Interview: Annemie Vanackere

interviews,Theatermaker — simber op 28 september 2011 om 09:12 uur
tags: , ,

Ze is een van de gezichtsbepalende programmeurs van Nederland. Maar na zestien jaar neemt Annemie Vanackere afscheid van ‘haar’ Rotterdamse Schouwburg en tegelijk van Nederland. Terugblikken gaat haar echter nog niet gemakkelijk af. Voordat ze naar Berlijn verhuist om het Hebbel Am Ufer (HAU) te gaan leiden is er namelijk eerst nog haar laatste editie van De Internationale Keuze, het eigenzinnige internationale theaterfestival dat ze samen met schouwburgdirecteur Jan Zoet uit de grond heeft gestampt. “Mensen denken nu dat ik net op tijd weg ben.”

De verwachtingen gaan vaak sneller dan de werkelijkheid, is Vanackeres ervaring. “Op 31 mei was de persconferentie in Berlijn over mijn nieuwe functie”, vertelt ze eind juni in een vergaderzaaltje op de bovenste verdieping van de Rotterdamse Schouwburg. “Twee dagen erna was de opening van het Holland Festival waar ik al mijn collega’s tegenkwam – mijn coming out. En inmiddels denkt iedereen dat ik al weg ben. Maar ik ben nog heel erg híer en heel betrokken. En ik heb nog een heel festival waar ik heel erg enthousiast over ben.”

“De sfeer van de afgelopen weken, na het Raadsadvies, is echt onder mijn vel gaan zitten”, zegt Vanackere. Ze reageerde zelf door een groot aantal internationaal vooraanstaande kunstenaars te vragen om hun naam te zetten onder een protestbrief. “Iedereen reageerde heel vanzelfsprekend en heel snel. De teneur in de landen waar wij veel contact mee hebben is er een van: als het in Nederland al gebeurt… Nederland is in sommige opzichten toch een gidsland. Ik ging er zelf nooit zo snel op in als ik petities kreeg uit andere landen, maar denk ik nu toch anders over. De belangstelling uit het buitenland heeft me echt verrast. Met sommige mensen heb ik lang aan de telefoon gezeten. Iedereen wil meer weten over wat er aan de hand is. Men bekommert zich zeer.”

Via de dans leerde ze het internationale theatercircuit kennen. In 1991 was ze dagelijks leider bij Klapstuk in Leuven, een festival vergelijkbaar met Springdance in Nederland. “Als toeschouwer ben ik daarin beland, en eigenlijk is dat nog altijd wat ik ben. Uiteindelijk wil ik mooie ervaringen doorgeven.” In 1993 werd ze artistiek directeur van het Nieuwpoorttheater in Gent waarna ze eind 1995 programmeur werd van de Rotterdamse Schouwburg. Daar zette ze in 2001 samen met directeur Jan Zoet voor het eerst een internationaal theaterfestival op, in het kader van het Culturele Hoofdstadprogramma.

Het thema van dit jaar, ‘Parallelle Werelden’, wordt niet heel expliciet genoemd. “Ik heb eigenlijk een hekel aan thema’s, ze worden al gauw inwisselbaar en ze dragen het gevaar in zich dat ze te veel connotaties opleggen aan de voostellingen. Maar voor mijzelf was het ook nu weer een houvast: ik zag zoveel voorstellingen die in twee geografische gebieden spelen, van mensen die het over afstand willen hebben, en over het verschil tussen beschouwen en ervaren.”

“Neem bijvoorbeeld Les Spectateurs van Omsk, dat voortkomt uit het verblijf van Lotte van den Berg en haar gezelschap in Kinshasa. Of Gintersdorfer & Klaßen met La fin du western/The end of the western, Duitse theatermakers die een voorstelling maken met acteurs uit Ivoorkust, waar niet zo lang geleden twee presidenten allebei de macht claimden en bevelen gingen uitdelen. Dat wordt een voorstelling die zich op twee plekken tegelijk afspeelt waarbij je als toeschouwer moet kiezen: blijf je zitten of sta je op om om het hoekje te kunnen kijken. Zo wordt de tegenstrijdigheid ook in je eigen lichaam voelbaar. En in onze productiehuisvoorstelling Free Mason van Tjon Rockon komt die dubbelheid tot uiting in de stad zelf: de voorstelling begint hier in de schouwburg, maar het publiek loopt mee naar een café op de Kruiskade.”

