Terugblik Seizoen 2006/2007

Uiteindelijk werd het toch nog het seizoen van Ivo van Hove. Op 31 augustus 2006 opende hij het nieuwe TF1 met een vlammend negen puntenplan over het Nederlands theater. En aan het eind was ook hij het weer die tijdens het Holland Festival met Romeinse Tragedies een voorstelling neerzette waar niemand omheen kon. Tussendoor werkte Van Hove in het buitenland en was het in Nederland een rumoerig seizoen waarin het woord crisis vaak viel en waarin er meer aandacht was voor problemen, beleid en randvoorwaarden dan voor voorstellingen.

Een voorstelling als Romeinse Tragedies doet je inzien hoe potsierlijk die crisis-discussie is. Dit is een voorstelling die het toneelrepertoire inzet en bijslijpt, maar ook volstrekt toegankelijk is voor iemand die nog nooit een Shakespeare heeft gezien. Een voorstelling die vanzelfsprekend actueel is en speelt met onze van televisie opgedane kennis over de wereldpolitiek. Maar ook een voorstelling de subversief is omdat hij oproept tot iets meer naïeviteit. We moeten niet vergeten om af en toe te geloven dat machthebbers en politici handelen vanuit een oprecht geloof dat hun idealen het beste zijn voor hun staat en hun volk.

Dit vertrouwen was in de discussie en de crisispraat volledig afwezig. Het theaterveld anno 2007 bleek volkomen verzuild. Grote gezelschappen, kleine gezelschappen, vrije producenten, schouwburgen en festivals lijken allemaal vast te draaien in hun eigen circuit. Koepelorganisaties als de VSCD en de VNT lijken zich meer bezig te houden met hun eigen agenda dan met belangenbehartiging.

De plannen voor acht grote stadsgezelschappen leidden meteen tot woedende reacties van kleine zaalgezelschappen, die zich bedreigd voelden door de groten. Die grote gezelschappen op hun beurt vrezen hun afkalvende aandeel in de programmering van de VSCD-podia, die nauwelijks nog in toneel geïnteresseerd lijken. En dan zijn er nog de festivals die op hun beurt de gezelschappen en de schouwburgen verwijten dat ze kansen op het gebied van publieksbereik laten liggen en een prominentere plek opeisen in het bestel. In het multiculturele theater speelde een geheel eigen, hooglopende discussie toen Annette Embrechts in een artikel in de Volkskrant de frontale aanval opende.

Binnen ieder circuit waren dit seizoen mooie voorstellingen te zien, maar in de zalen bleven echt opzienbarende gebeurtenissen uit. In de kleine en middenzaal zijn voorstellingen van hoge kwaliteit te zien, die echter zelden vernieuwen of verrassen. Keesen & Co maakte met Vrede een mooi menselijk drama, Dood Paard weet in goed gespeelde voorstellingen als Eco en Schuur haar woede op de wereld steeds beter vorm te geven, het Onafhankelijk Toneel gaf in Wankel Evenwicht een verfrissende interpretatie van Albee.

In de grote zaal begonnen de beperkingen voor de makers echt te knellen. Te vaak zie je een mooi idee voor een voorstelling dat wordt ontsiert door de vele onervaren stagaires op het toneel, zoals in Het Wijde Land, of Othello van Het Nationale Toneel. Of staan er excellente acteurs in een niet helemaal uit de verf komend regie-concept, zoals de rommelige filmbewerking Hemel boven Berlijn, het modderballet van de Oresteia, of de onbegrijpelijke keuze van Dirk Tanghe voor het gedateerde stuk August August August.

De festivals maken met recht aanspraak op een betere positie in het theaterveld. De zomer is het meest bruisende seizoen van de theaterkalender geworden. Een aantal jonge makers zijn bij de festivals volwassen geworden, krijgen nu de kans om op grotere schaal te werken, en maken spannend, ambitieus en grensverleggend theater. De installatie-achtige voorstellingen van Dries Verhoeven zoals U bevindt zich hier behoren tot het meest vernieuwende wat er nu in het theater gebeurd. Het altijd wat schattige objecttheater van Deuten & de Goeij weet nu ook te schrijnen en Jetse Batelaans Broeders was vorige zomer een van de grote festivalhits. Toch lijken subsidiegevers, critici en beleidsmakers dit circuit nog niet helemaal serieus te nemen als assemblagehal voor het theater (en het publiek) van de toekomst.

Want al die beleidsmakers zijn toch vooral bezig met de problemen van gezelschappen en zalen. De veelbesproken crisis gaat over doorstroming van jonge makers naar de grote schouwburgzaal, over de leiding van grote gezelschappen, over de opmars van laagdrempelig amusement in de schouwburgen. Er werd veel geroepen over deze problematiek. Waar vertegenwoordigers van de verschillende ciruits elkaar in het openbaar tegenkwamen volgden onvermijdelijk en harde woorden en scherpe uitspraken. Wijze en genuanceerde geluiden, zoals te lezen in de rapporten van de commissies Alons en d’Ancona raakten al snel ondergeschreeuwd.

