Recensie: ‘Flow my tears’ van de Veenfabriek en Wunderbaum

John Dowland, beroemd luitist en componist, tijdgenoot van Shakespeare en… Indiaan? De Leidse muziektheatergroep de Veenfabriek van Paul Koek weeft in zijn nieuwe voorstelling Flow my tears op onnavolgbare wijze renaissance-muziek, electronica, Jeroen Willems, poëzie en verentooien door elkaar,  maar de structuur is uiteindelijk te los.

Jeroen Willems en Marleen Scholten (van Wunderbaum) treden op als zangers van een bandje dat de frêle liederen van Dowland speelt, maar tegelijk hun fascinatie voor Ojibwe Indianen de vrije loop laat. “Het is onze taak om de indiaan in John Dowland te bevrijden. Het is onze taak om de indiaan in zijn muziek voelbaar te maken.” Ze worden begeleid door een combo van blokfluit, contrabas, synthesizer en clavecimbel. Het podium staat vol muziekinstrumenten en heeft een bordkartonnen achterwand die gedurende de voorstelling een paar keer omvalt en door twee technici weer overeind wordt gezet.

De voorstelling is als een concert dat steeds wordt afgewisseld met verhalen, bespiegelingen en conflictjes, vooral met clavecinist Frans de Ruiter. Van Willems wisten we al dat hij kon zingen door zijn succesvolle voorstellingen over Jacques Brel en Scholten zong al eerder prachtig in de voorstelling Songs at the end of the World. Maar samen klinkt het in het begin wat onwennig. Vooral als ze beiden in de hoge registers zingen knarst er wat. Dan zijn het even acteurs die vooral spélen dat ze goed kunnen zingen.

Maar gaandeweg krijgt de sierlijkheid van Dowlands minstreel-achtige, melancholieke liederen vol tranen de ruimte. De half-klassieke, half-moderne uitvoering helpt. Walter van Hauwe bespeelt een schijnbaar zelfgemaakt, hoekig gevaarte, een electronische blokfluit die vloeiende klanken produceert zonder begin en eind, die wonderlijk mooi passen bij het afgemeten geluid van de clavecimbel.

En tussendoor vertelt Scholten buitenissige verhalen over haar krijger, loopt Willems rond met een speelgoed-pijl-en-boog met een grote roze zuignap en draagt hij een spits en lucide gedicht voor van Annelies Verbeke óver Dowland. De combinatie van mooi zingen en absurde humor doet als vanzelf denken aan de voorstellingen van de Zwiterse regisseur Christoph Marthaler.

Maar het gebrek aan samenhang gaat toch irriteren. Waarom hangt die Nederlandse vlag boven het toneel? Waartoe vloeien al die tranen uit de titel? Er wordt gehint naar een overkoepelend verhaal over gemeenschap, ergens bij willen horen, en het zoeken van schoonheid en geborgenheid in contrasten. Maar dat thema blijft te abstract. Zoals altijd wil Koek dat de muziek vervult wat het theater niet kan, maar dat is hier te veel gevraagd, zelfs voor Dowland.

Flow my tears van de Veenfabriek en Wunderbaum. Gezien 8/2/12 in de Stadsschouwburg. Aldaar nog vandaag. Tournee t/m 27/4. Meer info op www.veenfabriek.nl

Recensie ‘#Moes’ van Zina, Veenfabriek

Tussen de A10 en Waterland ligt een stukje paradijs. Net buiten de stad hebben zo’n 350 mensen een huisje en een lapje grond in het Tuinpark Buikslotermeer. Sommigen bouwden er protserig paleisje, anderen hebben slechts een bescheiden keet, en bij weer anderen is het huisje eeuwig in aanbouw. Aan de ene kant ruist de ring, aan de andere kant kijk je op een heldere avond als deze bijna tot aan Monnickendam.

Adelheid Roosen en Paul Koek (De Veenfabriek) brengen nu in dit park de locatievoorstelling Moes, die niet alleen plaatsvindt in de huisjes van de tuinparkbewoners, maar ook voor een deel hun leven als uitgangspunt neemt. Sommige bewoners nemen ook deel; echt community theater dus.

Moes bestaat uit een groot aantal korte, kleine voorstellingen. Bij aankomst wordt je ingedeeld in een groep van een man of twaalf, met wie je een route loopt die je langs vier van de in totaal meer dan tien tafrelen brengt, ieder op een eigen terreintje. Over het terrein wandelend kom je de hele tijd de andere groepen tegen, die worden toegesproken door acteur Titus Muizelaar in een rood speelpakje of die in gesprek zijn met theatermaker Merel de Groot. Je mist meer dan je meemaakt.

