Recensie ‘Een klein leven’ van ITA

De theaterbewerkingen van films en boeken die regisseur Ivo van Hove gebruikt zijn een beetje hit or miss. Tegenover iedere artistieke triomf als The Fountainhead staat er wel een misser als Obsession. Met de bewerking van de vuistdikke roman Een klein leven van de Amerikaanse schrijfster Hanya Yanagihara levert ITA (voorheen Toneelgroep Amsterdam) een vette tearjerker af – goed gemaakt, maar je moet ervan houden.

In een loft-achtige ruimte (ontworpen door Jan Versweyveld), met in de ene hoek een dj set, in de andere een doktertafel en in een derde een keuken vieren vier vrienden (een fijne acteursroedel met Mandela Wee Wee, Majd Mardo, Maarten Heijmans en Ramsey Nasr) het leven, met drank en een jointje. In het vriendengroepje – architect, acteur, schilder – is de advocaat het buitenbeentje: de anderen weten niets van zijn verleden, niet eens waarom hij mank loopt.

Deze Jude (Nasr) blijkt gaandeweg de spil van het verhaal en zijn geschiedenis wordt langzaam ontrafeld, terwijl we de vrienden over de decennia volgen. Van Hove en zijn spelers laten tijden vloeiend door elkaar lopen, waardoor de brokjes informatie zorgvuldig gedoseerd worden. De muziek – deels van Bl!ndman strijkkwartet – wordt sterk ingezet om de verschillende tijdperken te structureren.

Judes leven is getekend door gruwelijk seksueel misbruik, eerst door priesters in het klooster waar hij als wees terecht kwam, later door een serie sadistische minnaars – allemaal gespeeld door Hans Kesting. Jude wordt een donkere en teruggetrokken man die zich met scheermesjes in zijn arm snijdt om zich via pijn weer even meester te voelen over zijn leven. Nasr speelt een buitengewoon knappe rol: een volwassen man waarin het schichtige negen jaar oude kind steeds doorheen schijnt. Het misbruik zelf wordt vooral expliciet beschreven en slechts spaarzaam suggestief getoond, wat voor Yanagihara’s stapeling van narigheid waarschijnlijk het beste werkt

De samenballing van alle slechtheid in één acteur werkt goed, omdat je zo goed kunt zien dat Jude verder de hele tijd omringt is door liefdevolle mensen die het beste met hem voorhebben – naast de vrienden ook Eelco Smits als dokter, Steven van Watermeulen als leraar en aangenomen vader.

De mooiste rol van Kesting is die van Broeder Luke, de vaderfiguur die Judes pooier werd. Ook na zijn dood dart hij steeds om Jude heen met de belofte van een nieuw, schoon leven. Hij is het duiveltje op de schouder, zoals Marieke Heebink als maatschappelijk werker de engel is – ook zij blijft na haar dood Jude verzekeren dat niets zijn schuld is.

Maar al die welwillendheid gaat ook tegenstaan. In het midden van het decor staat een ouderwets model wastafel en de vloer eromheen is een enorme viezige rode vlek. Voor de pauze zien we hier Nasr vooral grote hoeveelheden nepbloed vergieten, dat vervolgens door de andere spelers met veel papieren handdoeken wordt opgeveegd. De geur van schoonmaakmiddel vermengt zich met de etensgeuren van het kookeiland. Judes problemen worden wel getolereerd, maar niet aangegaan.

Na de pauze volgt het mooiste stuk waarin een van de vrienden Judes minnaar wordt. Heijmans en Nasr maken daar een erg mooi, liefdevol, voorzichtig en pijnlijk duet voor onmogelijke geliefden van. Daarna duikt het verhaal diep het melodrama in.

Yanagihara deelt de ellende met mokerslagen uit, en Van Hove kiest tegen het einde juist voor geserreerde en symbolische beelden. Maar toch bekruipt je ook de vraag: waartoe deze lijdensweg? We leren niets over Jude buiten zijn lijden en verlossing noch genade worden hem gegund. En is smart zonder moraal in de kunst niet een vorm van kitsch? Een klein leven is goed gemaakt en uitstekend gespeeld, maar juist het gecontroleerde effectbejag ervan maakte dat het me grotendeels koud liet.

