Interview Frie Leysen

interviews,Theatermaker — simber op 28 september 2011 om 09:15 uur
tags: ,

Het is moeilijk om Frie Leysen te pakken te krijgen. Ze reist tussen de hele wereld af op zoek naar ‘het nieuwe en onbekende’ in het theater, in Europa, maar ook in Azië, Afrika en Zuid Amerika. In 1994 richtte ze het Kunstenfestivaldesarts op in Brussel, en sinds ze daar in 2006 vertrok organiseerde ze steeds één editie van een bijzonder festival: Meeting points in de Arabische wereld in 2007, Theater der Welt in het Ruhrgebied in 2010. Deze zomer werd bekend dat Leysen in 2012 het Berlijnse festival Spielzeit Europa zal leiden, wederom eenmalig. “De kunstsector in Europa is te braaf geworden.”

We ontmoeten elkaar in café A la mort subite in Brussel. Het schitterende etablissement, met zuilen, houten lambrisering en kleine tafeltjes, ziet eruit als een decor van Anna Viebrock en inderdaad heeft regisseur Herbert Wernicke het interieur een keer laten nabouwen voor zijn opera Orphée aux Enfers in De Munt.

“Ja, ik wordt een specialist in one shots”, zegt ze lachend over haar derde eenmalige festival-klus. “Het heeft wel een nadeel, want ik kan niets dóórontwikkelen, maar het spannende is dat je al je energie moet erop moet richten om op één moment iets te laten gebeuren. Dat is toch de essentie van wat een festival is. Ik weet gelukkig nog steeds niet hoe dat moet. Ik heb enige continuïteit in een aantal makers die ik meeneem.”

“Ik hoop dat op de festivals die ik organiseer de toeschouwers op een avond een reis kunnen maken in plaats en in tijd, zonder dat ze hun woonplaats hoeven te verlaten. Een reis met verrassingen en problemen, die je gezichtspunten verandert en je wereldbeeld uitdaagt. Mijn job is om dat te organiseren. Voor die ene avond reis ik twee maanden. Ik zie heel veel en ik zit ook heus wel eens vloekend op een saai vliegveld, maar dat is mijn werk.” Grinnikend: “En dan kan het op die ene avond toch nog tegenvallen.”

Leysen is niet iemand van grote generalisaties. Verwacht van haar geen statements over de staat van het theater in de wereld. Misschien juist omdát ze zo veel en zulk divers werk ziet heeft ze goed oog voor regionale verschillen en culturele merkwaardigheden. “Wat me van het laatste jaar is bijgebleven is een voorstelling van Daisuke Miura uit Tokio. Hij schetst een generatie in Japan die geen enkel perspectief  heeft. Politiek, noch sociaal, noch emotioneel. De voorstelling bestaat eigenlijk uit anderhalf uur verveling, met veel treurige seks. Heel triestig. Wat mijn in de arabische wereld heel erg getroffen heeft is dat de maatschappij daar zo jong is. En die mensen hebben natuurlijk ook mobiele telefoons en Facebook. Die weten heus wel wat er aan de hand is. Je neemt daar een enorme energie waar. De recente omwentelingen daar tonen dat duidelijk aan. Ik geloof in cycli, met hoogtepunten en crises.”

“Wat mij persoonlijk drijft is het zoeken naar de volgende generatie. En ik wil weten wat er buiten onze westerse blik aan hedendaagse kunst wordt gemaakt. Mensen in Bangkok of Beiroet maken even goed werk van vandaag als Europese en Amerikaanse kunstenaars. En in een festival kun je dat laten zien. Dan moet je dus niet, zoals ik sommige programmeurs wel zie doen, over de wereld trekken op zoek naar ‘de plaatselijke Jan Fabre’. Dat heeft natuurlijk geen zin. Je moet kijken naar de lokale context. Maar uiteraard is de druk vanuit het westen heel groot. Wij zijn imperialistisch en koloniserend. En wij hebben de centen…”

Wat zijn de plekken die ze nog intessant vind in Europa? “Engeland is boring, Duitsland en Frankrijk zijn zozo, Nederland en België doen het eigenlijk heel goed. Spanje en Portugal zijn interessant, daar broeit het. Maar ja, het broeit daar al te lang. We moeten die Europese verscheidenheid overigens niet wegmoffelen maar valoriseren.”

Wel heeft ze een algemene observatie over het cultuurbeleid in Europa. “Uit de landen waar de sector het best georganiseerd is, komt vaak het minst interessante werk. In Frankrijk bijvoorbeeld is er een grote tendens tot overorganisatie. Kunstinstellingen raken dan verwend. En dat is geen garantie voor een goede biotoop. We willen het graag proper en schoon en goed georganiseerd, maar het onkruid is vaak het interessantst. Nederland zit met een ander probleem: er wordt goed werk gemaakt, maar zelfgenoegzaamheid ligt op de loer. Net als in België trouwens.”

“Die zelfgenoegzaamheid komt door de gebrekkige internationale circulatie. In de beeldende kunst, muziek en de opleidingen is die er nog wel, maar in de podiumkunsten niet. En dat is wel nodig, want jullie dreigen arrogant te worden. Hier leeft het idee dat je niet verder hoeft te kijken, want ‘wij doen het toch het beste’. Maar de bezuinigingen die nu bij jullie worden doorgevoerd zijn zo ongelooflijk brutaal en absoluut ondoordacht. De bron droogt op. Als je de humuslaag weghaalt en alleen investeert in prestigeprojecten droogt het op. Maar dat het probleem van de politiek: het is gericht op de korte termijn.”

