Wat heeft Duitsland dat wij niet hebben?

buitenland,cultuurbeleid,overig — simber op 23 maart 2013 om 22:45 uur
tags: , ,

(Voor het Stadsschouwburg Journaal; ook te lezen op Issuu)

Het was een kort berichtje in de Nederlandse kranten begin november: “Duitsland blijft investeren in cultuur”. Al snel zoemde het artikel rond in culturele kringen op Facebook en Twitter. Zie je wel, was de teneur, onze Oosterburen zijn niet van die cultuurbarbaren als bij ons in de regering, daar geven ze nog wel geld aan de kunsten. Het bevestigde een oud beeld dat Nederlandse theatermakers hebben over Duitsland. Zodra je de grens oversteekt zou je terecht komen in een luilekkerland van onuitputtelijke subsidies en ontzaglijk prestige. Maar klopt dit beeld wel? Is het in Duitsland wel echt zoveel beter dan hier?

I. Geld

Om bij dat nieuwsberichtje te beginnen: het ging om een investering van 100 miljoen door de Bondsdag, waarmee het totale nationale cultuurbudget op 1,28 miljard euro komt. Da’s niet niks, maar vergeet niet dat (ook na de bezuinigingen) in het vijf keer kleinere Nederland de rijksoverheid bijna 1 miljard uittrok. Om een goede vergelijking te maken is het nodig om te kijken naar de verdeling van de verantwoordelijkheden over nationaal, regionaal en lokaal niveau. In Nederland verdeelt het rijk ongeveer dertig procent van de cultuurgelden, in Duitsland is dat nog geen vijftien procent. De rest komt voor rekening van de deelstaten en de steden. En tegenover de investering van de bondsdag staan vaak bezuinigingen op de lagere niveaus.

Toen Thomas Ostermeier, artistiek leider van de Schaubühne in Berlijn, een paar jaar geleden voor het eerst hoorde over de Nederlandse cultuurbezuinigingen zei hij: “In Duitsland wordt al jaren bezuinigd, alleen kondigt de overheid het niet aan, maar doen ze het langzaam en stilletjes.” Dat Berlijn –‘arm aber sexy’– zuinig aan moet doen is al jaren een gegeven, maar sinds de crisis beknibbelen ook andere steden en deelstaten op cultuur. In Wuppertal werd een theater gesloten en ook diverse musea en orkesten worden in hun voortbestaan bedreigd. Het gaat allemaal zonder de anti-elitaire retoriek die in Nederland de afgelopen jaren zo dominant was, maar als je naar de cijfers kijkt (voor zover bekend), ontlopen de bezuinigingen bij ons en bij hen elkaar niet veel.

Sterker nog: cijfermatig springt Nederland er op een ander punt juist bijzonder goed uit. De website Culturalpolicies.net houdt de uitgaven aan cultuur bij van alle landen in de Europese Unie. De laatste cijfers zijn inmiddels zo’n vijf jaar oud, maar het beeld is duidelijk: Nederland spendeert per hoofd van de bevolking veel meer dan Duitsland: 183 euro tegenover 101 euro per jaar. Dit lijkt onmogelijk: Duitse theaters hebben toch veel meer te besteden dan hun Nederlandse collega’s? Ostermeiers Schaubühne krijgt zo’n 12 miljoen euro subsidie: ongeveer het dubbele van Toneelgroep Amsterdam.

Nog los van het feit dat de Schaubühne een grote eigen zaal runt en in Amsterdam de Stadsschouwburg en TA aparte organisaties zijn, zit het verschil in de dichtheid: als je de kaart van Nederland op een even groot gebied in Duitsland legt, zie je dat Nederland veel meer toneelgezelschappen, schouwburgen, orkesten, musea, bibliotheken en muziekscholen heeft. Duitsland besteedt z’n geld aan een kleiner aantal grote instellingen, Nederland verdeelt de koek over ontelbare monden.

