Wat heeft Duitsland dat wij niet hebben?

buitenland,cultuurbeleid,overig — simber op 23 maart 2013 om 22:45 uur
tags: , ,

(Voor het Stadsschouwburg Journaal; ook te lezen op Issuu)

Het was een kort berichtje in de Nederlandse kranten begin november: “Duitsland blijft investeren in cultuur”. Al snel zoemde het artikel rond in culturele kringen op Facebook en Twitter. Zie je wel, was de teneur, onze Oosterburen zijn niet van die cultuurbarbaren als bij ons in de regering, daar geven ze nog wel geld aan de kunsten. Het bevestigde een oud beeld dat Nederlandse theatermakers hebben over Duitsland. Zodra je de grens oversteekt zou je terecht komen in een luilekkerland van onuitputtelijke subsidies en ontzaglijk prestige. Maar klopt dit beeld wel? Is het in Duitsland wel echt zoveel beter dan hier?

I. Geld

Om bij dat nieuwsberichtje te beginnen: het ging om een investering van 100 miljoen door de Bondsdag, waarmee het totale nationale cultuurbudget op 1,28 miljard euro komt. Da’s niet niks, maar vergeet niet dat (ook na de bezuinigingen) in het vijf keer kleinere Nederland de rijksoverheid bijna 1 miljard uittrok. Om een goede vergelijking te maken is het nodig om te kijken naar de verdeling van de verantwoordelijkheden over nationaal, regionaal en lokaal niveau. In Nederland verdeelt het rijk ongeveer dertig procent van de cultuurgelden, in Duitsland is dat nog geen vijftien procent. De rest komt voor rekening van de deelstaten en de steden. En tegenover de investering van de bondsdag staan vaak bezuinigingen op de lagere niveaus.

Toen Thomas Ostermeier, artistiek leider van de Schaubühne in Berlijn, een paar jaar geleden voor het eerst hoorde over de Nederlandse cultuurbezuinigingen zei hij: “In Duitsland wordt al jaren bezuinigd, alleen kondigt de overheid het niet aan, maar doen ze het langzaam en stilletjes.” Dat Berlijn –‘arm aber sexy’– zuinig aan moet doen is al jaren een gegeven, maar sinds de crisis beknibbelen ook andere steden en deelstaten op cultuur. In Wuppertal werd een theater gesloten en ook diverse musea en orkesten worden in hun voortbestaan bedreigd. Het gaat allemaal zonder de anti-elitaire retoriek die in Nederland de afgelopen jaren zo dominant was, maar als je naar de cijfers kijkt (voor zover bekend), ontlopen de bezuinigingen bij ons en bij hen elkaar niet veel.

Sterker nog: cijfermatig springt Nederland er op een ander punt juist bijzonder goed uit. De website Culturalpolicies.net houdt de uitgaven aan cultuur bij van alle landen in de Europese Unie. De laatste cijfers zijn inmiddels zo’n vijf jaar oud, maar het beeld is duidelijk: Nederland spendeert per hoofd van de bevolking veel meer dan Duitsland: 183 euro tegenover 101 euro per jaar. Dit lijkt onmogelijk: Duitse theaters hebben toch veel meer te besteden dan hun Nederlandse collega’s? Ostermeiers Schaubühne krijgt zo’n 12 miljoen euro subsidie: ongeveer het dubbele van Toneelgroep Amsterdam.

Nog los van het feit dat de Schaubühne een grote eigen zaal runt en in Amsterdam de Stadsschouwburg en TA aparte organisaties zijn, zit het verschil in de dichtheid: als je de kaart van Nederland op een even groot gebied in Duitsland legt, zie je dat Nederland veel meer toneelgezelschappen, schouwburgen, orkesten, musea, bibliotheken en muziekscholen heeft. Duitsland besteedt z’n geld aan een kleiner aantal grote instellingen, Nederland verdeelt de koek over ontelbare monden.

II. Prestige

In een ander opzicht zal Nederland nooit kunnen winnen van Duitsland: in Duitsland dóet theater ertoe. Sowieso zien Duitsers zichzelf als een volk van schrijvers en filosofen, maar theater neemt een speciale plek in. De Vlaamse regisseur Luk Perceval, sinds jaren directeur van het Thalia Theater in Hamburg vindt dat nog steeds opvallend: “In Duitsland is theater een polemische factor. Voorstellingen hebben sterke voor- en tegenstanders die in de kranten en soms in de zaal met elkaar in aanvaring komen. Het heeft een sterk moreel aspect.” Perceval ziet de oorzaak daarvoor in Duitsland’s verleden: “Na de oorlog wilde Duitsland de beste leerling van de Europese klas zijn. Er ontstond een bewustzijn dat kunst er is om de fouten uit het verleden niet te herhalen. Daar moet bij gezegd worden dat kunstenaars zoals Peter Zadek en Einar Schleef, die tegen de gevestigde orde aanschopten, beschermd zijn door de pers en het cultuurbeleid.”

Maar er speelt nog iets anders mee: “Duitsland heeft zich na de oorlog in culturele zin niet laten koloniseren door Amerika. Het cultuurmodel van de vrijemarkteconomie dat daar en steeds meer in Nederland wordt aangehangen is dodelijk voor de oude Europese cultuur. Duitsland definieert zichzelf als cultuurland en cultuur wordt ook gezien als exportproduct. De bewondering van landen als China of India geldt niet voor Mercedes en Siemens, maar ook voor Bach, Wagner en Goethe, en in handelsmissies gaan die twee facetten ook altijd hand in hand.”

III. Dynamiek

De verhouding tussen de lage landen en Duitsland is eind jaren negentig definitief veranderd. Voor die tijd keken Nederlandse en Vlaamse theatermakers, zoals Perceval, vol bewondering naar het Duitse repertoiretheater en werden Duitse regisseurs uitgenodigd om hier een voorstelling te maken. Perceval was een van de eersten die de andere kant op reisde en enorm succes oogstte met Schlachten, de vertaling van Ten Oorlog. In zijn kielzog volgden talloze Nederlandse en Vlaamse theatermakers, zoals Ivo van Hove, Paul Koek, Nanine Linnig, Anouk van Dijk, en natuurlijk Johan Simons.