Het leuke daarvan is dat je je voortdurend afvraagt wat er wel en niet bijhoort. Die dansende vrouw met het zilveren haar en zwierige glittermouwen natuurlijk wel, net als het meisje met engelenvleugels op haar oren die een lied zingt begeleid door een tuba. Maar die man die wel erg obsessief het zand van zijn veranda aan het vegen is? Of dat ene tuintje dat eerst nog vol afval ligt, maar een half uur later schoon opgeruimd is?

De voorstellingen in mijn route waren een matig stukje Eindspel waarbij de twee spelers zich gelukkig halverwege ontpopten tot een stel met aangrenzende percelen, verschillende opvattingen over tuinieren en een relatie die net zo ontspoord is als de personages van Beckett; het dagboek van een mol – de enige gemeenschappelijke vijand van alle volkstuinbewoners; en een weergaloze solo van Roosen, die een dementerende vrouw speelt die langzaam de grip op haar huisje en op de taal verliest. Roosen is tegenwoordig vooral actief als regisseur en organisator – om het maar oneerbiedig te noemen – maar wat is het een belevenis om haar op de vierkante meter een personage uit te zien beitelen.

Tussendoor krijgen we een zalige minimaaltijd van vergeten groente (ijskruid, oesterblad en soep van raapsteeltjes) uit de tuin van bewoners Ineke en Remco, en helemaal aan het eind komt iedereen samen in de gemeenschapsruimte waar we dansen op robuuste klanken van het Dansorkest 7-2-7, bestaande uit tuinbewoners uit Leiden, waar de voorstelling eerder speelde, waar acteurs Lizzy Timmers en John van Oostrum liedjes zingen.

En zo wordt de tuin een microkosmos vol verhalen, van eenzamen en zonderlingen, bezig met natuurtuinieren, zwarte aarde en appelboompjes, met onderling gekibbel en achterdocht, maar die toch ook ergens een gevoel van gemeenschap zoeken.

#Moes van Zina, De Veenfabriek en Female Economy. Gezien 6/7 in Tuinpark Buikslotermeer. Aldaar t/m 10/7. Meer info op www.ffnaarmoes.nl

Interview Lizzy Timmers

Parool — simber op 28 maart 2011 om 20:27 uur
tags: , , , ,

Tijgers noemen ze ze: de moderne componisten die hen gevormd hebben. Paul Koek en Lizzy Timmers bedachten de voorstelling In de tijd van tijgers voornamelijk bij de Koeks platenkast, zij steeds nieuwe muziek opduikend en hij luisterend naar platen die hij al vijftien jaar niet meer had gehoord. De voorstelling is deze week in Amsterdam te zien.

Lizzy Timmers (Rotterdam, 1980) is nu voor twee jaar verbonden aan De Veenfabriek, het Leidse muziektheatergezelschap van Paul Koek. “Het was vanaf het begin een grote wens alleen samen met hem iets te maken,” vertelt ze in een Amsterdams café, “Om elkaar op die manier te leren kennen.”

Toen Koek slagwerk studeerde op het Haagse conservatorium kwam hij voor het eerst in aanraking met componisten als Webern en Berio. “Bij de platenkast bij hem thuis ben ik heel veel vragen gaan stellen over hoe het was om in aanraking te komen met de klassiek moderne muziek en wat het voor hem betekende. Hij vertelde hoe bepalend die muziek was voor zijn leven en we draaiden platen die hij zelf al jaren niet meer had gehoord. Voor mij was het heel tof om hem de partituren van Stockhausen uit te zien leggen.” Ook werden ze geïnspireerd door het boek The rest is noise van Alex Ross, een muziekgeschiedenis van de twintigste eeuw.

De voorstelling gaat over die muziek, maar uiteindelijk ook veel meer over generaties en hoe je omgaat met traditie en geschiedenis. “Paul heeft op het conservatorium nog vrij autoritair les gekregen: de geschiedenis werd erin geramd. Het was een doorgaande lijn en als je de traditie leerde kennen kon je jezelf uiteindelijk op die lijn plaatsen. Dat is moeilijk voor te stellen voor mij: ik ben eclectisch, ik ben opgevoed in een wereld die vrijwel uitsluitend uit het heden bestaat.”

