in de nacht.

Maar Rijnders is het leiden van het gezelschap, dat voornamelijk lijkt te bestaan uit vergaderen, moe en zoekt per 2001 een opvolger. Het zoeken duurt niet lang: de dan 40-jarige boy wonder uit Vlaanderen staat klaar. Ivo van Hove heeft bij Het Zuidelijk Toneel in Eindhoven een paar beeldbepalende voorstellingen gemaakt, met video en ongewone schouwburgsopstellingen van zijn partner in leven en werk Jan Versweyveld. Bovendien leidt Van Hove sinds kort het Holland Festival.

Maar de beslissing valt slecht bij het acteursensemble. De spelers hebben geen invloed gehad en de overgang blijkt erg groot. Rijnders was zwijgzaam en introvert, maar tegelijk informeel en toegankelijk. ’s Morgens leest hij de krant in de portiersloge van de schouwburg, waar al het personeel voorbij komt.

Van Hove brengt een cultuuromslag: hij is niet artistiek leider, maar algemeen directeur. Hij organiseert strak en men vind hem kil en onbenaderbaar. ‘Iglo van Hove’ wordt zijn bijnaam. Bovendien is hij vaak de deur uit: hij combineert Toneelgroep Amsterdam met het Holland Festival, doet daarnaast gastregies in binnen- en buitenland en brengt veel tijd door in zijn geliefde New York. Hij managet per Skype. Hij speelt niet langer in het Transformatorhuis, stoot het decoratelier af, en houd zijn acteurs het liefst in huis.

En de kritiek op zijn voorstellingen is vanaf het begin stevig. Het dieptepunt komt in 2003. Tijdens de repetities van Rouw siert Electra beleggen de acteurs een crisis-vergadering, waarin ze hun ongenoegen uiten over de artistieke koers, de repertoirekeuze en het gebrek aan flexibiliteit: de spelers vinden dat er te weinig ruimte is om buiten de deur te werken. In de nasleep van dit conflict vertrekken Lineke Rijxman, Pierre Bokma en Titus Muizelaar – drie beeldbepalende toneelspelers van de groep onder Rijnders.

Tegelijk zijn in 2003 de eerste tekenen te zien van het herstel en de komende gloriejaren. Het begint met Othello; een vrij traditionele voorstelling, met veel ruimte voor de acteurs en een glansrol voor de van een televisieavontuur teruggekeerde Hans Kesting. Tijdens de première gaat er een soort collectieve zucht van opluchting door het publiek. Gelukkig, hij kan het tóch. En later dat jaar debuteert een jonge, zeer veelbelovende actrice bij Toneelgroep Amsterdam: Halina Reijn, die al snel uitgroeit tot Van Hove’s muze en een echte toneelster.

Van Hove’s beslissingen uit de begintijd blijken onderdeel van een doordacht plan en pakken goed uit. Hij wil grotezaaltoneel maken aan het Leidseplein om het gezelschap zichtbaarder te maken in de stad en hij wil zijn acteurs in huis houden zodat de groep succesvoorstellingen makkelijk in reprise kan laten gaan en eindeloos door kan spelen.

Nadat hij eenmaal het vertrouwen van de toneelspelers heeft gewonnen ontstaat bij Van Hove en Versweyveld de ruimte voor groot werk. De laatste keert keer op keer de schouwburg binnenstebuiten en met tot de verbeelding sprekende opstellingen het publiek te verrassen. De eerste blijkt in het repetitielokaal een gedreven zoekende perfectionist die met zijn spelers een heftig emotionele speelstijl ontwikkeld. Juist die acteerstijl in de klinische, multimediale decors van Versweyveld levert toneel op dat uiterst actueel aanvoelt en tegelijk diep weet te ontroeren.

In een periode van twee seizoenen ontstaat een serie weergaloze voorstellingen: Opening Night (2006), Romeinse Tragedies (2007) en Angels in America (2008). Voor even ligt het middelpunt van de toneelwereld op het Leidseplein in Amsterdam.

