Recensie: ‘Spoken’ van Toneelgroep Amsterdam

We zien recente filmbeelden van Schiphol en snelwegen, maar dan in vlekkerig zwartwit, als in een oeroude opname. Het is analoog aan wat Thomas Ostermeier wil doen in het theater: door het filter van het verleden kijken naar het heden. De Berlijnse gastregisseur maakt bij Toneelgroep Amsterdam van Ibsens Spoken een onderkoelde, zwarte en bij vlagen schitterende voorstelling, maar blijft worstelen met de actualisering.

In Ibsen’s tijd (het stuk werd in 1892 voor het eerst opgevoerd) was Spoken een schandaal. Het gaat over syfilis, buitenechtelijke kinderen en euthanasie. Weduwe Alving (Marieke Heebink, schitterend beheerst) heeft haar hele erfenis gespendeerd aan een weeshuis in de naam van haar man – een schaalmodel van een klein klassiek gebouwtje staat in het decor. Haar man leidde echter in weerwil van zijn reputatie ‘een liederlijk leven’ en mevrouw Alving wil niet daar hun zoon Oswald iets van hem erft.

Maar Oswald (oprecht aandoenlijk en onschuldig gespeeld door Eelco Smits) heeft al lang iets anders van zijn vader gekregen: erfelijke syfilis. Thuisgekomen wordt hij verliefd op zijn moeders dienstmeisje, maar dat blijkt een andere nalatenschap van zijn vader: een onechte dochter. Oswald was bij Ibsen schilder en nu videokunstenaar (net als Ostermeiers Hamlet, die vorig seizoen in Amsterdam te zien was), de zwartwitte filmbeelden van golven en wuivend gras zou je kunnen zien als zijn werk.

Achter op het podium regent het de hele voorstelling. In een ronddraaiend decor van moderne meubels en schuivende panelen waarop geprojecteerd wordt, geeft Ostermeier binnen een strakke mis-en-scène de acteurs de ruimte om Ibsens debat tot op het bot uit te vechten.

Daarin speelt huisvriend Dominee Manders een doorslaggevende rol. Hij is de morele autoriteit die alle onzedelijkheid ten koste van alles onder het tapijt wil vegen. ‘Welk recht heeft u op geluk?’, vraagt hij mevrouw Alving, die nu eindelijk in het reine wil komen met de losbandigheid van haar man. Hans Kesting speelt hem afwisselend zalvend en spijkerhard en maakt van dominee Manders een meesterlijk villein personage in een mooi pak, maar met versleten sokken. Tussen het leven van plichten dat hij voorstaat en de absolute vrijheid die Alving opeiste worden de jonge mensen vermorzeld.

Tussen de scènes is het af en toe een beetje veel gedraai en geschuif en geprojecteer, maar telkens wordt de voorstelling weer haarscherp in het felle, harde licht, en steeds zien we de schaduwen van de acteurs op de projecties, die helder maken dat wij altijd zelf onze eigen spoken zijn. En soms gebeurt er ineens in een scène tergend lang niets. Een maaltijd bij de familie Alving wordt in doodse stilte doorgebracht.

Ibsens onderwerpkeuze was destijds zo gewaagd dat hij de zaken waarover hij het wilde hebben niet bij naam kan noemen – het woord ‘syfilis’ komt niet voor – en dat maakt actualisering lastig. Het lijkt aan het eind Ostermeier er nog een schepje bovenop heeft willen doen door de incestueuze moeder-zoonrelatie iets te lichamelijk, bijna clichématig modern toneel, door te zetten. In de rest van de voorstelling weet hij meer te vertrouwen op stilering en heldere symboliek.

Spoken van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 27/2/11 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 12/3 en 12/4 t/m 29/4. Tournee t/m 8/5. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Recensie: ‘Topdog/Underdog’ van MC

Parool,recensies — simber op 25 februari 2011 om 01:50 uur
tags: , , ,

De ene broer richt z’n huis in met de opbrengst van winkeldiefstalletjes, de andere broer laat zich verkleed als Abraham Lincoln dagelijks keer op keer neerschieten in een pretpark met een klappertjespistool. Hun vader heeft de oudste Lincoln genoemd, naar de Amerikaanse president, en de jongste Booth, naar z’n moordenaar. ‘Vond-ie grappig.’

