Theatergroepen werken samen met regionale omroepen

reportages — simber op 2 september 2010 om 09:41 uur
tags: , , , , , , , ,

Voor het seizoen begint even de archieven opruimen en oude stukken online zetten. Dit schreef ik voor 609, het tijdschrift van het Mediafonds.

Regionale televisieomroepen willen drama uitzenden en theatergroepen zoeken een groter bereik. Samenwerking ligt voor de hand. En zo ontstonden het afgelopen jaar steeds meer initiatieven voor co-producties. De plannen zijn optimistisch, maar de praktijk is soms weerbarstig. “Iedereen wil vooral goedkoop uit zijn.”

Voor Ira Judkovskaja is het een nieuwe ervaring: meewerken aan een treatment. Lange sessies met regisseur, scenarioschrijver en producenten om het verhaal, de karakterontwikkeling en de setting van een nieuwe televisieserie uit te denken, op te schrijven en te herzien. Judkovskaja is toneelregisseur en artistiek leider van het Friese theatergezelschap Tryater. Voor het eerst werkt het gezelschap nu samen met Omrop Fryslân bij het ontwikkelen van een groot opgezette dramaserie, die eind 2011 te zien moet zijn.

“Er was natuurlijk al samenwerking”, vertelt de van oorsprong Russische Judkovskaja. “Omrop Fryslân maakt regelmatig registraties van onze voorstellingen en onze acteurs spelen mee in hun producties.” Het idee voor een gezamenlijke dramaserie kwam van de grond toen de jonge filmregisseuse Mirjam de Wit die bij Omrop Fryslân aanklopte met een plan. Ze wilde een film maken over een groep jongeren in een Fries dorp, waarvan er één verongelukt. Werktitel: De Keet, naar de drinkkeet waar de groep bij elkaar komt.

Continue reading “Theatergroepen werken samen met regionale omroepen” »

Theater op televisie

overig — simber op 17 september 2009 om 17:19 uur
tags: , , , ,

Geschreven voor 609, het nieuwe kwartaal tijdschrift van het Mediafonds (voorheen Stimuleringsfonds Culturele Omroepproducties)

Na een hiaat van een paar decennia worden er in augustus weer registraties van toneelvoorstellingen uitgezonden op de Nederlandse televisie. Het project, van (televisie-) producent en regisseur Marc Nelissen, wordt met spanning tegemoet gezien, maar roept ook vragen op. Want wat is de beste manier om theater op televisie te vertonen? Moet je theater registreren als een voetbalwedstrijd? Of moet je adapteren en een nieuw autonoom kunstwerk maken? Zijn er tussenvormen denkbaar? Simon van den Berg vroeg makers die de kloof tussen theater en televisie overbruggen naar hun opvattingen over hoe beide elkaar kunnen aanvullen.

In de toneelwereld wordt er nogal eens nostalgisch aan gerefereerd: de toneelregistraties uit de jaren vijftig en zestig. Iedere donderdagavond werd een stuk uit het toneelrepertoire uitgezonden door een van de publieke omroepen. In de decennia erna gingen omroepen zelf drama produceren specifiek voor het medium, en theater kreeg minder en minder ruimte op televisie.

Een nieuw project wil de trend keren. De stichting Theater en Televisie van (televisie-)producent en regisseur Marc Nelissen registreerde afgelopen theaterseizoen zes voorstellingen, die eind augustus rondom de Uitmarkt integraal worden uitgezonden (zie kader). Het project is een samenwerking van de stichting met de NPS, AVRO en VPRO en wordt ondersteund door het Cobofonds en acteursbelangenorganisatie Norma.

Maar bij de presentatie van de eerste beelden liet Theu Boermans in een toespraak weten dat het verhaal wat hem betref nog niet klaar was met deze registraties. Hij denkt dat het mogelijk moet zijn om één voorstelling van het begin af aan te maken voor zowel het podium als het televisiescherm. Bij het project van Marc Nelissen gaat het om zuivere registraties –Nelissen zelf gebruikt graag de vergelijking met uitzendingen van voetbalwedstrijden-, Boermans zou eigenlijk adaptaties willen maken met aanpassingen in de voorstellingen om ze beter geschikt te maken voor televisie.

