Recensie: ‘Een bruid in de morgen’ van TA2

“Ik heb nog nooit zoiets merkwaardigs gezien als hoe die twee met elkaar omgaan.” Thomas en Andrea zijn verliefd. Maar ja, ze zijn broer en zus. In Een bruid in de morgen van Hugo Claus is hun liefde het enige zuivere in een leugenachtige wereld. Regisseur Maren Bjørseth zet het contrast vet maar effectief aan in haar stijlvolle regiedebuut bij Toneelgroep Amsterdam.

Andrea (een frêle maar taaie Hélène Devos) en de zwakbegaafde en dromerige Thomas (Alwin Pulinckx) steken in hun sobere kleren scherp af tegen hun ouders (Marieke Heebink – alweer een mooie moederfurie en Fred Goessens als passieve dikzak); verarmde sjiek die met barokke kostuums de schijn probeert op de houden.

Moeder ziet mogelijkheden om de argeloze zoon weg te huwen aan een verwelkte nicht met geld. Die nicht wordt met bewonderenswaardige overdaad gespeeld door Camilla Siegertsz; te bloot, te gegeneerd, te zenuwachtig, te geposeerd – geen twee woorden komen er zonder hakkelen uit, geen houding lijkt haar enig comfort te geven. Maar erachter sluimert altijd de kille macht van het gepriviligeerde leven.

De confrontatie tussen Siegertsz en het prachtige naturel van Devos is het mooist aan deze geslaagde voorstelling.

Een bruid in de morgen is een jeugdwerk van Claus, die zich in een kleine revival mag verheugen dit theaterseizoen. Alle personages dromen van een beter leven en in de romantische fantasieën waarin ze zich wentelen zet Claus zijn taalregisters vol open. Qua plot is het alleen een beetje een rommeltje. Des te knapper dat Bjørseth van alle personages toch invoelbare mensen weet te maken.

Een bruid in de morgen van TA2 (Toneelgroep Amsterdam en Frascati Producties). Gezien 6/10/14 in Frascati. Aldaar t/m 18/10. Meer info op www.tga.nl

Recensie: ‘De Pelikaan’ van Toneelgroep Amsterdam

Lepelen, slurpen, spugen, lepelen, slurpen, slikken. De moeder (Marieke Heebink als massieve berg geel tule op de bank) en de dienstmeid (Janni Goslinga als de kwaadaardige zus van Sneeuwwitje) zijn verstrengeld in een ziekelijk ritueel. De meid voert pap, de moeder slikt door of spuugt uit, terug in het pannetje.

Dit soort eindeloos herhaalde, unheimische handelingen zijn zo’n beetje het handelsmerk van regiseur Susanne Kennedy. Na een aantal opmerkelijke voorstellingen bij het Nationale Toneel en NT Gent, rees haar ster snel in Duitsland. Haar eerste grotezaalvoorstelling bij de Münchner Kammerspiele werd uitgekozen voor het prestigieuze Theatertreffen als een van de beste tien voorstellingen van het afgelopen jaar en zij zelf werd door Theater Heute het regietalent van het jaar genoemd. Gistermiddag maakte ze haar debuut bij Toneelgroep Amsterdam.

Ze koos voor De Pelikaan (1907), een relatief overzichtelijk kamerdrama van August Strindberg. De moeder heeft een verstikkende invloed op het leven van haar volwassen kinderen. Terwijl zij pap eet is de dochter van twintig onvolgroeid en vel over been, de zoon is ziek, de schoonzoon is op geld uit. Een brief van de onlangs overleden vader brengt het drama op gang: de moeder heeft het familiekapitaal zelf opgegeten en haar kinderen tekort gedaan, bovendien heeft ze een affaire met de schoonzoon (Vanja Rukavina).

Maar plot is slechts bijzaak voor Kennedy. Ze concentreert zich op de huiveringwekkende situatie, waaruit de personages niet kunnen ontsnappen. Steeds herhaalde korte zinnetjes, steeds op dezelfde manier uitgesproken, is wat er van Strindbergs tekst over is gebleven.

