Recensie: ‘Na de repetitie / Persona’ van Toneelgroep Amsterdam

Met haar rug naar het publiek ligt Marieke Heebink op een tafel. Onnatuurlijk uitgestrekt, monumentaal, naakt. De blauwe lijnen op haar bewegingloze lichaam versterken de suggestie van een marmeren beeld. Maar als ze zich omdraait zien we het stretchverband waarin de zender zit, het microfoonsnoer is op haar zij geplakt als de hechting op een lange wond. Voor een keer stoort het niet: Na de repetitie/Persona is een tweeluik dat het theater met al z’n trucs als onderwerp heeft.

Na eerder Scènes uit een huwelijk en Kreten en gefluister regisseert Ivo van Hove opnieuw scripts van de Zweedse filmmaker Ingmar Bergman, en wel twee achter elkaar. Na de repetitie is een televisiescript uit 1984 over een toneelregisseur in een repetitielokaal in een discussie verzeilt raakt met zijn jonge hoofdrolspeelster. Persona (1966) is een film over een actrice die gestopt is met praten en als vorm van therapie met een jonge verpleegster op een verlaten eiland belandt.

Van Hove regisseert Na de repetitie als kamermuziek. Gijs Scholten van Aschat speelt de regisseur zoekend, getergd, in wezen onzeker. Karina Smulders heeft lol met haar rol als slechte jonge toneelspeelster. Samen debiteren ze aardige wijsheden over toneel, maar het wordt pas interessant als Marieke Heebink opkomt. Is zij de overleden moeder van de jonge actrice, of een oudere (maar niet wijzere) versie van dezelfde vrouw? Heebink maakt er een gedenkwaardig nummer van, snel wisselend tussen hitsig, flemend en beklagenswaardig en continu in gevecht met de mouwen van haar jas.

Toch gaat het storen dat er zoveel clichés getoond worden; de regisseur wil controle en kan alleen in zijn kunst leven, de actrices zoeken aandacht en bevestiging. Het eindigt met een mooie dialoog tussen Smulders en Scholten waarin ze hun potentiële affaire in een serie toneelscènes aan elkaar voorstellen en zo de hele verhouding bij voorbaat overbodig maken.

Persona wordt bij Van Hove een soort opera. Na het begin met de naakte Heebink in een klinische ziekenhuiskamer, vallen de muren om en blijkt het hele toneel van de Rabozaal een gigantische vijver, met de vloer als het eiland waar de zwijgende actrice (Heebink dus) zich terugtrekt met haar verpleegster (opnieuw Smulders). Opnieuw is het spel prachtig: de zwijgende, maar aggressief expressieve Heebink tegenover de alsmaar wanhopiger voortbabbelende Smulders, terwijl ze gegeseld worden door de storm, regen en mist die gemaakt wordt door de pontificaal neergezette hi-tech toneelmachinerie rechts.

De paralellen en tegenstellingen tussen de twee delen zijn aardig. Theater als vlucht uit het leven, als plaatsvervanging voor het leven of als oefening hóe te leven. Maar het blijft light toneel, waarin de beelden het gekeuvel overdonderen.

Na de repetitie / Persona van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 13/12/12 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 22/12 en later in februari en mei. Tournee. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Portret: Toneelgroep Amsterdam

beschouwingen — simber op 15 september 2012 om 22:28 uur
tags: , ,

[Oude meuk van voor de zomer. Dit schreef ik voor het nieuwe (engelstalige) Arts Holland Magazine. Het tijdschrift is hier te lezen in het onhandige ISSUU formaat.]

In toneelspelerskringen heet het simpelweg ‘het plein’. Sinds eeuwen het adres van de Amsterdamse Stadsschouwburg, verzamelplaats van vuig artiestenvolk in de omringende kroegen en daarmee geroemd en gehaat maar onmiskenbaar het epicentrum van het theater in Nederland. Het Leidseplein in Amsterdam. Als het hier trilt, voelt heel het het land de naschokken.

In tegenstelling tot veel andere Europese landen zijn schouwburgen en toneelgezelschappen in Nederland gescheiden organisaties. De huisbespeler van de schouwburg is al vaak van naam veranderd, van Nederlandsche Comedie tot Publiekstheater tot –sinds 1987– Toneelgroep Amsterdam, maar in de basis is het steeds dezelfde organisatie en, gezien haar positie aan het plein, automatisch het eerste gezelschap van het land.