Binnen al het gekrakeel is een heldere tegenstelling te zien. Grof gezegd: een strijd tussen conservatieven en progressieven. Enerzijds is er een deel van de theatermakers, schouwburgdirecteuren, critici en andere betrokken die toneel te moeilijk en te autonoom vinden. Zij vinden dat het theater op zoek moet naar het grote publiek van weleer en dat daarvoor een restauratie van het oude bestel moet komen, met grote gezelschappen die breed repertoire spelen. Aan de andere kant staan de makers en ondersteunenden die het toneelaanbod juist te behoudend en niet spannend genoeg vinden. Zij zien juist de kenmerkende diversiteit van het Nederlandse theaterlandschap bedreigd worden door een doorgeslagen publieksdenken.

De conservatieven, veelal vrije producenten, gezelschappen als Het Nationale Toneel en Het Toneel Speelt, aangevoerd door koepelorganisaties VNT en VSCD, hebben het tij mee en lieten dit jaar groot zelfvertrouwen zien. De voorstellingen De geschiedenis van de familie Avenier en Kentering van een Huwelijk waren twee van de weinige pubiekssuccessen in een seizoen waarin de kaartverkoop moeizaam liep. Maar vooral de uitspraken van hun vertegenwoordigers baarden opzien.

“Er is te veel complex, onconventioneel theater, toneel voor fijnproevers”, stelde VNT-directeur Jaap Jong in NRC. Hans Onno van den Berg van de VSCD deed er nog een schepje bovenop: “De stuipen van het achterhaalde modernisme moeten tot bedaren worden gebracht.” Ronald Klamer, directeur van Het Toneel Speelt, gaf in de Volkskrant het motto voor de contra-revolutie: “Ik denk ook dat die moderniteit een beetje ongemakkelijk aan het worden is. Ik vind helemaal niet dat het theater moet meegaan met zijn tijd.”

Net als in de echte politiek hebben de progressieven niet echt een stevig antwoord op deze onversaagde aanval op hun lang gekoesterde en vanzelfsprekend bevonden idealen. Maar het is wel duidelijk dat er iets is veranderd. “Ik merk dat wat in Duitsland bekend staat als ‘het Nederlandse theater’ hier niet meer zo gaande is”, merkte hoogleraar theaterwetenschap Kati Röttger op. Mirjam Koen schreef in een reactie op Ivo van Hove: “Het is een tijd waarin intellect, kunstenaarschap en idealisme verdacht zijn. Met veel wantrouwen naar wat niet direct te begrijpen is en niet direct bevredigt.”

Maar waar hoort Van Hove eigenlijk bij? Na zijn toespraak werd hij door de kleinschalige makers nogal ruw in het kamp van de conservatieven weggezet, alsof hij de kleine gezelschappen wilde opheffen ter meerdere eer en glorie van Toneelgroep Amsterdam. Maar dat is toch te kort door de bocht. Van Hove geeft als een van de weinigen in de discussie blijk van een fundamenteel inzicht: de basis van groter publieksbereik wordt gevormd door onontkoombaar goede voorstellingen. Al het andere -bestel, beleid, subsidie, koepels- moet dienstbaar zijn aan dit doel.

Misschien is Romeinse Tragedies daarom ook wel een zelfonderzoek. Van Hove, die uit idealisme en zorg voor zijn werkveld stevige uitspraken deed over het theater, maar merkte dat zijn uitspraken door de cynisch geworden toehoorders meteen zo negatief en opportunistisch mogelijk werden uitgelegd.

Maar hoe knap de grootschalige visie van Romeinse Tragedies ook is, ik denk dat ook Van Hove beseft dat het niet de enige manier is om groots theater te maken. Instemmend citeerde hij in zijn toespraak John Cage: “De rivier is een delta geworden. Er zijn vele mogelijkheden en misschien moeten we beseffen dat we ons al midden op de oceaan bevinden.” De rivier, het mainstream theater waar de conservatieven naar terugverlangen, ligt stroomopwaards en komt nooit meer terug. De vele losse circuits die zich dit jaar zo roerden zijn de meanderende armen van de delta, en de oceaan is al in zicht.

Het is al eerder gezegd, maar het zal herhaald moeten worden totdat het vanzelfsprekend is geworden: de jongste generatie makers heeft maling aan genres, hokjes en stijlen, hopt tussen circuits, is flexibel en mobiel. Ze zijn individualistisch, maar werken graag samen, ze maken voorstellingen bij produktiehuizen, bij gezelschappen of op festivals en ze zoeken hun autonomie in zichzelf en niet in de produktie-omstandigheden. Maar bovenal voelen ze zich diepgaand verantwoordelijk voor hun publiek.

