Boekrecensie: ‘Badhuisweg’ van Hans Croiset

boekrecensies,Theatermaker — simber op 16 mei 2008 om 15:06 uur
tags: , , ,

Acteursmemoires zijn in Nederland geen courant genre. Cor van der Lugt Melsert schreef eind jaren ’40 zijn Wat ik nog even zeggen wou…, met daarin een onbedoeld hilarisch lijstje regels voor acteurs (dat Cas Enklaar op beleefd verzoek uit het hoofd voor je kan opdreunen) net als Bob de Lange, Fie Carelsen en enkele anderen. Natuurlijk zijn er de aardige monografieën die het TIN de afgelopen jaren heeft uitgegeven, maar dat een theatermaker zelf de pen ter hand neemt blijft een uitzondering.

Dit slechts om aan te geven hoe bijzonder het boek Badhuisweg is dat Hans Croiset op 7 april presenteerde. Meer als ‘thematische autobiografie’ dan als memoires vertelt Badhuisweg het verhaal van Hans Croiset als acteur en de moeizame relatie met zijn vader, de grote toneelspeler Max Croiset.

Het is een tragische geschiedenis van een door de oorlog versplinterd gezin, dat de jonge Hans in de jaren ’50 probeert te repareren. Wanhopig probeert hij bij zijn vader in de gunst te komen, maar die ziet niets in de toneelambities van zijn zoon, die volgens hem maar beter boekhouder kan worden. “Jij kunt zo goed rekenen, je bent altijd netjes op je spullen, en je treedt liever niet op de voorgrond. Wanneer je later nog eens die speeloprispingen zou krijgen, kunnen de voordrachtjes die je nu al ingestudeerd hebt op personeelsavonden uitkomst bieden.”

Vanuit een combinatie van talent, doorzettingsvermogen, ijdelheid en bewijsdrang ten opzichte van zijn vader maakt hij toch carrière als acteur, regisseur en –samen met Jan Joris Lamers- Nederlands Kampioen toneelgezelschap oprichten. Maar steeds blijft de grote onzekerheid over eigen kunnen, de grote wens van erkenning of tenminste liefde van de vader, die totaan zijn dood altijd afstand zal houden. Croiset beschrijft het soms pijnlijk, genant, sentimenteel, hopeloos egomaan en veel te openhartig, maar steeds ook weer moedig, hardvochtig, streng als kille observator van zijn eigen onvermogen.

De Nederlandse theatergeschiedenis is steeds het levende achterdoek waarvoor de hoofdpersoon en zijn moeizame familierelaties uitvecht. Maar juist door de onnadrukkelijkheid van de opeenvolging van voorstellingen, stromingen en gezelschappen wint het boek aan authenticiteit. Juist omdat het geen zelfvoldaan verhaal is van een gelauwerde toneelheld, blijkt tussen de regels door het belang van Croiset als bruggenbouwer tussen grote toneel van de jaren ’50 en de radicale vernieuwingen van na Actie Tomaat.

Bovendien weet Croiset zijn thematiek te verbinden aan de voorstellingen van King Lear, waarin hij als leerling, regisseur en acteur in diverse rollen steeds naar terugkeert. Sleutelvoorstellingen blijken die van het Publiekstheater waarin Croiset zijn eigen vader als Lear regisseert en de louterende ervaring als hij zelf de hoofdrol kan spelen bij Het Nationale Toneel. De beschrijvingen van de repetities en de voorstellingsreeksen van binnenuit zijn de leukste en spannendste delen van het boek.

Het schrijven van Badhuisweg moet een therapeutische ervaring voor Croiset zijn geweest –tijdens de presentatie vertelde hij hoeveel moeite het hem kostte om het boek van de derde naar de eerste persoon om te zetten- maar ontstijgt het persoonlijke door zijn eerlijkheid, zijn stilistisch vermogen en zijn onzekere maar standvastige liefde voor het vak. Dat heeft zijn vader er niet uitgekregen.

Recensie DVD Box ‘Ko van Dijk, een hommage’

boekrecensies,Theatermaker — simber op 23 februari 2008 om 17:33 uur
tags: , , , ,

Bij de 65e verjaardag van Joop van den Ende kreeg hij als verrassing een in het geheim samengestelde DVD-box met opnames van zijn grote held Ko van Dijk. Deze box met tien schijven is alweer een tijdje beschikbaar voor het theaterminnende publiek dat zich voor minder dan de prijs van een eersterangskaartje in een willekeurige schouwburg 35 uur lang kan laven aan de 44 jarige carrière van Nederland’s meest bewonderde acteur.

