Recensie: ‘Battlefield’ van Peter Brook (Brandhaarden)

“De vernietiging komt nooit met het wapen in de hand. Het komt heimelijk, op kousevoeten, toont je het goede in het kwaad en het kwaad in het goede.” In Battlefield geven de goden – in dit geval Krishna – raad aan de mensen. Maar in de eerste plaats zijn het de mensen op het toneel die spelen die ons bezweren.

Klein en kwetsbaar zit Peter Brook op zijn stoel op rij 8. De theaterlegende, die vandaag zijn 93ste verjaardag viert in Amsterdam zit gewoon in de zaal bij de eerste voorstelling in het Brandhaarden festival in de Stadsschouwburg, waar vijf voorstellingen van ‘zijn’ Théâtre des Bouffes du Nord te zien zijn. Zijn geest is nog fit, maar zijn lichaam is broos.

Brook is een van de grotere theatervernieuwers van de twintigste eeuw, die voortbouwde op het werk van Antonin Artaud en Bertolt Brecht. Zijn boek De lege ruimte is een klassiek geworden pleidooi voor eenvoud en kernachtigheid in het theater. Na een lange carrière in Londen, waar hij onder meer de Royal Shakespeare Company opschudde streek hij in 1978 neer in een vervallen theater in Parijs: Bouffes du Nord.

Een van de eerste projecten die hij daar onder handen nam, samen met schrijver Jean-Claude Carrière, is een toneelbewerking van het Indiase epos Mahabharata. De elf uur durende voorstelling zou uiteindelijk pas in 1985 in première gaan en werd in 1989 verfilmd (en in Nederland uitgezonden door de VPRO).

Battlefield is eigenlijk een vijf kwartier durend extract uit die voorstelling. Brook nam één episode uit de serie en ensceneerde die opnieuw, in het engels, met vier toneelspelers. Het gaat over de periode ná een grote oorlog tussen twee verwante families, waarin de overwinnaar en de verliezer in het reine moeten komen met de vernietiging en met elkaar. Maar de Mahabharata volgt geen recht spoor en ook in Battlefield is er ruimte voor een groot aantal filosofische verhandelingen en parabels over haviken, duiven en wormen.

De stijl van Brooks voorstellingen is een grappige combinatie van uitvindingen die hij gedaan heeft die volkomen gemeengoed zijn geworden – de flexibele inzet van een beperkt aantal requisieten; het verhalende spelen waarbij de acteur in de rol schiet die hij vertelt – en elementen die ouderwets zijn geworden – met name de gedragen toneeltoon waarmee gesproken wordt. Ook de vormgeving, met bamboestokken en linnen doeken is zijn eigen cliché geworden.

De spelers zijn erg goed, Karen Aldridge en Edwin Lee Gibson met name. Maar wat de voorstelling levend houdt is de onmiskenbare universalistische aspiratie van de hele onderneming. In Battlefield komen een Indiaas epos, een Engelse regisseur, een overwegend zwarte cast en een japanse drummer (Toshi Tsuchitori) op een afrikaanse trommel samen om iets essentieel menselijks te laten zien. Hier wordt toneel gemaakt voor de Mensheid. De grootste thema’s – wraak en vergeving, verantwoordelijkheid en twijfel – worden hier vanzelfsprekend, bedaard en met gracieuze eenvoud op het toneel gezet.

In de huidige identiteitspolitiek is dat soort universeel denken op dit moment niet in de mode. En het het intersectionele denken zet terecht vraagtekens bij het essentialisme van het interculturele project. Maar voor deze avond vond ik het weldadig onhip.

Battlefield van Théâtre des Bouffes du Nord / Peter Brook & Marie-Hélène Estienne. Gezien in de Stadsschouwburg tijdens Brandhaarden, 20/3/18. Aldaar t/m 23/3. Meer info op www.ssba.nl

Recensie ‘Schiff der Träume’ van Deutsches Schauspielhaus Hamburg/Brandhaarden

Eindelijk kunnen de orkestleden afscheid nemen van hun geliefde dirigent, komt er ineens een groep Afrikanen het toneel over lopen. Het moment, vlak voor de pauze van de voorstelling Schiff der Träume van Schauspielhaus Hamburg is tegelijk een stevige breuk met het voorafgaande en tegelijk een zucht van opluchting.