Het decor (Katrin Bombe) is een huis van drie verdiepingen, met boven een kamer voor de volwassen kinderen met ballonnen, knuffeldieren en een hobbelpaard, onderin is een halfhoge kelder. Daartussenin de huiskamer (en dat is vanuit het publiek gezien al behoorlijk hoog) met Heebink die gedurende de voorstelling niet van haar bank komt. Vóór het huis is een doorzichtig doek met daarop projecties van bossen en meer onsmakelijk geëet, smerige schuim dat van lippen en kinnen druipt. De soundscape van Richard Janssen maakt van het huis een levend organisme, dat piepend en bubbelend de personages verder fijnknijpt.

De vele bossen geven al snel de associatie met boze sprookjes. De dochter (Hélène Devos) slaapwandelt (al honderd jaar?),  of het is een soort omgekeerde Hans en Grietje, met een heks die kinderen niet vetmest, maar verhongert. Een metafoor voor de babyboomers? Maar Kennedy slaat je dit soort associaties al snel uit handen. De zoon (Alwin Pulinckx) braakt Schopenhaueriaanse teksten uit over opheffing van de wil en al aan het begin laat een voice-over ons weten dat we hier naar een ‘zuiveringsritueel’ kijken.

De voorstelling is verdeeld in korte scènes die steeds naar een hoogtepunt toewerken, op fantastisch kitscherige symforock-bombast. Daar zit vermoedelijk de kern van wat Kennedy wil. Het naturalistische theater is een geperverteerde constructie, die zo onwaarachtig is en zozeer faalt om betekenis te geven, dat het alleen nog komisch kan werken. Er is een nieuw theater nodig. Met haar complexe beeldenstorm laat Kennedy met haar relatief jonge ploeg een glimp zien van wat dat zou kunnen zijn. Ik hoop dat Amsterdam daar klaar voor is.

De Pelikaan van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 23/3/14 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 5/4. Tournee. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Recensie: ‘De Meeuw’ door Toneelgroep Amsterdam

Een lange, zwarte verfstrook trekt naar beneden op het achterdoek. Aan de achterkant schildert de onzichtbare Bas Peeperkorn met een kwast aan een lange steel langzaam en nonchalant een Chinees aandoend berglandschap. Met deze fraaie vondst opent De Meeuw van de Duitse regisseur Thomas Ostermeier bij Toneelgroep Amsterdam. Zowel de verwondering over het maken van kunst als het achterliggende onheil worden erin zichtbaar.

Want De Meeuw van Tsjechov gaat over kunst maken. De jonge, aanstormende generatie –de schrijver Kostja en actrice Nina– zoekt nieuwe vormen, maar is te driest en voelt zich continu tekort gedaan door de oudere – de gevierde actrice en Kostja’s moeder Arkadina en haar minnaar, de schrijver Trigorin.

Ostermeier, die als gastregisseur twee jaar geleden al een mooie Spoken maakte bij Toneelgroep Amsterdam, weet het ensemble een vrij opvallende nieuwe speelstijl mee te geven. Weg zijn de rauwe emotionele uitbarstingen en de gestileerde psychologie, er wordt losjes en naturel gespeeld; ze spelen bijna alsof ze niet spelen. De tekst is vlot gemoderniseert en er is ruimte voor improvisatie. Hans Kesting als Trigorin kondigt voor de zaal de scènes aan en omschrijft de plaats van handeling. In deze versie wordt Trigorin erg vereenzelvigd met Tsjechov: de oudere kunstenaar die een lucide toneelstuk schreef over de artistieke opstand van de jeugd.

Die opstand bestaat uit de rampzalige première van een toneelstuk van Kostja (een nijdig melancholieke Eelco Smits), waarin hij zelf de duivel speelt met een enorme rode voorbinddildo waaruit vuurwerk spuit. Plattelandsbakvis Nina (Hélène Devos) speelt de hoofdrol en je ziet haar oplichten onder de complimenten van Trigorin, die daarop meteen voor haar valt.

Deze Meeuw blijft lang lichtvoetig van toon en een beetje sloom. Er zit een subtiele, onderkoelde humor in hoe Nina de diva-poses van Arkadina afkijkt, en in het tragisch zwartgallige personage Masja (Janni Goslinga). En dan lopen er ook nog twee kippen te scharrelen over de met aarde bedekte toneelvloer. Die contrasteren mooi met de twee neergeschoten en opgezette meeuwen: symbool voor de radicale, idealistische kunst van Kostja en Nina; Trigorin en Arkadina hebben hun vleugels ingeleverd om veilig, comfortabel en laf hun graantjes te kunnen pikken.