Dit is een verhaal over hoe Toneelgroep Amsterdam zich, onder leiding van artistiek leider Ivo van Hove, in het afgelopen decennium wist te ontwikkelen van een gewaardeerd nationaal avantgarde-groep tot internationaal toptheatergezelschap en hoe ze dat deed door de verworvenheden die in de kleine zalen van het Nederlands theater tot bloei waren gekomen op te nemen en te verbeteren.

Twee algemene opmerkingen vooraf: het Nederlandse kunstlandschap is nooit een plek geweest van grote instituten, zoals in Frankrijk of Duitsland. De dynamiek van de Nederlandse kunsten is altijd voortgekomen uit het bloeiende middenveld van kamermuziek, kleine en middelgrote theaterzalen, festivals op locatie en eigenzinnige musea voor moderne kunst.

Continue reading “Portret: Toneelgroep Amsterdam” »

Recensie: ‘Husbands’ van Toneelgroep Amsterdam

“Afgezien van de seks zijn jullie gewoon veel leuker”, zegt Harry tegen z’n makkers als hij besluit zijn vrouw te verlaten. Het waren vier dikke vrienden, maar nu is er één dood en op de begrafenis moet de priester op een papiertje spieken hoe hij ookalweer heet. Husbands, de nieuwe voorstelling van Toneelgroep Amsterdam, volgt de overgebleven drie in het lost weekend dat daarop volgt.

Husbands is gemaakt op uitnodiging van het Europese Prospero-project, waarbij een speciaal gemaakte voorstelling langs zeven Europese steden trekt. Opnieuw kiest regisseur Ivo van Hove, na Faces en Opening Night, voor een bewerking van een film van John Cassavetes, maar deze keer blijft de spanning en de tragiek van die eerdere voorstelling achterwege.

De eerste helft is erg mooi. Het zijn lome, losse scènes, met een minimum aan verhaal en context. De drie vrienden willen niet naar huis, doen wedstrijdjes, drinken te veel, zingen liedjes, laten een meisje meezingen, maar sabelen haar dan neer, hebben een kater, maken ruzie en leggen het weer bij. Hans Kesting, Roeland Fernhout en Barry Atsma hebben zichtbaar lol in hun fysieke rollen en onderlinge competitie – met krijt turven ze hun basketbal-score op de muur. Het is eenvoudig, maar vitaal toneel over ongecompliceerde mannenvriendschap op een breekpunt.

Ze bewegen zich in een ruimte die alles tegelijk kan zijn: huiskamer met banken, kroeg (met een tap bovenop een piano), sportschool, hotel. Decorontwerper Jan Versweyveld gebruikt minicameraatjes die de acteurs op hun gezicht geplakt hebben, zodat het publiek op groot scherm kan zien wat de spelers zien. Het is een aardige gimmick, een alternatief voor de zichtbare of verborgen camera’s die altijd in Van Hove’s voorstellingen voorkomen. De muziek is van Bruce Springsteen, met Born to run als leitmotief.

Als de drie in een opwelling besluiten om naar Londen te gaan kantelt de voorstelling. Eenmaal daar duikelen ze alledrie een meisje op, die allemaal worden gespeeld door Halina Reijn. Dat doet ze geweldig, soms wisselt ze van personage met niet meer dan een opgetrokken bovenlip, maar alle mannen moeten nu één voor één hun crisis doormaken en dan blijkt dat ze individueel een stuk minder interessant zijn dan met z’n drieën bij elkaar.

De scène tussen Reijn en Atsma boeit nog het meest, een verknipt sexueel verleidingsspel dat nergens erotisch wordt, eerder wanhopig en melancholiek.

Twee van de mannen keren uiteindelijk terug naar vrouw en kinderen om hun rol als husband te vervullen, één blijft er achter. Bruce zong het al: “Everybody needs a place to rest/Everybody wants to have a home”.