Dat wordt ook in het buitenland opgemerkt. Toneelgroep Amsterdam wordt uitgenodigd op festivals en speelt Shakespeare in Londen, Tsjechov in Moskou en Kushner in New York, zonder uitzondering met groot succes. De tournees strekken zich uit van Taipeh tot Sao Paulo en van Avignon tot Syndey.

Na het succes van met name Romeinse Tragedies raakte Van Hove in een artistieke dip. Groter, voller en dieper leek niet meer te kunnen. Maar juist in deze periode komen interessante gastregisseurs (zoals Thomas Ostermeier, Luk Perceval, Guy Cassiers en Johan Simons), begint de groep het traject TA2 voor nieuwe regisseurs en neemt het de nieuwe avant-garde onder haar hoede met allianties met Adelheid Roosen en De Warme Winkel. De nieuwe Rabozaal van de Stadsschouwburg opent en geeft Toneelgroep Amsterdam nog meer ruimte om zich aan de stad te presenteren.

Het is met de Ayn Rand-bewerking The Fountainhead (2014) dat Van Hove zich opnieuw uitvindt. Het controversiële boek leidt tot gelaagd en gedurfd toneel. Van Hove is duidelijk nog niet klaar met Toneelgroep Amsterdam. Jazeker, hij regisseert nu sterren als Juliette Binoche en kan op Broadway samenwerken met David Bowie en Philip Glass. Maar Van Hove gedijt het best bij een toneelfamilie en voorlopig kan niets de familie vervangen die hij voor zichzelf in Amsterdam heeft samengesteld.

Los van de kwaliteit van de voorstellingen is het Van Hove’s grote verdienste dat hij Toneelgroep Amsterdam heeft teruggegeven aan de stad. Hij verjongde het publiek en maakte trouwe fans zonder artistieke concessies te doen. Bij iedere première knettert het weer van de spanning aan het Leidseplein. 1 oktober is de volgende, De Stille Kracht naar Couperus. Zorg dat u erbij bent.

Recensie ‘Kings of War’ van Toneelgroep Amsterdam (HF)

Na Romeinse Tragedies (2007) maakt regisseur Ivo van Hove met Toneelgroep Amsterdam voor het Holland Festival opnieuw een compilatie van drie Shakespeare-stukken. In Kings of War zien we in vierenhalf uur achtereenvolgens ingekorte versies van Henry V en Henry VI en (na de pauze) een bijna volledige Richard III.

Romeinse Tragedies ging met z’n vrij rondlopende publiek, doorlopende handeling en live twitterstream over hoe onze verhouding met politiek en media is veranderd, en haakte aan op nieuwszenders en tweede schermen. Kings of War ontvouwt zich meer als een televisieserie op DVD: je wordt ondergedompeld in een wereld van macht en intriges met subtiele herhalingen en terugkerende personages.

Van Hove wil er iets mee zeggen over leiderschap: Henry V (een vrij briljante Ramsey Nasr) als inspirerende en op eer beluste legeraanvoerder, Henry VI (een mooi tegen emoties vechtende Eelco Smits) als te jong op de troon terecht gekomen aartstwijfelaar die één beslissing wél neemt en daarmee meteen zijn toekomst en zijn leven vergooid, en Richard III (Hans Kesting; leep maar net niet gevaarlijk genoeg) als de bloeddorstige machtswellusteling.

Vormgever Jan Versweyveld maakte een war room: een bunker waar strategie wordt bepaald en vergaderd, maar waar ook televisieopnames worden gemaakt of kan worden geslapen. Schermen met beelden van drones staan naast kaarten met waarop met gekleurde punaises en touwtjes het front wordt aangegeven. Cryptografische apparatuur contrasteert met rode en groene telefoons.

Achter het toneel is een lange witte gang, alleen zichtbaar via de camera die de personages blijft volgen. De gang symboliseert niet alleen de ruimte achter de schermen van de macht, maar is ook een soort onderbewuste: we zien er soldaten aan het front, moordpartijen en zelfs een kudde geiten (een visioen van Henry VI, die liever herder was geweest dan koning).