Gezien 23/9/18 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 29/9 en opnieuw in april 2019
www.ita.nl

Verslag/recensie ITS Festival

“Ik ga het niet meer over de bezuinigingen hebben”, sprak Theu Boermans in zijn ultrakorte openingsspeech van het ITS Festival gisteravond laat. Toch was dat het overheersende gespreksonderwerp op de openingsavond. De afstuderende regisseurs, choreografen, toneelspelers  en mimers die op het theaterschoolfestival hun werk mogen laten zien lijken het nog niet helemaal te bevatten, en wie kan het ze kwalijk nemen: dit is hun moment om te schitteren. Alleen maandag is het cultuurbeleid weer een thema. Dan is het festival afgelast, zodat alle deelnemens kunnen demonstreren in Den Haag.

Het ITS opende eerder die dag met twee voorstellingen die in hun harde toon opmerkelijke overeenkomsten vertoonden. Die Altruisten, een samenwerking tussen de Toneelschool Maastricht en de Otto-Falckenberg-Schule in München (aangesloten bij de door Johan Simons geleide Münchner Kammerspiele), is een Duits gesproken, vlotte en cynische milieuschets van een vaardige toneelschrijver; De Hollanders, speciaal voor de afstudeerklas van de Amsterdamse Toneelschool geschreven door Arnon Grunberg is een opmerkelijk onbarmhartig en actueel toneelstuk, dat alleen te lijden heeft onder iets te proza-achtige zinnen.

Die Altruisten, een toneelstuk van de New Yorkse toneelschrijver Nicky Silver, is een raadselachtige keuze voor een Nederlands-Duitse toneelschoolsamenwerking; het stuk uit 2000 gaat over een groep hedonistische grotestadsbewoners die hun luiheid en geestelijke armoede verhullen met idealistisch gelul over je schuldig voelen als je vlees eet of auto rijdt. Terwijl ze een demonstratie voorbereiden om solidariteit te tonen met een verre verschoppeling laten ze iemand uit hun eigen omgeving keihard vallen.

Het is het soort lompe ironie dat typisch is voor tweederangs toneelstukken uit de jaren negentig en het dwingt de acteurs tot die schreeuwerige, Duitse toneeltoon waar ze zelf ook niet helemaal gelukkig bij lijken. Veel onderscheid tussen de twee overigens uitstekend Duits sprekende Nederlanders (Ludwig Bindervoet en Mandela Wee Wee) en de drie Duitsers is er niet, of het moet zijn dat de studenten uit Maastricht iets beter steeds iets lichts weten in te brengen, zoals de (erg flauwe) grapjes in het Nederlands. Van de Duitsers valt vooral Florian Innerebner op. Hij weet zijn personage, een naar liefde smachtende homo, nog iets echt beklagenswaardigs mee te geven.

Of het door Arnon Grunberg geschreven De Hollanders eeuwigheidswaarde heeft valt nog te bezien, maar in ieder geval levert het in regie van Gerardjan Rijnders een onverwacht rauwe afstudeervoorstelling op. Grunberg schreef een mozaïek-achtig verhaal over Nederlandse soldaten in Afghanistan, die zowel dáár, als na thuiskomst híer hun omgeving verwoesten. Twee soldaten komen een vader spullen brengen van zijn gesneuvelde zoon, één van de twee noemt sinds hij terug is zijn moeder consequent ‘hoer’ en zegt tegen zijn vriendinnetje, die mooi kan zingen, dat zij erger is dan de Taliban.

Feilloos weet Grunberg machtssituaties te benoemen en uit te buiten. Of het nu tussen tussen zwaarbewapende NAVO-militair en burkadragende Afghaanse, tussen arts en patiënt, of tussen ouder en kind is, zodra de ene mens een tikje overwicht op de ander heeft wordt hij of zij een beest. Met Grunbergs eenvoudige taal en steeds herhalende zinnetjes worden de dreiging en het ongemak steeds verder opgevoerd.

Sommige spelers lijken nog een beetje te bleu voor de wreedheid die het stuk zit. Thomas Hoppener valt op als overtuigende dader en slachtoffer, en Eva van Manen als het mooi theatraal zingende vriendinnetje. Het is wel ineens een stuk kleinkunstpersoonlijheid dat door deze toneelvoorstelling loopt. Daaraan, en aan een paar overbodige liedjes, herken je toch dat de afstudeervoorstelling een eigenaardig genre is.

Het ITS duurt nog tot 1 juli. Meer info op www.itsfestivalamsterdam.com

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2018 Simber | powered by WordPress with Barecity