Husbands van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 18/4/12 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 12/5. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Brandhaarden: Münchner Kammerspiele in Amsterdam

Donderdag aanstaande begint een van de grootste projecten in de Stadsschouwburg van de afgelopen jaren: het volledige Duitse gezelschap Münchner Kammerspiele strijkt bijna een week lang neer in Amsterdam. Het gezelschap, sinds 2010 onder leiding van de Nederlandse regisseur Johan Simons, speelde al eerder hier (o.a. Hotel Savoy en Drei Farben), maar nu wordt de manier van werken van het Duitse stadstheatersysteem in Amsterdam uitgeprobeerd. En dan komt meteen de vraag op: moeten we zoiets hier ook willen?

De voordelen zijn duidelijk. Het betekent twee nieuwe voorstellingen per dag en een uitgebreid randprogramma met liedjes, lezingen, talkshows en een Biergarten. In het weekend is er programma van half tien ’s ochtends tot één uur ’s nachts. Je zou kunnen zeggen: alle dagen festival.

De grote voorstellingen die de Kammerspiele hier brengt hebben allemaal een Nederlands of Vlaams tintje: Johan Simons nam een aantal acteurs mee van zijn laatste gezelschap NT Gent, en nodigt Nederlandse regisseurs uit om nieuw werk te komen maken.

Van Simons zelf zijn twee voorstellingen te zien. Winterreise is een nieuwe, persoonlijke tekst van Elfriede Jelinek over ouders en kinderen, waaraan Simons zelf zijn eigen levensgeschiedenis verbindt: we zien beelden van de Watersnoodramp uit 1953 en Katja Herbers speelt een aandoenlijk klompendansend jochie met een hazenlip als ode aan Simons’ vader.

Begin volgende week speelt Gesäubert/Gier/4.48 Psychose, een recente voorstelling waarin Simons iets doet dat veel regisseurs willen, maar slechts weinigen voor elkaar hebben gekregen: het spelen van een serie teksten van de Engelse toneelschrijfster Sarah Kane op één avond. De manier waarop Simons lichtheid in het gewelddadige, rauwe en nihilistische werk van Kane heeft gekregen oogste veel lof en de voorstelling werd uitgekozen voor het aankomende Theatertreffen in Berlijn als een van de tien beste van het afgelopen jaar.

Een publiekstrekker is de toneelbewerking van Visconti’s film Ludwig II, door Ivo van Hove van Toneelgroep Amsterdam, met Jeroen Willems in de titelrol. Het was een pikant project, want Ludwig is een icoon in Beieren. De gevreesde (of eigenlijk stiekem gewenste) rel bleef echter uit en de voorstelling bleek een mooi drama over kunst en macht, met Willems als prachtig ongrijpbare sprookjesprins.

Minder bekend, maar zeker de moeite waard is het vrolijk maffe, maar intens melancholieke Ruf der Wildnis van de Letse regisseur Alvis Hermanis, een theatervoorstelling voor vijf acteurs en vijf honden. Hermanis en zijn acteurs baseerden zich op de roman Call of the wild van Jack London, over een sledehond die in de wilde natuur van Alaska de wolf in zichzelf terugvindt en verbonden dat met verhalen van hondenbezitters die langzaam veranderen in hun eigen huisdier. In de mime-achtige voorstelling spelen de Vlaamse acteurs Benny Claessens en Kristof van Boven fysieke prachtrollen.

In het randprogramma vallen twee voorstellingen over de Tweede Wereldoorlog op. In Leben und Schicksal leest actrice Hildegard Schmahl in het Goethe Instituut een hoofdstuk uit Vasili Grossmans ontzagwekkende, en tot kort geleden onontdekte oorlogsroman Leven en Lot, met muziek van Reinbert de Leeuw en Vera Beths. Daarnaast zijn twee ‘afleveringen’ te zien van het feuilleton Hotel Europa, gebaseerd op Geert Mak’s In Europa. Geen lezingen in de traditionele zin, maar avonden met boeken, muziek, improvisaties en wijn.

Tenslotte is er nog een kindervoorstelling van het gezelschap te zien (De kleine Janneman) en vertellen twee van de met Simons naar München meegereisde acteurs, Benny Claessens en Çigdem Teke over hun ervaringen in optredens onder de naam Kollektiv, Kollektiv.

Kortom, er wordt een ongekende theatrale rijkdom en pracht tentoon gespreid. En vrijwel het voltallige ensemble van de Kammerspiele is aanwezig. Maar moet Amsterdam een vergelijkbaar instituut willen?