“Ook bij het maken van de voorstelling kwamen we datzelfde weer tegen: ik ben vrij associatief en hij kan dingen op een heel abstract niveau uitwerken. Maar Paul is niet ouderwets, hij is ook heel modern in z’n denken. De muziek die wij in de voorstelling maken is heel erg van nu geworden. Jazzy en punk, en ik zing ook een nummer van de Zuidafrikaanse hiphoppers van Die Antwoord.”

“Het was echt nieuw voor mij dat ik zo geraakt werd door die modernistische avant-garde muziek. Het is een enorme rijkdom om je te kunnen laten raken door iets uit het verleden. Je vergeet af en toe dat heel veel dingen om ons heen ooit bevochten zijn. Maar omdat we ze vanzelfsprekend vinden dreigt hun betekenis weg te zakken. Voor mij hielp het om via Paul weer even dat vuur van die oorsprong te voelen.”

Het is opvallend dat Timmers een voorstelling als In de tijd van tijgers maakt, want eigenlijk is ze helemaal geen muziektheatermaker. “Ja, ik ben opgeleid tot ‘performer’, maar dan weten de meeste mensen nog steeds niet wat je bedoelt. Ik kan zingen en gebruik meestal in mijn voorstellingen allerlei disciplines: lezingen, dans, of ook wel muziek. Ik houd ervan om bijvoorbeeld een hele rationele tekst te onderbreken met een rare performance. Zo kun je een voorstelling componeren met heel verschillende onderdelen. Sommige critici vinden dan dat ik de rode draad loslaat, omdat ik in iets in een andere discipline doe. Maar voor mij is het heel logisch, en volgens mij voor een niet ingevoerde bezoeker ook.”

Terwijl ze nog tourt met In de tijd van tijgers werkt ze alweer aan twee andere voorstellingen bij de Veenfabriek. “Bij de Nederlandse Operadagen gaan we met Medea doen met muziek van Wim Henderickx en tegelijk werken we al aan het project Moes. Dat is een samenwerking met Zina, de groep van Adelheid Roosen over mensen in volkstuintjes in Leiden en Amsterdam Noord.”

Eerder speelde Timmers al bij het OT in Rotterdam, het gezelschap van haar ouders Gerrit Timmers en Mirjam Koen. “Ik was daar in dienst als actrice en daar heb ik veel van geleerd, maar na verloop van tijd wordt ik onrustig en moet ik weer verder.” Timmers is tevreden bij De Veenfabriek, maar ook hier ziet ze haar onderdak bij als tijdelijk. “Ik ben een vreemde eend. Ik heb ruimte nodig om in m’n eentje te knutselen.”

In de tijd van tijgers van De Veenfabriek is te zien in Frascati van 30/3 t/m 2/4. Meer info op www.veenfabriek.nl

Verslag: ‘Candide’ in Bochum

Bij het eindapplaus komen de cultuurverschillen het scherpst in beeld: de Nederlandse acteurs stuiven uitgelaten het toneel op, hun Duitse collega’s trekken hen weer in het gelid van de strenge en langdurige choreografie die applaus halen in Duitsland nu eenmaal is. Oh, en Duitse critici klappen überhaupt niet.

De première in Bochum afgelopen donderdag van Candide oder der Optimismus van de Nederlandse regisseur en componist Paul Koek is een bijzondere, in een maand die bol staat van theateruitwisseling tussen de lage landen en Duitsland. Vorige week gingen Luk Perceval’s Hamlet in Hamburg en Ivo van Hove’s Menschenfeind in Berlijn in première, over drie weken volgt Theu Boermans’ Hamlet in Graz.

Koek en zijn Leidse gezelschap De Veenfabriek gaan drie jaar samenwerken met Schauspiel Bochum, waarbij ook Nederlandse acteurs en muzikanten worden meegenomen. Het Bochumse theaterhuis start het nieuwe seizoen met maar liefst vijf premières in één weekend om een nieuw begin te markeren: een nieuwe artistieke staf afkomstig uit Essen (waar vorig jaar in Ubu werd samengewerkt met Toneelgroep Amsterdam) heeft de Bochumse schouwburg overgenomen en omdat Bochum ook meedoet met het Culturele Hoofdstadprogramma van Essen en het Ruhrgebied moet nu voor het oog van de wereld (of in ieder geval Duitsland) een artistiek hoogstaand statement worden gepresenteerd.

