Interview Johan Simons

interviews,reportages,Theatermaker — simber op 29 april 2011 om 14:46 uur
tags: , ,

Er is veel te benijden aan de Münchner Kammerspiele – de status van onaantastbaar instituut, de vrijwel onbegrensde theatrale mogelijkheden, de enorme betrokkenheid van het publiek –  maar het meest aansprekende is toch wel het café. Dat ligt niet aan de sjieke Maximilianstraße, de dure winkelstraat waaraan het Schauspielhaus, de grote zaal in art deco-stijl, gevestigd is, maar om de hoek in de moderne glas en betonbouw waar het gezelschap haar kantoren, ateliers en kleine zalen heeft. Overdag bestaat het uit twee ruimtes, een eenvoudig openbaar café, door middel van een verschuifbare wand gescheiden van de personeelskantine. ’s Avonds na de voorstellingen worden de twee samengevoegd en kunnen publiek en spelers elkaar ontmoeten.

Op een doordeweekse avond schuiven hier langzaamaan verschillende groepen naar binnen. Eerst de spelers van They shoot horses, don’t they? van Susanne Kennedy, dat een paar verdiepingen hoger in de Werkraum werd opgevoerd. Een paar Nederlandse journalisten zijn er ook. In drie achtereenvolgende dagen kunnen ze nieuwe voorstellingen van Kennedy, Simons (Winterreise) en Ivo van Hove (Ludwig II) zien. De volgenden zijn de spelers die met regisseur Sebastian Nübling de voorstelling Alpsegen repeteren, Benny Claessens is een van hen. En tenslotte, veel later, de groep medewerkers aan Ludwig II, die zojuist de eerste en enige try-out heeft gehad. De sfeer is levendig, maar niet geheel zorgeloos.

Het café heeft één bar, maar publiek wordt geacht op een ander punt haar drankjes te bestellen dan de Kammerspiele-medewerkers, die om een hoekje voor een habbekrats thee, worst en brood met kaas kunnen kopen. De thee wordt geschonken in smalle hoge bierpullen van een halve liter, met handvat. Later op de avond drinken ze uit glaasjes die net zo smal en hoog zijn, maar tien keer zo klein. Daar zit wodka in.

Johan Simons verschijnt pas laat. De evaluatie na Ludwig II duurde lang en ook al zegt niemand het hardop, het is duidelijk dat de de try-out enige zorgen baarde. Problemen met de gecompliceerde videotechniek, met het ritme, misschien ook wel met de spelers. Later blijkt dat Van Hove die avond besloten heeft om een half uur uit het tweede deel te schrappen. En, iets verder op de achtergrond, is er enige ongerustheid over de harde kern van Ludwig-vereerders die in München de nalatenschap van de Beierse sprookjeskoning bewaken. Wat moeten zij wel niet denken van die Vlaamse regisseur en de Hollandse hoofdrolspeler, ook al is het de populaire Jeroen Willems?

Simons drinkt geen wodka. ‘Ik heb veel te veel werk voor wodka’, grapt hij tegen de aanwezige Nederlanders. Hij heeft een baard laten staan en draagt een zijden sjaaltje half onder zijn overhemd. In het café loopt hij rond als een kruising tussen een jeugdherbergvader en een kapitein op de grote vaart. Hij lijkt vermoeid en contemplatiever dan gewoonlijk. ‘Het is echt veel meer werk dan NT Gent leiden, veel meer werk dan ik vantevoren had verwacht.’

De wittebroodsweken zijn voorbij, beaamt hij. ‘Tot de Kerstperiode was het voor de acteurs alleen maar heel erg leuk en spannend, maar nu moeten ze echt gaan samenwerken. En dat kost gewoon veel tijd.’ Ook de pers liet even haar tanden zien. De nieuwe voorstelling van Simons, Winterreise van Elfriede Jelinek, werd neergesabeld in de Süddeutsche Zeitung (‘gedachteloos zelfvoldane enscenering’, ‘Hollands boerentheater’) en dat doet pijn: ‘Negentig procent van mijn publiek leest die krant. Ik heb het belang van de pers onderschat. De acteurs riepen: daar trekken we ons niks van aan, maar dat blijkt echt grootspraak.’