Schiff der Träume is een van de vijf voorstellingen van Schauspielhaus Hamburg die nu in het kader van het festival Brandhaarden te zien zijn in de Stadsschouwburg Amsterdam. Regiseur Karin Beier, tevens intendant (artistiek leider) van het gezelschap maakt van de film E la nave va van Fellini uit 1983 een ‘Europees requiem’.

Een luxueus cruiseschip vol klassieke musici vaart over de Middellandse Zee, waar de as van hun even geliefde als tirannieke dirigent en componist moet worden verstrooid, op de klanken van zijn meesterwerk Human Rights Nr. 4. Aan boord spelen ze muziek, ruzieën ze en spelen ze geweldige slapstick rondom de urn.

Net als bij Fellini staat het schip symbool voor Europa, het bejaarde, decadente en navelstaarderige continent van oude cultuur en oude ideeën. Maar het interessante is dat Beier het idee serieus neemt dat ook haar Schauspielhaus zo’n droomschip is.

Vandaar dat de groep bootvluchtelingen die het cruiseschip uit zee oppikt gespeeld wordt door vijf Afrikaanse acteurs die in Duitsland spelen bij het kleinezaalgezelschap van regisseursduo Gintersdorfer & Klaßen. Meteen nadat ze opkomen nemen ze het toneel over met hun provocatieve en meer op het publiek gerichte stijl. “We zijn gekomen om jullie te helpen!”, zeggen ze nadat ze verteld hebben over de documentaires over Europese depressie en bevolkingsafname die ze in Abidjan hebben gezien.

Na de pauze komen de twee stijlen tot een soort synthese: opera en hiphopbattles, Pina Bausch en tango, dat werk. De lichte kitscherigheid wordt meteen omvergeworpen door de verschillende personages de drogredeneringen van progressieve mensen in het vluchtelingendebat tot in het extreme door te voeren. “Ik ben kunstenaar! Ik ben links!”

Aan het eind worden de Afrikanen door de purser van boord gebonjourd, er is een schip van grensbewaker Frontex gearriveerd. Dat maakt van Schiff der Träume een scherp statement over de omgang met andere culturen in de schouwburgen: ze mogen ons even vermaken, maar daarna moeten ze weer oprotten.

De gevolgen zijn volgens Beier (net als bij Fellini) ondubbelzinnig: het schip zinkt.

Maar al ruim voor de pauze kreeg ik overduidelijk de indruk dat de passagiers op het schip al lang dood zijn. Nog los van de urn die ze met zich meedragen als doel van hun reis maken ze spookachtige muziek op hun instrumenten en zeggen teksten als: “Dood zijn is moeizaam”, en “Je bent helemaal nog niet dood als je dood bent”. Halverwege zwemmen er hoog boven het toneel een paar vissen voorbij.

Een hevig cultuurpessimisme lijkt de rode draad in deze editie van Brandhaarden. De vier voorstellingen die tot nu toe te zien waren tonen versleten werelden met uitgebluste personages. Der Entertainer gaat over een afgegleden variétéfamilie en regisseur Christoph Marthaler zet op het podium van de schouwburg nóg een toneel, met nóg een familie losers met nóg foutere en stommere grappen.

In Schiff der Träume wordt datgene wat we in Europa vaak zien als bedreigend (vluchtelingen) gedraaid tot oplossing (“we komen jullie helpen”). Het is dezelfde truc die Michel Houellebecq toepast op de Islam in zijn laatste boek Onderworpen. Karin Beier zet het boek als lange monoloog op de planken (een absolute tour de force van toneelspeler Edgar Selge) als Unterwerfung en, ook al is het sardonische plezier van het boek meesterlijk omgezet in het spelplezier van Selge, ook hier staat de ineenstorting van de Europese humanistische traditie centraal.