Topdog/Underdog is een toneelstuk voor twee mannen van de zwarte Amerikaanse toneelschrijfster Suzan-Lori Parks. Het was een hit off-Broadway (onder anderen Don Cheadle en Mos Def speelden erin mee) en in 2002 won het de Pulitzer Prize voor drama. MC haalde het naar Nederland en zet toneelspeler José Montoya tegenover cabaretier Eric van Sauers.

Van Sauers legt helemaal aan het begin even de feiten uit, die voor Amerikaanse kinderen basiskennis zijn. Over president Lincoln (Van Sauers laat een vijf dollarbiljet zien waarop zijn afbeelding staat) die de slavernij afschafte en daarvoor een burgeroorlog moest voeren en over de toneelspeler John Wilkes Booth die hem tijdens een theatervoorstelling vermoordde met een enkel pistoolschot.

Het decor is de gezamenlijke woning van de twee mannen, een kartonnen vloer, plastic kratten en een enorme hoeveelheid pornoblaadjes. We zien Booth bezig met het verfijnen van zijn skills voor kaartje-kaartje (zeg maar balletje-balletje, maar dan met speelkaarten), om met die oplichterij extra geld te verdienen. Lincoln was vroeger een meester in het spel, en noemde zichzelf Slinke Linc (een geestige variant op de bijnaam van de president: Honest Abe). Bij al het gepraat over meisjes en hun familiegeschiedenis zit hier de echte twist tussen de broers. En als helemaal aan het begin al blijkt dat Booth een pistool onder z’n kussen heeft, is de afloop ook al onheilspellend duidelijk.

Maar door de inleiding is al meteen het grootste probleem van de voorstelling duidelijk. Topdog/Underdog is een mooi stuk, maar speelt op diverse lagen met zeer Amerikaanse geschiedenis en mythologie en de betekenis ervan voor een Nederlands publiek is discutabel. Dat neemt niet weg dat met name het hosselen met de kaarten een paar goeie scènes oplevert, waarbij Eric van Sauers even de meesterlijke komiek mag uithangen.

MC haalt haar toneelstukken meestal uit eigen kweek. Die laten regelmatig in kwaliteit te wensen over, maar zijn in ieder geval herkenbaar geworteld. Deze keuze voor een internationaal geprezen werk is begrijpelijk, maar levert in dit geval te weinig op.

Topdog/Underdog van MC. Gezien 24/2/11 in het MC Theater. Aldaar t/m 5/3 en 21-23/4. Tournee t/m 21/5. Meer info op www.mconline.nl

Interview Marjolijn van Heemstra

interviews,Parool — simber op 24 februari 2011 om 12:42 uur
tags: ,

Mijn ‘zelfde-tijdgezin’, noemt ze het. Theatermaker Marjolijn van Heemstra zocht drie mensen op met dezelfde geboortedatum als zijzelf: 10 februari 1981. Ntando komt uit Zuid Afrika, Satchit uit India en Souad uit Libanon. Zou ze met hen meer overeenkomsten hebben dan met haar echte familie? Dat is de vraag die ze opwerpt in haar nieuwe voorstelling Family ’81.

‘Ik kwam een citaat tegen van Marc Bloch, een historicus,’ zegt ze een dag voor de eerste try out boven een grote cappuccino. ‘Die zegt “Mensen zijn meer kinderen van hun tijd dan kinderen van hun ouders”. Ik heb het idee dat dat klopt. Als generatie wordt je enorm beïnvloed door de tijd. Hoe je in de wereld staat wordt toch bepaald door belangrijke gebeurtenissen in je jeugd. In mijn geval was dat de val van de Berlijnse Muur in 1989.’

Via vrienden en bekenden vond ze haar ‘tijdgenoten’. Bij ieder van hen ging ze op bezoek. Ze bracht een week met ieder door om samen te wonen, te eten en te feesten. ‘Bij hen allemaal hadden die jaren 1989 en 1990 een speciale betekenis: in Libanon eindigde de burgeroorlog, in Zuid Afrika werd Mandela vrij gelaten en de apartheid afgeschaft en India opende haar markt voor buitenlandse investeerders. Voor ons allemaal zijn de jaren negentig, de jaren waarin we volwassen werden, heel hoopvol geweest, maar bij ons allemaal is er een omslag geweest. Bij elk van hen heb ik geprobeerd om hun persoonlijke thema te achterhalen.’

