Jaaroverzicht Theater 2012

overig — simber op 31 januari 2013 om 08:13 uur
tags: ,

Een aantal jaar schreef ik het lemma ‘theater’ voor het Spectrum Jaarboek

Voor het theater was 2012 het jaar waarin de aangekondigde bezuinigingen op cultuur concreet werden. De Raad voor Cultuur en het Fonds Podiumkunsten publiceerden hun adviezen en ook de grote gemeenten beslisten over de verdeling van hun subsidies. Voor een aantal theaters en gezelschappen betekende dit de aankondiging van het einde. Het Onafhankelijk Toneel in Rotterdam, ’t Barre Land in Utrecht en De Engelenbak in Amsterdam zijn slechts enkele van de instellingen die per 2013 geen subsidie meer krijgen en hun activiteiten sterk moeten beperken of zelfs moeten sluiten.

De grote gesubsidieerde gezelschappen worden niet in hun voortbestaan bedreigd, maar met name Het Zuidelijk Toneel (HZT) uit Tilburg en De Utrechtse Spelen (DUS) uit Utrecht moeten een flinke korting incasseren. Beide gezelschappen kondigden een koerswijziging aan. HZT stopt met de gezichtsbepalende theaterspektakels zoals De reis om de wereld in 80 dagen met Bert Visscher en NUHR en Vertellingen van 1001 nacht met Marc-Marie Huijbregts en Ashton Brothers, die door de kritiek over het algemeen slecht werden ontvangen, maar die wel publiek trokken.

Bij DUS verliep de reorganisatie een stuk heviger. In het najaar werd bekend dat het gezelschap in grote financiële problemen verkeerde, door al te optimistische verwachtingen over de reprise van de voorstelling Orfeo ed Euridice, een opera op locatie in de tuin van Paleis Soestdijk. Het gezelschap kampte met een tekort van 2,1 miljoen euro. DUS wijtte de moeilijkheden aan de crisis, maar waarnemers konden zich niet aan de indruk ontrekken dat de ruime ambities van het gezelschap niet in overeenstemming waren met de zakelijke capaciteiten en dat het financiële toezicht behoorlijk heeft gefaald.

De gemeente moest bijspringen, het eigen theater van het gezelschap (De Paardenkathedraal) moet worden verkocht en de zakelijk leider vertrok. Aan het eind van het jaar kondigt ook artistiek leider Jos Thie zijn vertrek aan. DUS gaat als lege huls de nieuwe cultuurnotaperiode in: een flink kleiner gezelschap, zonder eigen theater, op zoek naar een artistiek directeur die nog jaren bezig zal zijn om de gemaakte schuld weg te werken.

Ook bij Toneelgroep Amsterdam was het onrustig. Een aantal gezichtsbepalende acteurs, onder wie Barry Atsma, Jacob Derwig en Fedja van Huêt, verliet het ensemble, en Het Parool publiceerde in het najaar een onthullend artikel over de grimmige werksfeer binnen het gezelschap en de despotische leiderschapsstijl van Ivo van Hove. Tegelijk wist het gezelschap zich te vernieuwen, met het engageren van nieuwe vaste acteurs als Ramsey Nasr, Bart Slegers en Aus Greidanus Jr. en het grotezaaldebuut van jonge regisseur Thibaut Delpeut. Zijn Nora, met een imposante Halina Reijn in de titelrol, was een geslaagd en venijnig commentaar op hedendaagse grotestadsprinsesjes. Ook bleef het gezelschap triomfen vieren in het buitenland, met een succesvolle tournee naar onder andere Seoul en New York.

Wie een hedendaagse roman voor het toneel bewerkt weet zich verzekerd van een vaste publieke belangstelling. De spoeling wordt echter dun, en gemakzuchtige toneelvoorstellingen van Herman Koch’s Het Diner en Saskia Noort’s De Eetclub voeden de verdenking dat producenten het publiek vooral cynisch aan het uitmelken zijn.

Het Nationale Toneel kwam origineler uit de hoek. Het gezelschap had een onverwachte hit met de voorstelling De Prooi, naar het onderzoeksjournalistieke boek van Jeroen Smit over de ondergang van ABN-Amro. Bewerker Sophie Kassies maakte van Smits non-fictie een Shakespeariaans drama, waarin Mark Rietman als bankdirecteur Rijkman Groenink tragisch te gronde gaat door zijn eigen hoogmoed. Voor werknemers in de financiële sector bleek het een must-see.

Het lijkt het begin van een trend: de komende jaren komen er nog meer non-fictie-boekbewerkingen op de podia. Zoals De Verleiders; de casanova’s van de vastgoedfraude, een vrije productie naar het boek van Vasco van der Boon en Gerben van der Marel, net als De Prooi over malversaties en grote ego’s in de financiële wereld, dit keer met Pierre Bokma en Victor Löw in een bijtende, cabareteske show over de verleidingen van het grote geld.

Nederland blijft het land van bewerkingen en nieuwe stukken. Hernemingen van Nederlandse stukken zijn bijzonder. Daarom was het dapper dat Het Toneel Speelt een oeroude traditie nieuw leven inblaast: op 1 januari speelde het gezelschap Gijsbrecht van Amstel in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Sinds de première van het stuk in 1638 is dat een goed gebruik, maar in 1968 vond met het maar ouderwets en werd de traditie afgeschaft. Mark Rietman maakte van de titelrol een memorabele polderpotentaat, als kopman van een ensemble dat Vondels verzen bijna nergens liet dreinen. Met de garantie van speelbeurten in 2013 en 2014 lijkt de traditie goed op weg naar herstel.