II. Prestige

In een ander opzicht zal Nederland nooit kunnen winnen van Duitsland: in Duitsland dóet theater ertoe. Sowieso zien Duitsers zichzelf als een volk van schrijvers en filosofen, maar theater neemt een speciale plek in. De Vlaamse regisseur Luk Perceval, sinds jaren directeur van het Thalia Theater in Hamburg vindt dat nog steeds opvallend: “In Duitsland is theater een polemische factor. Voorstellingen hebben sterke voor- en tegenstanders die in de kranten en soms in de zaal met elkaar in aanvaring komen. Het heeft een sterk moreel aspect.” Perceval ziet de oorzaak daarvoor in Duitsland’s verleden: “Na de oorlog wilde Duitsland de beste leerling van de Europese klas zijn. Er ontstond een bewustzijn dat kunst er is om de fouten uit het verleden niet te herhalen. Daar moet bij gezegd worden dat kunstenaars zoals Peter Zadek en Einar Schleef, die tegen de gevestigde orde aanschopten, beschermd zijn door de pers en het cultuurbeleid.”

Maar er speelt nog iets anders mee: “Duitsland heeft zich na de oorlog in culturele zin niet laten koloniseren door Amerika. Het cultuurmodel van de vrijemarkteconomie dat daar en steeds meer in Nederland wordt aangehangen is dodelijk voor de oude Europese cultuur. Duitsland definieert zichzelf als cultuurland en cultuur wordt ook gezien als exportproduct. De bewondering van landen als China of India geldt niet voor Mercedes en Siemens, maar ook voor Bach, Wagner en Goethe, en in handelsmissies gaan die twee facetten ook altijd hand in hand.”

III. Dynamiek

De verhouding tussen de lage landen en Duitsland is eind jaren negentig definitief veranderd. Voor die tijd keken Nederlandse en Vlaamse theatermakers, zoals Perceval, vol bewondering naar het Duitse repertoiretheater en werden Duitse regisseurs uitgenodigd om hier een voorstelling te maken. Perceval was een van de eersten die de andere kant op reisde en enorm succes oogstte met Schlachten, de vertaling van Ten Oorlog. In zijn kielzog volgden talloze Nederlandse en Vlaamse theatermakers, zoals Ivo van Hove, Paul Koek, Nanine Linnig, Anouk van Dijk, en natuurlijk Johan Simons.

In deze beweging openbaart zich de grote zwakte van het Duitse cultuurbestel: het is eenvormig, log en verstard. Perceval: “Dat begint bij de opleidingen. Als jonge regisseur in Duitsland mag je geen flops maken, dan wordt je meteen afgeschreven. Maar je moet kunnen mislukken om je methode en te ontwikkelen. Daarom zijn Nederlandse en Vlaamse regisseurs zo populair: wij hebben een vrijere, minder gestresste omgang met theater.”

Ook in Duitsland begint dit besef door te dringen en dit leidt, onvermijdelijk, weer tot polemiek. Vier schrijvers van Der Spiegel schreven vorig jaar een boekje Der Kulturinfarkt, waarvan de ondertitel de kwaal van het cultuurbestel adequaat samenvat: ‘Van alles te veel en overal hetzelfde’. Der Kulturinfarkt stelt voor om de helft van de Duitse theaters, opera’s en musea te sluiten en het geld dat dat oplevert in te zetten voor nieuwe vormen van ondersteuning van de kunsten. De schrijvers kregen te maken met een zelden vertoond spektakel van scheldpartijen, hoon en bedreigingen. Duitse politici en burgers voelen zich diep verbonden met hun culturele instituten, maar voor vernieuwing is weinig belangstelling.

En zo valt de vergelijking tussen Nederland en Duitsland helemaal niet zo ongunstig uit. Duitsland is en blijft het land waar de beste regisseurs hun meest weidse theatrale dromen kunnen verwezenlijken en impact kunnen hebben op het maatschappelijke debat. Maar Nederland blijft, ook na de bezuinigingen, het land waar jonge kunstenaars makkelijker aan geld en gelegenheid komen om nieuwe artistieke vormen en praktijken te ontwikkelen. Op prestige wint Duitsland, op dynamiek Nederland. En qua geld? Laten we het houden op een gelijkspel.

Recensie: ‘In Ongenade’ van Toneelgroep Amsterdam

Wat een hoop figuranten, denk je even als je de zaal binnen komt. Maar nee, het zijn poppen. Een toneel vol met zwarte etalagepoppen met goedkope kleren aan. Er zitten veel kinderen tussen, achterop staat een auto die helemaal vol staat met wassen beelden. En helemaal vooraan zit op een stoel Gijs Scholten van Aschat.

In zijn roman In Ongenade schetst de Zuidafrikaanse schrijver J.M. Coetzee op genadeloze wijze de schuivende machtsverhoudingen in zijn land. De toneelversie die bewerker Josse de Paauw en regisseur Luk Perceval maakten voor Toneelgroep Amsterdam is tegelijkertijd universeler en persoonlijker dan het boek. Een statige, sombere, maar ook een tikje eentonige voorstelling, gedragen door de lucide hoofdrol van Scholten van Aschat.