De voorstelling zelf wordt, net als haar eerdere werk, een vertellende monoloog over het project zelf, aangevuld met video’s in de beeldtaal van Skype. ‘Het wordt vrij sober. Een witte ruimte, met vier projectievlakken. Ik heb iedereen twee uur lang stil zittend gefilmd en voor ons allevier een monoloog in de ik-vorm geschreven, die ik zelf speel. Maar omdat ze op de video ook eten, drinken en lachen ontstaat er vanzelf toch een vorm van interactie.’

Van Heemstra is naast theatermaker ook journalist en dichteres. In haar zoektocht naar persoonlijke verhalen blijkt Van Heemstra’s journalistieke achtergrond; ze schrijft regelmatig artikelen voor verschillende kranten en bladen. ‘In de journalistiek probeer ik heel dichtbij komen. Ik stel altijd heel veel vragen, maar ik ben er inmiddels achter gekomen dat dat ook heel intimiderend kan zijn. Daar was ik me niet zo van bewust, totdat iemand het een keer bij mij deed. Interviews gaan ook over controle krijgen. De een vraagt en de ander geeft informatie, maar wie heeft de macht?’

‘Met Ntando uit Zuid Afrika is dat een beetje mis gegaan. We kregen een moeilijke discussie over zwart en wit. Ik kon ook niet bij haar thuis in Durban wonen. Ik zat daar als enige in een hostel, midden in die stad. Het regende non-stop, zelf op pad gaan werd sterk afgeraden omdat het zo gevaarlijk is en ik vond de enorme Aids problematiek daar erg confronterend. . Ik wilde te veel dat zíj het leuk zou vinden, en merkte dat ik aggressief vriendelijk ging doen.’ Grinnikend: ‘Ik was erg ongelukkig daar.’

Voor ieder van de vier leden van het ‘tijdgezin’ brachten de jaren negentig toch niet wat ze ervan verwacht en gehoopt hadden. ‘De voorstelling gaat uiteindelijk over die omslag. Nee, niet van idealisme naar cynisme. Het is meer dat je je idealen meer persoonlijker maakt. Satchit  formuleerde het mooi: “Vroeger ging het over de wereld in mij, nu over mijzelf in de wereld”. Dus in die zin gaat de voorstelling ook over dertig worden. Ik schuif een generatie op, en kan mezelf nu ook vergelijken met mensen die jonger zijn en voor wie 9/11 het referentiepunt is. Dat de Muur viel betekende dat er iets open ging, en 9/11 ging over vernietiging: jongere mensen hebben denk ik nooit een geloof in maakbaarheid gekend. Ik ben benieuwd hoe die tegen de wereld aankijken als zíj dertig worden.’

Een ander kenmerk van Van Heemstra’s generatie is hun internationale oriëntatie: Souad woont inmiddels in Marseille, Ntando volgt een opleiding in Amsterdam en samen met Satchit uit Mumbai wil Van Heemstra een voorstelling over de Mahabharata maken, het heilige boek van de hindoes. ‘Het botsen met andere culturen kan pijnlijk zijn, maar ik wil het blijven doen. Ook vanwege het politieke klimaat in Nederland, waar heel veel mensen zich terugtrekken en de grenzen dicht willen doen. Ik denk dat het belangrijk is. Dat je jezelf pas echt leert kennen in de confrontatie met anderen, vreemden.’

Ook een laatste cliché over haar generatie gaat op: Van Heemstra kan moeilijk kiezen. Na een goed ontvangen poëziebundel en deze voorstelling werkt ze verder aan haar eerste roman. ‘Soms twijfel ik wel over werken in het theater. Het is zoveel gedoe, met zoveel tijdsdruk. Ik heb nog nooit zo lang aan één voorstelling gewerkt. Dat maakt het veel beter. Nu durf ik voor het eerst te zeggen: dit is klaar, dit is zoals ik het wilde. Ik ga me niet indekken.’