De vraag is niet wat het kost, maar wat je ervoor zou moeten inleveren. Je kunt Toneelgroep Amsterdam en de Stadsschouwburg samenvoegen en de subsidie verdubbelen, dan zit je ongeveer aan het budget van de Münchner Kammerspiele, maar voor dat geld raak je in Amsterdam een enorme hoeveelheid theater kwijt: Orkater, Het Toneel Speelt, Frascati, Dood Paard, Mugmetdegoudentand, Bellevue, MC en Discordia bijvoorbeeld, om nog maar te zwijgen van al het jeugdtheater en de wijkvoorzieningen.

In de meeste Duitse steden wordt met afgunst gekeken naar het enorm uitgebreide podiumkunstaanbod in Amsterdam, en (in tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt) ook naar de publieke belangstelling. Wie wel eens in München naar het theater gaat, kan zien waarom: het publiek bestaat louter uit gegoede burgerij en een paar studenten. In Nederland is het zowel het aanbod als het publiek oneindig veel diverser.

Kortom, het zal bijzonder aangenaam zijn om een week lang te smullen van het allerbeste dat een Duits stadsgezelschap ons te bieden heeft. Maar laat het ons niet al te zeer jaloers maken.

Brandhaarden, de Münchner Kammerspiele in de Stadsschouwburg: 15 t/m 20 maart. Meer info op www.ssba.nl

Recensie: ‘De Vrek’ van Toneelgroep Amsterdam

Voor een stuk over een vrek ziet het decor er behoorlijk overdadig uit. Op kleur gesorteerde kleertjes  in een inbouwkast achteraan, glimmende nieuwe Macs en spelcomputers meer naar voren en overal in de huiskamer ligt consumptietroep op en onder de designmeubels: flessen drank in AH-tasjes, kant-en-klaartijdschriften en en wegwerppizza’s.

Voor regisseur Ivo van Hove en ontwerper Jan Versweyveld gaat De Vrek van de Franse komedieschrijver Molière (1622-1673) dan ook niet over gierigheid, maar over noodlottige liefde voor geld. Het levert een even modern ogende als stuurloze voorstelling op, veel te zwaar voor een komedie en niet diepgravend genoeg voor een tragedie.

De vrek uit de titel is Harpagon (Hans Kesting) die meer van zijn bezit houdt dan van zijn kinderen en die zich omringt met hielenlikkers en jazeggers, van wie een het heeft aangelegd met zijn dochter. Zijn zoon (Eelco Smits) werkt zich in de schulden en wordt tot overmaat van ramp verliefd op het meisje dat zijn vader voor zichzelf had uitgekozen.

Er lijkt genoeg pit in de dialogen te zitten, maar de toon van de voorstelling blijft lang vlak en afwachtend. Een poging tot fysieke humor als de spelers met veel energie maar zonder enig resultaat de bende in de kamer opruimen is pijnlijk onleuk. De overaanwezige muziek is te loom als de situatie op toneel naar spannend neigt en te gehaast als er niks gebeurt.

Aan Kesting de eigenlijk ondoenlijke taak om Harpagon niet alleen menselijk maar uiteindelijk ook meelijwekkend te maken. Enerzijds is hij zó opvliegend dat hij zijn zoon in een ruzie bijna wurgt, anderzijds is hij beheerst harteloos wanneer hij even later al diens kleren in een gouden hoeslaken vouwt en buiten de deur zet. Zelfs tijdens de lieflijker scènes sluimert de redeloosheid steeds onder de oppervlakte.  Slecht plus slecht slaat dood en als hij aan het eind, berooid en door iedereen verlaten, door zijn huis zwerft, wekt hij geen medelijden maar ongeduld. Kestings 25-jarig jubileum had een beter vehikel verdiend.

Zo blijven er kleine momenten van brille over. Huiskok Fred Goessens –de enige de af en toe even contact maakt met de zaal – bakt terloops een eitje en voert dat aan koppelaarster Marieke Heebink; Heebink en Kesting in een verlegen flirt, maar tijdens het zoenen kijkt zij al vanuit haar ooghoeken naar haar iPad en checkt hij op een monitor de beurskoersen.