In deze beweging openbaart zich de grote zwakte van het Duitse cultuurbestel: het is eenvormig, log en verstard. Perceval: “Dat begint bij de opleidingen. Als jonge regisseur in Duitsland mag je geen flops maken, dan wordt je meteen afgeschreven. Maar je moet kunnen mislukken om je methode en te ontwikkelen. Daarom zijn Nederlandse en Vlaamse regisseurs zo populair: wij hebben een vrijere, minder gestresste omgang met theater.”

Ook in Duitsland begint dit besef door te dringen en dit leidt, onvermijdelijk, weer tot polemiek. Vier schrijvers van Der Spiegel schreven vorig jaar een boekje Der Kulturinfarkt, waarvan de ondertitel de kwaal van het cultuurbestel adequaat samenvat: ‘Van alles te veel en overal hetzelfde’. Der Kulturinfarkt stelt voor om de helft van de Duitse theaters, opera’s en musea te sluiten en het geld dat dat oplevert in te zetten voor nieuwe vormen van ondersteuning van de kunsten. De schrijvers kregen te maken met een zelden vertoond spektakel van scheldpartijen, hoon en bedreigingen. Duitse politici en burgers voelen zich diep verbonden met hun culturele instituten, maar voor vernieuwing is weinig belangstelling.

En zo valt de vergelijking tussen Nederland en Duitsland helemaal niet zo ongunstig uit. Duitsland is en blijft het land waar de beste regisseurs hun meest weidse theatrale dromen kunnen verwezenlijken en impact kunnen hebben op het maatschappelijke debat. Maar Nederland blijft, ook na de bezuinigingen, het land waar jonge kunstenaars makkelijker aan geld en gelegenheid komen om nieuwe artistieke vormen en praktijken te ontwikkelen. Op prestige wint Duitsland, op dynamiek Nederland. En qua geld? Laten we het houden op een gelijkspel.

Chapeau: Nieuw West

overig,Theatermaker — simber op 22 maart 2013 om 13:35 uur
tags: , , ,

Waar heeft Marien Jongewaard me al niet naartoe gesleept? Tochtige fabriekspanden, keurige keukens op het KNSM, winderige pleinen, sjieke musea, Frascati 2 om 4 uur ’s nachts, de Dam op in een blauwe vuilniszak met een jodenster erop geplakt. Maar niet alleen fysiek bracht hij me naar plekken waar ik soms liever niet wilde zijn. Nieuw West, naast Jongewaard bestaande uit Dik Boutkan en schrijver Rob de Graaf, is bij uitstek de theatergroep die de onaangename, pijnlijke en onverdraaglijke kanten van het de menselijke ziel in het licht zette.

Dat begon al met mijn eerste kennismaking: het schandaalstuk Jezus/Liefhebber (1998) dat Cyrus Frisch maakte met Jongewaard, De Graaf en en stelletje van de straat geplukte, schizofrene en drugsverslaafde daklozen, die in al hun ellendigheid rukkend, heroïne rokend en spatisch bewegend op het toneel stonden. Op een legendarische avond tijdens het Theaterfestival, waar de halve toneelgoegemeente tierend de zaal verliet heb ik geleerd wat ‘épater la bourgeoisie’ betekent.

De diversiteit van locaties, gimmicks en gastacteurs bij voorstellingen van Nieuw West was noodzaak: de teksten van De Graaf en het stormachtige spel van Jongewaard kun je welwillend ‘consequent’ of kwaadgezind ‘eenvormig’ noemen. Het vertrouwde bluesy huilen van Jongewaard ging altijd op nieuwe manieren over mensen aan de zelfkant van de samenleving, over zelfmutilatie en over haat tegen burgerlijkheid en de consumptiemaatschappij.

Uiteindelijk is Nieuw West het theaterequivalent van een punkbandje: het gaat niet over de drie akkoorden waaruit alle liedjes bestaan, maar om de authentieke woede, pesterigheid en de attitude waarmee het gebracht wordt. Onderdeel van de lol van een voorstelling als Pleinvrees (co-productie met Lotte van den Berg’s Omsk) is dat op welk naargeestig hangplein je Jongewaard ook neerzet, hij als speler altijd de ruigste en meest intense persoon aanwezig is.

Het is jammer dat Nieuw West nu geen rijkssubsidie meer krijgt. In hun meest recente voorstelling Lokjoden deed Boutkan na lange afwezigheid weer mee en het was het fijne avond waarin het publiek weer even goed gejend werd. Juist in tijden van groeiende nadruk op publieksvriendelijkheid lijkt de confronterende instelling van een groep als Nieuw West me onontbeerlijk voor het theaterbestel.

Ik houd me maar vast aan de geschiedenis: de vorige keer dat de subsidie van Nieuw West werd stopgezet, bleef de groep zonder geld gewoon vier jaar zo onontkoombaar dooretteren dat bij de volgende ronde het Fonds niet anders kon dan ze weer opnemen in het bestel. Ik hoop dat Nieuw West nog lang ontuitroeibaar zal zijn.

 

 

Profiel Alvis Hermanis

overig,Parool — simber op 13 maart 2013 om 09:44 uur
tags: , ,

Hij is een van de meest vooraanstaande theaterregisseurs van Europa, maar in Nederland nog een grote onbekende. Daar gaat deze maand verandering in komen: de Stadsschouwburg nodigde maar liefst vijf voorstellingen uit van de Letse regisseur Alvis Hermanis uit in het kader van het programma ‘Brandstichters’. Zaterdag is de eerste te zien: Sommergäste.

Het is niet voor het eerst dat Hermanis’ werk naar Nederland komt. Een paar jaar geleden was Sounds of Silence een succes in Rotterdam (de voorstelling is volgende week twee dagen te zien) en vorig jaar, toen het door Johan Simons geleide gezelschap Münchner Kammerspiele onderwerp was van een vergelijkbaar evenement, werd zijn voorstelling Ruf der Wildnis, een performance voor zes acteurs en evenveel honden, getoond.

