Recensie: ‘The Immortals’ van Boogaerdt/Vanderschoot en Oostpool

Een appel schillen met een boormachine, dieren maken van ballonnetjes, met gekleurde nagellak je sleutels uit elkaar houden, cupcakes versieren, met een stuk papier een bierflesje openen. Van Youtube kun je het allemaal leren en mimegroep Boogaerdt/Vanderschoot doet het na.

In hun nieuwe voorstelling The Immortals lieten ze zich met name inspireren door tutorials en how-to-filmpjes op de videosite, van mensen die vanuit hun slaapkamer tips geven voor een nog beter leven. Maar al snel ontwikkelen de beelden in de voorstelling in weirde en unheimische richtingen.

Hoewel: voorstelling? The Immortals is meer een installatie. Een ruimte met vier kamertjes in het midden (ontworpen door Wikke van Houwelingen), waar je als publiek vrijelijk omheen mag lopen. De kamers zijn afgesloten met rolgordijnen en luxaflex, in ieder kamertje is een speler in de weer met camera’s en talloze attributen en de video’s die ze maken zijn live te zien op de vier grote schermen aan de buitenkant.

Als je als toeschouwer even gaat zitten, kun je dus de vier streams volgen, maar slechts bij één kamer naar binnen gluren om te zien hoe het gemaakt wordt. Het contrast tussen beeld en echt is het lolligst: zie je nou Bram Coopmans in een potje poepen? Nee hoor, in het echt zie je hem druk in de weer met een dikke spuit ontbijtkoekkledder. Likt Suzanne Boogaerdt een gebruikte tampon? Nee, het blijkt met limonade. Alleen de enge groene contactlenzen van Marie Groothof zijn echt.

In vijf kwartier dalen we af naar de grillige en ranzige dieptes van Youtube, van een pakje boter onder een föhn of extreme close-ups van printplaatjes binnenin electronische apparaten tot amateurporno, vissenkoppen bakkend in een pan en de mondholte van Floor van Leeuwen. De soundtrack van Remco de Jong en Florentijn Boddendijk versnijdt het opgewekte gebabbel van de Youtube sterren met opgefokte techno.

Slechts één moment is er een soort interactie met elkaar als een astronautenpoppetje naadloos van het ene scherm naar het volgende beweegt. Verder is het vooral psychedelische en surrealistische videokunst.

Het is inventief gemaakt en leuk om naar te kijken maar de betekenis van dit alles blijft onduidelijk. Wat er op internetfilmpjes te zien is, is oneindig veel schokkender en vulgairder dan je in het theater kunt doen. Het lijkt Boogaerdt en Bianca van der Schoot (die dit keer niet meespeelt maar regisseert) vooral te gaan om de vraag wat voor soort mensen het zijn, die zich vanuit de intimiteit hun slaapkamer via het beeldscherm zo blootgeven.

In hun eerdere voorstellingen, zoals Bimbo of Hideous (wo)men, kreeg je de indruk dat ze het meer over hun eigen wereld hadden. Uit The Immortals spreekt vooral afstandelijke verbazing. En die vertaalt zich in een nadruk op hoe ze het doen, en daardoor minder op het waarom.

The Immortals van Boogaerdt/Vanderschoot en Oostpool. Gezien 6/12/14 in Arnhem. Te zien in Amsterdam (Frascati) 9 t/m 20/12. Meer info op www.oostpool.nl

In Memoriam: Will Spoor

In Memoriam,Parool — simber op 9 december 2014 om 14:58 uur
tags: , ,

In Amsterdam is op dinsdag 25 november op 86-jarige leeftijd theatermaker Will Spoor overleden. Spoor is een van de grondleggers van de mime in Nederland, een genre dat hij bevrijdde uit de clichés van de pantomime (Pierrot, opgesloten in een glazen kist). Daarnaast is hij bekend van zijn rol als Snuitje, de helft van het bandieten duo Snuf & Snuitje, uit de tv-serie Pipo de Clown uit het begin van de jaren zestig.

Willem Jan Spoor werd in 1927 geboren in Amsterdam als telg van een oorspronkelijk Friese familie die veel toneelspelers en artiesten voortbracht. Zelf ging hij naar het conservatorium om viool en altviool te studeren, maar in 1951 vertrok hij naar Parijs om les te krijgen van theatervernieuwer Etienne Decroux, die op zoek is naar een dramatische kunst, gespeeld met alleen het lichaam.