Pas helemaal aan het eind krijgt de voorstelling ook emotionele impact. Een jaar later keert Nina –na omzwervingen een middelmatige actrice geworden– terug naar Kostja. Ze houdt zich groot maar is gebroken. Devos is prachtig in deze scène en het fatale eindpunt van het stuk is plotseling onontkoombaar.

Devos heeft iets weg van de jonge Chris Nietvelt, dezelfde sprietige, springerige uitstraling. De gelijkenis tussen de twee actrices werd eerder uitgebuit in Nooit van elkaar van Ivo van Hove. Ook in De Meeuw spiegelen ze elkaar en vullen ze elkaar aan. Maar hier laat Devos haar eigen kunnen zien. En dat is niet gering.

De Meeuw door Toneelgroep Amsterdam. Gezien 16/6/13 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 23/6 en vanaf 14/8. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Recensie: ‘Nooit van elkaar’ van Toneelgroep Amsterdam

‘Ik ben groot en sterk en fantastisch.’ Steeds komt het zinnetje terug. Maar de vrouw die het uitspreekt zit alleen in haar lege appartement achter haar glazen rode wijn, wachtend op een man die niet komt. Maar ellendig is ze niet. In een schitterende rol geeft Chris Nietvelt haar wanhopig zelfinzicht en tegelijk bedaarde waardigheid.

De teksten van de Noorse toneelschrijver Jon Fosse (1959) werden tot nu toe alleen in de kleine zalen gespeeld, meestal door jonge acteurs. Het zijn anti-dramatische stukken over wat hij zelf noemt ‘de lege ruimte in menselijke relaties’, minimalistisch van taal en zonder conflict of climax. Dat Ivo van Hove het nu regisseert is alleen al interessant door de casting van Nietvelt en Gijs Scholten van Aschat, ineens wordt het ‘volwassen’.

De overeenkomsten met La Voix Humaine met Halina Reijn, vorig jaar in Amsterdam te zien, zijn duidelijk. Opnieuw zien we een eenzame vrouw die zich obsessief overgeeft aan verlangen naar een geliefde die haar al verlaten heeft. Maar in Nooit van elkaar komt de verbeelding tot leven en keert de man als droombeeld terug. Of is hun ontmoeting werkelijk en kunnen ze niet anders dan langs elkaar heen praten?

Het enorme decor is een onregelmatig gevormde ruimte, het lijkt een half verbouwd appartement, met onafgewerkte betonnen pilaren, een gat in het keukenblok en kartonnen dozen. Is ze er net in verhuisd of staat ze op het punt er te vertrekken? Zonnig licht schijnt door grote ramen links, later wordt het scherper en killer. De voorstelling is gestructureerd rondom de maaltijd, die in de schaarse tekst benoemd wordt. Aan het begin gaat Nietvelt naar het voorbeeld van Julia Child op televisie een kip te lijf, later dekt ze een tafel voor twee personen, terwijl ze maar één stoel heeft.

Het is de verdienste van Van Hove en zijn spelers – naast genoemden ook stagiaire Hélène Devos in een kleine rol als nieuwe vriendin van de man die akelig veel op haar voorgangster lijkt – dat ze in opperste beheersing de muzikaliteit en suggestieve kracht van Fosse’s steeds herhalende zinnetjes weten over te brengen en lading te geven.

Maar meer nog dan de taal is het Chris Nietvelt die de voorstelling spannend maakt. Het is fascinerend hoe gecontroleerd ze haar personage laat ontsporen. Door taal houdt ze zichzelf in de hand, maar tegelijk laat ze in de taal haar obsessies de vrije loop. In alles is ze het tegendeel van de uitvergrote Phaedra die ze eerder dit seizoen speelde. Scholten van Aschat is ook al zo mooi, bedaard en bijna een zelfbewust fantasiebeeld.

Het is jammer dat de tekst tegen het einde te veel uitlegt en niet genoeg vertrouwt op z’n aangename raadselachtigheid. Nietvelt’s personage kan berusten in haar ongeluk, maar dat was al duidelijk. Nee, Fosse is noch een nieuwe Ibsen, noch Beckett. Er valt zeer veel te genieten aan Nooit van elkaar, maar de spelers overvleugelen de tekst.

Nooit van elkaar van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 10/2/11 in Antwerpen. Te zien in Amsterdam (Stadsschouwburg) 17/4 t/m 19/5. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2014 Simber | powered by WordPress with Barecity