Het verhaal draait om de teloorgang van professor David Lurie, die in de problemen komt na een relatie met een studente aan de hogeschool in Kaapstad. Hij zoekt zijn toevlucht bij zijn dochter Lucy, die een boerderij heeft op het platteland, waar continu geweld dreigt. De voorafschaduwde uitbarsting komt als twee zwarte jongens de boerderij binnendringen en Lucy verkrachten.

David is geen aangename man, pompeus, zelfgenoegzaam en kritisch. Scholten van Aschat toont enerzijds Davids zelfinzicht, maar tegelijk laat hij hem opgaan in zijn grote liefde, de poëzie van Byron en de wens om over hem een kameropera te schrijven. Futiel plukkend aan een ukelele tussen al die zwarte figuren maakt hij prachtig duidelijk hoe zinloos en ijdel dat verlangen is.

In Ongenade is een voorstelling in een kalm, bijna plechtig tempo. De Pauw laat de literaire taal zijn vormelijke karakter houden. Meer dan het boek maakt Percevals voorstelling duidelijk tegen welke overmacht de beschaving die David pretendeert te vertegenwoordigen het moet opnemen. Ook de tegenstelling tussen de zwarte en witte acteurs wordt niet verhuld; Djamila Landbrug en Sergio Hasselbaink kunnen zich steeds verschuilen tussen de poppen, Chris Nietveld (in een mooie geestig-treurige bijrol) en Celia Nufaar steken er steeds tegen af.

Als Lucy (Janni Goslinga die prettig aards contrasteert met de soms wat klinische toon) zwanger blijkt en niet van plan is om het kind te aborteren ziet ze zich genoodzaakt zich uit te leveren aan de genade van haar zwarte voormalige klusjesman, nu haar buurman (Felix Burleson, tegelijk charmant en dreigend). Hier wordt de kloof tussen vader en dochter pijnlijk duidelijk. Hij leeft nog in een wereld waar begrippen als rechtvaardigheid, schuld en vergelding waarde hebben, zij ziet in dat dergelijke romantische abstracties niets betekenen in het huidige Zuid Afrika.

Vergeleken met Percevals recente voorstellingen in Duitsland (zoals Hamlet of Kleiner Mann, was nun?) is In Ongenade lelijker en iets minder uitdagend. De hooggespannen verwachtingen voor zijn gastregie bij TGA weet hij niet helemaal waar te maken. Wat blijft is het diepe gevoel van zwaarmoedigheid dat uit deze voorstelling spreekt, door Scholten van Aschat zo helder getoond.

In Ongenade van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 4/12/11 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 10/12 en in jan en feb 2012. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Kritiek: Vier ‘Hamlet’s

kritieken,Theatermaker — simber op 23 december 2010 om 19:29 uur
tags: , , , , ,

Het kan de theaterliefhebber nauwelijks ontgaan zijn: wat een enorme hoop Hamlets waren er de afgelopen maand te zien in Nederland! Ik zag er vier: de twee Nederlandse van Oostpool en De Utrechtse Spelen (DUS), een Duitse van Luk Perceval en een Indiase versie van de Mumbaise theater- en filmregisseur Rajat Kapoor. Ze hebben weinig gemeenschappelijk, behalve dat ze allemaal vrij kort duren -geen voorstelling is langer dan tweeëneenhalf uur- en dat de casts vrij klein zijn -gemiddeld acht spelers.

Maar waarom nu ineens zoveel Hamlets, na een vrijwel Hamletloos-decennium? Misschien kan er maar één sterke nieuwe Hamlet-interpretatie per generatie ontstaan. Voor de generatie van ’68 was een idealist die ingaat tegen de macht, voor de punkers een pure ziel in een verrotte wereld en Ostermeier zetten een hedendaagse Hamlet neer als een ironische, fundamenteel onzekere twijfelaar. Maar ja, dat was deels ook al de invulling van Theu Boermans. Misschien was die voorstelling ook wel zo goed, dat hij een slagschaduw tien jaar vooruit kon werpen.