De gigantische, ongekend gedetailleerde decors en kostuums in Hermanis’ voorstellingen én die honden zijn de sleutels tot zijn werk: enerzijds het intellectuele denkwerk en precisie en anderzijds de wilde, dierlijke vrijheid die de acteurs moeten zoeken in die ruimtes. Hij blijkt daarbij fan van de Nederlandse en Vlaamse acteurs (zoals Elsie de Brauw en Katja Herbers) met wie hij de voorstelling Wassa maakte in München.

Alvis Hermanis (Riga, 1965) groeide op in de Sovjetrepubliek Letland, toen nog onderdeel van de USSR. Hij ging naar de toneelschool en werd acteur. Na de val van het ijzeren gordijn ontwikkelde hij zich tot regisseur en sinds 1997 is hij artistiek leider van het Nieuwe Theater in Riga. Daarnaast regisseert hij veel in het Duitse taalgebied, onder andere in Wenen, Keulen en München. In Duitsland is hij een gevierd kunstenaar. Hij won de uiterst prestigieuze Nestroy prijs en werd uitgenodigd voor het Theatertreffen in Berlijn.

De vijf voorstellingen die de komende maand in Amsterdam te zien zijn geven een goed beeld van zijn zeer diverse werk. Sommergäste en Wassa zijn twee stukken van de Russische schrijver Maxim Gorki, Sound of Silence en Long Life zijn twee grotendeels woordloze voorstellingen over Letland, de eerste over Hermanis’ jeugd, de tweede over de overbodige generatie na de val van het communisme. Väter tenslotte is een documentaire voorstelling, waarin drie Weense acteurs vertellen over hun vaders.

Het decor van Sommergäste alleen al is de gang naar de schouwburg waard. De Stadsschouwburg claimt dat het het grootste decor is dat ze ooit in huis hebben gehad. Het is een vervallen datsja, een art deco landhuis, dat eruitziet alsof het decennia lang heeft leeggestaan: de verf bladdert, de ruitjes zijn stuk, planten groeien naar binnen. Een badkuip, een griezelige elektra-installatie en een bed zonder matras staan er nog. De vloer ligt bezaait met boeken

Het lijkt onbewoonbaar, maar toch scharrelen hier nog mensen rond. Het zijn geen zwervers, maar intellectuelen; een dokter, een advocaat, een dichter. Ze zijn hier op zomervakantie en ze vervelen zich te pletter. Ze verliezen zich in gekibbel en onmogelijke liefdesavontuurtjes. Hun kleding –negentiende eeuwse korsetten, boezeroenen die ooit wit waren, jasjes met gaten– is net zo versleten als het huis. Ook hier snuffelt weer een hond tussen acteurs. Centraal staat advocatenvrouw Warwara, die de hele voorstelling op de divan midden in het decor hangt.

Hermanis’ werk wordt soms realistisch genoemd, en de eerste helft van Sommergäste zou je dat nog kunnen denken. Maar na de pauze wordt de voorstelling langzamerhand steeds absurder; er wordt over personages geroddeld waar ze naast staan, de vrouwen zitten in hun afgedragen ondergoed sensueel aan elkaar te plukken terwijl de mannen door alle gaten toekijken, een liefdesverklaring wordt bemoeilijkt doordat beide partijen een berg stoelen met zich meedragen, in de badkuip worden worstjes gegrilld.

De voorstellingen van Hermanis zijn over het algemeen slim én grappig, met een melancholiek mededogen met de worstelende mens. In bijna al zijn werk valt de omgang met taal op. In Sommergäste beuzelen de personages wat af, maar alleen in het onbeholpen uiten van hun driften worden ze sympathiek. In het internationaal bejubelde Sound of Silence wordt niet gesproken, de muziek van Simon & Garfunkel speelt de hoofdrol. In 1968 zou het duo een concert geven in Riga, maar dat werd op het laatste moment om politieke redenen afgelast. De veertien personages in een nauwgezet nagebouwde studentenwoning horen de muziek echter overal vandaan komen, als de soundtrack van hun leven.

Het is niet verwonderlijk dat Hermanis veel succes heeft in Duitsland. Voorstellingen als Sommergäste en Wassa zijn intellectueel aansprekend, maar ook ontroerend. Zelf heeft hij echter veel kritiek op het Duitse theater. “Er zijn eenvoudig gezegd drie kanalen tussen podium en publiek”, zei hij in een recent interview: “Hoofd, gevoel en erotiek. Het Duitse theater heeft grote problemen met die laatste twee. Bij mij geldt “body goes first”, pas daarna komen de tekst en de betekenis. Dat is ook het verschil tussen Duitse en Nederlandse toneelspelers: de Nederlanders zijn fysiek zeer aanwezig. Met Elsie de Brauw of Benny Claessens heb ik geen enkele intelectuele discussie gehad. We zijn liever gaan dansen.”

Brandstichter: Alvis Hermanis in de Stadsschouwburg, van 2/3 t/m 6/4.
www.ssba.nl/brandstichter

Voorstellingen:
Sommergäste van de Schaubühne Berlin: 2 en 3/3
Sound of Silence van Nieuw Theater Riga: 7 en 8/3
Long Life van Nieuw Theater Riga: 25 en 26/3
Väter van het Wiener Burgtheater: 3 en 4/4
Wassa van de Münchner Kammerspiele: 5 en 6/4

 

Chapeau: ‘t Barre Land

overig,Theatermaker — simber op 22 februari 2013 om 13:32 uur
tags:

Ze zijn er nog. En misschien blijven ze ook wel. Subsidiegebrek was voor ’t Barre Land eerder ook geen belemmering om door te werken. Voor mij was ’t Barre Land was heel lang meer dan de groep van briljante voorstellingen als Langs de grote weg, Hoofd zonder wereld of De laatste dagen der mensheid. ’t Barre Land maakte van dat hoogst romantische begrip ‘toneelcollectief’ iets vanzelfsprekends en praktisch.

Zelf waren ze er erg afkerig van, van die romantiek. De toneelspelers van ’t Barre Land zagen hun gemeenschappelijke manier van werken als een logisch uitvloeisel van hun opvattingen over toneel. Als je geen hiërarchie wilt tussen toneelspelers en de timmerwerkplaats en het verhuisbedrijf dat een toneelgroep altijd óók is, dan moet iedereen alles doen. En dan ontwikkel je je met z’n allen tot vrachtwagenchauffeur, boekhouder, kok, vertaler, ontwerper, uitgever, verkoper, kastelein, theaterwetenschapper en kruier.