Kings of War is zonder meer een goede voorstelling: onderhoudend, mooi gespeeld, slim in elkaar gestoken. Prachtig toont Van Hove een politieke kaste wiens blikveld verschuift van buiten naar binnen. In Henry V is het toneel nog een plek die draait om communicatie met de buitenwereld, aan het eind is het een paleis vol spiegels. Met Richard III is het id aan de macht. Hij is alleen in de bunker terwijl in de wandelgangen zijn val wordt bekokstoofd.

Maar er wringt iets: bij Shakespeare is leiderschap vooral een omstandigheid waarmee een persoonlijkheid op scherp wordt gezet. Het doel van leiderschap is bij alledrie de koningen – goed, zwak of kwaadaardig – hetzelfde: de macht veroveren en bestendigen. Zelfs de heldendaad van de goede koning Henry V is alleen maar het terugveroveren van land waar zijn overgrootvader recht op had.

Na het intellectueel stimulerende en tamelijk wilde The Fountainhead vorig jaar is Kings of War degelijker en minder uitdagend. Het is managementtoneel voor het hogere bedrijfskader dat TGA kennelijk graag als publiek wil veroveren en dat etaleert dat leiderschap uiteindelijk vooral over zichzelf gaat.

Holland Festival: Kings of War van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 14/6/15 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 21/6, reprise dit najaar. Meer info op www.tga.nl.

Recensie ‘Koningin Lear’ van Toneelgroep Amsterdam

“Er doemt een monster aan de einder op/Waarvan geen mens de omvang kan beschrijven./De markt wordt volatiel als nooit tevoren./De ene bubbel spat de andere kapot.” De ene grote troef van de de voorstelling Koningin Lear is de spanning tussen de archaïsch aandoende verzen van Tom Lanoye en de hoogst actuele inhoud. De andere is Frieda Pittoors.

De tweede Shakespearebewerking van de Vlaamse schrijver voor Toneelgroep Amsterdam is nog radicaler dan de eerste (het magistrale Hamlet vs Hamlet). Lanoye maakte van Shakespeares Koning Lear een hedendaagse vrouw, die een reusachtige multinational leidt in plaats van een koninkrijk. Een bedrijf dat ze gezien haar hoge leeftijd en aanvangende geestelijke achteruitgang wil overdragen aan haar drie zoons. Pittoors’ personage Elisabeth Lear lijkt gemodelleerd naar Neelie Kroes en Madeleine Albright.

De voorstelling begint met de hele familie – zoons plus aanhang en trouwe consigliere Kent (Gijs Scholten van Aschat) – aan een grote bestuurstafel, ieder in een eigen kleur; een regenboog van rendementsdenken. Want Lear wil in ruil voor een deel van de portefeuille een liefdesverklaring van elk van haar zoons. Zo doordringt geld alle vormen van menselijke relaties.

Zoons Gregory (Roeland Fernhout als afschuwelijke patser) en Hendrik (Jip van den Dool als beursnerd) dissen gedwee een ongemeend verhaal op, maar de jongste, de idealistische Cornald (Alwin Pulinckx) weigert, en wordt pardoes verstoten.

Daar begint de onttakeling van het familiebedrijf die door regisseur Eric de Vroedt rechtlijnig wordt getoond. Gedurende de voorstelling gaat Pittoors’ haar steeds piekeriger zitten en het decor (Maze de Boer), dat aan het begin nog een realistische boardroom hoog in een wolkenkrabber voorstelde – inclusief James Bond-achtige wereldkaart met lampjes die aangeven waar de bedrijfsactiviteiten plaastvinden – is aan het eind een opzichtig theatraal staketsel.

De neergang is zowel economisch (beurskrach en vijandige overnames) als ecologisch, met een dreigende orkaan die slim Shakepeares beroemde stormscène echoot, als mentaal, met Pittoors als steeds verder dementerende Lear.