Family ’81 gaat op 25/2 in première in Frascati en is daar nog te zien op 26/2 en 24-26/3. Meer info op www.theaterfrascati.nl

Interview Gerardjan Rijnders

interviews,Parool,PS Kunst — simber op 23 februari 2011 om 08:00 uur
tags: , , ,

Aanstaande zaterdag begint voor regisseur Gerardjan Rijnders een nieuw avontuur. Dan gaat De Meeuw in première, de eerste van drie toneelstukken van Tsjechov die hij regisseert bij de vrije producent Hummelinck Stuurman. Tsejchov3 is een groots opgezet project met acteurs als Pierre Bokma, Saskia Temmink, Cees Geel en Olga Zuiderhoek en publiciteitsfoto’s van Erwin Olaf. ‘Maar mijn manier van werken is niet veranderd.’

Rijnders en Tsjechov, het is een beladen combinatie. Het was Rijnders immers die in 1983 een legendarische voorstelling maakte van de Drie Zusters, waarin hij hardhandig afrekende met de traditie van melancholie en grote hartstochten die Tsjechov-opvoeringen in Nederland sinds Sjarov kenmerkten. Rijnders maakte er een parade van kleinburgerlijke benepenheid van, met een plastic keukenuitzet van de Blokker in plaats van een glimmende samovar.

En na het bekijken van een doorloop in de repetitiestudio van Hummelinck Stuurman is het duidelijk dat Rijnders in de loop der jaren niet milder is geworden over de Russische personages. Geholpen door een uitstekende cast zie je de contouren van wat een scherpe en spannende voorstelling kan gaan worden. Saskia Temmink speelt de toneelspelende provinciediva Arkadina, David Lucieer haar overgevoelige, hoogdravende toneelstukken schrijvende zoon Kosja die verliefd is op de ogenschijnlijk naïeve bakvis Nina (Eline ten Camp), die geïmponeerd is door de is de middelmatig succesvolle schrijver Trigorin van Cees Geel. De voorstelling krijgt diepte door mooie maar niet per se weemoedige bijrollen van acteurs als Paul R. Kooij, Titus Muizelaar, Marisa van Eyle en Reinier Bulder.

‘Ik vind echt dat ik het doe zoals Tsjechov het geschreven heeft’ zegt Rijnders na afloop. ‘Het speelt in een beetje armoedig milieu. Iedereen heeft het erover dat hij of zij te weinig geld heeft. Arkadina is actrice, maar viert haar triomfen in de provincie. Volgens mij is Trigorin de enige die daadwerkelijk iets kán; het is geen groot literator, maar meer een soort Carmiggelt, iemand die goed anekdotes kan opschrijven. Het mooie van Tsjechov is dat het bijzonder geraffineerd in elkaar zit. Nina lijkt een lief meisje, maar misschien is ze ook wel heel doortrapt, Trigorin doet naïef, maar hij maakt Nina echt doelbewust kapot. En hoe die moeder met die zoon omgaat, dat kan écht niet.’

Continue reading “Interview Gerardjan Rijnders” »

Recensie: ‘Till the fat lady sings’ van Oostpool

Parool,recensies — simber op 23 februari 2011 om 02:01 uur
tags: , , , , ,

‘Iedereen is bezig om een interessant iemand te worden’, zegt een jonge vrouw vol walging. Ze heeft besloten heeft om niet meer mee te doen en blijft op de bank liggen. Tegelijkertijd realiseert ze zich donders goed dat ze met haar anorexische gedrag, haar obscure Russische spirituele boekje en haar zelfmedelijden zelf ook een heel interessant iemand ligt te wezen.

Till the fat lady sings is een nieuwe voorstelling van Toneelgroep Oostpool, losjes gebaseerd op de novelle Franny en Zooey van J.D. Salinger, over een broer en zus uit een excentriek gezin, intelligent, artistiek en in de twintig. Schrijver Casper van de Putte maakte er samen met regisseur Erik Whien en de acteurs Maria Kraakman en Sanne den Hartogh een mooi oprechte zoektocht naar authenticiteit van, voor jonge mensen van nu.

Met een paar houten meubels, een cocktailshaker, een stippenjasje en een dun stropdasje wordt het verhaal onnadrukkelijk in de jaren vijftig of zestig geplaatst (Mad Man begint ook in de Nederlandse theatervormgeving flinke invloed uit te oefenen), maar de teksten zijn venijnig actueel. Hoe de twee over hun volwassen omgeving praten, vol mensen die commentaar hebben over hun ‘luie generatie’ of juist enthousiast zijn over het jeugdig elan, is venijnig en herkenbaar, net als hun hekel aan ‘de plicht om bijzonder te worden’. Maar de tekst is gemener dan de uitvoering.