Maar uiteindelijk wás het wel romantisch: de uitgebreide maaltijden die door een paar mensen bereid werden in de keukens van de Toneelschuur, de Monty of de eigen Snijzaal terwijl de rest het decor en licht aan het opbouwen waren; de nachtelijke gezamenlijke inspanning om alles zo snel mogelijk de vrachtwagen in te krijgen, meestal gevolgd door een nachtelijke rit naar huis; de vrolijke gesprekken met technici, theaterdirecteuren en de uitgebreide groep fellow-travelers die altijd in de buurt is waar Discordia, ’t Barre Land of de Theatertroep optreden; en zelfs het gedeelde chagrijn als er een avond een voorstelling niet gelukt is.

Een collectief is, zo vertelden ze graag, een groep mensen die samen leest. En juist dat samen lezen wordt nu bedreigd. Geld om voorstellingen te maken zal er altijd wel zijn. Maar het was juist de onverdeelde aandacht die ’t Barre Land had voor het lezen, bespreken, analyseren en verwerken van teksten die de groep zo bijzonder maakte. Die aandacht leidde tot de even hilarische als geniale stapeling van Oscar Wilde-stukken in Een ideale Ernst of: het belang van een echtgenoot; of tot de onstellende luciditeit van Torquato Tasso; of tot de uitputtende toneelavond van De laatste dagen der mensheid, waarin je het gevoel kreeg dat het ze daadwerkelijk gelukt was om Karl Kraus’ langste toneelstuk aller tijden integraal uit te voeren.

Dit is wat structurele subsidie mogelijk maakt: diepte, durf en duur. Als je het er met ze over had was het centrale begrip van een collectief altijd het woord ‘gesprek’. Dat gesprek wordt nu onderbroken. Misschien wordt het op een andere manier voortgezet en blijft ’t Barre Land af en toe een voorstelling maken. Maar de bodem is eronderuit geslagen en dat is spijtig.

Dienstmededeling

overig,Parool — simber op 9 januari 2013 om 16:19 uur
tags:

Het tijdstip waarop recensies op deze site verschijnen gaat veranderen.
Vaste bezoekers van deze site zijn gewend dat ik mijn Parool-recensies hier plaats zodra ik ze af heb, meestal nog de nacht na de première. Het Parool heeft daar altijd zeer welwillend op gereageerd, maar omdat de krant met ingang van het nieuwe jaar strenger het schenden van haar auteursrecht op internet gaat controleren, heeft men mij gevraagd om mijn stukken pas later hier te publiceren.

Vanaf nu verschijnen mijn recensies, interviews en voorbeschouwingen een week na publicatie in Het Parool. Mocht u ze eerder willen lezen dan wijs ik u graag op de diverse mogelijkheden om de krant digitaal te lezen. Op de PC kan dat vooralsnog alleen als u een abonnement heeft, maar op de diverse tabletten en slimfoons bestaat de mogelijkheid om met de Parool-app losse kranten te kopen á 89 eurocent per stuk.

Kortom: kóóp die krant.

Overzicht: 10x Mightysociety

Mightysociety, het monsterproject van theatermaker Eric de Vroedt nadert zijn voltooiing met de première van deel 10, aanstaande zondag. De afgelopen acht jaar schreef en regisseerde De Vroedt een serie van tien voorstellingen over actuele thema’s, van terrorisme tot de vergrijzing en van Geert Wilders tot Indonesië.

Natuurlijk bestond er vóór Mightysociety ook expliciet maatschappelijk geëngageerd theater, maar De Vroedt wist een vorm te vinden die helemaal van deze tijd was: opiniepaginatheater vol actuele verwijzingen, vaak snel en satirisch, maar tegelijk onderbouwd met diepgravende research. Hij samplede zijn stukken bij elkaar , waarbij hij net zo makkelijk citeerde uit Medea of filosoof John Gray als uit Pauw & Witteman of het rapport van de parlementaire enquetecommissie naar Srebrenica. Echt vernieuwend aan Mightysociety waren de ‘sideshows’: iedere voorstelling werd begeleid door een uitgebreid randprogramma van lezingen, discussies, films en andere, kleinere voorstellingen die hetzelfde thema behandelden als de voorstelling. Theater werd een informatiebombardement.

Het project lanceerde De Vroedt’s carrière –hij regisseert inmiddels ook bij Toneelgroep Amsterdam en in Duitsland– en hij won diverse prijzen, zoals onlangs de Amsterdam Prijs en de Prijs van de Kritiek. Maar waar gingen al die tien delen ookalweer over? En, omdat De Vroedt zich nooit heeft geschaamd voor een stukje moralisme: wat was de boodschap?

Mightysociety1 (2004)
Over spindocters, mediacratie en beeldvorming in de politiek. Reflecteert op de opkomst van Pim Fortuyn en de deconfiture van de LPF nadat hij vermoord werd. De voorstelling werd in cynisme verre overschaduwd door de politieke werkelijkheid van de jaren erna.
Moraal van het verhaal: het succes van een politicus wordt meer bepaald door het beeld dan door de inhoud.
Opmerkelijk: Mightysociety1 is als het Prince-concert in Paradiso in 1981; wantrouw iedereen die zegt dat hij of zij erbij was.

Mightysociety2 (2005)
Over homegrown terrorisme, het publiek zit met een zelfmoordterrorist op een hotelkamer. Reflecteert op de moord op Van Gogh, de Hofstadgroep en de overtrokken reacties van overheid en wetgevers.
Moraal van het verhaal: politiek en media versterken de terreurdreiging omdat ze daar baat bij hebben.
Opmerkelijk: zeldzaam intense rol van Bram Coopmans, een van de acteurs die vaker meedeed en doorbrak dankzij Mightysociety.