Die scène is het hoogtepunt van de voorstelling. Pittoors, als een rockster tegen de wind in bulderend, met achter haar een regengordijn die ingenieus stroboscopisch verlicht wordt, waardoor de associatie met de vallende computertekens uit The Matrix onmiskenbaar is. Hier wordt de apocalyptische inzet voelbaar.

Maar gedurende de rest van de voorstelling zijn die angst en de gekte vreemd afwezig. De tekst van Lanoye lijkt rijk en gelaagd genoeg, maar misschien is het de al te heldere dramaturgie van De Vroedt die de voorstelling ontdoet van een vorm van mysterie of weerstand, die nodig is om drie uur lang te boeien.

Dat wordt gelukkig gecompenseerd door Pittoors. Tegen de vrij realistische setting in blijft haar Lear een nukkig personage dat met plotselinge clowneske grimassen en abrupte bewegingen over het toneel zwerft.

Koningin Lear is niet in de laatste plaats een metafoor voor hoe de babyboom-generatie de leiding over de door haar gecreëerde wereld doorgeeft aan haar verwende kroost. Hebzucht is de collectieve zonde van beide generaties. De voorstelling eindigt in een piëta: een kindse moeder die de borst geeft aan haar dode zoon. Een demente vrouw komt tot inzicht.

Koningin Lear van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 8/3/15 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 15/3 en 4/4 t/m 18/4. Meer info op www.tga.nl

Recensie: ‘Medea’ van Toneelgroep Amsterdam

Parool,recensies — simber op 5 januari 2015 om 12:30 uur
tags: , , ,

Een voorstelling Medea, waarin het personage Medea niet voorkomt. Dat kan natuurlijk ook. In de versie van Toneelgroep Amsterdam die zaterdag in première ging heet ze Anna, en Marieke Heebink speelt haar met een kordaat soort naturalisme. Een heel gewone vrouw – maar dan een die haar kinderen vermoordt.

Simon Stone is een begaafde jonge Australische regisseur, die op de afgelopen twee Holland Festivals indruk maakte met radicaal gemoderniseerde versies van De wilde eend en Thyestes, waarin alledaagse gesprekjes en extreem geweld fel contrasteerden. Zijn Medea is een heldere tearjerker.

Voor zijn regiedebuut bij Toneelgroep Amsterdam schreef hij een nieuw stuk geïnspireerd door Euripides’ tragedie, maar dat vooral leunt op de zaak van Debora Green, een moderne Amerikaanse Medea die in 1995 haar huis in brand stak met haar kinderen erin.

Stone laat het stuk beginnen als Anna, hier geen prinses, maar een succesvolle medisch onderzoeker, terug komt uit een kliniek, waar ze in behandeling is geweest, nadat ze haar man Lucas heeft geprobeerd te vergiftigen. Maar nu heeft ze haar driften onder controle en haar leven weer op orde. Om te vieren trekt ze een fles wijn open die ze niet mag combineren met haar medicijnen.

De voorstelling volgt Anna en haar gezin in de paar weken dat het kleine zelfbedrog uitgroeit tot ondraaglijke proporties. Ze denkt dat ze Lucas terug kan winnen en het gezinsleven weer op kan pakken, maar Lucas heeft andere plannen met zijn nieuwe vriendin – de affaire die eerder de aanleiding was voor Anna’s aanval. Bovendien is ze niet meer welkom op haar werk, waar Lucas langzaam haar plek heeft ingenomen.

Stone plaatst het verhaal in een klinisch witte vlakte zonder decor. De twee zonen van Anna en Lucas rollen er met bureaustoelen vrolijk doorheen. Aan het eind dwarrelt er een kolom pikzwart stof naar beneden als een kunstwerk van Anish Kapoor. De berg stof is als een zwart gat waarin alle hoop verdwijnt. Lucas raast erdoorheen en Anna begraaft er uiteindelijk de kinderen in.