Ook de beste en vrolijkste van de Brandhaardenvoorstellingen tot nu toe – Effi Briest – stemt uiteindelijk toch niet hoopvol. Het melodramatische boek van Fontane uit 1894 (jonge getrouwde vrouw heeft korte affaire, wordt jaren later zwaar gestraft) wordt verteld in een jaren zeventig radiostudio, waar de bewoners prachtige coverversies zingen van top 2000-hits. (De enorme muzikaliteit van de toneelspelers uit Hamburg is een ander leidmotief.) Maar uit al die liedjes, van God only knows tot Kiss blijkt dat onze liefdesmoraal in die kleine eeuw niet echt is veranderd.

Zo biedt deze dwarsdoorsnede aan Duits theater vooral eindtijdtoneel: mensen die worden verzwolgen door de wereld en als levende doden terugkijken op hoe het heeft kunnen gebeuren.

Schiff der Träume van Deutsches Schauspielhaus Hamburg. Gezien 26/2/16 in de Stadsschouwburg ihkv Brandhaarden. Brandhaarden duurt nog t/m 3/3. Meer info op www.ssba.nl/brandhaarden.

Interview Katie Mitchell

interviews,Parool — simber op 8 februari 2015 om 16:07 uur
tags: , ,

De Britse toneelregisseur Katie Mitchell is in eigen land omstreden, maar een ster in Duitsland. De komende maand staan vijf van haar voorstellingen in de Stadsschouwburg in het programma Brandstichter. “In Engeland denken ze dat ik in de vuilnisbak van het theater terecht ben gekomen.”

Welbespraakt, informeel, uiterst relativerend praat ze over haar werk. Terwijl haar zeven-jarige dochter op het ijsbaantje op het Leidseplein rondjes zwiert, staat Katie Mitchell vroeg in januari de Nederlandse pers te woord. Niet een vrouw waarvan je zou verwachten dat ze in de Britse kranten ‘princess of darkness’ wordt genoemd, vanwege haar voorkeur voor duistere thema’s.

Tijdens Brandstichter zijn onder meer een ‘live cinema’ voorstelling te zien over vrouwen en oorlog (The Forbidden Zone), een meditatie over de dood op muziek van Bach (Trauernacht) en een brutaal bewerkte klassieke tragedie over oorlogsgeweld (Alles Weitere kennen sie aus dem Kino).

Alle voorstellingen in het programma zijn gemaakt in Duitsland of Frankrijk. Is dat niet raar? “Ja, dat voelt cultureel vreemd. Het verschil tussen de reacties op mijn werk in Engeland en op het vasteland is extreem. Dat voelt erg schizofreen. Toen ik voor het eerst terugkwam na het maken van een voorstelling in Duitsland, deden mijn collega’s in Londen alsof ik thuiskwam van een begrafenis. Alsof ik volledig mislukt was en in de vuilnisbak van het theater terecht was gekomen. Dus ik vertrouw mijn succes in Duitsland en Frankrijk nooit helemaal, omdat dat in mijn eigen land geen waarde heeft.”

Mitchell kwam bij toeval in Duitsland terecht. Als jonge regisseur bezocht ze een conferentie, waar ze bevriend raakte met een Duitse collega, Karin Baier. “We bleven elkaars werk min of meer volgen, en toen zij artistiek leider werd van het theater in Keulen vroeg ze me om een voorstelling bij haar te maken. Die werd prompt uitgenodigd voor het Theatertreffen [het prestigieuze jaarlijkse festival met de tien beste voorstellingen uit het Duitse taalgebied], ik wist niet eens wat dat was.”

“Altijd wanneer ik een voorstelling maak in Engeland wordt er tegen me gezegd wat ik niet kan en mag doen. In Duitsland is het omgekeerd, ze willen dat je van alles méér doet. Onlangs regisseerde ik De Kersentuin in Londen en ik kreeg het niet goed voor elkaar. Ik wist niet meer wie ik was. Ik weet niet waar die negatieve ontvangst vandaan komt. Ik vermoed dat het een cocktail is van mijn feminisme, mijn Europeanisme en mijn radicale vormen.”