Candide, naar de filosofische en satirische avonturenroman waarin Voltaire vraagtekens zet bij het optimisme als levensbeschouwing, lijkt een toepasselijk nuchtere keuze bij de aanvang van zo’n grote onderneming. De jongeman Candide, geschoold door een leraar in de geest van Leibnitz (“Dit is de beste van alle mogelijke werelden”), reist door de wereld, maakt rampen en onrecht mee, hoort verhalen van helpers en medereizigers en keert zich uiteindelijk van zijn meester af, maar vindt wel zijn jeugdliefde Kunigunde terug.

Koek gebruikt, zoals hij vaker doet, het toneel als plek om verschillende (muziek)stijlen, ideeën en visies tegenover elkaar te zetten, en uiteindelijk te verzoenen. Een electronisch bandje clasht met klassieke strijkers, de naïeve, jonge Candide (Joep van der Geest) staat naast zijn wijzere, oudere zelf (Jürgen Hartman), elegante couture  wordt ingepakt in afstotelijke blootmaakpakken, de degelijk expressieve speelstijl van de Duitse acteurs staat soms haaks op de exuberante anarchie die de Nederlanders (naast Van der Geest ook Reinout Bussemaker) meebrengen.

De roman Candide is een wirwar van stijlen en Koek zet dit door in de enscenering. Op het lege toneel staat een grote houten doos (decor: Theun Mosk), een coulissendecor, waarin met houten schotten op verschillende dieptes een heuvellandschap of een golvende zee wordt gesuggereerd. Op doorzichtige doeken voor en achter worden kinderlijk getekende animaties geprojecteerd.

De voorstelling duurt ruim drie uur, en regelmatig wordt de handeling onderbroken door langdurige monologen van personages die laconiek over hun gruwelijke lot vertellen. Maar uiteindelijk lijken de oude en de jonge Candide verzoend, de twee muziekstijlen vloeien harmonisch in elkaar over en ook Candide en Kunigunde worden romantisch herenigd.

En daar zit uiteindelijk datgene wat het Nederlandse theater Duitsland te bieden heeft: ongedwongen speelsheid en een flinke dosis romantiek.

Recensie: ‘Kokoschka live!’ van De Warme Winkel e.a.

“Wij weten dat u er niets aan gaat vinden, maar wij móeten dit brengen. Want dít is onze cultuur.” Het Haagse publiek is gewaarschuwd; de theatergroepen die tussen de Mondriaans en het zilverwerk zijn neergestreken in het Gemeentemuseum zijn er niet om te behagen. De vijfde voorstelling van De Warme Winkel in hun serie over Oostenrijkse kunstenaars (na o.a. Rilke en Thomas Bernhard) mist de persoonlijke visie van de eerdere delen, maar gaat in theatrale uitzinnigheid heerlijk overboord.

Oskar Kokoschka was enfant terrible van beroep en in het Wenen van voor de Eerste Wereldoorlog joeg hij de burgerij schrik aan met zijn expressionistische portretten en theatervoorstellingen. Hij was betrokken bij de Münchensche kunstenaarsgroep Der Blaue Reiter rondom Kandinsky en dat vormt de verbinding tussen de voorstelling en het museum, waar een tentoonstelling rondom die beweging te zien is.

In tegenstelling tot de eerdere voorstellingen, waarin de acteurs expliciet commentaar op het onderwerp en hun zoektocht gaven, kiest De Warme Winkel nu niet voor uitleg, maar voor inzet. We zien een aaneenrijging van scènes ontleent aan Kokoschka’s werk: naakte mannen die teksten voordragen, tableaus over zijn oorlogsverwondingen en over zijn angst voor vrouwen, sketches over zijn heftige affaire met Alma Mahler, allemaal met brille ontleend aan zijn visuele stijl, met verwrongen mimiek en lichaamshoudingen en een soundtrack van de jonge muzikanten van De Veenfabriek die nu eens lawaaiig in de weer zijn met bekkens en sirenes en dan weer verrassend melancholieke muziek maken met klokkenspel en cimbalom.

De hele speelruimte lijkt een atelier. De meeste scènes spelen op een verhoogd toneeltje met een goedkoop voordoek en bordkartonnen bomen, maar tussendoor rennen de spelers rond, schilderen ze aan de zijkant nieuwe abstracte lijnen op hun gezicht of hebben ze babbelende onderonsjes met een deel van het publiek. Of ze gaan ineens tussen het publiek staan om ‘boe!’ te roepen tegen hun eigen voorstelling, en rennen dan weer naar het toneel om ‘fuck you!’ terug te schreeuwen.