Een paar weken later legt Boermans in een gesprek zijn idee uit. “Ik vind de registratie van mijn voorstelling De Koopman van Venetië goed geslaagd. Maar als ik van te voren had geweten dat dit zou worden opgenomen en uitgezonden had ik parallel een tweede versie kunnen maken. Voor het maakproces is het verschil niet zo groot. Je concept en je personageontwikkeling blijven hetzelfde, je gebruikt alleen een andere taal. Maar toneel is één totaalbeeld, door mise-en-scène maak je als het ware close-ups en medium shots. Ik zoek in een tekst altijd naar de scharnierpunten in het verhaal en in de verhoudingen tussen de personages. In een theatervoorstelling worden die gemaakt door de acteurs en de vormgeving, in film vervang je dat door montage.”

“De vrijheid die je wint als je vooraf weet dat je het gaat bewerken voor televisie is dat je kunt gaan nadenken over de plek waar het zich afspeelt”, vervolgt Boermans. “Het hoeft niet in het toneeldecor, het kan op locatie of in een studio. Je kunt gaan nadenken of publiek erbij een meerwaarde heeft of juist niet. Ik had De Koopman van Venetië graag willen opnemen in een studio, zodat het zich helemaal in de zilveren, abstracte wereld van het toneeldecor had kunnen afspelen, zonder publiek. Dat had een bepaalde verdichting en spanning gegeven die bij deze voorstelling past. We hadden wat kunnen schrappen in de tekst – een oogopslag die je in het theater niet ziet zegt even veel als drie zinnen tekst. Bovendien hadden we kunnen oefenen op camera, waarbij de acteurs kleiner spelen. Ik had die twee versies tegelijkertijd kunnen repeteren, dat was niet zoveel moeite geweest.”

Marc Nelissen, die zelf de registratie van De Koopman van Venetië regisseerde, is op z’n zachtst gezegd niet enthousiast over de plannen van Boermans: “Ik vind het een onzalig plan. Theatermakers moeten een zo goed mogelijke voorstelling maken, en ik moet die zo goed mogelijk vastleggen. Natuurlijk doen we daarbij lichte aanpassingen -soms moet de camera voor een paar close-ups op het toneel, dat doen we dan ’s middags, of we veranderen hele kleine dingen aan een voorstelling die anders slecht te zien zijn-, maar als je dat te ver doorvoert kom je tussen twee werelden terecht. Je kunt ook niet “een beetje” adapteren, dat is heilloos. Je komt dan in een schemergebied vol compromissen. Je kunt het natuurlijk wel helemaal los van elkaar trekken en er een nieuw, apart script van maken. Dan wordt het een ander verhaal.”

Nelissen is vooral tegen het weglaten van het publiek in de televisieversie: “Met het publiek erbij wordt het een beleving, het is één take, één spanningsboog en dat geeft een geheel eigen dynamiek. Een voetbalwedstrijd zonder publiek op televisie is is niks. Op televisie zie je andere dingen dan in het stadion, maar dat er publiek bij is is essentieel. Dat is te vergelijken met het verschil tussen een een gloedvolle avond Concertgebouworkest in de zaal met de spanning en de ontlading die daarbij hoort, of het vangen van de perfecte klank in een klinische studio. Het zijn verschillende dingen, en je moet een keuze maken.”

Peter de Baan is milder: “Het lijkt me moeilijk om gelijktijdig na te denken over twee versies.” De Baan is van oorsprong toneelregisseur, maar maakte in het kader van het Theater op Televisieproject de registratie van Ivo van Hove’s De Getemde Feeks. Hij ziet vooral de praktische voordelen: “Het is natuurlijk geweldig als je in één seizoen een voorstelling kan maken en daarna een filmversie. Er is winst te halen op op produktioneel niveau als je dat allemaal van tevoren kan vastleggen. Maar dat heeft pas zin als je dezelfde acteurs gebruikt, die hebben al gelééfd in het stuk. Bovendien kunnen vrijwel alle acteurs tegenwoordig zowel film als toneel. Maar toch geldt voor mij dat ik liever de voorstelling zou maken vanuit de vrijheid dat het alleen voor toneel is. Dat is ook een verschil in persoonlijkheid tussen Theu en mij.”