Een andere bijzondere herneming was die van Cloaca. Tien jaar geleden was het tragikomische stuk van Maria Goos over een uit elkaar spattende mannenvriendschap een opzienbarend succes. Nu regisseerde Gerardjan Rijnders een nieuwe versie, met een nieuwe generatie acteergozers als Tygo Gernandt en Thijs Römer, die toonden dat het stuk nog weinig van z’n venijn verloren heeft.

In de kleine zaal was er veel aandacht voor het langlopende Mightysociety-project van schrijver en regisseur Eric de Vroedt, dat zijn tiende en laatste voorstelling presenteerde. De serie voorstellingen over ‘brandende actuele thema’s’ werd de afgelopen jaren veelvuldig geprezen, en de lof bereikte zijn hoogtepunten toen De Vroedt deze zomer binnen een week zowel de Amsterdam Prijs voor de kunsten als de Prijs van de Kritiek in ontvangst mocht nemen. Later won hij ook nog de Clara Meijer-Wichmann Penning voor het ‘onder de aandacht brengen van brandende maatschappelijke kwesties waarin mensenrechten en de menselijke waardigheid onder druk staan.

Het laatste deel, Mightysociety10, was overigens een zeer persoonlijke voorstelling, waarin De Vroedt zijn eigen vader op het toneel zette, als het personage Lex, een failliete zakenman die in Indonesië een nieuwe liefde vindt, maar ten onder gaat aan drank en zijn eigen gal. Hein van der Heijden maakte er een memorabele rol van, hard en cynisch het leven met volle teugen nemend, zonder ervan te genieten.

Sowieso was het een goed jaar voor Van der Heijden. Hij won de Louis d’Or, de belangrijkste Nederlandse toneelprijs, voor zijn rollen in Oom Wanja en Vincent en Theo, beide van Hummelinck Stuurman Theaterproducties. De vrouwelijke tegenhanger, de Theo d’Or, ging naar Marlies Heuer voor haar rol in Am Ziel.

Die Am Ziel was nog onderwerp van een aardig akkefietje in de theaterwereld. Heuer speelde haar rol in een kleine voorstelling die de aanstormende regisseur Paul Knieriem maakte bij de Toneelschuur in Haarlem. De jury van Het Nederlands Theaterfestival was zodanig onder de indruk dat ze de voorstelling selecteerde als een van de tien beste van het seizoen voor het festival in september in Amsterdam. Maar in die periode was al een andere uitvoering van dit toneelstuk te zien in het De La Mar Theater, namelijk een versie van Productiehuis Zeelandia, met schrijver Arnon Grunberg in een van de rollen. Er ontstond een in Nederland ongebruikelijk conflict over de opvoeringsrechten van het stuk van Thomas Bernhard uit 1981. De Toneelschuur delfde het onderspit en mocht haar uivoering slechts één keer voor een besloten publiek spelen.

Het is niet nieuw dat theater zich ook vaak buiten de theaters afspeelt, maar de Wijksafari van Adelheid Roosen en haar groep Zina was iets zeer bijzonders: een wandeling door de Amsterdamse achterstandswijk Slotermeer, met in een aantal huizen kleine voorstellingen. Tijdens de tocht verplaatsten de toeschouwers zich deels achterop de scootertjes van hangjongeren. Roosen won er de Prosceniumprijs mee.

Aan het eind van het jaar werd de theaterwereld geschokt door de volstrekt onverwachte dood van acteur Jeroen Willems, die in elkaar zakte tijdens de repetities voor het gala ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van Koninklijk Theater Carré. De buitengewoon veelzijdige acteur had eerder in het jaar nog veel indruk gemaakt met zijn Duitstalige vertolking van de titelrol in Ludwig II, die hij speelde bij de Münchner Kammerspiele. Dat gezelschap, dat onder leiding staat van zijn oude kompaan regisseur Johan Simons, was in maart een week lang te gast in de Stadsschouwburg Amsterdam, een bijzondere kennismaking met het Duitse repertoiregezelschap dat imponeerde met voorstellingen als Gesäubert/Gier/4.48 Psychose (een compilatie van drie stukken van Sarah Kane) en Ruf der Wildnis van de Letse regisseur Alvis Hermanis, waarin zes acteurs samenspelen met evenveel honden.

In het jeugdtheater viel het Amsterdamse gezelschap De Toneelmakerij op, met de marathonvoorstelling Mehmet de Veroveraar. De Toneelmakerij, vier jaar geleden ontstaan uit een fusie van de groepen Wederzijds (van Ad de Bont) en Huis aan de Amstel (van Liesbeth Colthof) en toen nog door het ministerie van OCW opgetuigd als grote jeugdtheatergroep, ziet haar subsidie worden teruggebracht tot een derde van de huidige bijdrage. Mehmet was dan ook een eenmalige uiting van grootschaligheid, een feestelijke en weelderige voorstelling over een jonge Turkse prins. Ad de Bont nam met deze voorstelling afscheid van het jeugdtheater, zijn tekst won de Taalunie Toneelschrijfprijs.