“Een ander thema binnen het festival, misschien wel het spannendste, is Imagine 2020. Het is een weekend in het midden van het festival waarin we het publiek uitdagen om concreet over dat toekomstige jaartal na te denken. In zekere zin is  ‘de toekomst’ ook een parallelle wereld, we zijn zelden alleen maar ‘hier en nu’; ons verleden begeleidt ons voortdurend en we projecteren voortdurend vanalles naar de toekomst. De Rotterdamse Schouwburg doet mee aan het Europese Netwerk Imagine 2020; Art & Climate Change. Dat heeft een praktische kant – de Rotterdamse Schouwburg heeft een groene-schouwburgconvenant getekend – maar ik ben vooral geïnteresseerd in de filosofische en politieke kanten. Ons uitgangspunt voor het project tijdens de Internationale Keuze was de vraag hoe we Rotterdam in 2020 duurzaam maken.”

“We hebben Davis Freeman uitgenodigd, die met Forced Entertainment en Wim Vandekeybus heeft gewerkt. Hij heeft al eerder eenvoudige manieren weten te vinden om het over het geweten te hebben, zonder met een belerende vinger te zwaaien. Nu presenteert hij een voorstelling die pas begint als mensen uit het publiek beloofd hebben om mee te helpen de CO2-uitstoot ervan te compenseren, bijvoorbeeld door een maand lang geen vlees te eten of maar één minuut te douchen. Hij presenteert zichzelf als een green priest. Zo zet hij echt het denken op z’n kop. Tijdens dat weekend houden we een manifestatie op het Schouwburgplein, met eten aan een lange tafel, en presentaties van kunstenaars, onder andere Arne Hendriks –die voorstelt om mensen vijftig centimer te laten krimpen: dat is veel duurzamer – en Rotterdamse Oogst, een slow-food-organisatie die ervoor pleit dat de stad z’n voedsel van dichtbij haalt. Zo willen we ook het plein laten zien als een verlengstuk van de nieuwe stadsfoyer.”

“En ik vind het ook belangrijk om te zeggen dat kunst niet alleen politiek is. Het gaat altijd ook over poëzie, de liefde, het leven en het verlies. Dat zijn dan misschien geen maatschappelijke problemen, maar ieder mens heeft ermee te maken. Daarom verheug ik me er op om The fault lines van Meg Stuart weer te zien. In de eerste plaats zijn we toch allemaal een mens die ook een vader of een moeder heeft, misschien een partner, of een partner verloren heeft. Dat blijft een deel van ons mens zijn.”

Na de verbouwing en het festival dat zich vorig jaar vrijwel geheel op locatie afspeelde, zijn bijna alle voorstellingen nu weer te zien in de Rotterdamse Schouwburg. “Ik wil heel graag proberen om het avontuurlijke gevoel van in een bus stappen en ergens naartoe rijden vast te houden binnen de schouwburg. Dat is ook wat ik in het HAU wil doen. Locatietheater is populair, omdat het spannend en anders is, maar het is ook vaak een eerste-graadservaring. De voorstellingen van Rodrigo Garcia en René Pollesch zijn veel gevaarlijker dan veel theater op locatie, juist omdat het zich afspeelt in de beschutte ruimte die het theater ook is.”

Ze schrikt als ze zichzelf hoort zeggen dat ze inmiddels zestien jaar voor de Rotterdamse Schouwburg werkt. Het blijkt lastig om er al op terug te blikken. “Tsja, Rotterdam is natuurlijk heel erg veranderd in die periode. Een deel van de missie van de Rotterdamse Schouwburg was en is om het air van kosmopolitisme dat de stad toch wil hebben handen en voeten te geven. Om mee te helpen bouwen aan een goed cultureel aanbod. Toen de stad in 2001 Culturele Hoofdstad van Europa was merkte je dat er openheid was, een internationaal zelfbewustzijn. Na de moord op Pim Fortuyn kwam er een terugval.”