Actrice en schrijfster Joan Nederlof, tevens artistiek leider van theatergroep Mugmetdegoudentand heeft een ander perspectief: “Ik ben niet zo onder de indruk van wat ik tot nu toe van deze registraties heb gezien. Er is heel rigide gekozen dat het geen adaptaties mochten zijn, en ik snap niet zo goed waarom. Dit zal voornamelijk als effect hebben dat mensen die niet naar het toneel gaan bevestigd worden in hun idee dat het maar een vreemd medium is dat niet voor hen is. Bij de filmversie van onze voorstelling Smoeder kozen we voor een adaptatie op een simpele manier: ee speelden het in een café, met publiek eromheen. Daarmee werd het veel toegankelijker en dichterbij dan een registratie in het theater had kunnen zijn. Maar dat had niet binnen dit project gepast omdat het te veel adaptatie zou zijn.”

Boermans is zich er zeer wel van bewust dat zijn aanpak niet bij iedere voorstelling past: “Het beeld is soms te groot, of de vorm en het acteren zijn te abstract, en vooral wanneer de acteurs door de vierde wand breken accepteert het publiek dat niet altijd, omdat film toch meer in de naturalistische traditie staat. De registratie van De Koopman van Venetië werkt mede omdat het een retorisch stuk is, situationeel gespeeld met herkenbare personages. Maar abstractie is in principe geen belemmering. Als toeschouwer ga je mee met de personages, niet met de vorm. Je kunt prima een volkomen abstract decor maken, als de personages en hun tekst maar aangepast zijn aan de film.”

Een voorbeeld van die methode is de film 1000 Rosen, die Boermans in 1994 maakte met zijn gezelschap De Trust, naar het gelijknamige toneelstuk van Gustav Ernst. “Die tekst bestond uit eindeloze monologen. De personages in het stuk zijn overbewust en spreken alles uit. In de film hebben we dat allemaal omgeschreven naar de situatie en op basis daarvan nieuwe dialogen geschreven. We probeerden een equivalent te vinden voor de toneeltaal door het in een merkwaardig Nederduits dialect te spelen. Daardoor moesten we het ondertitelen en zo werd het tekstuele van Gustav Ernst via een omweg weer poëzie. Dat is een voorbeeld van een oplossing voor een algemeen probleem: toneeltekst is heel erg kunstmatig op film: toneelpersonages spreken hun gedachtes uit, het lijkt meer op een voice-over. Die abstractielaag in taal hoort bij toneel.”

De Baan heeft een vergelijkbare ervaring: “Ik werk nu aan een televisiescenario van Volmaakt Geluk, een toneeltekst van Charles den Tex en mij die ik vorig jaar regisseerde. Het leent zich goed voor een filmversie, het is een verbaal gevecht, met spitse dialogen en een makkelijk soort moderniteit. Maar ik moet er veel meer beelden bij maken. In het algemeen kun je zeggen dat onder invloed van film toneelschrijvers de specifieke kracht van theater opzoeken: personages die elkaar psychologisch uitbenen door middel van praten. De beelden die in zo’n tekst zitten moet je op de een of andere manier omzetten.”

Bij het adapteren van Volmaakt Geluk krijgt De Baan ook te maken met een tweede, minder inhoudelijk aspect van de verhouding tussen theater en televisie: de grote afstand tussen beide werelden. “Toneel is veel makkelijker te organiseren,” merkt hij op, “Film blijft tot in een laat stadium onzeker. Er is nogal wat wilskracht voor nodig om iets voor elkaar te krijgen. Je moet van elastiek zijn en van eikenhout. Er zijn ook weinig contacten over en weer. Natuurlijk, op het niveau van de acteurs lopen de werelden van toneel en film volledig door elkaar. Maar op gebied van regisseurs helemaal niet. Er is ook veel wantrouwen over en weer, maar vooral van film naar toneel.”