Een logische ordening is nauwelijks te ontdekken; het lijkt erop dat Marien Jongewaard vooral de kunstenaar zelf speelt (soms rondlopend en louter “Expressionisme!” orerend), Jeroen de Man een levensgrote pop die Kokoschka na de oorlog liet maken die zoveel mogelijk op Alma moest lijken en Mara van Vlijmen ‘de vrouw’ – “het morsige moeras van de voortplanting”. Het is groteske gekkigheid die meeslepend werkt vanwege de manische energie waarmee ze het uitvoeren en de virtuositeit van hun grappen.

Toch zit er iets storends in de vette ironie waarmee ze het onderwerp te lijf gaan. De scènes zijn geestig, inventief en absurd, maar nooit echt aangrijpend, tergend of teder. Wat trok de makers nou toch zo aan in die rare Kokoschka? We komen het niet te weten, en zo ga je na zo’n volle avond theater toch een beetje leeg naar huis.

Kokoschka live! van De Warme Winkel, Veenfabriek en Nieuw West. Gezien 25/3/10 in het Gemeentemuseum Den Haag. Aldaar t/m 25/4. Meer info op www.kokoschka.nl

Recensie: ‘The City’ van De Veenfabriek

De acteurs komen gehaast binnen, alsof ze te laat zijn. Ze kleden zich snel om, doen een paar poses, trekken weer andere kleren van de rekken die links en rechts staan achter een doorzichtig gordijn over de hele breedte van het podium. Achter dat gordijn ook nog een lange tafel volgeladen met speelgoed en een andere tafel vol met plastic bloemen en planten. En een clavecimbel en wat electronische instrumenten van muzikant Ton van der Meer

Martin Crimp is misschien wel de meest Europese van de huidige Engelse toneelschrijvers. Verwacht van hem geen realistische well made plays, maar hoekige stukken waarin de werkelijkheid ontspoort. Crimp zag bij toeval een youtube filmpje van de voorstelling naar zijn stuk Haar leven, haar doden die de muziektheatergroep De Veenfabriek een paar jaar geleden maakte in de V&D in Leiden en was daarvan zo onder de indruk dat hij regisseur Paul Koek vroeg om The City te spelen.

Na het wilde begin lijkt het even een bekend verhaal te worden. Man en vrouw (Reinout Bussemaker en Yonina Spijker) met een burgelijk bestaan vertellen elkaar hun dagelijkse belevenissen. Hij maakt zich zorgen over zijn werk, zij had een merkwaardige ontmoeting met een schrijver uit een ver land. Maar gaandeweg krijg je meer en meer aandacht voor twee andere spelers, dubbelgangers of misschien geesten van de eersten, min of meer hetzelfde gekleed, maar jonger, die zonder tekst de handelingen lijken te becommentariëren. Ze worden gespeeld door jonge mimers. De pianomuziek van Van der Meer wordt doorkruist door snerpende, onheilspellende klanken.

De voorstelling gaat te lang door op dezelfde grondtoon van vervreemding, en wordt dan ruw opengebroken door Anneke Blok die als onwelkome buurvrouw klaagt over de kinderen en een gruwelijke monoloog begint over de vernietiging van een stad in een verre oorlog. Ook zij heeft een dubbelgangster, die met ontbloot bovenlijf een grote cactus omhelst. De heftige uitbarsting staat haaks op de eerdere afstandelijkheid, maar als daarna de sfeer niet verandert snak je naar meer van haar inbreng.

Toch zuigt de voorstelling zich vast in je onderbewustzijn. Vooral door de mooie rol van Spijker; lijzig, maar met een onderhuidse manie. En door de muziek die helemaal aan het eind de ‘echte’ mensen en hun dubbelgangers op een prachtige manier bij elkaar brengt.

The City van De Veenfabriek. Gezien 25/2/10 in Leiden. In Amsterdam (Frascati) 12-16/3. Tournee t/m 3/5 Meer info op www.veenfabriek.nl

Recensie: Licht is de Machine van De Veenfabriek

Sinds een paar jaar werkt Paul Koek vanuit Leiden aan zijn avant-garde combinaties van locatie- en muziektheater. Nu is zijn gezelschap De Veenfabriek neergestreken in een reusachtige hangar op het voormalige marinevliegveld Valkenburg, waar hij het ambitieuze maar moeilijk te doorgronden project Licht is de Machine regisseerde.