Het probleem met de voorstelling is dat het uiteindelijk weinig meer is dan een erg goed gemaakte ware woensdagavondfilm. En dat wordt niet automatisch een tragedie als je er de titel Medea op plakt. De tekst is tamelijk banaal en de acteurs zijn goed, maar erg dienstbaar aan het voortdrijven van het verhaal.

Bovendien gaat Stone de belangrijkste kwestie uit de weg: Anna sterft met haar kinderen, terwijl zowel Medea als Green blijven leven. Wat iemand ná zo’n daad te zeggen heeft is een te moeilijke vraag voor dit emo-theater.

Waar nog een enig belang zit is in hoe Anna langzaam gestript wordt van haar waarde sinds ze moeder werd: een stap achteruit in haar carrière, man die niet meer naar haar omkijkt en ervandoor gaat. Als vrouwen gereduceerd worden tot moeder, loopt een reservoir aan woede vol. Medea waarschuwt voor een dijkdoorbraak.

Medea van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 13/12/14 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 17/12 en vanaf 21/1. Meer info op www.tga.nl

Recensie: ‘Een bruid in de morgen’ van TA2

“Ik heb nog nooit zoiets merkwaardigs gezien als hoe die twee met elkaar omgaan.” Thomas en Andrea zijn verliefd. Maar ja, ze zijn broer en zus. In Een bruid in de morgen van Hugo Claus is hun liefde het enige zuivere in een leugenachtige wereld. Regisseur Maren Bjørseth zet het contrast vet maar effectief aan in haar stijlvolle regiedebuut bij Toneelgroep Amsterdam.

Andrea (een frêle maar taaie Hélène Devos) en de zwakbegaafde en dromerige Thomas (Alwin Pulinckx) steken in hun sobere kleren scherp af tegen hun ouders (Marieke Heebink – alweer een mooie moederfurie en Fred Goessens als passieve dikzak); verarmde sjiek die met barokke kostuums de schijn probeert op de houden.

Moeder ziet mogelijkheden om de argeloze zoon weg te huwen aan een verwelkte nicht met geld. Die nicht wordt met bewonderenswaardige overdaad gespeeld door Camilla Siegertsz; te bloot, te gegeneerd, te zenuwachtig, te geposeerd – geen twee woorden komen er zonder hakkelen uit, geen houding lijkt haar enig comfort te geven. Maar erachter sluimert altijd de kille macht van het gepriviligeerde leven.

De confrontatie tussen Siegertsz en het prachtige naturel van Devos is het mooist aan deze geslaagde voorstelling.

Een bruid in de morgen is een jeugdwerk van Claus, die zich in een kleine revival mag verheugen dit theaterseizoen. Alle personages dromen van een beter leven en in de romantische fantasieën waarin ze zich wentelen zet Claus zijn taalregisters vol open. Qua plot is het alleen een beetje een rommeltje. Des te knapper dat Bjørseth van alle personages toch invoelbare mensen weet te maken.

Een bruid in de morgen van TA2 (Toneelgroep Amsterdam en Frascati Producties). Gezien 6/10/14 in Frascati. Aldaar t/m 18/10. Meer info op www.tga.nl

Interview Ramsey Nasr

interviews,Parool — simber op 18 juni 2014 om 10:00 uur
tags: , , ,

Aanstaande zondag gaat The Fountainhead in première, de nieuwe, grootschalige voorstelling van Toneelgroep Amsterdam, een bewerking van de controversiële roman van Ayn Rand. Ramsey Nasr speelt de centrale rol, de hyperindividualistische en compromisloze architect Howard Roark. “Als acteur is het leuk om dingen te verkondigen waar je privé volstrekt niet achter staat.”

“Ik hoop niet dat ik het woord frustratie te vaak gebruik”, zegt hij half serieus aan het begin van het gesprek als hij nog bezig is om koffie te zetten. De dag ervoor –anderhalve week voor de première– was de eerste doorloop van de voorstelling en de tijdsdruk plus het feit dat de voorstelling duidelijk nog niet af is maken Nasr, nou ja, gefrustreerd. “Het is gekkenwerk, zeker met zoveel techniek.”