De musical-gebeurtenis van het jaar was Hij gelooft in mij van Joop van den Ende Theaterproducties, over André Hazes. De nieuwe voorstelling, geschreven door Frank Ketelaar en Kees Prins en met muziek van de Amsterdamse smartlappenkoning, was een eclatant succes bij zowel kritiek als toeschouwers, met Martijn Fischer als geloofwaardige Hazes en Chantal Janzen als zijn vrouw Rachel. Ook ouder Amsterdams repertoire maakte een comeback: een nieuwe versie van De Jantjes oogste veel bijval.

In 2012 werden overigens geen John Kraaijkamp Musical Awards uitgereikt. Er was al enige tijd onvrede over de door Joop van den Ende in het leven geroepen prijzen, en musicalproducent Albert Verlinde had zijn medewerking aan de onderscheidingen al in 2011 opgezegd. De organisatie kondigde aan te onderzoeken of de prijzen konden samengaan met de VSCD Toneelprijzen (o.a. de Louis en Theo d’Or), maar aan het eind van het jaar volgde de bekendmaking van een nieuwe jury en een nieuw gala in 2013.

In het cabaret waren het de vertrouwde namen die de dienst uitmaakten. Theo Maassen maakte een programma, Met alle respect, waarin hij opnieuw zijn persoonlijke sores en de nationale crisis virtuoos aan elkaar wist te knopen, tegen het einde van het jaar maakte Freek de Jonge zijn tradionele, hoogwaardige kerstvoorstelling Circus Knibbe en Richard Groenendijk won de cabaretprijs Poelifinario voor zijn show Alle dagen. Opvallend was de prijs Neerlands Hoop voor rapper en knuffelallochtoon Ali B, die zich dus nu cabaret-talent mag noemen.

Maar uiteindelijk kregen de subsidieperikelen de overhand. Tegen het eind van het jaar druppelde het ene na het andere opheffingsbericht binnen. Gezelschappen als het OT in Rotterdam, Keessen&Co uit Arnhem en Carver uit Amsterdam speelden hun laatste voorstellingen, het Huis van Bourgondië in Maastricht, De Engelenbak en het Rozentheater in Amsterdam sloten hun deuren. Daarnaast is er nog een flink aantal groepen dat ondanks het stoppen van hun subsidie (nog) niet aan opheffing denkt, maar die het komende jaar moet gaan bewijzen zich te kunnen handhaven in de nieuwe kunstenwerkelijkheid.

Die onduidelijkheid geldt dubbel voor jonge theatermakers. Wie nu afstudeert aan een theateropleiding kan niet langer gebruik maken van de vele productiehuizen die Nederland tot en met dit jaar telde – waar jonge talenten hun artistieke signatuur kunnen ontwikkelen– en zijn afhankelijk van de grote gezelschappen, die zelf ook met veel minder geld moeten zien rond te komen. Bijna alle instellingen zijn bezig met nieuwe vormen van financiële ondersteuning – van crowdfunding en donateurskringen tot samenwerkingen met maatschappelijke partners – maar voor niemand is dat een afdoende tegenwicht voor de afgenomen subsidiestroom.

Ook het in aanraking brengen met cultuur van de jongste generatie staat door de bezuinigingen onder druk. Het vak CKV (culturele en kunstzinnige vorming) op de middelbare school dreigt te worden afgeschaft, waardoor (onder andere) klassikaal theaterbezoek afhankelijk wordt van het eventuele enthousiasme van de docent. De aangekondigde afschaffing van de cultuurkaart –waarmee leerlingen goedkoop culturele activiteiten kunnen bezoeken– gaat echter niet door; een van de eerste beslissingen van de in november aangetreden minister voor cultuur Jet Bussemaker (PvdA).

Een wel heel wrang verlies is de sluiting van het Theater Instituut Nederland. Verschillende reddingspogingen van het instituut –o.a. een nieuw theatermuseum in de Stopera in Amsterdam– hadden geen effect, de door professionals veelgebruikte bibliotheek moest sluiten en de collectie wordt deels overgenomen door de Universiteit van Amsterdam. Het verleden van het theater staat dus ook wankele benen en de toekomst is vooralsnog niet rooskleurig.

Jaaroverzicht Theater 2011

overig — simber op 31 januari 2012 om 08:08 uur
tags: ,

Een aantal jaar schreef ik het lemma ‘theater’ voor het Spectrum Jaarboek

Het theater werd in 2011 grotendeels overschaduwd door de aangekondigde bezuinigingen op cultuur. Hoewel er mooie voorstellingen werden gemaakt, waren veel theatermakers vooral bezig met actie voeren en plannen maken. Uiteindelijk ging de strijd niet eens zozeer tegen de bezuinigingen an sich, maar tegen de minachtende en destructieve toon die in de politiek gebezigd werd over de kunsten, die –vreest men– schadelijker is dan de 200 miljoen euro die het kabinet wil besparen.

In mei adviseerde de Raad voor Cultuur over de bezuinigingsopdracht van de staatssecretaris. Het advies kwam neer op een evenredige verdeling van de bezuinigingen over alle sectoren (dus ook musea en erfgoed, ook al waren die in het regeerakkoord uitgezonderd) en drong sterk aan op een gefaseerde invoering van de bezuinigingen over een periode van drie jaar. Het was enerzijds een redelijk en goed onderbouwd verhaal, maar anderzijds per se niet waar staatssecretaris Zijlstra van cultuur om had gevraagd.