Een enorm groen uitgelicht blok verdeelt de ruimte in tweeën. Erin is een lage smalle spleet uitgespaard, waardoorheen we een Katwijks zeegezicht zien. De voorstelling begint met het afbreken van het enorm brede schilderij, zodat we de enorme hal erachter zichtbaar wordt. Het is als een waarschuwing: u hoeft verder geen herkenbaarheid te verwachten.

Wat we wel zien is (onder heel veel meer) een vertederende dans van kleine koepeltentjes, acteur Joep van der Geest die op high-tech mechanische stelten het toneel over rent, een klein orkestje dat minimal music, big band, folky liedjes ondersteund door sirenes en chinese muziek speelt, een enorme carnavalswagen met een meeuwenkop en een verdwaalde postbode op een motorfiets.

Achterliggend thema is het utopische ideaal van de 18e eeuwse filosoof  Charles Fourier waarin arbeid niet langer dient om identiteit of geld te verkrijgen, maar om aan elkaar goed te doen. “Een mens die acht uur per dag vuilnis ophaalt wordt gereduceert tot een vuilnisman, maar iemand die uit vrije wil twee uur per week vuilnis ophaalt blijft een mens die helpt de rommel op te ruimen.”

Van daaruit worden uitstapjes gemaakt naar utopieën van de verschillende acteurs zelf: Van der Geest als profeet van de mens-machine, Reinout Bussemaker als filosoof van de passie, Lizzy Timmers die het leven als kinderspel wil beleven en Yonina Spijker die economische common sense zoekt. De voorstelling eindigt met een adembenemend mooi ballet van tientallen bewegende gloeilampjes, een mechanische utopie van onmenselijke schoonheid.

Koek bracht een groot aantal kunstenaars bijeen –componist Martijn Padding, vormgevers Theun Mosk en Joost Rekveld, dramaturg en schrijver Paul Slangen- maar de inhoudelijke basis is te smal om het verband te blijven zien tussen de verschillende onderdelen. Licht is de Machine is een voorstelling die je graag goed wílt vinden, vanwege de compromisloosheid en gigantische ideeënrijkdom van de makers, maar een die uiteindelijk stikt in z’n eigen overdaad.

Licht is de machine van De Veenfabriek. Gezien 15/11/08 op Vliegkamp Valkenburg bij Katwijk (ZH). Aldaar t/m 13/12. Meer info op www.veenfabriek.nl

Recensies TF: Tourniquet; Haar leven, haar doden; Missie

Parool,recensies — simber op 9 september 2008 om 00:43 uur
tags: , , ,

Een meisje met blote borsten, bovenaan de trap in theater Bellevue. Naast haar een oudere jongere die flyers uitdeelt voor een voorstelling in het Fringe Festival. “Durft u te komen?”, roept hij het tussen lichte gêne en onverschilligheid twijfelende TF-publiek toe, dat staat te wachten op de Tourniquet. Het is te hopen dat ze met z’n tweeën die voorstelling nog even hebben gezien, ze zouden nog wat kunnen leren over choqueren en ongemak.

Het Theaterfestival TF biedt het beste van het Nederlandstalige theater in het hoofdprogramma en daarnaast een rommelig, maar vrolijk chaotisch randprogramma waar iedereeen zich voor kan inschrijven. De jury die het hoofdprogramma samenstelde maakte een eigenzinnige keuze uit het aanbod van het afgelopen seizoen en zo zijn enkele voorstellingen die niet of nog maar beperkt in Amsterdam speelden toch nog te zien.

Tourniquet van de Vlaamse groep Abattoir Fermé is er daar een van. Een blote vrouw in bad en twee blote mannen die een houten plank op een hoge pin en een wieltjesconstructie ronddraaien. Met haar onheilszwangere beelden van mannen in slagerskostuums met slijptollen, de blote vrouw aan het kruis, en op martelingen geïnspireerde rituelen lijkt de voorstelling een oefening in het oproepen ongemakkelijkheid. De soundtrack met pompeuze synthesizerklanken en stemmen van duivelsuitdrijvers doet er nog een schepje bovenop.

Het is nogal katholiek theater, in de zin dat de makers erop vertrouwen dat uitgekauwde en lege rituelen toch effect hebben, terwijl de voorstelling als geheel toch vooral wil laten zien dat mensen die het kwaad willen uitdrijven daarvoor altijd nog groter kwaad begaan.