Mightysociety3 (2005)
Over de wereld die de terrorist zegt te willen bestrijden. Met dit deel vond Mightysociety z’n vorm: flitsende dialogen die alle hoeken van een onderwerp belichten en geen definitieve antwoorden geven, maar wel een helder, vaak onaangenaam wereldbeeld tonen.
Moraal van het verhaal: de verlichtingsfundamentalisten zijn even dom, onuitstaanbaar en gevaarlijk als de religieuze extremisten.
Opmerkelijk: deel 2 en deel 3 waren op ingenieuze wijze met elkaar verbonden en werden tegelijk gespeeld. De terrorist uit deel 2 staat uiteindelijk in de huiskamer van deel 3. Deel 3 was ook de eerste Mightysociety-voorstelling met een uitgebreid randprogramma over het onderwerp.

Mightysociety4 (2007)
Over globalisering, neoliberalisme en Europa. Reflecteerde op de opkomende scheiding tussen snel overbodig rakende laag-opgeleide werknemers en hoog-opgeleide, kosmopolitische creatieven en bovenbazen, ofwel tussen de Vinex en de Grachtengordel.
Moraal van het verhaal: het kapitalisme is een onmenselijk systeem, dat het mensen onmogelijk maakt om gelukkig te worden.
Opmerkelijk: de doorbraak van de Mightysociety-serie in de theaterwereld. De voorstelling werd geselecteerd voor het Nederlands Theaterfestival en Hein van der Heijden won de Arlecchino voor zijn rol in de voorstelling, hij zou later nog veel vaker schitteren bij De Vroedt.

Mightysociety5 (2008)
Over de jeugd van tegenwoordig. Een rondloopvoorstelling waarbij het publiek in een ‘dorp’ met kleine studentenkamers verschillende minivoorstellingen kon zien, die allemaal gingen over het onvermogen om contact te maken. Reflecteerde op gamen, hedonistische feesten en oprukkende technologie.
Moraal van het verhaal: jongeren zijn individualistisch en ijdel, maar ze hebben de tools om hun eigen leven in te vullen.
Opmerkelijk: Mightysociety5 sloot aan bij de toen zeer populaire trend van het ervaringstheater, aan het eind mocht het publiek met de spelers meefeesten.

Mightysociety6 (2009)
Over de oorlog in Afghanistan, met een verhaal waarin Apocalypse Now knap verweven werd met Antigone en overste Karremans. Reflecteerde op de dubbelzinnige houding van Nederland ten opzichte van de global war on terror en de hypocriete voorkeur voor opbouwmissies boven gevechtsmissies.
Moraal van het verhaal: Oorlog corrumpeert, en nog erger dan de bloeddorstigen zijn de twijfelaars die zich tot iedere misdaad kunnen laten overhalen.
Opmerkelijk: De eerste appearance van de Leidse actrice Mariana Aparicio Torres, die in deze voorstelling een Afghaanse speelt in latere voorstellingen zal verschijnen als Turkse, Amerikaanse en Indonesische.

Mightysociety7 (2010)
Reflecteert op de vergrijzing. De Vroedt toont vier babyboomers die maar niet oud willen worden en door en door verwend en egoïstisch blijven.
Moraal van het verhaal: de babyboomers zijn door en door verwend en egoïstisch en de schuld van alles.
Opmerkelijk: De enige echte mislukking in de Mightysociety reeks, des te opmerkelijker omdat het met de meest veelbelovende cast had met o.a. Els Ingeborg Smits, Shireen Strooker ten Tom Jansen.

Mightysociety8 (2010)
Over populisme, Wilders en over de zin van politiek theater. Reflecteert op het fenomeen Geert Wilders. Een meta-musical waarin heel de theaterwereld scherp de maat wordt genomen en waarin De Vroedt zichzelf niet spaart.
Moraal van het verhaal: politieke kunst (zoals Mightysociety zelf) heeft nauwelijks de mogelijkheid om een zinnig weerwoord te bieden op het populisme.
Opmerkelijk: Niet De Vroedt, maar schrijver en acteur Joeri Vos schreef het stuk. Vos speelt mee in de voorstelling als een regisseur die als twee druppels water lijkt op de De Vroedt, en die iedere avond De Vroedt zelf uit het publiek sleurt om hem af te tuigen.

Mightysociety9 (2011)
Over Afrika, ontwikkelingshulp en de Probo Koala-affaire. Reflecteert op de westerse clichébeelden van Afrika.
Moraal van het verhaal: slachtofferschap is het enige product dat de westerse wereld van Afrika wil kopen.
Opmerkelijk: De altijd zo talig ingestelde de Vroedt eindigde de voorstelling met een indrukwekkende dans van Bram Coopmans met en tegen Roché Miguel Apinsa. Het leverde de meest memorabele beelden op van de hele serie.

Mightysociety10 (2012)
Over Indonesië, globalisering en de opkomst van Azië. Reflecteert op De Vroedt’s Indonesische roots en op de dood, een jaar geleden, van zijn vader.
Moraal van het verhaal: alle woede over de wereld komt voort uit je eigen biografie; de wereld onderzoeken is je levensverhaal vertellen.
Opmerkelijk: De Vroedt’s meest persoonlijke voorstelling, maar wie wil weten of na 10 delen zijn wereldbeeld radicaal veranderd is zal zelf moeten gaan kijken.

Mightysociety10 gaat op 4 november in première in Frascati
Vanaf 22 november speelt ook de Mightyfinalremix, een snelle montage van tekst, beelden en muziek uit alle tien de voorstellingen.
Meer info op www.mightysociety.nl

Production Houses in The Netherlands

english,overig — simber op 15 september 2012 om 22:23 uur
tags:

[Oude meuk van voor de zomer. Dit schreef ik voor het Jahrbuch des Bundesverband Freier Theater 2011/12 als uitleg van het (bedreigde) productiehuissysteem in Nederland.]

For a long time the system of production houses in The Netherlands has been the envy of the Freie Szene in Germany. The exact working of these houses however has been largely unknown.

The history of the production houses lies in the rise of black box theatres in the 1980’s. Based in the culture of community centres, squatters and punk rock venues they started to show, support and produce small scale theatre performances. In the nineties, when most of the important smaller groups received subsidies in their own right, the focus of the production houses shifted toward younger theatre artists: scouting directors and choreographers, supporting their work for a few years, helping them in setting up their own company and finding an audience.