Begin juni bracht de staatssecretaris zijn eigen plannen naar buiten, waarin hij het raadsadvies voor een belangrijk deel naast zich neerlegde en besloot om grote instellingen overeind te houden en te schrappen in de humuslaag van kleine en middelgrote theatergezelschappen, muziekensembles en festivals. De grootste gezelschappen, zoals De Nederlandse Opera, het Nationale Ballet of Het Nationale Toneel komen grotendeels ongeschonden uit de strijd, de klap komt vooral terecht bij de vele kleine gezelschappen. De productiehuizen, zoals Frascati in Amsterdam of de Toneelschuur in Haarlem – typisch Nederlandse instellingen waar jonge regisseurs en spelers worden begeleid bij hun eerste voorstellingen, worden als het aan het rijk ligt helemaal opgeheven.

Nu de Raad voor Cultuur zo gepasseerd werd kon voorzitter Els Swaab niets anders doen dan opstappen. “De nieuwe politiek heeft geen respect voor de dialoog. De botte meerderheid beslist”, zei ze daarover in een interview met de Volkskrant. In november werd ze opgevolgd door Oud-omroepbaas Joop Daalmeijer.

Na het uitkomen van de plannen van Zijlstra in juni kwam de kunstwereld in actie. Het voornaamste protest was de door jonge theatermakers georganiseerde Mars der Beschaving, die werd ingeleid op Oerol en waarbij enkele dagen later duizenden kunstenaars ’s nachts van Rotterdam naar Den Haag liepen. Hoewel de acties veel publiciteit genereerden, haalden de kunstenaars geen poltiek resultaat. Integendeel: in het najaar werd bekend dat ook een groot deel van de gemeenten en provincies, op zoek naar sluitende begrotingen, het mes zetten in de ondersteuning van cultuur.

Tegelijk met de acties werd er ook vooruit gekeken. Verschillende initiatieven waren op zoek naar oplossingen voor de legitimatiecrisis in de kunsten, zoals bijvoorbeeld Koers Kunst, een nationale brainstorm voor innovatief cultuurbeleid, waarin experts binnen en buiten de kunstsector hun beste ideeën lanceerden. Opvallend vaak kwam daarin de aanbeveling naar voren om buiten de muren van de kunst te kijken naar nieuwe kansen om het publiek te betrekken

Dit sloot naadloos aan bij een beweging die in het theater al te zien was. In Rotterdam werkte de schouwburg samen met het universitair Erasmusziekenhuis in een theatraal seminar Rotterdam Health and Happiness; in verschillende Brabantse steden vond het project Sketch plaats, van het Zuidelijk Toneel en Stichting Nieuwe Helden, waarin theatermakers, ontwerpers en architecten in een papieren bouwwerk op een centraal plein het publiek verleidden na te denken over hun wensen voor de stad; en vond op 4 mei in Amsterdam voor de tweede keer Theater na de Dam plaats, een programma met voorstellingen over de Tweede Wereldoorlog, direct na Dodenherdenking in de theaters rond de Dam.

Hierbij sluit de opvallende trend van het zelfhulptoneel aan: voorstellingen als Ontboezemingen (over borstkanker), De Hormonologen (over de overgang) en Darm Dialogen (over darmziektes). Voorstellingen voor een heel specifieke doelgroep, waarin het taboe op een ziekte wordt doorbroken, patiënten en hun familie een hart onder de riem gestoken krijgen en drama en grimmige humor elkaar afwisselen, in een interessante combinatie van De Vagina Monologen en Cliniclowns. Met name de Darm Dialogen waren een pionier op de kruising van kunst en zorg: het stuk werd geschreven in opdracht van de Maag Lever Darm Stichting en maakte een tournee langs ziekenhuizen.

De legitimatiecrisis bij de kunstsubsidies leek ook direct z’n weerslag te hebben in de zalen: het gaat slecht met de bezoekersaantallen. Voor een deel is dit direct te wijten aan de verhoging van de BTW op theaterkaartjes die op 1 juli in ging, maar ook consumenten geven minder uit aan cultuur en uitgaan vanwege de crisis. Maar ook de negatieve beeldvorming rondom de kunsten zal een rol spelen.

Die financiële problemen kwamen pijnlijk aan het licht toen in oktober musicalproducent Mark Vijn failliet ging, iets meer dan een week na de première van zijn voorstelling De Producers. Die voorstelling, een scherpe Amerikaanse satire op het musicalbedrijf met harde grappen over Hitler en de holocaust, kreeg zeer positieve recensies, maar het publiek bleef weg. Een dergelijke risicovolle productie had het wellicht nog net gered in hoogconjunctuur, maar 2011 was er niet het jaar voor.

Dan had V&V Entertainment (dat na de overstap van topman Roel Vente naar Joop van den Ende’s Stage Entertainment in augustus 2011 verder ging als Albert Verlinde Entertainment) meer succes. Het bedrijf maakte nieuwe musicals over Boney M (Daddy Cool) en Ramses Shaffy. Ramses, met Hans Hoes en Willem Spaaij tegenover elkaar als de oude alcoholische chansonnier en jonge flamboyante verleider, werd goed ontvangen.