Wat de voorstelling doet slagen is de prettig bedaarde toon en sfeer die doet denken aan films als The Royal Tenenbaums of Grey Gardens. Kraakman en Den Hartogh zijn allebei lichte, bijna zwevende acteurs, die inmiddels zoveel samen gespeeld hebben dat ze met minieme middelen hun familierelatie geloofwaardig weten te maken, zij met snelle, stuurse blikken en hij met zijn stem.

Uiteindelijk weten ze voor elkaar iets te vinden dat niet nep en onoprecht is: ze zijn allebei acteurs in radiohoorspelen en maken een ritueel van het poetsen van hun schoenen voor ieder optreden. Via deze zinloze zingeving wordt de voorstelling een liefdesverklaring van vier interessante theatermakers aan hun publiek. Hun schoenen blonken.

Till the fat lady sings van Toneelgroep Oostpool. Gezien 22/2/11 in Frascati. Aldaar t/m 26/2. Tournee t/m 19/3. Meer info op www.toneelgroepoostpool.nl

Recensie: ‘Faust’ van Het Nationale Toneel

Wie besluit Faust op de te voeren haalt zich een probleem op de hals. Want hoewel het tweedelige stuk een rijkdom aan ideeën en filosofie kent die slechts vergelijkbaar is met Hamlet, is Goethe veel minder dan Shakespeare geïnteresseerd in het componeren van een dramatisch spannend verhaal. Onspeelbaar leesdrama wordt het daarom regelmatig genoemd, en met name het tweede deel wordt niet vaak opgevoerd.

Regisseur Johan Doesburg en Het Nationale Toneel hebben het nu dan aangedurft en spelen Faust I & II als marathon van zes uur of op twee opeenvolgende  avonden. Maar ondanks dat het gezelschap groots uitpakt, leiden de bijzondere zaalopstelling, het enorme aantal kostuums en pruiken, de kordaat gemoderniseerde vertaling en bewerking van Janine Brogt en de grote hoeveelheid stijlen en thema’s niet tot een onmisbare theaterbelevenis.

Faust (betrouwbaar, maar niet opzienbarend gespeeld door Jaap Spijkers) is een oude kamergeleerde die aan het eind van zijn leven het gevoel heeft dat hij zijn tijd verspild heeft met het zoeken naar kennis, maar het leven aan zich voorbij heeft laten gaan. De duivel Mefisto biedt hem het bekende contract: een leven lang almacht in ruil voor zijn zieleheil, bezegeld met een drupje bloed. Wat Faust niet weet is dat hij de inzet is van een weddenschap tussen Mefisto en God (een gezette oudere heer in een wit trainingspak), die stelt dat in alle verleidingen de mens toch een gevoel van goed en kwaad zal behouden.

Zo begint Fausts zoektocht naar bevrediging, een reis langs genot, liefde, rijkdom en macht, begeleid door de trommels, bellen en piano-soundscape van Harry de Wit. Maar bij alles wat Faust wil – de liefde winnen van de mooie Gretchen, in de gunst komen bij de keizer, nieuw land winnen uit zee – stribbelt Mefisto tegen. Steeds wordt Faust uitgelokt om zelf morele grenzen over te gaan, moorden te plegen uit passie of om de heerschappij en uiteindelijk laat hij zelfs twee mensen doden omdat hun huis zijn uitzicht bederft.

In de vier delen zit het publiek steeds ergens anders in het theater; een deel op de balkons, een deel op losse stoelen in de door een catwalk doormidden gedeelde zaal en een deel op een stellage van steigers op het toneel. Vlot beweegt de voorstelling van de ene scène naar de andere, maar met name in het tweede deel worden mooie scènes afgewisseld met vette kitsch en wijdlopige uitwijdingen over Walpurgisnacht en krijgt Mefisto een moeilijk te interpreteren eigen verhaal in de Grieke onderwereld.

Stefan de Walle speelt Mefisto adequaat, maar ook weer te weinig bijzonder. Hij is een mooie charmeur, met geestig schlemielige overdrijvingen in spel, maar hij is te weinig gemeen en intens om echt angstaanjagend te zijn. Aan de andere kant: helemaal op het eind – als hij zich Fausts ziel toch laat ontglippen – voel je oprechte sympathy for the devil.