It wasn’t a clearly defined field: some organisations called themselves ‘studio’ or ‘workshop’, some kept working with established artists. Some were inextricably connected with the venue they arose from (like Frascati in Amsterdam, de Toneelschuur in Haarlem or Grand Theatre in Groningen), some were connected with festivals (like Huis and Festival a/d Werf in Utrecht) others had only minimal performing spaces.

During the last years of the 00’s ‘talent development’ suddenly became the buzzword of Dutch cultural policy. The role of the production houses became clearly marked and the field was heavily institutionalized. 21 Production Houses became part of the so called ’cultural basic infrastructure’. They receive funding of roughly between 500.000 and a million euro each. Ten are aimed at theatre, four at dance, three at modern music and others at mime, youth theatre, music theatre and multicultural theatre.

The mission of the new style production houses was layed out most clearly in an interview with Mark Timmer, artistic director of Frascati: “When a theatre maker leaves school he or she has a diploma, but isn’t a director yet. You have to learn how to manage and inspire a group of people in practice. When you’re starting as an independant director you need some kind of structure: working space, actors, technicians, stage designer, publicity and so on. We give talented artists time and chance to develop their own artistic signature. And we do that in a somewhat sheltered environment with support and guidance within reach. Young directors need to be allowed to fail.”

This system seems to work very well. Almost every esthablished director or collective below a certain age has spent at least some time working within the structure of a production house. Talented directors like Susanne Kennedy, Jetse Batelaan or Dries Verhoeven have moved on to one of the bigger companies in The Netherland, or have founded their own. Especially interesting has been the project TA2, in which the country’s biggest company Toneelgroep Amsterdam worked together with Frascati and the Toneelschuur to have young directors work with their ensemble of actors.

On the other hand it was clear form the start that 21 production houses is a ludicrously large number. There are hardly enough young directors to fit all the (5 to 10) spots at each house, and, more importantly, the absorbtion capacity of the Dutch theatre field for new directors and groups is far from infinite.

But in its austerity fever the Dutch right wing government took it to the other extreme, cutting the national funding for all production houses, claiming ‘talent development’ is a task of the big companies themselves. This is a dangerous argument though: when young directors are limited to working within the ‘machine’ of a big company, they won’t develop their own voice, but turn into carbon copies of their predecessor, eventually not leading the company but being subservient to the institution.

Maybe the production houses partially brought their fate to themselves: they hardly ever take credit for their work, serving the artist and letting him or her shine. When they later become succesful you’ll often hear the cliché: great artists surface by themselves.

Now the future doesn’t seem so bleak as we feared earlier. Most cities value the work of the production houses within their walls greatly and do what’s possible to keep it afloat. Some houses merge with other institutions, some tighten their bonds with the local companies. Some will inevitably perish, but maybe that isn’t all bad.

The best news however is the fall of the right wing government, late April 2012. The populist PVV party is now out of power and one of the first things the government did was to reverse some of the cuts in the arts budget.

Pophelden in het theater

Voor (ex-)rocksterren lonkt het theater. Dit weekend gaat de voorstelling Lebensraum in première, een samenwerking tussen regisseur Jakop Ahlbom en rockgroep Alamo Race Track. Ook andere popmuzikanten, zoals Richard Janssen of Roald van Oosten, slechten de muur tussen de twee genres. Maar de zoektocht naar het bandjesgevoel blijft. “Theater voelde als een nieuw territorium voor mijn fantasie.”

Het zijn drie muzikanten van verschillende generaties. Richard Janssen was de frontman van Fatal Flowers, een van de beste Nederlandse bands van de jaren tachtig; Roald van Oosten werd bekend met Caesar in de jaren negentig; en Leonard Lucieer staat nu stevig in de belangstelling met zijn band Alamo Race Track. Allemaal werden ze gevraagd om mee te werken aan een theatervoorstelling en bij allemaal bleef het niet bij één keer.

“Ik werd in 2002 door Stef Kamil Carlens van Zita Swoon gevraagd of ik hem kon vervangen op tournee”, vertelt Janssen, “Hij werkte mee aan de voorstelling Carmen van Toneelgroep Amsterdam, waar ze een hele band hadden meespelen op het toneel. Via een paar acteurs – theater is net als popmuziek een klein wereldje – kwam ik in contact met regisseur Marijke Schermer. Voor haar voorstelling Orestes maakte ik een geluidsdecor dat de acteurs zelf konden bespelen. Dat vonden ze zo leuk dat ze zeiden: maak de rest van het decor ook maar. En dat ben ik blijven doen voor al haar voorstellingen.”

Bij Van Oosten liep het contact via toneelspeler Ingejan Ligthart Schenk. “Hij nodigde Caesar uit om te komen spelen op het festival Fin de Saison van zijn gezelschap ’t Barre Land en Discordia op het Westergasfabriekterren. Een paar jaar later kwamen we elkaar weer tegen en dat was eigenlijk een heel goed moment voor mij. Caesar was net uit elkaar en ik was op zoek naar een volgende stap. Ingejan en ik hebben toen in 2008 samen een voorstelling gemaakt, Wooff Wooff, een combinatie van theater, muziek, beeldende kunst en literatuur. Het voelde als een nieuw territorium voor mijn fantasie.”

De samenwerking tussen Jakop Ahlbom en Alamo Race Track kwam iets doelgerichter tot stand: “Jakob wilde een voorstelling maken met live muziek”, vertelt Lucieer, “en dan niet met een paar losse muzikanten, maar met een echte band. Toen is hij gewoon in Concerto of Get gaan zoeken naar Nederlandse bands en bij ons uitgekomen. Tegelijkertijd zaten ook wij in een rare tussenperiode: twee bandleden waren vertokken en dat was voor ons een aanleiding om iets heel anders te gaan doen. En zo ontstond twee jaar geleden de voorstelling Innenschau.”