Het gaat om tien toneelregistraties (veelal televisiebewerkingen van voorstellingen voor de AVRO of de KRO), zeven oorspronkelijke televisiedrama’s, een miniserie (De Marseillaanse trilogie) enkele interviews en documentaires, en als sluitstok een nieuwe documentaire van Ireen van Ditshuyzen en Hans Pool.

Maar hoe blij we ook mogen zijn met de multimediale ontsluiting van de theatergeschiedenis, moeten we niet vergeten dat naast de technische, juridische en organisatorische barrières met het verleden de culturele drempels altijd nog het hoogst zijn. Anders gezegd: een groot deel van de films voldoet aan alle vooroordelen die moderne kijkers kunnen hebben over theater op televisie: ze zijn saai, statisch en sloom.

En tjongejonge, wat was dat oorspronkelijke televisiedrama uit de jaren zestig eigenlijk beroerd. Het weeïge pilotendrama De dertig seconden uit ’64 bijvoorbeeld: flirten met morele dilemma’s in de glamoureuze luchtvaartwereld, maar feilloos iedere confrontatie uit de weg gaan. Daar staat tegenover dat de erg geestige thriller De man, de vrouw en de moord, ook met Mary Dresselhuys zeer het aanzien waard is en dat Mooi weer vandaag zelfs nu nog weet te ontroeren.

Maar toch, overal zie je toch regelmatig het fonkelen van het acteursgenie van de grote man. Zoals in Oscar, een talige klucht uit 1960, waarin de arme Guus Oster de aangever moet spelen en zijn teksten in mitrailleurtempo uitbraakt, terwijl Van Dijk hem met één goed geplaatste beweging van zijn wenkbrauw overtroeft, als een luie kikker die een vliegje verschalkt.

Dan krijg je ook ineens een idee waar het talent zat bij Van Dijk: hij is bliksemsnel. Heen en weer schakelend tussen emoties, in en uit rollen stappend, vaak net even te lang wachtend en dan twee onverwachte stappen doen en dan nog een derde. Natuurlijk is er meer: Van Dijk weet als van nature sympathie en medelijden op te wekken, hij is geestig en heeft een volkse charme. Maar al die dingen blijken erg tijdgebonden. Als hij het over acteren heeft praat hij over inleven en waarachtigheid, maar dat is er nu niet meer aan af te zien. De huidige toeschouwer ziet vooral techniek en dat fenomenale tempo.

Als je dat ziet, begrijp je ook meer waarom hij zo snel verveeld was. In de documentaire vertellen collega’s daar een aantal kostelijke anecdotes over: na de première had Van Dijk het al snel gezien en ging hij grappen verzinnen om zijn werk van afwisseling te voorzien. Hij speelde bijvoorbeeld een hele voorstelling in de stijl van Albert van Dalsum, of deed alsof het regende en zocht beschutting onder een decor-boom.

Die documentaire is overigens uitstekend: Hans Croiset vertelt over de onzichtbare jongen met het vreselijk Amsterdamse accent na de oorlog en met een beslissende rol van Sjarov uitgroeide tot een toneelheld. Het wordt goed duidelijk dat Van Dijk geen intellectueel was, maar wél alles las over hoe andere acteurs de rollen deden die hij moest gaan spelen.

Daarnaast vertellen Ellen Vogel, Jeroen Krabbé en andere grootheden van het soort dat regisseren uitspreekt als “rezjiseren” over de liefde, het onderwijs en de streken van Ko, die volgens een van hen “het belazeren tot kunst heeft verheven”. En allemaal hebben ze het over zijn ogen, de doordringende blik, het vuur erachter, waarmee hij je als een dompteur bespeelde. Zo bepalend was die blik dat Anne-Wil Blankers toen ze hem opgebaard in de Stadsschouwburg zag liggen alleen maar kon denken: ik heb hem nog nooit met gesloten ogen gezien…

Als toetje staan er op een van de DVD’s ook nog twee volledige interviews, één uit 1966, waarin hij zwierig rokend zeer verguld zit te zijn met zijn rol van beste toneelspeler van Nederland en een ander bij hem thuis door een piepjonge Paul Haenen met een bijrol voor Van Dijk’s zoon Peter-Jan.

Boekrecensie: Blokboek/Blokschijf

boekrecensies,Theatermaker — simber op 23 februari 2008 om 17:28 uur
tags: , , , ,

Toen de Prosceniumprijs in 2006 werd uitgereikt aan Tom Blokdijk moeten er veel mensen zijn geweest, zeker onder de jongere aanwezigen, die dachten: ‘Leuk hoor, maar wie is dat eigenlijk?’ Want de rol van dramaturg en bewerker, waarvoor de jury hem vooral lauwerde, speelt zich niet af op de voorgrond. Tom Blokdijk is behalve dramaturg ook beschouwer, chroniqueur en polemist en juist om die kant van zijn werk te (her)ontdekken heeft het TIN een buitengewoon fijne uitgave gedaan: BlokboekBlokschijf.