Veel minder eenduidig is de locatievoorstelling Haar leven, haar doden. De Amsterdamse theaterliefhebber moest er echter wel voor naar Leiden, alwaar De Veenfabriek het stuk van de Engelse schrijver Martin Crimp situeerde in een filiaal van de V&D. In losse scènes schetsen de jonge acteurs en muzikanten het levensverhaal van Anna, van pornoster tot terroriste. Of van communevrouw tot alcoholistische moeder. De raadselachtige fragmenten wensen geen afgerond geheel te worden.

Dat is ook niet nodig, het gaat om de rondwandeling door de winkel en de ruimtes achter. De tekst over consumentisme en de mediamaatschappij schuurt aangenaam met de goedkope burgerlijkheid van de V&D. Dat werkt het mooist als we vanaf de parfumafdeling door een deur naar de ‘coulissen’ van het warenhuis geleid worden. De overgang van de toch al niet vlekkeloze façade naar de achterliggende krochten is subliem. En dan volgt nog een mooie scène bij de roltrappen, waar afdalende klanten een plotselinge en ongewenste opkomst maken op de toneelscène. De omroepberichten over sluitingstijd mengen zich moeiteloos met de laconieke liedjes van Roald van Oosten.

Nog helemaal niet te zien in Amsterdam was Missie van de Koninklijke Vlaamse Schouwburg uit Brussel, het verhaal van een Witte Pater op zending in de Congo. Als je tegenwoordig in België wordt gevraagd om te spreken krijg je zeven minuten, klaagt hij; ach goed, tien, omdat je pater bent. En vervolgens vertelt acteur Bruno Vanden Broecke in zijn eentje in een allereenvoudigste setting vanachter een katheder twee uur lang het verhaal van een kleine man met een grote volharding en een pragmatisch geloof.

Schrijver David Van Reybrouck stelde zich buitengewoon dienstbaar op ten opzichte van zijn documentaire basismateriaal en dat levert en buitengewoon genuanceerd en levensecht beeld op van de missionaris als leraar, arts, wegenbouwer, voetbalcoach en liturgisch doe-het-zelver. En met zijn ouderwets klinkende Vlaams en de bijzondere toeëigening van zijn personage levert Vanden Broecke een fenomenale acteerprestatie. Minimaal theater, maar buitengewoon krachtig, en met een onverwacht theatrale uitsmijter.

Tourniquet van Abattoir Fermé. Gezien 4/9 in Bellevue; Haar leven, Haar doden van de Veenfabriek. Gezien 5/9 in de V&D in Leiden; Missie van de KVS. Gezien 8/9 in de Stadsschouwburg. Meer info op www.tf.nl

TF jury maakt selectie bekend

De jury van theaterfestival TF heeft vandaag haar keuze van elf hoogtepunten uit het afgelopen theaterseizoen bekend gemaakt. De eigenzinnige selectie bevat veel zogenaamd ervaringstheater, waaronder vier locatievoorstellingen. Als alle voorstellingen tijdens het festival hernomen kunnen worden, zal het publiek in september kunnen worden rondgeleid door een V&D warenhuis, in bed worden toegestopt door acteurs, mee moeten doen met een actie tegen verstoringen van jeugdvoorstellingen, aan de bar zitten eten en zelfs een auto winnen.

Ook zijn de makers van de geselecteerde voorstellingen opvallend jong: Laura van Dolron, Dries Verhoeven, Jetse Batelaan (regisseur van Het geheven vingertje) en de makers van Wunderbaum, Abattoir Fermé en De Veenfabriek zijn allen rond de dertig. Met deze selectie maakt de jury onder voorzitterschap van komiek Raoul Heertje een scherpe breuk met eerdere jaren toen publiekssuccessen als De Familie Avenier en Opening Night de boventoon voerden.

Dit jaar is het alom bejubelde Romeinse Tragedies van Toneelgroep Amsterdam de enige voorstelling van een groot Nederlands gezelschap dat de selectie heeft gehaald. De keuze bevat vier Vlaamse voorstellingen, sommige van gezelschappen waar zelfs toegewijde theaterliefhebbers nog nooit van gehoord zullen hebben.

De jury is dit jaar gegroeid van vijf naar zeven leden en ook inhoudelijk versterkt, en heeft nu naast Heertje een hoogleraar Theaterwetenschap, een schouwburgdirecteur, twee critici, een programmeur en een theatermaker in de gelederen. TF vindt dit jaar plaats van 4 t/m 14 september en toont naast de juryselectie ook enkele voorstellingen die zijn genomineerd voor de Toneel Publieksprijs.