Lucieer is inmiddels volop aan het repeteren voor de volgende samenwerking met Ahlbom: Lebensraum, gebaseerd op het werk van Buster Keaton. “Met Jakop praten we in het begin vooral veel over muziek of goeie films om zo te komen tot een sfeer van de voorstelling. Bij Keaton denkt iedereen aan de pianobegeleiding bij stomme films, in onze voorstelling probeert de muziek iets meer het drama te volgen. Jakop neemt alle repetities op op video en ’s avonds kijken we samen naar wat werkt en wat niet. De muziek of liedjes die dan geleidelijk ontstaan, moeten in deze laatste weken gemonteerd worden in de voorstelling. Dit keer is het iets lastiger omdat niet de hele band op het toneel staat, maar alleen Ralph Mulder en ik. Dus nu zijn we aan het puzzelen hoe we alles dat we bedacht hebben live gaan doen. We hebben soms handen tekort.”

Waar Lebensraum een gelijkwaardige samenwerking is tussen autonome theatermakers en musici werkt Janssen tegenwoordig als vaste geluidsontwerper van regisseur Susanne Kennedy op een andere manier: “Ik verbaas me er altijd over als ontwerpers los van elkaar werken en niet bij de repetities zijn. Het belangrijkste voor het geluidsontwerp is toch de dramaturgie: een theatervoorstelling moet een totaalkunstwerk zijn, met één gedachte. Ik noem mezelf heel bewust geluidsontwerper. Als ik aan een voorstelling werk, heb ik geen eigen muzieksmaak of stijl. Ik ben er vanaf de eerste repetitiedag bij, waardoor er wederzijdse invloed is tussen geluidsontwerp, beeld en regie. In popmuziek vond ik het ook altijd interessant dat er veel kunstvormen bij elkaar komen, naast muziek ook poëzie, performance, fotografie en video. Zowel theater als muziek zijn het best als het allemaal in elkaar grijpt.”

Van Oosten is van alledrie het meest aan het experimenteren met nieuwe mengvormen. “Ik heb in het theater op heel verschillende manieren gewerkt: soms maakte ik een soundtrack, zoals voor een film, soms is het een creatieve samenwerking, soms sta ik op toneel met liedjes op basis van andermans teksten. Ik heb al muziek gemaakt van Martin Crimp, Edgar Allen Poe en Emily Dickinson. Tegelijk heb ik heel veel voorstellingen gezien en zo manieren geleerd om méér te vertellen dan alleen m’n eigen emotie. Caesar was toch een echte jaren negentig-band, die emotionele liedjes met veel energie eruit gooide.”

“Maar mijn droom is een creatieve club hebben die op vaste avonden op aparte lokaties mensen meeneemt naar een andere wereld. Dat is voor mij persoonlijk de belangrijkste kracht van theater, terwijl je tegelijk wordt verrast en ontroerd en wordt uitgedaagd in je denken. Ik denk dat ik dat nu gevonden heb met het project Soonday&Moonday, waarmee we eind deze maand op Tweetakt staan.” Dus toch weer een soort bandje, zij het een bandje dat niet alleen muziek maakt.

Ook Janssen ziet in de collectieve aanpak het bandjesgevoel terugkeren: “Misschien zijn we met Susanne en haar vaste ontwerpers en actrice Çigdem Teke ook wel een soort band, met Susanne als de lead. Ik vertaal wat Susanne voor vormideeën heeft in geluid.”

Maar hoewel de manier van werken dus erg overeenkomt, blijven de twee werelden sterk gescheiden. “Ik vond dat erg opvallend”, zegt Lucieer, die met vader Rudolf, zus Jara en broer David uit een echte theaterfamilie komt. “Het is ons vaste publiek grotendeels ontgaan dat we een theatervoorstelling hebben gemaakt. Het is ook een groot verschil in planning: theater wordt soms wel twee jaar vooruit gepland, soms wel. Als band kan dat niet; onze laatste plaat is net uit in Duitsland, en we hebben er een aantal keer opgetreden. Afhankelijk van het succes daar beslissen we op heel korte termijn dat we teruggaan. Maar als een theatervoorstelling succesvol is moet je hopen dat je volgend jaar terug mag komen.”

Maar ook op een dieper niveau zijn de verschillen groot. Lucieer: “Muziek wordt begrepen en ervaren op een elementair niveau. Theater gaat meer over ideeën en achterliggende thema’s” Van Oosten: “Wat ik zag bij ’t Barre Land sprak me enorm aan: muziek kon onderdeel zijn van een enorm verhaal, met een visuele en intellectuele dimensie. Generaliserend gezegd hebben popmensen meer een do it yourself-mentaliteit, ze doen alles van schrijven tot plaat opnemen tot promotie. Ik heb wel geleerd van de professionaliteit en de organisatiegraad van theater. Veel jonge groepen moet meerjarenplannen schrijven en dat helpt enorm om navelstaarderij te voorkomen. De Warme Winkel of Marjolijn van Heemstra hebben enorm goed voor ogen waar ze naartoe willen, dat vind ik inspirerend.”

Is er dan ook verschil in het soort mensen? “Popmuziek is meer familie en theater meer een pleeggezin”, zegt Janssen. “Sommige bands, zoals De Dijk, staan rustig dertig jaar samen op het podium. In het theater werk je veel meer op projectbasis: dan ben je twee maanden elkaars beste vriend en daarna is het weg. Er zijn ook veel meer vrouwen in het theater, dat maakt het iets minder ouw-jongens-krentebrood.”

En nemen de popmuzikanten nog een beetje theater mee in hun eigen werk? Lucieer: “Je merkt wel dat theatereffecten goed werken.” Lachend: “Jakops jeuken om onze optredens onder hand te nemen. Maar zelf vind ik vind het ook mooi als er gewoon een band staat zonder opsmuk. Het moet wel bij je passen.”

Lebensraum van Jakop Ahlbom en Alamo Race Track gaat op 23/3 in première in de Toneelschuur in Haarlem. Meer info op www.jakopahlbom.nl

Soonday&Moonday van Ghosttrucker en Fauna van Sanne van Rijn – beide met Roald van Oosten – zijn te zien op festival Tweetakt in Utrecht. Meer info op www.tweetakt.net

Brandhaarden: Münchner Kammerspiele in Amsterdam

Donderdag aanstaande begint een van de grootste projecten in de Stadsschouwburg van de afgelopen jaren: het volledige Duitse gezelschap Münchner Kammerspiele strijkt bijna een week lang neer in Amsterdam. Het gezelschap, sinds 2010 onder leiding van de Nederlandse regisseur Johan Simons, speelde al eerder hier (o.a. Hotel Savoy en Drei Farben), maar nu wordt de manier van werken van het Duitse stadstheatersysteem in Amsterdam uitgeprobeerd. En dan komt meteen de vraag op: moeten we zoiets hier ook willen?