Maar het was allerminst een straf om vier keer Hamlet uitzitten. Het stuk zit zo vol met ideeën, thema’s, actuele aforismes dat je iedere keer weer iets nieuws ontdekt. Bij Oostpool zag ik pas het verband tussen alle adviezen en goede raad in het stuk (Laertes aan Ophelia, Polonius aan Laertes, Hamlet aan de toneelspelers, enzovoort) en DUS maakte zichtbaar hoe beledigend het stuk-in-het-stuk is voor Gertrude.

Continue reading “Kritiek: Vier ‘Hamlet’s” »

Interview Luk Perceval

interviews,Parool,PS Kunst — simber op 3 oktober 2010 om 17:25 uur
tags: , , , ,

Toneelregisseur Luk Perceval was een rebel in Vlaanderen, maar zette in 1997 zijn stempel op het theaterveld met Ten Oorlog!, de legendarische marathonvoorstelling waarin hij, met schrijver Tom Lanoye, de historische stukken van Shakespeare tot één megavertelling aaneen reeg. De Duitse versie, Slachten, effende de weg voor een carrière in de Bondsrepubliek, eerst in Berlijn, sinds vorig seizoen in Hamburg. Vrijdag en zaterdag staat zijn Hamlet in de Stadsschouwburg. “Het is een stuk van duizend-en-een vragen zonder loutering aan het eind.”

Perceval’s Hamlet zal de geschiedenis ingaan de de Hamlet met de twee Hamlets. De hoofdpersoon wordt door twee acteurs gespeeld, die zich steeds verder van elkaar verwijderen. “Die verdubbeling kwam voort uit close reading van de tekst”, zegt Perceval daags na de première aan de telefoon. “Shakespeare verwijst naar de schizofrenie van Hamlet, de dualiteit die in hem zit. Hamlet zegt zelf tegen het eind van het stuk dat hij niet alleen beslist: ‘ik ben niet alleen die ene Hamlet, maar ook die ander.’ Maar Hamlet toont volgens mij de gevolgen van een trauma: de moord op zijn vader. Mijn Hamlet is niet alleen een wijfelende romanticus, hij kent haat en liefdespijn.”

De beslissing om Hamlet op te splitsen werd ook relatief laat gemaakt. “Toen bekend werd dat ik Hamlet ging regisseren kreeg ik veel vragen van de acteurs. Het is natuurlijk een rol die iedere acteur graag wil spelen. Toen moest ik wel gaan bedenken of mijn Hamlet jong moest zijn of oud. Een hele jonge Hamlet geeft mij hetzelfde gevoel als Tsjechov door jonge acteurs: de jeugd heeft heel veel kansen voor zich, er mist een bepaald soort tragiek. Ik werk sowieso het liefst met oudere acteurs, die brengen hun levenservaring mee.” Met een hoorbare grijns: “Ja, ook in Vlaanderen al, maar er waren daar niet zoveel oudere acteurs meer die nog met mij wilden werken.” Uiteindelijk viel de keus op de jongere Jörg Pohl en de oudere Josef Ostendorf. “Jörg is een hele goede jonge acteur en Josef is de vleesgeworden gedachte.”

Continue reading “Interview Luk Perceval” »

Recensie: ‘Hamlet’ van Thalia Theater, Luk Perceval

buitenland,Parool,recensies — simber op 20 september 2010 om 10:43 uur
tags: , , , ,

“Sein”, zegt de ene Hamlet. “Oder nicht sein”, antwoordt de andere. En na een lange stilte de eerste weer: “Das ist die Frage?” Het is de kern van de Hamlet van de Vlaamse regisseur Luk Perceval, die nu al een aantal jaar in Hamburg werkt. Hij verdubbelt de hoofdpersoon en onderstreept daarmee de innerlijke strijd tussen gevoel en verstand. De tekst werd stevig bewerkt en tot twee uur ingekort door Günter Senkel de Turks-Duitse schrijver Feridun Zaimoglu. De voorstelling ging afgelopen zaterdag in première in het Thalia Theater, en is over twee weken al in Amsterdam te zien.

Het begin is meteen al van een onaardse schoonheid. De achterwand bestaat uit een eindeloze hoeveelheid opgehangen donkere, lange jassen, over de hele hoogte van het toneel, en bijna de hele breedte. De acteurs gehuld in hetzelfde soort jassen komen op door de kledingrekken heen, zodat de hele wand meegolft. Eerst een jongetje met een brief, dan een vrouw in een rolstoel, dan alle spelers in een schitterend tableau.