Waar Mitchell in Londen wel succes mee heeft is een serie voorstellingen over klimaatverandering en overbevolking. Na een ontmoeting met wetenschapper Stephen Emmot maakten ze samen de voorstelling 10 Billion, over de ecologische druk van een wereldbevolking van tien miljard mensen. “De wetenschap krijgt niet overgebracht hoe urgent het probleem is, misschien lukt het de kunst wel.”

Het project vergrootte met name ook haar eigen milieubewustzijn: “Je kunt niet zo’n ontmoeting hebben, zonder je leven te veranderen, en dus veranderde mijn leven. Ik vlieg niet meer en ik koop geen nieuwe kleren, en ik probeer mijn ecologische voetafdruk zo klein mogelijk te houden. Niet vliegen is soms lastig, maar treinen is een goed alternatief, zeker in Duitsland. Alleen is het jammer dat ze langzamerhand de nachttreinen afschaffen. Dat is een enclave voor allerlei wonderbaarlijke mensen.”

Ook in haar selectie voor Brandstichter komt het groene thema terug. De voorstelling Atmen, een oorspronkelijk Engels stuk van de jonge toneelschrijver Duncan Macmillan, gaat over een hipsterstel dat tobt over kinderen. Mitchell laat het de spelers de hele voorstelling lang fietsen op hometrainers, waarmee ze de electriciteit opwekken voor de theaterlampen. En ook in Glückliche Tage (Happy Days van Beckett) is het thema aanwezig. “Je ziet een vrouw tot haar nek in een berg aarde. Ooit ging dat over de angst voor nucleaire oorlog, maar ik zie er een parallel in met milieuproblematiek: de natuur eet de vrouw op. Juist datgene waarover we denken controle te hebben, de natuur, gaat ons vernietigen. Zo zie ik het steeds als mijn taak om iets helders en concreets te maken van een intellectueel idee.”

“Jarenlang wist ik niet zo goed waarvoor ik nu eigenlijk betaald kreeg. Inmiddels weet ik het: het gaat om het vertalen van je basismateriaal – een partituur, een script of een wetenschapper – in een driedimensionale handeling die beweegt in de tijd. Mijn taak is om dat voor me te zien. En het wordt moeilijker en moeilijker om dat interessant en dynamisch te houden voor het publiek. Mijn voorstellingen worden ook steeds korter.”

“Ik heb vroeger met neurowetenschappers gewerkt om beter te begrijpen wat acteurs moeten doen. Nu zit mijn onderzoek meer in mijn werk. Ik heb ruim zestig voorstellingen gemaakt, ik hoef niet meer aardig gevonden te worden. Mijn voorstellingen worden eigenlijk steeds moediger en radicaler.”

Brandstichter begint op 11/2 met The Forbidden Zone. Meer info op www.ssba.nl/brandstichter

Volksbühne in Amsterdam

De Stadsschouwburg Amsterdam haalt een week lang een rebels icoon naar binnen: De Volksbühne uit Berlijn neemt de schouwburg over. De meeste Nederlanders die een stedentrip maken naar Berlijn kennen waarschijnlijk het imposante gebouw wel – met het woord ‘Ost’ trots op het dak en het wiel-met-pootjes-logo van plaatstaal in het plantsoen. Maar wat voor theater wordt daar eigenlijk gemaakt? En waarom is het zo belangrijk om dat naar Nederland te halen?

“Leugens” staat er in levensgrote letters op een poster in de stad, “Crisis” op een ander, “Glamour” op nog een. Steeds ernaast hangt een andere poster met het logo en de tekst “In de Volksbühne”. Duitsers met humor, het is even wennen. Maar de grap heeft een puntig randje: het lettertype van de teksten is de Fraktur, dat nog altijd associaties oproept met het imperialistische Duitsland van voor de oorlog.

De Volksbühne is een instituut, maar wel een instutuut dat zich blijft gedragen als een subversieve kunstenaarscommune. Het is een van de belangrijkste theaters van Duitsland, bijzonder door z’n dikwijls provocerende politieke en ideologische stellingname, z’n wilde, haast anarchistische theaterstijl en z’n uitgelezen verzameling toneelspelers en gastregisseurs.