“De kunst is echter niet alleen slachtoffer, maar ook mede-auteur van de situatie. Waarschijnlijk is de kunstsector te braaf geweest. Als de overheid het heeft over participatie of multiculti dan gaan alle instellingen dat braaf uitvoeren. Zo werkt een beleidslijn als een dictaat. Soms zegt een minister heus wel iets zinnigs, maar de kunst gedraagt zich niet vrij genoeg en dat is onze eigen schuld. Er heerst een vorm van zelfcensuur, omdat het geld afhangt van het beantwoorden aan de eisen. En die eisen worden bijna exclusief kwantitatief. De overheid heeft geen vat op het artistieke en valt dus terug op datgene wat meetbaar is, zoals publieksaantallen.”

Dreigt een vergelijkbare verandering in de houding ten opzichte van de kunsten ook in andere landen? “Ja, in heel Europa. Je ziet dat er in bijvoorbeeld in Slovenië, Italië en Engeland ook al enorm bezuinigd wordt. Maar een groter probleem dan minder geld is het idee van de ‘linkse hobby’. Het gaat ook niet alleen om kunst, maar ook om onderwijs of sociale voorzieningen. Maar in landen als Frankrijk of Duitsland is er nog een hele duidelijke traditionele, klassieke cultuur, waar ook de populisten zich aan verbinden. Benoemingen in Frankrijk zijn zeer politiek, maar cultuur is een echt issue voor alle politieke partijen. Daar gaan ze nooit zo drastisch snoeien. Duitsland is erg conservatief en erg regionaal georiënteerd. Het stadstheater is er nog steeds heilig, al het andere is marginaal.”

“Nederland en België kennen niet zo’n eeuwenoude klassieke  cultuur zoals Duitsland of Frankrijk. Dat is een voordeel, we kunnen het monstre sacré aanpakken; in het theater durven we klassiekers radicaal anders te doen. Maar op de lange termijn is het misschien gevaarlijk.”

Vanaf januari gaat Leysen zich in Berlijn zelf mengen in de conservatieve Duitse cultuur. Ze organiseert in oktober 2012 het festival Spielzeit Europa, waarin internationale voorstellingen worden getoond. “Het festival is nu verspreid over vier maanden, en alle voorstellingen vinden plaats in het Haus der Berliner Festspiele in West. Het heeft een burgerlijk, rijk, Westberlijns publiek en hoge prijzen. Dat wil ik veranderen. Ik ga het terugcondenseren tot één maand, en dan moeten we wel ook op andere plekken spelen. Ik wil een jong publiek bereiken en ook in Oost Berlijn programmeren. Als je er begint te werken merk je meteen dat Oost en West nog steeds buitenland voor elkaar zijn. In zekere zin doet het me denken aan de eerste edities van Kunstenfestivaldesarts, toen ik me ook niks aantrok van de taalgrens en de culturele verschillen binnen Brussel.”

Misschien ligt daar ook wel de essentie van wat Leysen wil bereiken: een besef van het perspectief van iemand anders. “Bij Theater der Welt probeerde ik het publiek te laten begrijpen hoe iemand uit een ander deel van de wereld hetzelfde ziet. Dat kan natuurlijk maar tot op zekere hoogte, maar wat je wél kunt bereiken is dat je inziet dat je eigen blik zijn beperkingen heeft. Bij de westerse blik hoort heel erg dat wat wij niet begrijpen niet bestáát. Je moet leren inzien dat iets dat je niet snapt er wel ís.”

“Het is gevaarlijk als je blikveld beperkt is, want angst voor het onbekende is het grootste politieke wapen. Dat leidt tot simplificatie van de wereld, tot denken in blokken. Juist dáár ligt de rol van de kunsten: de kunst kan complexiteit als iets interessants en aantrekkelijks laten zien en zo verdedigen wat niet simpel is. Het is een uitnodiging aan het publiek om de dingen anders te bekijken. Dan kan er weerwerk ontstaan op gevoelens, tegen de terreur van de angst.”

“Er is daarbij overigens een interessante grens, waar ik zelf ook tegenaan loop, namelijk die van ons esthetisch kader. Altijd weer die pailletten in Arabische voorstellingen, altijd weer dat rode licht in Russische. Het is zó lelijk, maar zij vinden dat zó schoon. Dan wordt ik toch intolerant. Ik weet nog steeds niet hoe ik daarmee om moet gaan.”

“Toch wil ik wel, naast alle maatschappelijke aspiraties, de schoonheid als waarde op zich verdedigen. We leven in een maatschappij waarin alles meetbaar moet zijn, maar sommige dingen zijn nu eenmaal niet meetbaar. Daarom hebben we kunstenaars nodig: visionaire mensen nodig die ons inspireren. We worden tenslotte al geregeerd door boekhouders.”

0 Comments »

No comments yet.

RSS feed for comments on this post. TrackBack URI

Leave a comment

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2017 Simber | powered by WordPress with Barecity