Linksachter zit Hamlet, een man in een enorme zwarte trui, met een kartonnen kroon op zijn hoofd en nog eentje op zijn schoot. En dan ineens in de tweede scène komt onder de kroon een hoofd omhoog, dat begint te spreken. Het lijkt alsof Hamlet een moeder is die een kind baart (en wiegt en bijna wurgt), maar tegelijkertijd wordt Hamlet zo ook opgedeeld in een hoofd en een hart. In de loop van de voorstelling komen de twee acteurs (Josef Ostendorf en Jörg Pohl) steeds verder los van elkaar te staan. De een kan alleen langzaam en gekunsteld bewegen en praten als een computer, de ander wordt steeds schreeuwender, expressiever en bloter; maar tot daden komen ze geen van beide.

In het zijlicht blijft de voorstelling donker en dreigend. Hamlet’s moeder Gertrude is wulps en vlezig in een te klein balletpakje, zijn vriend Laërtes loopt op stelten en diens vader Polonius is een vrouw in een rolstoel. Tijdens de belangrijkste scènes staat een hele groep kinderen toe te kijken, half verscholen tussen de jassen. Een opgezet rendier ligt voor op het toneel. Vrijwel de hele tijd speelt muzikant Jens Thomas piano, en zingt hij met hoge uithalen als Anthony and the Johnsons of Jeff Buckley. Maar ondanks deze overdaad voelt de voorstelling door de extreme stilering sober en uitgebeend aan.

“Hamlet is de Mona Lisa van het toneel”, zei regisseur Marcus Azzini, die zelf werkt aan zijn eigen versie bij Toneelgroep Oostpool. Dat klopt wel, maar het zijn de versies zoals deze van Perceval die laten zien hoe fris de taal ervan is en hoe vol onontdekte ideeën het stuk zit. En misschien is dat ook wel het onderwerp. De Hamlet van het hoofd heeft wel wat weg van het enige bekende Shakespeare-portret. Staat de vrijgemaakte hart-Hamlet misschien ook voor de vrijheid die iedere regisseur of toneelspeler moet nemen om de tekst tot leven te brengen? Deze versie is complexer en wellicht minder toegankelijk dan die van Thomas Ostermeier die vorig jaar in de Stadsschouwburg te zien was, maar heeft een visuele kracht die hem een onontkoombare theatergebeurtenis maakt.

Hamlet van Thalia Theater. Regie: Luk Perceval. Gezien 18/9 in Hamburg. Te zien in Amsterdam (Stadsschouwburg): 8 en 9/10. Meer info op www.ssba.nl

Rezension: ‘Kleiner Mann – was nun?’ von den Münchner Kammerspielen

deutsch,recensies — simber op 17 mei 2010 om 14:40 uur
tags: , ,

Zuweilen hat man dazu keine Lust: Muss ich wieder vier Stunden Theater ansehen, wieder auf diesen furchtbaren Stühlen des Hauses der Berliner Festspiele sitzen? Allerdings diesmal wird die Ausdauer belohnt.

Kleiner Mann – was nun? ist ein außerhalb Deutschlands kaum bekannter Roman (von Hans Fallada) über die Krise der 30er Jahre. Der ‘kleine Mann’ des Titels ist Johannes Pinneberg, der Angst hat seine einfache Stelle zu verlieren, gerade jetzt wo er für seine schwangere Frau Emma (“Lämmchen” genannt) sorgen muss. Die Geschichte des Paars hangelt sich entlang Anstellung und Arbeitslosigkeit, Hoffnung und Verzweiflung, und führt von der Kleinstadt nach Berlin, und in dieser Inszenierung leider auch entlang überflüssige Figuren und Episoden.

Die Bühne ist ganz leer, bis auf ein Orchestrion: ein großes, mechanisches Musikinstrument, ähnlich einer Drehorgel, aber mit Klavier, Glockenspiel und Triangel. Mathis B. Nitschke schrieb eine neue Partitur für diesen besonderen Apparat, bald die Stimmung eines Jahrmarkts erzeugend, bald eine ganz eigene Magie herbeizaubernd, verstärkt von projizierten Schwarz-weißbildern aus dem Film ‘Berlin, Sinfonie einer Großstadt’.