Nasr begon zijn carrière als acteur bij regisseur Ivo van Hove die toen nog artistiek leider van Het Zuidelijk Toneel. In 2000 besloot hij een andere kant op te gaan: hij werd dichter. Het toneel bleef echter trekken en vorig jaar pakte hij zijn acteursloopbaan weer op, opnieuw bij Ivo van Hove, inmiddels directeur van Toneelgroep Amsterdam.

“Ik vind Ivo een zeldzaam goede regisseur. Het is fantastisch om met iemand te werken die zo bevlogen is en een klare visie heeft op wat er in een theater moet gebeuren. En ik vertrouw hem. Ik vind Ivo totaal veranderd ten opzichte van Het Zuidelijk Toneel destijds. Hij is een enorm losse, vrolijke man, staat ook veel meer open voor suggesties en input. Dat vind ik heel fijn.”

Van Hove had al heel lang de wens om The Fountainhead voor toneel te bewerken, maar het duurde jaren voordat hij de rechten kreeg. “Om eerlijk te zijn kende ik het boek en Ayn Rand helemaal niet. Ik kom nu mensen tegen die het óf totaal niet kennen, óf wel – en dan zijn ze er ook echt idolaat van. Rand heeft een fantastische schrijfstijl. Maar ik vind het vooral knap dat als je niet op de hoogte bent van haar ideologie je dan nog altijd een prachtig boek hebt.”

Want The Fountainhead is niet zomaar een Amerikaanse klassieker. De na de Russische revolutie naar de VS gevluchte Rand bezong in haar eerste literaire succes een vorm van romantisch hyperindividualisme dat geen plaats laat voor naastenliefde of solidariteit. Later werkte ze haar libertijnse filosofie verder uit en werd ze met haar verdediging van laissez faire kapitalisme de held van rechtse politici en economen van Alan Greenspan tot Geert Wilders.

“Ik ben het op veel vlakken oneens met Rand. Ik vind het cruciaal dat háár waarheid niet onze waarheid hoeft te worden. Elk van de personages zegt dingen waar ik het volstrekt mee eens ben, om daarna in een bijzin weer iets verschrikkelijks te zeggen. Ivo van Hove wil één ding: een discussiestuk maken. The Fountainhead dwingt je als lezer en hopelijk als toeschouwer om je ertoe te verhouden. Het is een handleiding om te leven en er zijn maar weinig boeken die die kracht hebben. Er zijn nu trouwens VVD-vrienden van me die niet zo snel naar toneel komen maar nu zeggen: ik ben benieuwd!”

“Overigens is het als acteur juist leuk om dingen te verkondigen waar je privé echt niet achter staat. Dat is het interessante aan dit vak: om mensen waarmee ik het niet eens ben te begrijpen en een stem te geven. Van jongs af aan ben ik altijd op zoek geweest naar tegenargumenten. Howard Roark is voor mij een held, maar ik vind de meest interessante plekken in het stuk die waar hij dingen verkondigt waar ik het absoluut mee oneens ben. Want dat confronteert me met m’n eigen geweten.”

Maar ondanks de prikkelende inhoud is Nasr nog driftig op zoek naar de finesses van zijn rol. “Voor Rand is Roark de ideale mens. Dat is misschien onmogelijk om te spelen, maar ik wil het personage toch recht doen. Ik benaderde hem lange tijd als autist; ietwat kil en gesloten, iemand die leeft volgens de ratio. Maar ik kom daar op de terug, nu ik nadenk over andere kunstenaars zoals Rem Koolhaas en ook Ivo van Hove. Dat zijn geen autisten, maar mensen die leven voor hun werk.”

“Ik vermoed dat Ivo goed gedijt op de tijdsdruk die we nu voelen. Daarom vertrouw ik Halina Reijn en Hans Kesting die eerdere projecten hebben meegemaakt en die zeggen dat het in de laatste week allemaal af komt. Ik hoop het en vertrouw erop.”