Boermans heeft dat wantrouwen aan den lijve ondervonden: “Toen we 1000 Rosen maakten en daarna de televisieserie De Partizanen kregen we klachten van de Vereniging van Speelfilmproducenten. Wij konden goedkoper werken, omdat de acteurs in vaste dienst waren van het gezelschap. Dat vonden zij oneigenlijke concurrentie. Dat soort denken blijft bestaan totdat de opleidingen meer gaan samenwerken. Ik zou dan ook willen nadenken of het mogelijk is dat de Toneelschool en de Filmacademie bepaalde lessen gezamenlijk gaan geven. De kern van beide vakgebieden, het dramatische conflict, is toch hetzelfde.”

Alle regisseurs die ik sprak pleiten voor meer flexibiliteit en durf bij de omroepen en de fondsen: “Bij de Publieke Omroep gaat het nu wel goed met de kijkcijfers, maar niet met de kwaliteit,” vat Nederlof de meningen samen, “Als je op zoek gaat naar nieuwe vormen moet je risico nemen, en daarvoor is geen ruimte. De politiek moet de omroepen ook dwingen om meer èchte cultuur te brengen.” Voor de nabije toekomst ziet Nelissen vooral mogelijkheden voor het uitbreiden van het huidige registratieproject: “Het vastleggen voor het nageslacht vind ik belangrijk, dus een making of, of interviews met de betrokkenen zijn heel waardevol.”

De Baan wil juist een stap verder gaan: “In een vervolgproject zou je moeten proberen er film van te maken. Of in ieder geval: twee autonome produkten met dezelfde auteur. Een stuk of drie projecten met regisseurs die de ervaring hebben.” Boermans pleit voor verdergaande samenwerking tussen theatermakers en televisieproducenten: “Bij dramaturgieafdelingen van toneelgezelschappen zit heel veel know-how. Dramaturgen lezen heel veel van wat er voor toneel wordt geschreven, terwijl ze bij de televisie altijd enorm hard op zoek zijn naar nieuwe scripts. Het zou goed zijn als dramaturgie-afdelingen zelf aan planontwikkeling konden doen. Je zou willen dat er een loket is voor dit soort plannen, als contactpunt tussen theater en televisie. Er moet een biotoop zijn waar plannen ‘omroeprijp’ gemaakt kunnen worden.

Sidebar: De registraties:

Het temmen van de feeks van Toneelgroep Amsterdam
theaterregie: Ivo van Hove, televisieregie: Peter de Baan

Geslacht van Het Toneel Speelt
theaterregie: Ger Thijs, televisieregie: Peter de Baan

De Koopman van Venetië van de Theatercompagnie
theaterregie: Theu Boermans, televisieregie: Marc Nelissen

Op hoop van zegen van Het Toneel Speelt
theaterregie: Jaap Spijkers, televisieregie: Eddy Habbema

Blackface van Orkater
theaterregie: Vincent van Warmerdam en Michel Sluysmans, televisieregie: Marc Nelissen

Tocht van het Ro Theater
theaterregie: Alize Zandwijk, televisieregie: nnb

De registraties worden vanaf 28 augustus wekelijks uitgezonden op vrijdag en zaterdag.

Toneel op Televisie

beschouwingen,Parool — simber op 27 augustus 2009 om 12:36 uur
tags: , ,

Na vele jaren wordt er weer regelmatig toneel uitgezonden op televisie. Producent Marc Nelissen had er acht jaar voor nodig om het project van de grond te krijgen, en de eerste resultaten lijken veelbelovend. Maar kan het eigenlijk wel, toneel op de buis? Een toneelrecensent kijkt naar de televisie.
door Simon van den Berg

In de theaterwereld wordt er soms nostalgisch over gesproken: de toneeluitzendingen uit de jaren ’50 en ’60. Iedere donderdagavond een stuk uit het wereldrepertoire voor een miljoenenpubliek, met sterren als Ko van Dijk en Mary Dresselhuys. Een aantal daarvan zijn zelfs nu nog, ondanks het tragere tempo, het aanzien waard. Maar de omroepen gingen hun eigen drama produceren en in dezelfde tijd werd het theater abstracter en conceptueler. Toneel was tot voor kort nog maar zelden te zien op televisie.