De dagen erna kun je hem steeds tegenkomen in de buurt van dat café, op weg van of naar een afspraak, pratend met z’n acteurs, een beetje aangeschoten van een etentje met Van Hove en Jan Versweyveld nog even de stemming proevend, de verzamelde Nederlanders vermakend met anekdotes.

Winterreise blijkt na de strenge recensies een verrassend mooie voorstelling. Wel weer een hermetische tekstkathedraal van Elfriede Jelinek, maar dit keer persoonlijk van toon. Jelinek was vroeger pianolerares en heeft Die Winterreise van Schubert vaak begeleid. Naar aanleiding van de verschillende liederen uit de cyclus schreef ze korte scènes, sommige (wederom) over de kredietcrisis of het ontvoerde ‘keldermeisje’ Natascha Kampusch, maar ook over haar familie, met name haar vader.

Op het toneel staat een kleine familie, met Kristof van Boven achter een vrij angstaanjagend poppenmasker als jong meisje en Benny Claessens als bruid. Het toneel is de zaal ingebouwd, het brandscherm is neergelaten en telkens als de spelers door een deur in dat scherm op of af moeten, moeten ze vechten tegen de enorme windmachines die erachter staan en die ook het keurig gecoiffeerde haar van de toeschouwers flink door de war halen. Alsof het toneelhuis een onherbergzaam oord is en de spelers beschutting zoeken bij het publiek.

Bij de spelers valt het gevaar en de onberekenbaarheid van Claessens op. Niet alleen weet hij het publiek scherp te houden, hij zet ook zijn medespelers onder hoogspanning. Maar André Jung trekt in de tweede helft de avond naar zich toe met een onvergelijkelijke vader-monoloog van een half uur over ouderdom en sterfelijkheid. Simons heeft ervoor gekozen om naast Jelineks autobiografie elementen uit zijn eigen leven te gebruiken. We zien filmbeelden van de watersnoodramp uit 1953 en Katja Herbers speelt een Hollands jochie op klompen en luidt sierlijk spastisch dansend de voorstelling uit.

Een paar dagen later spreken we elkaar in Simons’ Müchner huis. Hij woont, samen met de acteurs Claessens en Van Boven en dramaturg Jeroen Versteele, in een statige villa in de sjieke wijk Nymphenburg, iets ten westen van de binnenstad. Op de begane grond woont de eigenares, een oudere dame. Het eerste dat opvalt is de schitterende, licht gelakte, krakende houten vloer. Op de bovenverdieping is een gezellige keuken, een washok en verder drie vrijwel lege ruimtes. In één ervan staat alleen een eettafel, in een ander staan een paar leunstoelen met een struik staande lampen erbij. Hier en daar ligt wat Kammerspiele-drukwerk, maar de muren zijn leeg en wit. Grote ramen op het zuiden geven uitzicht op een door de winter verlaten tuin.

De avond ervoor was de première van Ludwig II. De koningsgezinde Beiers hebben zich rustig gehouden, het publiek was enthousiast, maar Simons is nog niet tevreden. ‘Het publiek vind het goed, maar ze zijn niet juichend, dat voel je. Het werk van Ivo wordt hier op een heel andere manier begrepen. Ze vinden dat er heel veel theatrale middelen worden gebruikt en dat er daardoor te weinig aandacht voor de acteurs is. Ja, Jeroen Willems vonden ze prachtig, ze houden van hem. Of dat wederzijds is? Dat weet je niet. Jeroen is een eenzame wolf.’