De engelen die Fausts ziel toch nog weten te redden doen dat met het argument: ‘Wie tot het eind zoekt en streeft kunnen wij bevrijden.’ Zo is deze Faust te lezen als een oproep om verder te zoeken naar een betere vorm van samenleving dan de huidige, die aan het begin door Fausts onvrede samen met de rest van de Verlichting beëindigd wordt verklaard. Mocht dat de subversieve boodschap zijn van de voorstelling dan had die wel wat sterker mogen klinken, maar toch blijkt ook in een matige uitvoering als deze het stuk prikkelend genoeg.

Tenslotte is het moeilijk te begrijpen dat de tot in detail doordachte en zorgvuldig vormgegeven voorstellingen van Susanne Kennedy van hetzelfde gezelschap zijn dat zo’n slodderige productie aflevert: slechtzittende kostuums, acteurs die onhandig met bewegende decors moeten hannesen, goedkoop uitziende video-effecten. Het lijkt wel alsof Het Nationale Toneel deze mega-productie even tussendoor heeft willen doen. Jammer, er had meer in gezeten.

Faust I & II van Het Nationale Toneel. Gezien 19/2/11 in Den Haag. Te zien in Amsterdam (Stadsschouwburg) 24/2/ t/m 6/3. Meer info op www.faustoptoneel.nl

Dubbelinterview: Thomas Ostermeier en Ivo van Hove

De verschillen zijn groter dan de overeenkomsten. De een is zoon van een Vlaamse apotheker, de ander van een Westduitse beroepsmilitair. De een is klein en staat kaarsrecht, de ander is een kromme reus. En waar de een optimistisch, gepassioneerd en energiek is, lijkt de ander melancholiek en zwaarmoedig. Maar in hun werk zijn er tussen Ivo van Hove en Thomas Ostermeier opmerkelijke paralellen te zien. Modernisering van repertoire, gestileerde toneelbeelden en belangrijke vrouwenrollen zijn kenmerken van hun voorstellingen. In februari maken beiden een nieuwe voorstelling bij Toneelgroep Amsterdam. ‘Je karakter kan beschadigd raken van een toneelgezelschap leiden.’

Donderdag aan het eind van de middag, half december. Zojuist hebben Ostermeier en Van Hove de presentatie gehouden van de voorstelling Spoken, die Ostermeier als gast komt regisseren en die op 27 februari in première zal gaan. Zo’n presentatie is een gebeurtenis voor het hele gezelschap: de regisseur vertelt wat voor soort voorstelling het gaat worden, over zijn keuzes en fascinaties voor het stuk, de vormgevers presenteren de maquette. Alle werknemers van Toneelgroep Amsterdam zijn welkom. ‘We doen dat voor iedereen, het ensemble, de technici en het kantoor’ zegt Van Hove: ‘Zo willen we bij iedere voorstelling commitment krijgen van het hele bedrijf.’ Het was een drukke middag. ‘Het hele ensemble heeft uitgekeken naar Thomas’ komst. We hebben met z’n allen vorig jaar Hamlet gezien en de acteurs ontmoet. Het hele gezelschap is enthousiast dat hij nu aan het werk gaat.’

Eenmaal binnen in het kantoor van Van Hove, glaasje wijn nog in de hand, spreekt Ostermeier zijn waardering uit voor de nieuwbouw van de Stadsschouwburg en de de repetitieruimtes. Van Hove: ‘Het is heel mooi geworden, maar ik heb er zo lang voor moeten vergaderen.’ Dan valt Ostermeiers oog op het paarse hoogpolige kleed onder de vergadertafel: ‘Die kan ik gebruiken! Het past bij Helène Alving.’ Van Hove: ‘Dat tapijt is een ongebruikt decorstuk voor Zomertrilogie. De bank komt uit Romeinse Tragedies. Die moet je niet gebruiken, die herkent iedereen. Maar dat tapijt kun je zo meenemen.’

Continue reading “Dubbelinterview: Thomas Ostermeier en Ivo van Hove” »

Reportage community theatre: ‘De Wasserette’

Geschreven voor Tijdschrift Theater!