En dat is vreemd, want veel andere podiumkunsten werden wel uitgezonden: de VARA toont cabaret en de NPS maakte dansfilms en registreerde voorstellingen van De Nederlandse Opera. Inmiddels lijkt het tij te keren: afgelopen seizoen werden voor het project Toneel op 2 zes voorstellingen geregistreerd door de publieke omroep. De uitzendingen begonnen vorige week met Geslacht van Het Toneel Speelt.

Toneel op 2 is het geesteskind van televisieproducent Marc Nelissen, die acht jaar met het plan leurde voordat zowel omroepen als de theaterwereld overtuigd waren. “Het probleem was dat de theater- en de televisiewereld totaal niet in gesprek waren”, vertelt Nelissen een paar dagen voor de eerste uitzending aan de telefoon. “Bij de televisie hebben we dat overwonnen door de overkoepelende organisatie van de Publieke Omroep aan te spreken. Zij konden van bovenaf de omroepen prikkelen om samen te werken. Ik wilde het goed doen, met zes camera’s twee dagen achter elkaar opnemen. De kosten zijn een te groot risico voor één omroep, vooral omdat we niet weten of het gaat aanslaan. Nu verzorgen de VPRO, AVRO en NPS ieder twee uitzendingen.”

Aan de theaterkant was een andere oplossing vereist: “Daar zijn we met de individuele gezelschappen en regisseurs gaan praten, omdat er juist bij de koepelorganisaties weerstand was. Bij het Bureau Promotie Podiumkunsten bijvoorbeeld was een van de argumenten dat theater ‘transitorisch’ is – dat het weg is als het voorbij is en dat je het daarom niet moet wíllen vastleggen. Dat vind ik flauwekul: dat kun je dan ook zeggen over het Concertgebouworkest, of over een voetbalwedstrijd.”

De keuze voor de zes vast te leggen voorstellingen was een volgend issue. Er werd een selectiecommissie samengesteld, bestaande uit Ruud van Zuilen (voorzitter van de Louis d’Or jury), Nan van Houte (medewerker van Theater Instituut Nederland) en Inge van der Werf (agent en manager van een groot aantal acteurs). Nelissen: “We hebben een stichting opgezet om de verschillende belangen in de gaten te houden, en om de selectie onafhankelijk te houden. We willen een enigzins representatief beeld schetsen van het Nederlands theater. We hebben nu twee Shakespeares, een klassiek Nederlands stuk, nieuw Nederlands repertoire, muziektheater en locatietheater. We wilden graag een blijspel, maar dat lukte niet.”

Toch is juist de keuze het zwakste punt van het project: vijf van de zes zijn relatief traditionele repertoirevoorstellingen, vijf van de zes voorstellingen spelen in de grote zaal, Twee voorstellingen, Geslacht en Kasimir en Karoline, kregen een uitgesproken negatieve ontvangst in de pers.

De kracht zit echter in de de bijzonder sobere, toegewijde manier van vastleggen. Nelissen liet de registraties regisseren door mensen met een theater-achtergrond zoals Peter de Baan en Eddy Habbema en hield sterk vast aan het idee dat de voorstelling zoveel mogelijk ongewijzigd moest worden opgenomen. Terwijl bij een vroege presentatie toneel- en filmregisseur Theu Boermans al droomde over televisie-bewerkingen die als zelfstandig kunstwerk naast de toneelvoorstelling kunnen staan, staat Nelissen een zo helder mogelijke scheiding voor: “Theatermakers moeten een zo goed mogelijke voorstelling maken, en ik moet die zo goed mogelijk vastleggen. Natuurlijk doen we daarbij lichte aanpassingen -soms moet de camera voor een paar close-ups op het toneel, dat doen we dan ’s middags, of we veranderen hele kleine dingen aan een voorstelling die anders slecht te zien zijn-, maar als je dat te ver doorvoert kom je tussen twee werelden terecht.”