Hoe druk hij het precies heeft? ‘Echt heel druk. Ik voer nog steeds veel kennismakingsgesprekken. Afgelopen weken bijvoorbeeld met het Haus der Kunst, de Bayerische Rundfunk en het Goethe Institut, en ik ben gevraagd als bestuurslid van de Allianz Kultuurstiftung. Allianz is een van de grootste verzekeraars ter wereld en ze geven een deel van hun winst aan een cultureel fonds en als je daarbij betrokken wordt, wil de directeur zelf even weten wat voor vlees hij in de kuip heeft. Dus dan zit je daar te eten in een smetteloos wit kantoor met een van de machtigste mannen van Duitsland. Vergeleken met zijn begroting is dat fonds een schijntje, maar cultuur is zo belangrijk dat hij zich er persoonlijk diepgaand mee bezig houdt.’

‘Ik kom hier natuurlijk niet vandaan zoals mijn voorganger Frank Baumbauer. Ik moet toegang zien te krijgen tot de macht. Mijn functie is in de eerste plaats het gezicht naar buiten toe. De meeste managementtaken binnen het gezelschap kan ik delegeren, behalve één: het ensemble. Ik moet voor die spelers zorgen. En ook dat is hard werken. De acteurs zijn allemaal veeleisend: ze willen uitgedaagd worden, als wat ze doen te ‘gekund’ wordt dan gaan ze in de contramine. Ik doe ook dingen fout, bij het samenstellen van het repertoire voor volgend seizoen wisten sommige acteurs eerder wat ze zouden gaan spelen dan anderen. Dat is onhandig, daar voel ik me ook schuldig over.’

‘Maar wat ik het meeste mis is dat acteurs ook onderling kritiek geven. Dat hadden we ontwikkeld met Hollandia en dat is heel belangrijk want dat betekent dat ze niet alleen voor de regisseur of het publiek spelen, maar ook voor elkaar en dat ze daardoor elkaar scherp houden. Nu moet ik dat helemaal opnieuw opbouwen. En krijg ik ineens ná de première van Ludwig II allerlei kritiek over me heen.’

Simons zoekt ook manieren om typisch Duitse eigenaardigheden te veranderen, zoals de ene try-out voor grote voorstellingen of de merkwaardige premièregebruiken. ‘Er bestaat hier een speciaal premièreabonnement. Dat kost flink wat meer dan een normaal abonnement, dus dat zijn rijke mensen. In combinatie met de critici op premièreavonden – en dat zijn er ontstellend veel; bij Winterreise zaten er 84, bij Ludwig II 62 – is dat vreselijk. Bij Winterreise spelen de acteurs direct op de toeschouwers. Maar zo’n publiek geeft niks terug, dus dan werkt de voorstelling niet. Dus ik wil dat splitsen, zodat de pers tussen het gewone betalende publiek komt te zitten.’

Je hoeft de vraag niet eens te stellen: ‘Waarom doe ik dit?’, verzucht hij, ‘Met één operaregie kan ik een jaarsalaris verdienen. Deels is het eerzucht en ambitie, maar dat is niet genoeg.

Het is ook oprechte nieuwsgierigheid,  naar een andere cultuur en samenleving.’ Maar ook op dat gebied is het aanvankelijke enthousiasme getemperd. ‘Duitsland is een polemische samenleving, een vechtcultuur. In het begin vond ik dat alleen maar geweldig: ze hébben het ergens over. Maar ik merk nu dat er ook een groot nadeel is: je gaat mensen categoriseren: wat ben jij er voor eentje? Waarover verschil ik met jou van mening? En ze kunnen, ook in mijn bedrijf, van ieder klein probleem een catastrofe maken.’

‘Nee, we hebben het pleit nog niet gewonnen’, zegt hij. ‘Het gaat niet over of ze mij een goede regisseur vinden, maar dat dertig man zich oké voelen. Iedereen moet betrokken zijn.’ Dan belt hij een taxi om hem naar het vliegveld te brengen. Vanavond is hij thuis.

Kammerspiele in Amsterdam. In maart 2012 strijkt de Münchner Kammerspiele een week lang neer in de Stadsschouwburg Amsterdam.

0 Comments »

No comments yet.

RSS feed for comments on this post. TrackBack URI

Leave a comment

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2017 Simber | powered by WordPress with Barecity