De Vrek is een symptoom van waar het de laatste jaren wel vaker fout gaat bij Toneelgroep Amsterdam: oppervlakkige kenmerken van de gekozen toneelstukken worden naar het heden vertaald (wij houden net zo veel van geld als Harpagon!), over de betekenisverschuiving achter die buitenzijde lijken de makers niet zorgvuldig genoeg te hebben nagedacht. Meestal wegen de buitengewone kwaliteit van regie en spel daar ruimschoots tegenop, maar dit keer leidt het tot een ronduit teleurstellende seizoensopening.

De Vrek van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 25/9/11 in de Stadsschouwburg. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Dubbelinterview: Ivo van Hove en Thibaud Delpeut

interviews — simber op 1 september 2011 om 23:28 uur
tags: , , ,

Wat achterstallige stukken. Dit is geschreven voor de eerste editie van de nieuwe schouwburgkrant die voor de zomer verscheen.

Vier jaar geleden startte Toneelgroep Amsterdam-directeur Ivo van Hove met TA-2. In samenwerking met de Toneelschuur in Haarlem konden jonge regisseurs voorstellingen maken met spelers en technische ondersteuning van het gezelschap, als voorbereiding voor het werken in de grote zaal. Na vier jaar is regisseur Thibaud Delpeut klaar met het talentontwikkelingstraject, maar hij blijft betrokken bij TA: dit najaar is hij dramaturg bij Husbands, het seizoen daarop maakt hij zijn eerste grotezaalvoorstelling. Tijd voor een gesprek tussen de meester (die net begonnen is met de repetities van De Russen!) en de gezel (die werkt aan de voorstelling 4.48 Psychosis voor op de zomerfestivals). In het kantoor van Van Hove, hoog achterin de Stadsschouwburg, spreken de twee mannen half tegen, half óver elkaar.

Zijn jullie inderdaad te kenschetsen als meester en gezel?

Van Hove: “Dan is hij de meester en ik de gezel.”

“Ik heb het nooit zo gevoeld, omdat we al heel snel inhoudelijk met elkaar spraken, gelijk vanaf het begin was er wederzijds respect. Ik heb hem af en toe wel behoed voor een fout, maar dat heb jij mij ook.”

Delpeut: “Tijdens onze eerste gesprekken zat ik nog op school en ik wilde van alles. Ik was met verschillende groepen in gesprek en ik was echt totaal in onderhandeling, alsof ik een bank aan het overnemen was. Ik respecteerde Ivo als regisseur en wilde graag in de grote zaal werken. Maar Ivo is niet alleen regisseur, maar ook directeur en dat fascineerde me. Hoe combineer je dat? Hoeveel directeur zit er in de regisseur en andersom? En vervolgens kwam ik erachter dat hij vaker dan je wil messcherp tussen die twee kan schakelen.”

Continue reading “Dubbelinterview: Ivo van Hove en Thibaud Delpeut” »

Recensie: ‘De Russen!’ van Toneelgroep Amsterdam (HF)

Een paar keer zitten ze samen vooraan op het toneel. De een, Platonov, is een verlepte hedonist die vier vrouwen achter zich aan heeft, de ander, Ivanov, is een depressieveling met schulden die zijn doodzieke vrouw ontloopt en met een jong meisje aanpapt. Fedja van Huêt en Jacob Derwig zitten tegenover elkaar alsof ze weten dat ze ieder hun eigen tragedie beleven, dat ze niets kunnen doen om elkaars lot te verlichten.

Tsjechov schreef de twee stukken Platonov en Ivanov eind negentiende eeuw, helemaal aan het begin van zijn schrijversloopbaan. In een met hooggespannen verwachtingen omgeven voorstelling brengt regisseur Ivo van Hove met vrijwel het hele ensemble van Toneelgroep Amsterdam de twee nu samen in de zes uur durende marathonvoorstelling De Russen!, die imponeert in z’n schaal, maar even koud en bloedeloos blijft als het losgeslagen individualisme dat zij wil bekritiseren.

Aan de Vlaamse schrijver Tom Lanoye, die als toneelschrijver naam maakte met zijn grootscheepse Shakespeare-bewerking Ten oorlog, de pittige taak om de twee stukken in elkaar te schuiven. Vooral in het begin is dat goed gelukt. Alle achttien personages komen bij elkaar op een groot feest, dat speelt op een New York’s dak, tussen de schoorstenen, watertorens, reclameborden en graffiti. De mensen spreken over hufterigheid, het recht op beledigen en de aanwezige joodse kennis wordt op een akelig actuele manier gebruikt als zondebok voor de algemeen heersende ontevredenheid. Gedurende de hele voorstelling blijft Lanoye’s taal, vol barokke, maar levendige metaforen een van de grote attracties.