De voordelen zijn duidelijk. Het betekent twee nieuwe voorstellingen per dag en een uitgebreid randprogramma met liedjes, lezingen, talkshows en een Biergarten. In het weekend is er programma van half tien ’s ochtends tot één uur ’s nachts. Je zou kunnen zeggen: alle dagen festival.

De grote voorstellingen die de Kammerspiele hier brengt hebben allemaal een Nederlands of Vlaams tintje: Johan Simons nam een aantal acteurs mee van zijn laatste gezelschap NT Gent, en nodigt Nederlandse regisseurs uit om nieuw werk te komen maken.

Van Simons zelf zijn twee voorstellingen te zien. Winterreise is een nieuwe, persoonlijke tekst van Elfriede Jelinek over ouders en kinderen, waaraan Simons zelf zijn eigen levensgeschiedenis verbindt: we zien beelden van de Watersnoodramp uit 1953 en Katja Herbers speelt een aandoenlijk klompendansend jochie met een hazenlip als ode aan Simons’ vader.

Begin volgende week speelt Gesäubert/Gier/4.48 Psychose, een recente voorstelling waarin Simons iets doet dat veel regisseurs willen, maar slechts weinigen voor elkaar hebben gekregen: het spelen van een serie teksten van de Engelse toneelschrijfster Sarah Kane op één avond. De manier waarop Simons lichtheid in het gewelddadige, rauwe en nihilistische werk van Kane heeft gekregen oogste veel lof en de voorstelling werd uitgekozen voor het aankomende Theatertreffen in Berlijn als een van de tien beste van het afgelopen jaar.

Een publiekstrekker is de toneelbewerking van Visconti’s film Ludwig II, door Ivo van Hove van Toneelgroep Amsterdam, met Jeroen Willems in de titelrol. Het was een pikant project, want Ludwig is een icoon in Beieren. De gevreesde (of eigenlijk stiekem gewenste) rel bleef echter uit en de voorstelling bleek een mooi drama over kunst en macht, met Willems als prachtig ongrijpbare sprookjesprins.

Minder bekend, maar zeker de moeite waard is het vrolijk maffe, maar intens melancholieke Ruf der Wildnis van de Letse regisseur Alvis Hermanis, een theatervoorstelling voor vijf acteurs en vijf honden. Hermanis en zijn acteurs baseerden zich op de roman Call of the wild van Jack London, over een sledehond die in de wilde natuur van Alaska de wolf in zichzelf terugvindt en verbonden dat met verhalen van hondenbezitters die langzaam veranderen in hun eigen huisdier. In de mime-achtige voorstelling spelen de Vlaamse acteurs Benny Claessens en Kristof van Boven fysieke prachtrollen.

In het randprogramma vallen twee voorstellingen over de Tweede Wereldoorlog op. In Leben und Schicksal leest actrice Hildegard Schmahl in het Goethe Instituut een hoofdstuk uit Vasili Grossmans ontzagwekkende, en tot kort geleden onontdekte oorlogsroman Leven en Lot, met muziek van Reinbert de Leeuw en Vera Beths. Daarnaast zijn twee ‘afleveringen’ te zien van het feuilleton Hotel Europa, gebaseerd op Geert Mak’s In Europa. Geen lezingen in de traditionele zin, maar avonden met boeken, muziek, improvisaties en wijn.

Tenslotte is er nog een kindervoorstelling van het gezelschap te zien (De kleine Janneman) en vertellen twee van de met Simons naar München meegereisde acteurs, Benny Claessens en Çigdem Teke over hun ervaringen in optredens onder de naam Kollektiv, Kollektiv.

Kortom, er wordt een ongekende theatrale rijkdom en pracht tentoon gespreid. En vrijwel het voltallige ensemble van de Kammerspiele is aanwezig. Maar moet Amsterdam een vergelijkbaar instituut willen?

De vraag is niet wat het kost, maar wat je ervoor zou moeten inleveren. Je kunt Toneelgroep Amsterdam en de Stadsschouwburg samenvoegen en de subsidie verdubbelen, dan zit je ongeveer aan het budget van de Münchner Kammerspiele, maar voor dat geld raak je in Amsterdam een enorme hoeveelheid theater kwijt: Orkater, Het Toneel Speelt, Frascati, Dood Paard, Mugmetdegoudentand, Bellevue, MC en Discordia bijvoorbeeld, om nog maar te zwijgen van al het jeugdtheater en de wijkvoorzieningen.

In de meeste Duitse steden wordt met afgunst gekeken naar het enorm uitgebreide podiumkunstaanbod in Amsterdam, en (in tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt) ook naar de publieke belangstelling. Wie wel eens in München naar het theater gaat, kan zien waarom: het publiek bestaat louter uit gegoede burgerij en een paar studenten. In Nederland is het zowel het aanbod als het publiek oneindig veel diverser.

Kortom, het zal bijzonder aangenaam zijn om een week lang te smullen van het allerbeste dat een Duits stadsgezelschap ons te bieden heeft. Maar laat het ons niet al te zeer jaloers maken.

Brandhaarden, de Münchner Kammerspiele in de Stadsschouwburg: 15 t/m 20 maart. Meer info op www.ssba.nl

Theaterkrant.nl

overig,Theatermaker — simber op 2 maart 2012 om 16:29 uur

Sinds 1 februari in de lucht: Theaterkrant.nl.

Theaterkrant is een nieuwe website van TM met dagelijks recensies over theater, dans opera en jeugdtheater, waaraan ik meewerk als coördinator en webmaster. Daarnaast schrijf ik af en toe ook recensies en nieuws. Ik weet nog niet of ik die ook hier ga doorplaatsen, ik wil natuurlijk het liefst dat u ze daar bekijkt.

« Vorige paginaVolgende pagina »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2014 Simber | powered by WordPress with Barecity