Het is vooral prettig dat de redactie heeft bedacht dat het voor een overzichtswerk in deze moderne tijden niet meer nodig is een kleine selectie te maken uit het werk van een auteur, maar dat je alles kunt ontsluiten. Zo ontstond de combinatie van het Blokboek – een mooi, in constructivistisch rood/zwart/wit vormgegeven boek, met artikelen van anderen over Blokdijk – en de Blokschijf, een cd-rom met daarop 98 artikelen van Blokdijk zelf, plus nog wat biografische informatie. (Op Windows-computers heeft de schijf een paar handige zoek- en filterfuncties die gebruikers van andere systemen moeten ontberen, maar door de heldere indeling is de schijf ook voor hen goed bruikbaar.)

De artikelen van Blokdijk worden met weinig context gepresenteerd, maar dat geeft niet. De context is steeds het veranderende theaterklimaat tussen 1970 en 2007, met daarin de vrij constante stem van Blokdijk die het keer op keer opneemt voor ‘theater dat je dwingt op een bepaalde manier naar de werkelijkheid te kijken’. De meest in het oog springende verandering in deze artikelen is het terugkomen op de revolutionaire spelling waarin de ‘kritiese analieses’ uit de vroege jaren zeventig zijn opgesteld.

De artikelen in het boek over Blokdijk variëren van een mooi persoonlijk artikel van theaterwetenschapper Anna van der Plas over Blokdijks opvattingen over acteren, tot een heldere beschrijving van de werkwijze van Blokdijk als dramaturg door Luc van den Dries en een wel erg cultuurpessimistisch artikel van Marianne van Kerkhoven. Meest waardevol is een glashelder betoog van Ellen Walraven (toch een beetje de geestelijk dochter van) over het belang van het denken van Blokdijk in de afgelopen decennia over ‘een paradigmawisseling (..) van een wereldbeeldbevestigend klassiek repertoiretoneel voor het brede publiek naar een meer subversieve vorm van theater dat probeert het hedendaagse levensgevoel gestalte te geven en erop te reageren.’

Alle discussies waarmee Blokdijk zich bezighoudt (grote zaal versus vlakke vloer, spreiding, publieksbereik, grote toneelhuizen versus kleine groepen, et cetera) zijn hierop terug te voeren. Wat opvalt, is dat Blokdijk buitengewoon scherp kan analyseren waarom de redenering van zijn tegenstander niet klopt waarbij hij vervolgens de neiging heeft het tegenovergestelde te bewijzen. Zegt het ministerie in 1986 dat het toneelbezoek in de vroege jaren tachtig is gedaald door gebrek aan kwaliteit, gaat Blokdijk een boom opzetten dat het publiek juist is afgehaakt door de toegenomen kwaliteit. Maar omdat hij niet zozeer argumenten ontkracht als wel een redeneertrant onderuit haalt, worden zijn eigen redeneringen net zo ongeloofwaardig als de redeneringen die hij bestrijdt.

Misschien is dit een gevolg van het door het Marxisme gevormde dialectische denken van de jaren zestig en zeventig, maar misschien komt het ook gewoon omdat Blokdijk vrijwel altijd schrijft vanuit woede. Die woede geeft de stukken bij herlezing soms iets ontevredens, maar vooral spreekt er zijn passie uit voor dat subversieve theater waaraan hij later bij Hollandia zelf ging bijdragen.

Walraven vindt het af en toe deprimerend dat het denken van Blokdijk zo weinig weerslag heeft gevonden in het cultuurbeleid. Blijkbaar is de paradigmawisseling nog niet voltooid. Maar je zou het ook anders kunnen zien: het subversieve theater moest haar positie bevechten vanuit een dialectische opstelling. Nu het een positie heeft verworven zijn er nieuwe ideologieën nodig.

Hoewel Blokdijks rol in het grote debat misschien is uitgespeeld (al schreef hij speciaal voor de bundel samen met Arthur Sonnen nog een lezenswaardig artikel over manieren om de grote zaal terug te winnen voor het progressieve toneel), blijft een groot aantal van zijn uitgangspunten van belang, met als voornaamste: ‘Hoe de discussie en het cultuurbeleid zich ook ontwikkelt, we moeten ervoor vechten dat dit gebeurt vanuit de kunstenaar.’ En dat blijft belangrijk, in welke discussie dan ook.

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2014 Simber | powered by WordPress with Barecity