De overige musicalproducenten brachten weinig nieuw werk, maar vertrouwden op bewezen successen en sprookjes, zoals Wicked, Zorro en Miss Saigon (alle van Stage Entertainment) en Jungle Book (FanWork). Ook het succes van de shows van André van Duin in 2011 moet in dit licht worden gezien.

Na een jaar vol met politiek geëngageerd cabaret in 2010 leek het publiek in 2011 vooral vermaak te willen. Erik van Muiswinkel maakte het mild spottende programma 4-8-’61 over de geboortedatum die de cabaretier deelt met Barrack Obama en Hans Sibbel won de Poelifinario voor het beste cabaretprogramma voor zijn show Branding (pimped). De kleinkunstenaars lijken hun hang naar actualiteit allemaal bewaard te hebben tot het einde van het jaar: het aantal oudejaarsconferences loopt de spuigaten uit, met shows van oudgedienden als Youp van ’t Hek en Freek de Jonge tot historicus Maarten van Rossem, theatermaakster Laura van Dolron en televisiepersoonlijkheid Beau van Erven Dorens.

In het gesubsidieerde toneel was het belangrijkste nieuwsfeit het aantreden van Theu Boermans als de nieuwe artistiek leider van het Nationale Toneel in Den Haag. In september liet hij de nieuwe era van start gaan met een kennismakingsfestival met reprises van eigen producties, waaronder de legendarische voorstelling De Presidentes met dezelfde drie actrices als in 1993: Marisa van Eyle, Myranda Jongeling en Anneke Blok. In november maakte hij de hooggespannen verwachtingen waar met zijn eerste grote voorstelling, het feestelijke en fantasierijke Midzomernachtsdroom. Na een relatief zwakke periode onder Johan Doesburg lijkt het Nationale Toneel klaar te staan om de artistieke concurrentie met Ivo van Hoves Toneelgroep Amsterdam aan te knopen.

Bij Toneelgroep Amsterdam vielen vooral de gastregisseurs op. De hooggeprezen Berlijnse regisseur Thomas Ostermeier maakte een stijlvolle en onderkoelde Spoken van Ibsen, en de Vlaamse, maar reeds lang in Duitsland werkende regisseur Luk Perceval zette een sombere bewerking van de Zuidafrikaanse roman In Ongenade van J.M. Coetzee op het toneel, met een lucide Gijs Scholten van Aschat in dwalend in een decor van zwarte etalagepoppen. Artistiek leider Ivo van Hove regisseerde in het Holland Festival de grootschalige marathonvoorstelling De Russen!, waarin schrijver Tom Lanoye Tsjechovs stukken Ivanov en Platonov door elkaar weefde, maar haalde daarmee bij lange na niet zijn oude niveau en hij verslikte zich danig in De Vrek van Molière (waarmee hoofdrolspeler Hans Kesting zijn 25-jarig toneeljubileum vierde) die grappig noch tragisch werd.

Buiten de Randstad lijken de grotere gezelschappen, zoals het Zuidelijk Toneel, De Utrechtse Spelen en het Noord Nederlands Toneel, hun artistieke kwaliteit meer en meer in de waagschaal te leggen, in een poging te voldoen aan de vele opdrachten vanuit de hun subsidiërende overheden die grotere toegankelijkheid, meer inbedding in de regio, talentontwikkeling en samenwerking wensen. Het theater in de provincie dreigt daadwerkelijk provinciaal te worden. De enige groep die zich daaraan vooralsnog onttrekt is Oostpool uit Arnhem, maar hun mooiste voorstelling, Till the fat lady sings, een tekst naar J.D. Salinger, speelde niet in de schouwburgen, maar in de kleine zalen.

En zo werd in de tweede helft van 2011 pijnlijk duidelijk dat het beste toneel dat in Nederland in de grote zalen te zien is (en dan nog maar mondjesmaat) afkomstig is uit België. De jonge Vlaamse honden van FC Bergman verbijsterden het Amsterdamse publiek met hun megalomane decor voor 300 el x 50 el x 30 el, waarin een levensecht bos, meerdere duiven, een filmcrew, een dood schaap en eindeloos veel figuranten meebouwden aan scènes over het verhaal van Noach en de Zondvloed. Regisseur Guy Cassiers werkt met zijn Antwerpse groep Het Toneelhuis gestaag verder aan zijn even weergaloze als apocalyptische serie voorstellingen naar het boek De Man zonder Eigenschappen van Musil.

In die kleine zalen viel de trend van egodocumentair theater op. Het wemelde dit jaar van de solovoorstellingen waarin makers van in de twintig of dertig zelf op het toneel stonden en op ongedwongen wijze het publiek zijn of haar verhaal vertelden. Nasrdin Dchar vertelde in Oumi hoe een toneelrol hem ongewild in een identiteitscrisis stortte; Marjolijn van Heemstra vertelde in Family ’81 hoe ze in India, Zuid Afrika en Frankrijk op bezoek ging bij drie mensen met dezelfde geboortedatum als zijzelf; Sadettin Kirmiziyüz vertelde in De vader, de zoon en het heilige feest hoe hij met zijn vader op Hadj ging naar Mekka; Sanne Vogel vertelde in Document over het borstkankergen dat in haar familie woedt. Kortom, het was een heuse trend.