Maar het begin zet je op twee manieren op het verkeerde been. Gedurende het stuk worden de scènes steeds kleiner en intiemer en tegelijk gaan de thema’s steeds minder over de maatschappij en steeds meer over de individuele levens van de personages. En wat een verzameling onsympathieke slapjanussen bij elkaar! De meesten zijn dertigers die hun vroegere idealen in rook hebben zien opgaan. “Doodvermoeide utopisten die te klein, te laf en te ongelukkig zijn” om hun leven te veranderen.

Ze zijn ongebonden, voelen zich nergens thuis en zijn permanent onvoldaan. De oudere generatie is er nog erger aan toe; cynisch en meestal dronken. De enige jongere, het meisje van Ivanov, wordt in de knop gebroken. Maar in het massale decor en de enorme hoeveelheid personages vindt de toeschouwer zelf ook geen hechting om met een van deze personages mee te leven.

De vormgeving suggereert subtiel dat de gebeurtenissen zich in één lange nacht afspelen; na de warme schemering volgt de neonverlichte avond en de stille nacht. De daken, met hun rijkdom suggererende lichtkoepels, blijken verborgen nissen te hebben waar het leven van de zwervers en verslaafden dichtbij is. De muziek, van Tom Holkenborg, is helaas maar mondjesmaat aanwezig. In het begin zorgen de jachtige beats voor een nerveuze sfeer, naarmate het stuk en de nacht, vorderen worden het inwisselbare pianoklanken. Aan het eind staan alle personages in het kille ochtendlicht en wordt de rekening opgemaakt.

Aan het eind worden om en om de laatste scènes van de twee stukken gespeeld. Met als probleem dat beide stukken een nogal uitgesponnen, om niet te zeggen langdradig einde hebben. Dan gaat de exorbitante lengte van de voorstelling de toeschouwer opbreken.

Blijft over wat iedere TA-voorstelling overeind houdt: het spel van deze weergaloze troupe toneelspelers. Om er al te willekeurig een paar uit te lichten: de twee komische oudere schurken Gijs Scholten van Aschat en Hugo Koolschijn, Halina Reijn heel beheerst als Ivanov’s zieke vrouw en Barry Atsma als cynische, alcoholische dokter. Het contrast tussen de driftige, zinderende Van Huêt en de ingehouden, zelfbewuste Derwig is mooi uitgespeeld en had een centralere plaats in deze voorstelling verdiend. Nu blijft De Russen! cirkelen rondom een lege kern.

Holland Festival: De Russen! van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 19/6/11 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 25/6. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Toneelgroep Amsterdam, Seizoen 2011/12

interviews,nieuws,Parool — simber op 5 april 2011 om 15:02 uur
tags: , ,

Zeven premières brengt Toneelgroep Amsterdam (TGA) volgend seizoen. Terwijl hij net begonnen is met repeteren aan de grootschalige seizoensafsluiter De Russen! (een Tsjechov-bewerking van Tom Lanoye die tijdens het Holland Festival in première gaat) licht regisseur en directeur Ivo van Hove uitgebreid de plannen toe.

“Hoe ga je om met je de pijn die je elkaar hebt aangedaan, dát is de vraag waar bijna alle voorstellingen zich mee bezighouden”, vertelt Van Hove in zijn kantoor achterin de Stadsschouwburg. “Of als je het maatschappelijk ziet: hoe leer je afscheid nemen van het oude en iets nieuws aangaan.” Het eerste dat opvalt is dat TGA twee stukken van de zeventiende-eeuwse Franse komedieschrijver Molière gaat spelen. Van Hove zal zelf De Vrek regisseren en voor Tartuffe is de Bulgaars-Duitse regisseur Dimiter Gotscheff aangezocht.