Bij het zien van een aantal registraties blijkt Nelissen’s gelijk. De spaarzame televisie-ingrepen in de voorstellingen – Ivo van Hove die zijn voorstelling Het Temmen van de Feeks inleidt; beelden van de branding in Geslacht – voelen meteen als storende elementen. Zolang je als kijker het gevoel houdt dat alles wat je ziet live is opgenomen weten de registraties opmerkelijk goed de spanning van een toneelavond over te brengen. Het vastleggen heeft blijkbaar z’n eigen wetten.

Het is dan ook interessant om te zien hoe de betekenis van de voorstellingen subtiel verschuift. In de registraties staan de personages centraal, de meer abstracte lagen van de theatervoorstellingen verdwijnen naar de achtergrond. Door de vele close-ups worden de personages ook gelijkwaardiger. Op het toneel waren Pierre Bokma en Marisa van Eyle de grote kracht in respectievelijk De Koopman van Venetië en Op Hoop van Zegen, maar in de registraties vallen daarnaast de jongere spelers op –zoals Loes Haverkort, Fockeline Ouwerkerk of Maarten Heijmans-  met hun ruime camera-ervaring en hun sterkere naturel.

Toneel op televisie is dus wel degelijk het aanzien waard, maar wat is nu eigenlijk het doel van het project? “De drempel voor toneel moet naar beneden”, zegt Nelissen: “Er is denk ik een groot publiek dat niet weet hoe toegankelijk het toneel is. Bovendien worden er in het Nederlandse theater belangwekkende kunstzinnige prestaties geleverd -met gemeenschapsgeld bovendien- dus die moeten worden vastgelegd zodat we daar tot in lengte van dagen de vruchten van kunnen plukken, bijvoorbeeld door de registraties beschikbaar te houden op Uitzendinggemist.nl.”

Naar Geslacht, de eerste uitzending, keken 135.000 mensen, ruim meer dan de 100.000 waar Nelissen van tevoren op hoopte. Dat is niet een wereldschokkend aantal, maar ter vergelijking: de Stadsschouwburg trekt ongeveer dat aantal bezoekers in een jaar. Overigens heeft de Publieke Omroep, ongeacht de kijkcijfers, zich voor twee jaar aan het project verbonden. Ook komend jaar staan de camera’s dus weer in de zaal.

Sidebar: de uitzendingen

21 augustus: Geslacht van Het Toneel Speelt
Modern Nederlands toneelrepertoire over door cynisme verziekt huwelijk, met Mark Rietman en Carine Crutzen.

28 augustus: Blackface van Orkater
Muziektheater over een onmogelijke liefde tussen zwart en wit in het Zuiden van de VS, met Porgy Franssen als marktkoopman/spreekstalmeester.

4 september: Temmen van de Feeks van Toneelgroep Amsterdam
Boosaardige Shakespeare-komedie wordt in regie van Ivo van Hove vlammende maatschappijkritiek en onwaarschijnlijk liefdesverhaal, met Hans Kesting, Halina Reijn en vrijwel het volledige ensemble van Toneelgroep Amsterdam.

6 september: Op Hoop van Zegen van Het Toneel Speelt
Het klassieke, oerhollandse vissersdrama over de vis die duur betaald wordt, in een sobere regie van Jaap Spijkers, met Marisa van Eyle als Kniertje.

11 september: De Koopman van Venetië van De Theatercompagnie
Nog boosaardiger Shakespearekomedie, door Theu Boermans helder geregisseerd als bijdrage aan het integratiedebat. Met een magistrale Pierre Bokma als Shylock.

18 september: Kasimir en Karoline van NT Gent en De Veenfabriek.
Liefdesdrama op locatie (vliegbasis Soesterberg) van sterregisseur Johan Simons en met Vlaamse topacteurs Els Dottermans en Wim Opbrouck.

De uitzendingen zijn steeds op vrijdagavond, na NOVA om 22:50, behalve Op Hoop van Zegen dat op zondagavond om 20:15 wordt uitgezonden.
Themakanaal Cultura herhaalt de registraties een dag later, vergezeld van een Making of documentaire.
Ook het Nederlands Theaterfestival vertoont de uitzendingen op van 4 t/m 6 september, omlijst met feest en debat.

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2014 Simber | powered by WordPress with Barecity