Je zou het ‘Facebook-theater’ kunnen noemen, omdat de makers dezelfde bestudeerde openhartigheid hanteren als gebruikers van het sociale netwerk. Ze geven veel van zichzelf bloot, soms inclusief vakantie- of jeugdfoto’s, en hun ouders en opvoeding komen expliciet aan de orde. Vorig jaar speelde Ilay den Boer al een voorstelling samen met zijn vader, dit jaar werden de ouders van Joris Smit, Jetse Batelaan en van de hele Duitse groep She She Pop het toneel op gesleept.

De mooiste toneelrollen van het seizoen, die jaarlijks worden beloond op het prijzengala in september bleken al vorig jaar te zijn gespeeld: Jacob Derwig won voor zijn even hilarische als hartverscheurende rol in Kinderen van de Zon van Toneelgroep Amsterdam de Louis d’Or, Elsie de Brauw kreeg de Theo d’Or voor haar rol van moeder van een dood kind in Gif van NT Gent. De voorstelling Doek!, een komedie over twee acteurs van Maria Goos won de Toneel Publieksprijs.

Aan het eind van het jaar werken alle theatergroepen aan hun subsidieaanvragen. Halverwege 2012 zal duidelijk worden welke minderheid van groepen nog op ondersteuning kan rekenen. Achter de schermen wordt driftig gelobbyd, worden kongsi’s gesloten en fusies aangegaan. Het jaar 2011 ging duidelijk niet over de kunst, maar over overleven. De resultaten van de subsidiekortingen, de zoektocht naar nieuwe richtingen en nieuwe samenwerkingsverbanden zullen pas vanaf 2013 duidelijk worden, maar vast staat dat het theaterlandschap vanaf volgend jaar fundamenteel zal veranderen.

Jaaroverzicht theater 2010

overig — simber op 31 maart 2011 om 08:00 uur
tags: ,

Een aantal jaar schreef ik het lemma ‘theater’ voor het Spectrum Jaarboek

Het theater in 2010 hield zich bezig met de politiek en de politiek met het theater. Expliciet maatschappelijk engagement is al enige jaren in de mode, maar in 2010 leek het de norm. Een geliefd onderwerp was de kredietcrisis die het publiek kon bekijken vanuit het perspectief van de daders, zoals de zwendelende verkopers van waardeloos vastgoed in Glengarry Glen Ross, door regisseur Eric de Vroedt bij Toneelgroep Amsterdam neergezet als snelle, eigentijdse komedie, of in Eerst de bonus, dan de moraal van theatergroep Klein Land, een beeldende locatievoorstelling op het Over het IJ Festival in Amsterdam Noord, waarin verstilde mannen in pakken door hun overbodig gemaakte kantoor dolen.

Ook de slachtoffers kwamen aan bod. In Interest van toneelschrijver Rob de Graaf door theatergroep Keesen & Co zien we de middenklassetragiek van een vaderloos gezin, waarin de nieuwe vriend van de moeder het familievermogen verkwist aan een hachelijk dotcom-avontuur. Van de brug af gezien van Arthur Miller uit 1956, waarin geïmmigreerde havenarbeiders vermorzeld worden door de druk van buiten, werd door regisseur Erik Whien bij Toneelgroep Oostpool licht geabstraheerd en daardoor moeiteloos in het heden geplaatst.

Een opvallende aanvulling op het crisistoneel was de voorstelling Underground van NT Gent: regisseur Johan Simons regisseerde de met name in Duitsland zeer hoog geachte toneeltekst Die Kontrakte des Kaufmanns van Elfriede Jelinek, een woedende klaagzang zonder individuele personages. Jelinek laat ‘de kleine beleggers’, ‘de bankiers’ en zelfs het geld zelf het publiek toespreken. De recensies over Underground waren vrij negatief, maar de heftigheid van Jelineks teksten heeft een niet te onderschatten impakt op het debat.

Ook de jongere regiseusse Susanne Kennedy ensceneerde bij Het Nationale Toneel een tekst van Jelinek: Over Dieren, waarin ze het hedendaagse vrouwbeeld bestookt. Jelinek gebruikt teksten van afluistertapes van een Oostenrijks escortbedrijf, waarbij de onderhandelingen over seksuele diensten worden gevoerd als waren het catalogusproducten. Kennedy was een van de meest opvallende makers van het seizoen. Als jonge regisseur maakte ze bij Het Nationale Toneel drie opvallende voorstellingen (naast Over dieren ook The new electric ballroom en Emilia Galotti) en won ze in september de Erik Vos Prijs voor aanstormend regietalent.

Johan Simons begon dit jaar aan zijn intendantschap bij de Münchner Kammerspiele in Duitsland. Hij is de eerste Nederlander die een dergelijke functie uitoefent en een aantal Nederlandse en Vlaamse acteurs gingen met hem mee naar München, zoals Benny Claessens en Katja Herbers. Ook Pierre Bokma en Elsie de Brauw spelen gastrollen. Kennedy is een van de regisseurs die hij uitnodigde voor een gastregie bij het gezelschap, evenals het jonge talent Julie Van den Berghe, die dit jaar de Ton Lutz Prijs won voor de beste afstuderende regisseur. Simons’ eerste voorstelling als intendant, de Joseph Roth-bewerking Hotel Savoy, werd met enthousiasme onthaald in de Duitse pers.