“Molière is dringend aan herontdekking toe”, vindt Van Hove. “Hij schreef natuurlijk komedies, maar in mijn visie zijn het ook sociale drama’s. Het zijn allemaal stukken die op een heel grimmige manier ethische problemen naar voren brengen. Hij zet twee keuzes tegenover elkaar en je moet je als publiek daartegenover verhouden. Als je het nu leest lijkt het bijna eigentijds. De Vrek is een man wiens leven beheerst wordt door de gedachte aan geld. Daarmee vergiftigt hij zijn familie, en zijn kinderen worden nog erger dan hij zelf. Zo wordt het ook een koningsdrama.” De titelrol zal gespeeld worden door Hans Kesting die met deze rol zijn 25-jarig toneeljubileum viert.

Continue reading “Toneelgroep Amsterdam, Seizoen 2011/12” »

Reportage: Ivo van Hoves ‘Ludwig II’ in München

In een Jezuïetenkerk in renaissancestijl aan de drukste winkelstraat van München ligt in een ondergrondse crypte het graf van Ludwig II, de sprookjeskoning van Beieren. Bij de kist van de vorst, die in 1886 onder mysterieuze omstandigheden stierf, liggen altijd verse bloemen: vazen met lelies en enkele rode rozen. Onder de Münchners  is Ludwig nog steeds geliefd, en zijn nalatenschap – omvangrijke patronage van de kunst, fantastische kastelen (zoals het later door Walt Disney gekopieerde Neuschwanstein) – behoren tot de Beierse identiteit.

Het is dus een tamelijk beladen onderneming dat Ivo van Hove, artistiek leider van Toneelgroep Amsterdam in München de voorstelling Ludwig II regisseert, gebaseerd op de film van Visconti. Die film legt namelijk de nadruk de meer problematische kanten van Ludwigs persoonlijkheid: zijn obsessie met kunst en desinteresse in staatszaken, zijn vermeende krankzinnigheid en het feit dat hij hoogstwaarschijnlijk homoseksueel was. En dan ook nog met Jeroen Willems in de titelrol.

Vantevoren was er dus wel enige angst voor een rel. Johan Simons, de Nederlandse artistiek leider van het gezelschap de Münchner Kammerspiele, die Van Hove uitnodigde om de voorstelling te komen maken, vertelt: ‘Er zijn in München nog behoorlijk wat aanhangers van de koning die niet bang zijn om van zich te laten horen. “Stimmt nicht”, hoor je dan ineens uit de zaal roepen. We hebben in de repetitieperiode een bijeenkomst gehad met een aantal historici, waarin we aan het publiek uitlegden en hoeverre Visconti’s film op waarheid berustte. Maar dat die man gewoon homosekueel was, wat uit allerlei bronnen blijkt, dat wil er gewoon niet in.’

Er was dus afgelopen donderdag wel wat meer spanning dan de gebruikelijke premièrestress, en de angst voor de ruim zestig critici in de zaal.

Het eerste dat opvalt aan deze enscenering is de sobere zwartwitte esthetiek. In tegenstelling tot de exuberante stijl van Visconti kozen Van Hove en zijn vaste ontwerper Jan Versweyveld voor een spaarzame vormgeving: een vrijwel leeg toneel met muren van lij waarop de koning later met schoolkrijt kinderlijk kasteeltjes en planeten tekent. Midden op de vloer staat een afgesloten huisje. We zien alleen de witte buitenzijde, als de enige deur opengaat blijkt het een overdadig gedecoreerde kamer, met gouden krullen en grote spiegels. Wat er binnen gebeurt zien we op het huisje geprojecteerd, maar de camerastandpunten zijn steeds zo dat je doelbewust de essentie mist.

Het is Jeroen Willems die de voorstelling samenbindt en speelsheid van de krijttekeningen verbindt met de bewakingscamera’s. Van de drieëneenhalf uur die de voorstelling duurt staat hij vrijwel ieder moment op toneel. Nerveus ronddolend en niemand aankijkend als hij zich geketend voelt aan het verstikkende hofprotocol, dan ineens vrij ademend als hij spreekt over zijn bewondering voor Wagner (meesterlijk zelfingenomen gespeeld door Wolfgang Pregler) of als hij een lakei verleidt tijdens het zwemmen. Het is een prachtrol, een waarin de paradoxale acteur, van wie je alles mag zien maar niets weet, moeiteloos past op het enigmatische personage.