Half negen op een regenachtige avond in Amsterdam Noord. Buurtcentrum ’t Crat puilt uit. Mensen willen wel koffie, maar ze zijn een beetje beschroomd om naar de bar te gaan. Daarvoor zouden ze namelijk de grote lege ruimte moeten oversteken die vanavond is aangewezen als toneel.

Hier begint even later de nieuwste aflevering van De Wasserette, een theatrale buurtsoap die kort geleden haar tweede seizoen in ging. In een half uurtje worden de belevenissen van de familie Reus, eigenaar van wasserette De Witte Reus uit de doeken gedaan. Acteur en schrijver Rogier Schippers speelt Koos, een melancholieke middenstander, die met zijn vrouw Yvon (Huug van Tienhoven in drag) de wasserette draaiende wil houden. Zijn hond Tarzan, gespeeld door de jonge acteur Martijn Crins, geeft bijtend commentaar op de situatie.

Ze drinken advocaat met slagroom, vouwen lakens, tappen schuine moppen, vertellen over hun verlangens en vechten elkaar de tent uit. Deze aflevering van De Wasserette laveert tussen weemoedig en plat, is grappig en kort: een half uurtje. Jef Hofmeister begeleidt op accordeon het eindlied Aan de zonzij van het IJ.

‘Toegepast Theater’ noemt Schippers het na afloop. Hij raakte met zijn muziektheatergroep Het Volksoperahuis bij het project betrokken toen Chris Keulemans hem broeg eens na te denken over een theatraal community project. Keulemans is artistiek directeur van de Tolhuistuin, een paviljoen met tuin dat onderdeel was van het enorme Shell-terrein in Amsterdam Noord, recht tegenover het Centraal Station. Nu Shell het terrein verlaat komen er woningen, bedrijven en culturele instellingen (bijvoorbeeld het Filmmuseum). Keulemans fungeert als kwartiermaker voor culturele instellingen, maar vooral ook voor publiek. En zo werd de Tolhuistuin deze zomer ineens een hotspot voor hippe Amsterdamse feestjes.

Continue reading “Reportage community theatre: ‘De Wasserette’” »

Interview Han Bakker

interviews — simber op 18 februari 2011 om 15:53 uur
tags: , ,

Voor de nieuwsbrief van Kunsten 92

Intendant en adviseur Han Bakker werkte onder meer voor de Dogtroep, Thinking Forward (het culturele programma ter gelegenheid van het Nederlandse voorzitterschap van de Europese Unie) en momenteel voor de gemeentes Utrecht en Dordrecht. Op al die plekken speelden steeds de verhouding tussen subsidies en overige inkomsten een rol. ‘Niet de kunstwereld moet de vragende partij zijn, de overheid moet de vragende partij zijn.’

In zijn huis in de Amsterdamse Jordaan draaien we lang om de hete brij heen. Pas helemaal aan het eind komt het gesprek op de nieuwe regering en de voorgestelde bezuinigingen. ‘We moeten toe naar meer helderheid in de verhouding tussen kunst en overheid,’ zegt hij stellig. ‘Kunst is er voor het algemeen nut van Nederland. Niet de kunstwereld moet de vragende partij zijn, de overheid moet de vragende partij zijn.’

In Dordrecht is hij nu ‘cultureel intendant’, een ‘superadviseur’ die zelf initiatieven kan nemen. Eén zo’n initiatief was de oprichting van een filmhuis in de stad: ‘Er was slechts een bioscoopdoek in de stad, maar voor de levendigheid van de stad was een echt filmhuis nodig. Dat kan op een ondernemende manier worden gedaan, maar honderd procent commercieel haalbaar is het niet. De gemeente financiert dus de “onrendabele top” van zo’n onderneming. Zo kun je ook nadenken over Nederlandse kunst in het buitenland. Nederland is verbonden met de wereld via handel, wetenschap en cultuur. Onze diplomatie maakt daar gebruik van. Als het Nederlands Dans Theater in Shanghai optreedt, dan neemt de overheid een product af. Het ministerie van Buitenlandse Zaken moet er dus geld voor hebben om dat voor een marktconforme prijs in te kopen.’

Maar eerst hebben we het vooral over het verleden. Aan de hand van vele voorbeelden en persoonlijke belevenissen schetst Bakker een helder en consistent beeld over hoe het verder moet met het Nederlandse cultuurbeleid.