The Fountainhead gaat in première op 15 juni in de Stadsschouwburg. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Recensie: ‘De Pelikaan’ van Toneelgroep Amsterdam

Lepelen, slurpen, spugen, lepelen, slurpen, slikken. De moeder (Marieke Heebink als massieve berg geel tule op de bank) en de dienstmeid (Janni Goslinga als de kwaadaardige zus van Sneeuwwitje) zijn verstrengeld in een ziekelijk ritueel. De meid voert pap, de moeder slikt door of spuugt uit, terug in het pannetje.

Dit soort eindeloos herhaalde, unheimische handelingen zijn zo’n beetje het handelsmerk van regiseur Susanne Kennedy. Na een aantal opmerkelijke voorstellingen bij het Nationale Toneel en NT Gent, rees haar ster snel in Duitsland. Haar eerste grotezaalvoorstelling bij de Münchner Kammerspiele werd uitgekozen voor het prestigieuze Theatertreffen als een van de beste tien voorstellingen van het afgelopen jaar en zij zelf werd door Theater Heute het regietalent van het jaar genoemd. Gistermiddag maakte ze haar debuut bij Toneelgroep Amsterdam.

Ze koos voor De Pelikaan (1907), een relatief overzichtelijk kamerdrama van August Strindberg. De moeder heeft een verstikkende invloed op het leven van haar volwassen kinderen. Terwijl zij pap eet is de dochter van twintig onvolgroeid en vel over been, de zoon is ziek, de schoonzoon is op geld uit. Een brief van de onlangs overleden vader brengt het drama op gang: de moeder heeft het familiekapitaal zelf opgegeten en haar kinderen tekort gedaan, bovendien heeft ze een affaire met de schoonzoon (Vanja Rukavina).

Maar plot is slechts bijzaak voor Kennedy. Ze concentreert zich op de huiveringwekkende situatie, waaruit de personages niet kunnen ontsnappen. Steeds herhaalde korte zinnetjes, steeds op dezelfde manier uitgesproken, is wat er van Strindbergs tekst over is gebleven.

Het decor (Katrin Bombe) is een huis van drie verdiepingen, met boven een kamer voor de volwassen kinderen met ballonnen, knuffeldieren en een hobbelpaard, onderin is een halfhoge kelder. Daartussenin de huiskamer (en dat is vanuit het publiek gezien al behoorlijk hoog) met Heebink die gedurende de voorstelling niet van haar bank komt. Vóór het huis is een doorzichtig doek met daarop projecties van bossen en meer onsmakelijk geëet, smerige schuim dat van lippen en kinnen druipt. De soundscape van Richard Janssen maakt van het huis een levend organisme, dat piepend en bubbelend de personages verder fijnknijpt.

De vele bossen geven al snel de associatie met boze sprookjes. De dochter (Hélène Devos) slaapwandelt (al honderd jaar?),  of het is een soort omgekeerde Hans en Grietje, met een heks die kinderen niet vetmest, maar verhongert. Een metafoor voor de babyboomers? Maar Kennedy slaat je dit soort associaties al snel uit handen. De zoon (Alwin Pulinckx) braakt Schopenhaueriaanse teksten uit over opheffing van de wil en al aan het begin laat een voice-over ons weten dat we hier naar een ‘zuiveringsritueel’ kijken.

De voorstelling is verdeeld in korte scènes die steeds naar een hoogtepunt toewerken, op fantastisch kitscherige symforock-bombast. Daar zit vermoedelijk de kern van wat Kennedy wil. Het naturalistische theater is een geperverteerde constructie, die zo onwaarachtig is en zozeer faalt om betekenis te geven, dat het alleen nog komisch kan werken. Er is een nieuw theater nodig. Met haar complexe beeldenstorm laat Kennedy met haar relatief jonge ploeg een glimp zien van wat dat zou kunnen zijn. Ik hoop dat Amsterdam daar klaar voor is.

De Pelikaan van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 23/3/14 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 5/4. Tournee. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Volgende pagina »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2017 Simber | powered by WordPress with Barecity