“Leefbaar Rotterdam drukte een groot stempel op de stad, op de taal vooral. Je merkte dat er meer op je werd gelet. De Rotterdamse Schouwburg werd toch gezien als horend bij dat PvdA-bolwerk van het Rotterdamse establishment. Maar wij zijn nooit zo expliciet politiek geweest. Onze politiek is meer ingetogen, bijvoorbeeld door voorstellingen als die van Meg Stuart te programmeren. Ik vind dat zeer schoon, maar het is extreem; er zijn altijd mensen die weglopen. De beslissingen die Jan en ik namen om toch veel internationale en onconventionele voorstellingen te blijven programmeren hebben we wel heel bewust genomen. Je moet enerzijds iets meer je rug rechthouden en tegelijk buigzaam blijven, anders breek je.”

“Ik heb altijd erg gehouden van ‘mijn’ publiek. Ze zijn altijd ontvankelijk. Het nadenken over publiek is sterk veranderd in de tijd dat ik hier werkte, mede onder invloed van het anti-elitarisme in de samenleving. Maar er zijn in de afgelopen jaren ook heel veel stoelen bijgekomen in de regio, denk aan het Nieuwe Luxor en nieuwe theaters in de regio Rotterdam. Die worden vooral gevuld door vrije producties, dus onze artistieke taak is alleen maar scherper geworden. Maar het is dus voor ons wel moeilijker geworden om echte publiekstrekkers te vinden die niet al in de omgeving van Rotterdam spelen. Ik geloof nog steeds dat ik het Rotterdamse publiek ook in ons soort theater kan meenemen. Er zijn grenzen aan, maar ik geloof er wel in.”

“Rotterdam blijkt het moeilijk te hebben om kunstenaars vast te houden. De stad was een tijd aantrekkelijk, goedkope werkruimte, een goesting in uitdagende projecten, maar na 2002 begonnen veel kunstenaars weer vertrekken. Daarom vind ik het fijn dat mensen die aan ons productiehuis verbonden zijn zich ook echt committeren aan de stad en er willen wonen, zoals Joachim Robbrecht of Sarah Moeremans. Het deed me ook echt een beetje pijn toen ook de laatste Wunderbaumer besloot te verhuizen naar Amsterdam.”

Ziet ze overeenkomsten tussen haar oude en haar nieuwe stad? “Rotterdam en Berlijn zijn toch vooral verschillend. Rotterdam is een havenstad; daar komt het geld vandaan. In Berlijn is er geen andere industrie dan cultuur. Het leven is er goedkoop en iedereen verdient weinig geld, maar niemand lijkt daarover te klagen. Als je geld wilt verdienen dan ga je maar naar Hamburg of München, zegt men dan. Mensen hier zeggen nu dat ik net op tijd weg ben in verband met de bezuinigingen, maar zo wil ik het niet zien. Toen ik hier kwam was het mede omdat ik wilde samenwonen, nu vertrek ik nadat mijn man twee jaar geleden gestorven is en ik op een punt in mijn leven ben waarop ik opnieuw zo’n grote stap kan zetten. Aan de andere kant: de twee dingen die mij het meest aan het hart gaan – De Internationale Keuze en Productiehuis – dreigen nu te verdwijnen.”

De Rotterdamse Schouwburg heeft wel te maken met haar nieuwe werkpek. “Ik noem het HAU soms de Rotterdamse Schouwburg, maar dan verspreid over drie plekken. Het oude Hebbel Theater, nu HAU1 is een grote zaal met 700 stoelen, HAU3 is meer een studio. Het is de combinatie van programmeren – ook internationaal – coproduceren en festivals die ik in Rotterdam heb kunnen ontplooien en die ik nu verder kan ontwikkelen in Berlijn. En wat me speciaal interesseert is de strijd die er in Berlijn nog is tussen de grote Stadttheater en de Freie Szene. En vergis je niet: in Berlijn is geen overdaad aan internationaal aanbod. Daar valt heus nog wel wat te doen.”

Een paar weken later spreken we elkaar nog even aan de telefoon. Vanackere is inmiddels in Berlijn, voornamelijk om haar Duits bij te spijkeren. Gespeeld zorgelijk vertelt ze nog: “Weet je wel dat ik helemaal opnieuw moet beginnen? De contracten van een groot aantal medewerkers lopen af als de intendant stopt. En er wordt geen enkele voorstelling geëngageerd voor de periode daarna. Dus in september 2012 moet ik een volledig programma en een nieuwe organisatie hebben; dat wordt nog wel spannend.”

0 Comments »

Nog geen reacties

RSS feed voor reacties op dit bericht. TrackBack URI

Een reactie plaatsen

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2014 Simber | powered by WordPress with Barecity