Die Vorstellung von Regisseur Luk Perceval dauert lange, ist manchmal ein bisschen langweilig, aber in der letzte Stunde kommt dennoch alles zusammen. Durch seine Arbeitslosigkeit ist Pinneberg wie gelähmt, ein armer Slucker, der von der Polizei aus der Friedrichstraße fortgejagt wird. Er gehört nicht länger zu den normalen Menschen. Und zu Hause wartet Lämmchen. Ihrer beider Liebe ist das einzige, was ihnen noch helfen kann.

Die Heimkehr Pinnebergs zu Lämmchen ist so wunderbar gespield, wie man es selten erlebt im Theater. Paul Herwig und Annette Paulmann brauchen nur ein Minimum an Empfindungen um die große Tragödie ihrer Zuneigung in einer gleichgültigen Welt zu zeigen. Großartiges, zu Herzen gehendes Theater.

Recensie: ‘Molière’ van de Schaubühne (HF)

Parool,recensies — simber op 9 juni 2008 om 00:42 uur
tags: , , , ,

En steeds maar blijft het sneeuwen. De hele voorstelling Molière van de Vlaamse regisseur Luk Perceval, afgelopen weekend in het Holland Festival, valt het uit de kap van de Stadsschouwburg. Die sneeuw doet rare dingen met je waarneming: de vloer lijkt te golven, je ziet geen diepte, je blik heeft geen rustpunt.

Het uitgangspunt van Molière is een simpel idee: wat als de hoofdpersonen uit de satirische komedies van de Franse toneelschrijver één en dezelfde persoon zijn? Perceval toont De Misantroop, Don Juan, Tartuffe en De Vrek als één mens, wellicht Molière zelf. De intriges en de grappen van de afzonderlijke stukken laat hij voor wat ze zijn. Het gaat om de de zoektocht van één man.

Hij begint als idealist, maar raakt al snel teleurgesteld in zijn medemens. Hij vlucht in de hedonistische lust van Don Juan, die al snel verwordt tot cynische geestelijk leider Tartuffe, die zijn burgerlijke volgelingen zover krijgt dat ze hem hun vermogen en hun vrouwen aanbieden in ruil voor verlossing.

In zijn zoektocht naar waarheid en liefde vernietigt hij iedereen om zich heen, en hijzelf eindigt als incontinente baby, nog steeds krijsend om liefde, maar er verder van verwijderd dan ooit. De sneeuw verbeeld de paradoxale oerkracht van liefde en lust. Het is warm en koud, aanraakbaar en afstandelijk, koesterend en moorddadig. De spelers gebruiken het om zich te zuiveren en zich te beschermen, aan het eind verdwijnen ze bijna in de witte laag op het toneel.

Maar er is nog een oerkracht aanwezig: acteur Thomas Thieme die in de hoofdrol schreeuwend, tierend, zalvend, temend, rukkend en rappend de voorstelling bij elkaar houdt. Met niet meer dan een incontinentieluier om zijn dikke lijf en een microfoon om zijn hoofd gebonden, bezingt hij in zijn eindmonoloog op het ritme van een hartslag de beestachtige aantrekkingskracht van de liefde, geheel onbewust van de vrouw (de jonge Poolse actrice Patrycia Ziolkowska) die achter hem staat en hem overeind houdt. “Liebe ist… Liebe ist… Liebe ist…” herhaalt hij eindeloos, zijn egomane idee over liefde meenemend in de dood.

Zo krijgt de theatermaker Molière, die het liefst tragedies wilde schrijven, maar slechts succes had met zijn komedies, toch nog een tragisch monument. Kenners nemen aan dat Molière een groot acteur was en in zijn eigen stukken de hoofdrol speelde. Achter de spot met de burgerij laat Perceval de diepe zelfhaat van Molière zien.

Molière is een tergende voorstelling, groots en monumentaal, streng en rauw. Een aanslag op de zintuigen bovendien, die de toeschouwer murw gebeukt achterlaat. Maar Perceval, die sinds jaren in Duitsland werkt, en volgend jaar artistiek leider wordt van het Thalia Theater in Hamburg, geeft blijk van een bewonderenswaardig gevoel voor de oerkrachten van het theater en durft zijn visie tot in de uiterste consequenties door te voeren.

Daarom is het eigenlijk jammer dat het Holland Festival nu niet de oorspronkelijke vijf uur durende versie van Molière toont, maar de voor het lastige Berlijnse publiek tot drie uur ingekorte versie. De kadans van de sneeuwval, die op den duur tot een trance-achtige staat leidt heeft eigenlijk nog meer tijd nodig.