Aan het hoofd van deze bende staat regisseur Frank Castorf. In 1951 geboren in Oost-Berlijn en mentaal eigenlijk nog steeds een Oostduitser. Al vanaf zijn eerste voorstellingen die hij in de jaren tachtig in de provincie maakte lag hij overhoop met het regime. Veel van zijn producties werden verboden, maar zelf werd hij nooit gearresteerd, waarschijnlijk omdat zijn toenmalige vriendin de dochter van een hoge DDR-politicus was.

Kort na de Wende en de eenwording van Duitsland nam hij in 1992 met zijn jonge troupe acteurs de Volksbühne over. Het was voor het verenigde Berlijn –dat in z’n maag zat met de enorme hoeveelheid stadstheaters– een relatief goedkoop experiment. “Over drie jaar zijn ze wereldberoemd of dood”, schreef cultuurpaus Ivan Nagel, die Castorf bij het stadsbestuur had aanbevolen.

Toen Castorf onlangs in Amsterdam was voor de presentatie van het Brandhaarden-programma vertelde hij over die periode: “De buurt waarin het theater staat was een dode hoek, maar meteen na de Wende werden in de achterliggende wijken veel huizen gekraakt en ontstonden er illegale bars en clubs en ook repetitieruimtes. Het was een omgeving waar extreme kunst geproduceerd kon worden, een grote alternatieve tegencultuur die zich verhield tot de moderne avant-garde, waar de Volksbühne zich vanaf zijn oprichting mee verbonden heeft gevoeld.”

“Toen de muur er stond was Berlijn een hete stad”, verklaart Castorf. “David Bowie en Iggy Pop werkten er, naast allerlei beeldende kunstenaars en natuurlijk alle geheime diensten van de wereld. Nu vind ik de stad, heel Duitsland eigenlijk, maar een saaie kopie van Amerika geworden. Nee, mijn Duitsland is het niet.”

Het verzet tegen de veramerikanisering van de wereld is een van de terugkerende thema’s in Castorfs werk en van de Volksbühne in het algemeen (Fuck off Amerika, en Endstation Amerika zijn slechts twee titels uit het uitgebreide repertoire). Castorf: “Het woord ‘Ost’ op het dak staat voor een bepaalde houding, een andere manier van denken dan die van het Westen of het Zuiden of het Noorden. Oost-Duitsland, en daardoor ikzelf was altijd meer op Rusland gericht. Vandaar ook mijn belangstelling en bewondering voor Dostojevski. Onder het totalitaire regime van de DDR had de kunst als taak om uit te spreken wat de politici en de media verzwijgen. In het theater waren de mensen daardoor gelukkig. Heel even maar, maar toch. En nu onder Merkel is het eigenlijk precies zo. Je moet als kunstenaar het onuitspreekbare uitspreken.”

En voor Castorf werkt dat vanzelfsprekend ook door in de vorm van zijn voorstellingen. Die zijn vaak exorbitant lang, versnijden klassieke toneelstukken met popcitaten, droge theoretische verhandelingen en slapstick en vallen op door de ongelofelijke intensiteit van het acteren. “Je ziet heel veel theater dat de formats en conventies van televisie en films heeft overgenomen. Het mag maar twee uur duren en je moet het verhaal kunnen volgen. ‘Waar was Hamlet tussen acht en tien uur?’. Maar ik vind het belangrijk om theater weer te spélen; dat de toneelspelers zich buiten de psychologische realiteit begeven en de extremen opzoeken, tot in de psychopathologie.”

Juist door op provocerende wijze níet ‘mooi’ toneel te maken, leide de voorstellingen van Castorf regelmatig tot levendige debatten tussen bezoekers en in de pers. “Wij bieden iets eigenzinnigs aan, dat een deel van het publiek ook afwijst, maar het brengt in elk geval het gesprek op gang.” En de Volksbühne bruist doordat er naast de voorstellingen ook, films, popconcerten, debatten en workshops zijn en daarna dansen tot diep in de nacht.