De keuze van het Nederlands Theaterfestival, de jaarlijkse selectie van hoogtepunten uit het theaterseizoen, reflecteerde de hausse aan maatschappelijk betrokken theater: naast Over dieren, Underground en Van de brug af selecteerde de jury onder leiding van Adelheid Roosen Hannah en Martin van Mugmetdegoudentand (uit 2009; het Theaterfestival gaat over een seizoen), 11 Minuten van het Noord Nederlands Toneel (gebaseerd op het boek van Paulo Coelho en interviews met prostituees) en Woeste hoogten, rusteloze zielen, een ontroerende jongerenvoorstelling van het Nederlandse Artemis en het Vlaamse Antigone, met een gloedvolle hoofdrol van Alejandra Theus als Cathy.

Opvallende keuzes waren A l’attente du Livre d’Or, een losjes swingende voorstelling over Afrika en Europa, ontstaan uit een samenwerking tussen Vlaamse en Congolese acteurs en Dit is mijn vader van Ilay den Boer. Den Boer is een jonge theatermaker die onder de titel Het beloofde feest in een serie van zes voorstellingen zijn eigen joodse identiteit onderzoekt, aan de hand van zijn eigen familieleden. In Dit is mijn vader staat hij met zijn eigen vader Gert den Boer op het toneel en gaat hij met hem de confrontatie aan over de angst voor het antisemitisme in Nederland.

Maar volgens velen de mooiste voorstelling van 2010 was Branden van het Ro Theater. De Libanees-Canadese schrijver Wajdi Mouawad schreef een stuk over een westerse broer en zus die op zoek naar de geheimen van hun overleden moeder in een door burgeroorlog verscheurd land terechtkomen. Alize Zandwijk voerde een even heftige als poëtische regie, met kinderlijke schaduwspelen en realistische automatische geweren. De voorstelling ontleende haar specifieke authenticiteit met name aan de bijzonder multiculturele spelersgroep, met onder anderen de Liberiaanse Bright Richards, de Russische Oleg Fateev en de Iraanse Mahnaz Morrowatian, aangevoerd door de zeer geprezen Vlaamse actrice Fania Sorel als de moeder, die voor haar rol werd genomineerd voor een Theo d’Or, de prijs voor de beste vrouwelijke hoofdrol van het seizoen.

De Theo d’Or werd echter gewonnen door Maria Kraakman, voor de titelrol in Orlando van Toneelgroep Oostpool, het boek van Virginia Woolf over Orlando die zo’n driehonderd jaar leeft en van een man in een vrouw verandert. De jury prees haar ‘indringende en zeer fysieke aanwezigheid, en haar weergaloze timing, die de gecompliceerde tekst invoelbaar en transparant maakt.’ De Louis d’Or werd gewonnen door Kees Hulst voor zijn rol in de bewerking van Arnon Grunbergs Tirza bij Het Nationale Toneel in de regie van Johan Doesburg.

In maart zag een nieuwe toneelprijs het licht. Ter gelegenheid van haar vijftigjarig toneeljubileum kreeg Kitty Courbois een naar haar genoemde prijs uitgereikt: de Courboisparel. Het is een zogenaamde doorgeefprijs: de houdster kiest zelf welke actrice de volgende draagster is. Er bestond nog een dergelijke prijs: de Theo Mann-Bouwmeesterring, en die werd dit jaar doorgegeven. Anne-Wil Blankers gaf de ring in november na zestien jaar door aan Ariane Schluter.

Zoals uit de acteerprijzen blijkt zijn boekbewerkingen nog altijd populair op het toneel. Vooral theaterversies van Nederlandse literaire klassiekers trekken bovengemiddeld veel publiek. In 2010 waren naast Tirza ook Karakter (met Waldemar Torenstra en Joost Prinsen), Heren van de thee en De Avonden (met Thomas Cammaert als Frits van Egters) te zien, maar ook lichtere kost als Zadelpijn en ander Damesleed heeft succes. Begin 2011 volgt de toneelbewerking van De Aanslag. Ook filmbewerkingen zijn nog in trek, zoals Oog in oog met Victor Löw en Linda van Dyck, naar de film Dead man walking, dat de Toneel Publieksprijs won.

De grootste theaterhit was echter klassiek toneelrepertoire, zij het in een bijzondere setting: in Richard III van Orkater werd Shakespeare’s klassieker aangevuld met de liedjes van Tom Waits. De op papier gewaagde combinatie pakte verrassend goed uit en met een lepe Gijs Scholten van Aschat in de titelrol en live muziek van theaterband The Sadists leverde het een rauwe crowdpleaser op. Door de exclusieve programmering – de voorstelling speelde een maand lang uitsluitend in de Stadsschouwburg Amsterdam – kon ook worden geëxperimenteerd met dynamische toegangsprijzen, die in de loop van de verkoopperiode stegen.

Richard III was de laatste voorstelling voordat Scholten van Aschat toetrad tot het ensemble van Toneelgroep Amsterdam. Na de successen van een aantal jaar geleden (Opening night, Romeinse tragedies, Angels in America) leek het gezelschap in een zoekende periode beland. Ook in 2010 bracht het gezelschap goed gemaakte maar weinig opzienbarende voorstellingen als Zomertrilogie (met een uitmuntende komedierol van Karina Smulders), de filmbewerking La Grande Bouffe (met een ‘beeldconcept’ van kunstcritica en curator Anna Tilroe) en Phaedra van de Poolse gastregisseur Grzegorz Jarzyna en met Chris Nietvelt in de titelrol. Toneelgroep Amsterdam werd niet geselecteerd voor het Theaterfestival en ook bij de nominaties voor de acteursprijzen werd het gezelschap gepasseerd. Pas aan het eind van het jaar toonde Ivo van Hove weer eens zijn oude vorm met de voorstelling Kinderen van de zon, naar Maksim Gorki, waarin het verhaal over beuzelende intellectuelen omringd door armoede en cholera akelige actuele parallelen meekreeg.