Holland Festival: Molière van de Schaubühne am Lehniner Platz Berlin. Gezien 7/6 in de Stadsschouwburg.

Verslagje Wiener Festwochen

buitenland,Parool,verslagjes — simber op 12 mei 2008 om 23:01 uur
tags: , , , , ,

Het EK voetbal begint er over iets minder dan een maand, maar Wenen blijft de gekte tot nu te beperkt. Goed, de metro rijdt sinds een paar dagen tot aan het Ernst Happel Stadion en de vele taartenbakkers van de stad leven zich uit in voetbalmodellen, maar de traditierijke cultuurstad heeft op het moment wat anders aan het hoofd: de Festwochen zijn begonnen. De Wiener Festwochen is sinds jaren een van de meest prestigieuze podiumkunstfestivals van Europa, maar toch ontkomt de culturele elite van de stad niet aan de voetbalmanie: sponsor A1 deelt speciale Festwochen-voetbalsjaaltjes uit, waarmee die fanatiek gedragen worden door de vele bobo’s op de premièrefeestjes.

Deze editie heeft speciale aandacht voor Nederland, en brengt verderop voorstellingen als Romeinse Tragedies van Toneelgroep Amsterdam en Broeders van Jetse Batelaan. Maar ook het ‘reguliere’ festivalaanbod is zeker de moeite waard.

Er is zelfs één voetbal op het toneel te zien, zij het een leeggelopen, ingeklapt exemplaar. De Vlaamse regisseur Luk Perceval –bekend van Ten Oorlog– maakte bij de Münchner Kammerspiele Troilus und Cressida, waarin hij Shakespeare’s zuivere, jonge liefdespaar in de Trojaanse oorlog neerzet tegenover een kinderachtige groep oude mannen, die zonder plan een oorlog zijn ingehold en nu geen idee hebben hoe ze eruit moeten komen.

In een leeg toneelhuis, met neerdruppelend water als onder een lekkend dak, zet Perceval zijn rituele, grootse beeldentaal in om oeroude verhalen naast het laatste nieuws te zetten. Bewerker Paul Brodowsky gebruikt Shakespeare’s structuur en taal slechts als aanzet, en niet al zijn vondsten werken, maar toch is het groots en monumentaal theater. Dat belooft nog wat voor Perceval’s Molière, een eerdere regie, die in juni in het Holland Festival te zien is.

Al even monumentaal is Platz Mangel van de Zwitserse sterregisseur Christoph Marthaler. Zijn laatste speelt zich af bovenop een berg op het station van een kabelbaan. Eens in de zoveel tijd komt de gondel binnen die nieuwe personen binnen brengt. Het decor is dit keer niet van zijn vaste vormgever Anna Viebrock, maar Frieda Schneider werkt op dezelfde, enorme schaal. Het blijkt een sanatorium waar de krankzinnige patiënten en de al even krankzinnige verzorgers geheel inwisselbaar zijn.

Zoals altijd bij Marthaler is er geen sprake van een helder verhaal, wordt er prachtig gezongen en is de fysieke, beetje platte humor vaak onweerstaanbaar grappig. Vooral het gebruik van de muziek van de Oostenrijkse jaren 80 synthesizerband Modern Talking is hilarisch (en kon in Wenen op groot enthousiasme rekenen). Marthaler maakte deze voorstelling in zijn thuisstad Zürich, na enkele jaren afwezigheid. Je zou Platz Mangel -een woordspeling op “platzmangel”: “ruimtegebrek”- kunnen zien als hard commentaar op zijn geestelijk gestoorde, lichamelijk onzekere thuisland.

Maar hoewel plastische chirurgie, orgaandonatie en -via de Johannes Passion- het lichamelijke lijden van Christus aan de orde komen, blijft de voorstelling nogal gemakzuchtig. Marthalers vaste patroon van losse scènes en mooi zingen is bekend en wordt bijna clichématig.

Al met al verschilt het festivalaanbod helemaal niet zo wezenlijk van het Holland Festival of KunstenFestivalDesArts in Brussel. Wat wel opvallend anders is, is het grote enthousiasme en de betrokkenheid van de gewone Weners bij het theater in het algemeen en de Festwochen in het bijzonder.

Volgende week woensdag in PS Kunst: jonge theatermaker Jetse Batelaan op de Theatertreffen.
De Wiener Festwochen duren nog tot 15 juni. Meer info op www.festwochen.at

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2019 Simber | powered by WordPress with Barecity