De Volksbühne heeft met die houding ook altijd de meest avontuurlijke en provocerende regisseurs van Duitsland aan zich weten te binden. De Zwitser Christoph Marthaler en de in 2010 overleden Christoph Schlingensief maakten er hun eerste grote voorstellingen en in eigen huis ontwikkelde René Pollesch een geheel eigen theoretisch geïnspireerde theaterstijl. Daarnaast ontwikkelden een aantal van Castorfs acteurs, zoals Herbert Fritsch en Martin Wuttke, zich tot eigenzinnige regisseurs.

Dat dit theaterhuis nu met vier grote voorstellingen en een uitgebreid randprogramma naar Amsterdam komt is dan ook een prachtige kans voor iedereen die gelooft dat kunst en politiek nog iets met elkaar te maken kunnen hebben. Zo lang het nog kan, want Castorf zelf is niet hoopvol over de toekomst: “In 2016 vertrek ik als intendant en dan mag de volgende westduitse cultuurmanager het overnemen.” Het liefst zou hij dan naar Zuid Amerika vertrekken: “Daar hebben ze nog een werkelijke passie voor theater, een wildheid in wat ze aan hun publiek willen tonen. Dat is een heel erg leuke omgeving om te werken, maar ja, het betaalt zeer slecht.”

Brandhaarden: de voorstellingen

Tijdens het festival Brandhaarden Van 25 februari t/m 5 maart zijn de volgende voorstellingen te zien:

Der Spieler, regie: Frank Castorf
Castorf bewerkte Dostojevski’s novelle over een gokker, een onmogelijke liefde en de verleiding van de roulettetafel tot een weergaloze, bijna vijf uur durende toneelavond, waarin alle acteurs (onder wie de fantastische Sophie Rois) in iedere scène alles inzetten onder het in neon verlichte motto “Leben is Tödlich”. Naast Dostojevski is er ook ruimte voor de Rolling Stones, poppentheater, slapstick met aardappele en een reusachtige krokodil.

Murmel Murmel, regie: Herbert Fritsch
Krankzinnige voorstelling, waarin de acteurs anderhalf uur lang maar één woord tekst hebben: ‘Murmel murmel murmel murmel!’ De elf fantastische toneelspelers –of eigenlijk: mimers– maken er nu eens opera van, en dan weer hilarische slapstick. De tekst klinkt soms als solo, soms als koor, dan weer als canon of aria. De voorstelling wordt zo een hommage aan wat je allemaal in het theater kunt zeggen zonder tekst. De spelers wisselen van het ene uitzinnige kostuum naar het andere en samen met het trippy retro-decor van felgekleurde schuivende vlakken wordt je als toeschouwer onherroepelijk meegezogen in de gekte van dit warme bad van vrolijk absurdisme.

Glanz und Elend der Kurtisanen, regie: René Pollesch
Pollesch baseert zich op een roman van Balzac over het culturele leven in Parijs in de 19e eeuw, maar maakt er ongetwijfeld weer zijn gebruikelijke tekst- en theorieënmix van, waarin filosofische verhandelingen, flitsende aforismes  en verwijzingen naar popcultuur hand in hand gaan. Dit keer in een glitterdecor met een luchtballon.

Glaube Liebe Hoffnung, regie: Christoph Marthaler
Christoph Marthaler maakt meestal op improvisaties gebaseerd muziektheater, maar voor de Volksbühne pakte hij een Duitse klassieker, Glaube Liebe Hoffnung van Ödön van Horvath, over de in geldnood verkerende Suzanne, die wordt uitgebuit, verraden, gearresteerd en veroordeeld tot absurde straffen. Marthaler voegt er zijn gebruikelijke absurditeiten, een schitterende soundscape en een monumentaal decor van zijn vaste ontwerpster Anna Viebrock aan toe.

(B)randprogramma
Naast de vier voorstellingen wordt de complete Volksbühne-experience nagebootst met filosofische debatten, films en videoinstallaties. Hoogtepunt is waarschijnlijk de Videoschnipselvortrag van Jürgen Kuttner, een avond vol bliksemsnelle televisie- en filmfragmenten van instant commentaar voorzien door Kuttner, nu eens geestig en gevat, dan weer kunsthistorisch doorwrocht.