De TF-selectie van het seizoen 2007/2008

Romeinse tragedies – Toneelgroep Amsterdam
Kamp Jezus – Wunderbaum
Missie – Koninklijke Vlaamse Schouwburg
Rococo – Hotel Modern
Laatste nachtmerrie – Laura van Dolron
Tourniquet – Abattoir Fermé
Het geheven vingertje – Theatergroep MAX.
Haar leven haar doden – De Veenfabriek
Mijnheer Porselein – Studio Orka
U bevindt zich hier – Dries Verhoeven
www.win-een-auto.com – Bad van Marie

Recensie: ‘Superville’ van De Veenfabriek

Parool,recensies — simber op 16 januari 2008 om 01:29 uur
tags: , ,

Toen in 2002 Theatergroep Hollandia uit elkaar viel, betekende dat het einde van een van de artistiek meest belangwekkende samenwerkingen van het theater in de afgelopen decennia: die tussen Johan Simons en Paul Koek. Simons verhuisde naar Gent en werd een van de supersterren van de Europese theater-scene, en Koek leek een beetje uit beeld te verdwijnen. Maar dat laatste is slechts schijn, of in ieder geval tijdelijk, want vanuit Leiden werkt hij langzaam maar zeker aan een nieuw toonaangevend muziektheatergezelschap in Nederland: De Veenfabriek

Hij stelde een nieuwe groep samen met daarin leden van het artrock bandje Kopna Kopna en de theatergroep JongHollandia, jonge mensen met in hun midden steracteur-in-de-dop Joep van der Geest en werkte de afgelopen jaren vooral aan kleinere projecten. Twee daarvan, Superville en Raket zijn deze week onder de noemer Veenfabriekweek te zien in Frascati.

Superville is een merkwaardige, maar aangename performance over David Humbert de Superville (uitgesproken op z’n Frans). Deze Leidse tekenaar en museumbeheerder uit de vroege 19e eeuw was gefascineerd door lijnen en probeerde in de natuur, de kunst en de fysiologie verbanden te vinden tussen stijgende, horizontale en dalende lijnen en eigenschappen als somberheid en evenwicht. Je zou daarin een vroeg voorbeeld kunnen zien van denken over abstractie in de kunst.

De makers –regisseur Koek en zijn vijf acteurs/muzikanten- proberen dat onderzoek naar lijnen voort te zetten in muziek. In hun grijze pijen met langzaam zichtbaarder wordende kleuraccenten zien de spelers eruit als een kruising tussen monniken en wetenschappers. Ze staan achter een lange verrijdbare tafel met daarop een assortiment analoge synthesizers, klassieke muziekinstrumenten en ander gereedschap dat ieder moment als instrument kan worden gebruikt: cappuccino-schuimertjes, perforators, niet- en boormachines.

Het soort muziek dat ze maken is ook abstract, zonder heldere melodielijnen of doordenderende ritmes, maar de voorstelling heeft een prettig soort absurdisme en humor. Opvallend is dat er eigenlijk geen onderscheid is tussen spelers, zangers en muzikanten; allevijf hebben ze een eigen rol –Yonina Spijker als zenuwachtige Superville-bewonderaarster die voorleest uit zijn werk, Rick Elstgeest als laconieke performer- in deze moderne vorm van Musique Concrète.

Aan het eind leggen ze gewichtjes op de toetsen van de synthesizers zodat het geluid blijft spelen, zetten een machine aan die pingpongballetjes laat zweven en verlaten het toneel, als lo-tech eerbetoon aan Kraftwerk.

Af en toe wordt het onbegrijpelijk en een beetje belachelijk, maar de inzet is dan ook hoog. De Superville was op zoek naar het sublieme en had een hekel aan “pietepeuterige aardigheid” in de kunst. En daarmee wordt deze nogal kunstzinnige voorstelling ook een statement over theater in Nederland, dat volgens commentatoren wel erg braaf en publieksvriendelijk aan het worden is. De Veenfabriek stelt complex theater daartegenover, en verdient daarvoor meer aandacht.

Superville van De Veenfabriek. Gezien 15/1/08 in Frascati, aldaar nog vanavond, Veenfabriekweek nog t/m 19/1. Meer info op www.veenfabriek.nl

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2013 Simber | powered by WordPress with Barecity