Bij de musicals ging het er heel wat lichtvoetiger toe. In het najaar gingen verschillende nieuwe Nederlandse producties in première die grossieren in nostalgisch vertier. De zeer hoog geprezen Joop van den Ende-productie Petticoat haalt de jaren vijftig terug, met een origineel script van André Breedland over een meisje dat het wil maken in de grote stad en charmante pastiches op showbizliedjes van Henny Vrienten en met hoofrolspeelster Chantal Janzen als stralend middelpunt. Van een iets steviger kaliber was de musicalversie van Soldaat van Oranje, die voor onbepaalde tijd te zien is op de voormalige luchtmachtbasis Valkenburg bij Leiden. De voorstelling, geschreven door Edwin de Vries, met muziek van Tom Harriman en geregisseerd door Theu Boermans, trok vooral de aandacht door de spectaculaire en vernieuwende decors en techniek, met een bewegende publiekstribune, schuifwanden die vloeiende scèneovergangen mogelijk maken, projecties en een echt vliegtuig.

In het cabaret vielen twee programma’s op met een persoonlijke insteek en een blik over de generaties heen. Claudia de Breij plaatste haar programma Hete Vrede vijftig jaar in de toekomst en probeerde in een gesprek tussen haar imaginaire kleinkind en haar bejaarde zelf te reflecteren op het huidige tijdsgewricht. Ze won er de Poelifinario mee, de prijs voor het beste cabaretprogramma van het seizoen. In de herfst volgde het programma Daar werd wat groots verricht van Diederik van Vleuten, die na het uiteenvallen van het duo Muiswinkel & Van Vleuten solo verdergaat. Daar werd wat groots verricht is een combinatie van geschiedenisles en persoonlijke familieverhaal over Van Vleuten’s oom, die lang in Nederlands Indië woonde en werkte. De Neerlands Hoop, de prijs voor het meest veel belovende cabaret talent, werd in september gewonnen door de door taal geobsedeerde absurdiste Paulien Cornelisse.

Musical, toneel en cabaret kregen er in november een bijzondere nieuwe schouwburg bij: het nieuwe De La Mar Theater in Amsterdam. Het nieuwe gebouw, op de plek van het Nieuwe De La Mar Theater en de bioscoop Bellevue Cinerama aan de Marnixstraat heeft twee zalen (900 en 600 stoelen), een grand café en diverse foyers. Joop van den Ende en zijn vrouw Janine betaalden de benodigde 60 miljoen uit eigen middelen en dragen ook minstens tien jaar bij aan de exploitatie van het nieuwe theater. Janine verzorgde ook de opmerkelijke fototentoonstelling in het gebouw, waarvoor ze fotografen als Erwin Olaf, Viviane Sassen en Koos Breukel een speciale opdracht gaf. Met hun vrijgevigheid plaatsten de Van den Ende’s zich midden in de discussie over kunstmecenaat, die in het najaar zijn hoogtepunt bereikte.

Over een groot deel van het jaar hing voor de gesubsidieerde kunsten al de slagschaduw van de verkiezingswinst van VVD en PVV, twee partijen die al in een vroeg stadium aankondigden te willen bezuinigen op kunstsubsidies. De kunsten leken zelfs even een verkiezingsitem te worden, nadat zowel RTL Nieuws als Nova in het voorjaar uitgebreid berichtten over de gemeentelijke uitgaven aan kunst en cultuur en over een opiniepeiling waaruit bleek dat cultuur een van de meest genoemde potentiële bezuinigingsposten was.

De bezuiniging van 200 miljoen euro die de verse regering begin oktober aankondigde kwam daarom niet als een heel grote verrassing. Wel verrassend was de per 1 januari 2011 geplande verhoging van de BTW op kaartjes voor theatervoorstellingen, concerten en aankopen van beeldende kunst. Met nog een aantal andere maatregelen dreigt binnen de gesubsidieerde podiumkunsten een korting van ongeveer een kwart van het totale rijksbudget. De kunstwereld kwam al snel met acties, bestaande uit optredens, discussies, flash-mobs en demonstraties, uitmondend in de manifestatie Schreeuw om Cultuur op 27 november en de door Freek en Hella de Jonge georganiseerde televisieuitzending Leve de Beschaving twee dagen later.

Ook ongesubsidieerde producenten, podia en concertorganisatoren sloten zich aan als gedupeerden van de BTW-verhoging en veel festivals, o.a. Lowlands, deden goede zaken door de voorverkoop te vervroegen om zo het hogere BTW-tarief te vermijden. Ondanks deze grote aanhang en diverse prominenten als Joop van den Ende, Frits Bolkestein en Bernard Haitink die zich uitspraken tegen de bezuinigingen, kon de cultuursector aan het eind van het jaar pas na schermutselingen in de Eerste Kamer een minieme concessie van het kabinet loskrijgen: de BTW-verhoging werd een half jaar uitgesteld.

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2019 Simber | powered by WordPress with Barecity