Degenen die artistieke autonomie nog steeds automatisch verbinden aan publieksvijandigheid moeten hoognodig afreizen naar Terschelling, Den Bosch en Amsterdam Noord om te zien hoe op de festivals toeschouwers verleid, verwend en verzorgd worden. De stuipen van het achterhaalde modernisme? Deze makers zijn het postmodernisme al ruimschoots voorbij.

Marcus Azzini, net benoemd als vaste regisseur bij Oostpool, maakte voor MTV Sexual Perversity, een van de meest levenslustige voorstellingen van het seizoen, bij De Theatercompagnie Peanuts (nieuw Italiaans repertoire) en met zijn eigen gezelschap Teatro op De Parade staat met de voorstelling Iets. Laura van Dolron, die maar liefst drie voorstellingen maakte die de vorm -en misschien ook wel een deel van het publiek- lenen van cabaret, maar die inhoudelijk stevige filosofische noten kraakt. Dries Verhoeven maakte naast zijn autonome installatievoorstellingen in de winter in de zalen het decor van Stillen van Lotte van den Berg waar hij duizenden glycerinezeepjes op de vloer legde.

Het theater zal nooit meer zijn vooraanstaande positie uit de jaren vijftig terugveroveren. Maar theater is ook niet voor een klein publiek van professionals en ingewijden. Meer en meer wordt het theater iets voor een heleboel volstrekt uiteenlopende kleine publiekjes. De theatersector zou er beter aan doen dit gegeven te omarmen en manieren te zoeken om de juiste voorstelling en maker aan de juistje niche te koppelen.

Volgend seizoen zal in het teken staan van de vierjaarlijkse subsidieverdeling. Dan zal blijken welke van de jonge makers definitief gevestigd zullen worden. Dan zullen we zien of de nu voor hen zo kenmerkende mobiliteit een gevolg is van de omstandigheden en dat ze als ze de kans krijgen zich aansluiten bij een stroompje in de delta, of dat het daadwerkelijk onderdeel is van hun artistieke signatuur.

Hierbij horend:

Top 5

Stillen, Het Toneelhuis
Buitengewoon precieze studie naar medemenselijkheid van Lotte van den Berg, die het label ‘jonge maker’ definitief is ontstegen en vanaf nu gewoon bij de belangrijkste theatermakers van het land hoort.

Romeinse Tragedies, Toneelgroep Amsterdam
Meeslepende toneelmarathon is enerzijds een samenkomen van enkele belangrijke lijnen in het oeuvre van Van Hove en Versweyveld, maar toont daarnaast nieuwe wegen voor grootschalig repertoiretheater

Fortuyn, Helmert Woudenberg
Deconstructie van het publieke personage zonder imitatie of veroordeling. Relevant als maatschappelijk commentaar en als heldere demonstratie van een acteermethode.

Torquato Tasso, ’t Barre Land
Lucide remake van een tien jaar oude voorstelling, waarbij het publiek consequent mag meedenken en zeldzaam serieus genomen wordt. Repertoire (in beide betekenissen van het woord) dat ertoe doet.

U bevindt zich hier, Dries Verhoeven
Ervaringstheater dat krachtig existentiële eenzaamheid weet te verbeelden en zowaar een klein beetje weet op te heffen. Een wondertje.

Tip 5

Lieve Kitty, Dood Paard en Nieuw West
Rob de Graaf schrijft een nieuwe tekst over de wereld van Anne Frank. De vorige samenwerkingen tussen De Graaf en Dood Paard (Geslacht, Schuur) waren mooi. Nu met Marien Jongewaard op de vloer is het spannend, maar veelbelovend.

Mightysociety5, Eric de Vroedt
Voor het nieuwste deel van zijn Mightysociety serie verlaat De Vroedt zijn vertrouwde procedé (boekenkast omgooien, stuk schrijven) en gaat samen met jonge groep De Noorderlingen een installatievoorstelling maken over jong zijn in Nederland.

Angels in America, Toneelgroep Amsterdam
Is Tony Kushners stuk over AIDS en republikeinen nog wel van deze tijd? Kan Van Hove de klassiek geworden opvoering van Guy Cassiers uit 1994 doen vergeten? Het zou kunnen van niet, maar toch kijk ik hier erg naar uit.

Kamp Jezus en De tien geboden, NT Gent
Johan Simons goes reli, met twee voorstellingen over het Christendom.

Oblomov, Het Zuidelijk Toneel
Met Bert Luppes in de titelrol en René van ’t Hof als de cholerische bediende Zachar. Laten we hopen op de wederopstanding van HZT, en dan volgend seizoen weer nieuw repertoire.

0 Comments »

No comments yet.

RSS feed for comments on this post. TrackBack URI

Leave a comment

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2017 Simber | powered by WordPress with Barecity