De voorstelling duurt lang en weet niet continu te boeien, maar aan het eind, als Willems een vleugel omver duwt, de zaal verlaat, door een camera gevolgd bij de garderobe zijn jas ophaalt en de stad in verdwijnt is de ontlading groot. Willems blijkt inmiddels in München een echte publiekslieveling. Uit de zaal werd geen wanklank vernomen.

De Duitse critici zijn uitermate welwillend over de voorstelling. De invloedrijke Süddeutsche Zeitung vindt de filmdialogen in een zo ‘hoogsymbolische’ enscenering te karig, maar prijst de ‘zeer mooie en rijke theaterbeelden’ en het spel van Jeroen Willems. Johan Simons is zelfs een beetje teleurgesteld in het gebrek aan kabaal rondom de voorstelling: ‘Volgende keer moeten we het maar een beetje gaan uitlokken.’

Kader: Van Hoves internationale premières

Wie Ivo van Hoves premières dit jaar wilde bijhouden moest achtereenvolgens naar Berlijn (Der Menschenfeind bij de Schaubühne), New York (The Little Foxes bij de NY Theater Workshop), Amsterdam (Kinderen van de zon bij zijn eigen Toneelgroep Amsterdam), Antwerpen (Nooit van elkaar van TGA en de KVS) en nu München (Ludwig II bij de Münchner Kammerspiele). In juni volgt nog De Russen, tijdens het Holland Festival in Amsterdam. Van de buitenlandse gastregies zal er volgend seizoen één in de Stadsschouwburg te zien zijn.

Dubbelinterview: Thomas Ostermeier en Ivo van Hove

De verschillen zijn groter dan de overeenkomsten. De een is zoon van een Vlaamse apotheker, de ander van een Westduitse beroepsmilitair. De een is klein en staat kaarsrecht, de ander is een kromme reus. En waar de een optimistisch, gepassioneerd en energiek is, lijkt de ander melancholiek en zwaarmoedig. Maar in hun werk zijn er tussen Ivo van Hove en Thomas Ostermeier opmerkelijke paralellen te zien. Modernisering van repertoire, gestileerde toneelbeelden en belangrijke vrouwenrollen zijn kenmerken van hun voorstellingen. In februari maken beiden een nieuwe voorstelling bij Toneelgroep Amsterdam. ‘Je karakter kan beschadigd raken van een toneelgezelschap leiden.’

Donderdag aan het eind van de middag, half december. Zojuist hebben Ostermeier en Van Hove de presentatie gehouden van de voorstelling Spoken, die Ostermeier als gast komt regisseren en die op 27 februari in première zal gaan. Zo’n presentatie is een gebeurtenis voor het hele gezelschap: de regisseur vertelt wat voor soort voorstelling het gaat worden, over zijn keuzes en fascinaties voor het stuk, de vormgevers presenteren de maquette. Alle werknemers van Toneelgroep Amsterdam zijn welkom. ‘We doen dat voor iedereen, het ensemble, de technici en het kantoor’ zegt Van Hove: ‘Zo willen we bij iedere voorstelling commitment krijgen van het hele bedrijf.’ Het was een drukke middag. ‘Het hele ensemble heeft uitgekeken naar Thomas’ komst. We hebben met z’n allen vorig jaar Hamlet gezien en de acteurs ontmoet. Het hele gezelschap is enthousiast dat hij nu aan het werk gaat.’

Eenmaal binnen in het kantoor van Van Hove, glaasje wijn nog in de hand, spreekt Ostermeier zijn waardering uit voor de nieuwbouw van de Stadsschouwburg en de de repetitieruimtes. Van Hove: ‘Het is heel mooi geworden, maar ik heb er zo lang voor moeten vergaderen.’ Dan valt Ostermeiers oog op het paarse hoogpolige kleed onder de vergadertafel: ‘Die kan ik gebruiken! Het past bij Helène Alving.’ Van Hove: ‘Dat tapijt is een ongebruikt decorstuk voor Zomertrilogie. De bank komt uit Romeinse Tragedies. Die moet je niet gebruiken, die herkent iedereen. Maar dat tapijt kun je zo meenemen.’

Continue reading “Dubbelinterview: Thomas Ostermeier en Ivo van Hove” »

« Vorige paginaVolgende pagina »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2019 Simber | powered by WordPress with Barecity