Nationaal Historisch museum

‘In 2007 was ik via mijn werk voor de gemeente Dordrecht betrokken bij het opzetten van een netwerk van historische steden. Het lokale niveau is het beste om mensen geïnteresseerd te maken in geschiedenis. Burgers zijn geïnteresseerd in de stamboom van hun familie en in de geschiedenis van hun de leefomgeving; de geschiedenis in het klein. Het voordeel van samenwerking zit in het ontsluiten van erfgoed en op het terrein van educatie en promotie. Je kunt elkaar inspireren: Delft heeft bijvoorbeeld de Nationale Recherche ingeschakeld om de moord op Willem van Oranje nog eens te onderzoeken. Zo kun van elkaar leren en elkaars werk versterken.’

Continue reading “Interview Han Bakker” »

Column: De Eye-opener

columns — simber op 18 februari 2011 om 15:49 uur

Geschreven voor Tijdschrift Theater! De Eye-opener is een column waarin een theaterliefhebber vertelt over zijn meest inspirerende/bijzondere/ontroerende theaterervaring.

Theaterbezoek is iets dat je moet leren in je jeugd. Mensen die met hun ouders meegingen naar het theater, gaan later zelf ook. Ik presenteer mezelf graag als Exibit A voor deze stelling. Mijn moeder nam me mee naar voorstellingen van Jeugdtheater De Zwarte Hand of het N.J.T Kindertheater. En later ook mee naar grote-mensen-toneel; vooral van het Ro Theater, in de toen spiksplinternieuwe Rotterdamse Schouwburg.

Ik herinner me de familievoorstelling rond Kerst (toen al), De Nieuwe Kleren van de Keizer, met Hajo Bruins als keizer, waarin de charlatannende kleermakers ook het keizerlijke ondergoed niet waren vergeten. De van ongelovige hilariteit krijsende zaal bij het zien van de piemelnaakte keizer maakte geloof ik meer indruk dan de blote acteur.

Maar mijn echte, definitieve bekering tot het toneel kwam door twee voorstellingen, beide klassieke tragedies – ik was tenslotte een keurig gymnasiumkindje. Als eindexamenonderwerp Grieks hadden we Sophokles en ik heb een aantal delen van Elektra vertaald, hier en daar enigszins clandestien geholpen door de vertaling van Gerard Koolschijn in een boekje dat al snel net zo beduimeld was als de examenbundel zelf.

Het toeval wilde dat het Theater van het Oosten het stuk dat seizoen speelde (in een regie van Agaath Witteman en met Katelijne Damen in de titelrol, vertelt de database van het TIN me) en ik ben naar Gouda of een andere provincieplaats met schouwburg gereisd om het te gaan zien. Tsja, en daar gebeurde het. Maar ja, wat precies?

Later dat schooljaar speelde het Duitse Theater an der Ruhr König Oidipus. Met mijn weinige schoolduits en zorgvuldige tekstlezing vooraf kon ik eigenlijk nauwelijks bevatten waar die voorstelling over ging, maar toch. Ook daar weer. Tsja, hoe moet ik het omschrijven.

Het interessante is dat ik me beide voorstellingen eigenlijk helemaal niet meer kan herinneren. Ze zijn elk samengebald in één beeld. Elektra, berustend op na de moord op haar moeder. En Oidipous, een oude, dikke man in een witte luier staand op een tafel. Maar het gevoel blijft: daar heb ik iets bijzonders gezien, iets dat speciaal voor mij gemaakt leek. Iets dat een beetje met sex te maken heeft, en meer dan een beetje met godsdienstwaanzin.

Later heb ik het nog een paar keer gehad, en met kijkervaring komt ook het vermogen om het al vroeg te herkennen, soms al tijdens de voorstelling. Bij Gatz had ik dat, en heel kort geleden nog een keer, bij Poëten en Bandieten.

Het is ingewikkeld, maar het zijn niet per se de beste voorstellingen die ik gezien heb. Andere voorstellingen zijn intelligenter, gevoeliger of gewoon domweg beter. Je kunt je bewondering delen met andere bezoekers, en als recensent kun je uitleggen waarom iedereen erheen zou moeten.

Maar die speciale categorie voorstellingen raakt iets aan dat strikt en alleen bij mij hoort. Het is mijn privéverzameling existentiële ervaringen.

Volgende pagina »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2017 Simber | powered by WordPress with Barecity