Het volledige programma is te vinden op: www.ssba.nl/brandhaarden

Volksbühne naar Stadsschouwburg

overig,Parool — simber op 12 januari 2014 om 11:00 uur
tags: , , , , ,

De Volksbühne uit het voormalige Oost Berlijn is nog steeds een van de belangrijkste toneelhuizen van Duitsland. Eind februari/begin maart neemt de groep een week lang de Amsterdamse Stadsschouwburg over. Gistermiddag werd het programma van het festival Brandhaarden gepresenteerd aan donateurs en vaste bezoekers van de schouwburg, in aanwezigheid van de intendant van de Volksbühne, Frank Castorf.

Door de hele schouwburg staan kleine, oranje poppetjes: een wiel op poten. Het is sinds jaar en dag het logo van de de Volksbühne en vandaag kom je ze overal tegen: langs de trappen, op het toneel en zelfs in de toiletten. De gasten van de middag zijn welkom op het podium van de schouwburg, waar lange biertafels staan uitgestald en er wordt Berliner Pilsner en Glühwein geserveerd.

Het festival Brandhaarden kent in 2014 zijn derde editie. Ieder jaar zet de Stadsschouwburg één theatermaker of gezelschap centraal en toont in korte tijd meerdere voorstellingen, met een uitgebreid randprogramma. De eerdere edities werden georganiseerd rond het werk van de Münchner Kammerspiele (onder leiding van Johan Simons) en de Letse regisseur Alvis Hermanis en bewezen dat de belangstelling voor state-of-the-art theater uit Europa zeer groot is in Amsterdam.

Schouwburgdirecteur Melle Daamen opende de middag met een toost op de samenwerking met Berlijn. Voor Daamen was bij zijn aantreden de Volksbühne een van de inspiratiebronnen hoe de schouwburg moest worden: “De Volksbühne is een plek in de stad waar altijd reuring is. Behalve de voorstellingen zijn er ook debatten, concerten en twee heel goede bars.”

Tijdens de ‘overzichtstentoonstelling’ zijn vier voorstellingen van verschillende Volksbühne-regisseurs te zien. Van intendant Frank Castorf wordt Der Spieler getoond, gebaseerd op het verhaal van Dostojevski over gokken, vermengd met diens politieke fabel De Krokodil. En van de in Nederland zeer populaire Zwitserse regisseur Christoph Marthaler is de voorstelling Glaube Liebe Hoffnung te zien, met prachtige muziek en een monumentaal decor van zijn vaste ontwerper Anna Viebrock. Onbekender in Nederland, maar even bijzonder zijn de voorstellingen Murmel Murmel van Herbert Fritsch en Glanz und Elend der Kurtisanen van René Pollesch.

Castorf zelf toont zich zeer ingenomen met het hartelijke onthaal in Amsterdam. De notoir nurkse gezelschapsleider laat zich ontspannen interviewen en heeft na afloop nog ruim de tijd voor de pers. “Nederland was het eerste land buiten de DDR waar mijn werk waardering vond. De Nederlandse regisseur Léon van der Sanden bracht begin jaren tachtig mijn voorstellingen onder de aandacht van het Holland Festival. Die wilden het graag naar Nederland halen, maar dat mocht niet van de machthebbers. Ik mocht veel van mijn voorstellingen überhaupt niet spelen, en ze waren bovendien bang dat het grootste deel van de acteurs niet meer terug zou komen.”

De Volksbühne is een buitengewoon politiek theatergezelschap, met schurende opvattingen die vaak tot discussie leiden. “Ik probeer de leugens van deze tijd te ontmaskeren”, zegt Castorf daarover. “Theater heeft niet meer zoveel mogelijkheden om dat te doen. Je bent als regisseur als het kind uit De nieuwe kleren van de keizer, dat continu roept: ‘de keizer is naakt!’”

Die uitdagende boodschap zit ook al verwerkt in het beroemde logo. “Het lopende wiel is een rune die reizigers waarschuwde voor rondtrekkende roverbendes”, vertelt Castorf. Lachend: “Ik wil met de Volksbühne hetzelfde uitdragen: hier is gevaar! Blijf uit de buurt!”

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2018 Simber | powered by WordPress with Barecity