Spoor beschouwt zijn lichaam als een muziekinstrument, “mijn ruggegraat wordt een vioolsnaar.” Terug in Nederland werkt hij in steeds wisselende theatergroepen – Waste of Time, Inccoprodinc, No 12, Onk Theater Overal – zijn ideeën uit. Daarnaast werkt hij met het Willem Breuker Collectief, is hij docent en poppenspeler en blijft hij geïnteresseerd in het onderzoeken van notatiesystemen voor mimecomposities, zogenaamde mimografieën.

In zijn theater legt hij de nadruk op anarchisme, op het hier en nu van theater en op het belang van denken voor spelers. “Een speler moet niet mooi bewegen”, zei hij in een interview, “maar bewegen zoals hij denkt. Dus daar heb je het al: denken.”

Spoor is hiermee –samen met onder anderen Jan Bronk, Rob van Reijn en Frits Vogels– van enorme invloed geweest op het Nederlandse theater. Alleen in Nederland is een mime een apart genre (met een wereldwijd hoog gewaardeerde opleiding aan de Theaterschool in Amsterdam), een soort vrij veld tussen toneel, dans en performance, waar een enorme diversiteit van stijlen naast elkaar kan bestaan, van de praatmime van Nieuw West tot het poëtische ervaringstheater van Boukje Schweigman.

In 1997 nam Spoor afscheid als maker met de voorstelling Niemandsland. Hij werd een karakteristieke Amsterdammer, die op zijn groene tractor de binnenstad doorkruiste en achter een borreltje een vertrouwd gezicht was in zijn stamkroegen aan het Rapenburgerplein.

Daar werd hij af en toe nog opgehaald door jonge meisjes van de Theaterschool die graag met hem wilden werken. Hij speelde in voorstellingen van regisseur Thabi Mooi, voor wie hij in haar afstudeervoorstelling Roerend Stil op locatie op Het Stenen Hoofd een memorabel Beckett-personage creëerde. Zijn laatste voorstelling speelde hij eerder dit jaar op Oerol. In Alle dagen dwaalde hij door de duinen, op de voet gevolgd door een kleine jongen.

Interview Boukje Schweigman

interviews,Parool — simber op 10 februari 2014 om 10:00 uur
tags: ,

Ze draaide rondjes, keerde haar lichaam binnenstebuiten en verkende de ruimte tussen lich en duister en binnen of buiten een hoek. Mimespeler en theatermaker Boukje Schweigman heeft in tien jaar een opmerkelijk oeuvre opgebouwd van intieme, theatrale belevenissen. Nu blikt ze terug, met het festival Het Universum van Schweigman&, waarin vijf oude voorstellingen hernomen worden. “Fysieke aanwezigheid is zo rijk, daar kun je je leven lang voorstellingen over maken.”

“Ik blijk echte fans te hebben”, zegt Schweigman verbaasd in het café van de Hortus. “Dat had ik me nooit zo gerealiseerd.  Rond het Universum organiseren we nagesprekken en ‘inspiratiemiddagen, en daardoor heb ik ineens veel meer contact met het publiek. Er blijken veel mensen te zijn voor wie ons werk echt heel belangrijk is, om dat ze iets kunnen ervaren dat nergens anders kan.”

Schweigmans voorstellingen houden het midden tussen theater en dans. Ze hebben geen tekst, maar met een enorme helderheid en fysieke inspanning maken ze duidelijk dat al dat gepraat helemaal niet nodig is om iets essentieels over mens zijn duidelijk te maken. In Wervel draaide ze een uur lang rondjes, in Hoek confronteerde ze haar spelers met een enorme wand, die nu eens omvormde tot scherpe punt, dan weer tot beschermende binnenkant. In al haar voorstellingen speelt het decor, van haar vaste ontwerper Theun Mosk, een belangrijke rol.

“Het Universum is niet echt een best-of van mijn werk, want we kunnen de locatievoorstellingen niet hernemen. Maar omdat het loopt van Dooier dat ik maakte toen ik nog op school zat tot Tussen uit 2010, kun je de hele tijdsspanne zien. En ik heb het idee dat die voorstellingen tijdloos zijn, ze hebben nog steeds bestaansrecht. Bijna alle decors had ik nog in de opslag staan. We hebben er destijds veel geld en moeite aan besteed, waarom zou je ze weggooien?”

Schweigman is zes maanden zwanger en kan daarom zelf niet meer spelen in deze reeks hernemingen. “Voorstellingen als Benen en Wervel gaan zó over het opzoeken en overschrijden van fysieke grenzen. Zeker van Wervel dacht ik dat niemand anders het zou kunnen. Je moet je volledig overgeven aan de beweging. Je wórdt gedraaid. Ik heb het gevraagd aan Ibelisse Guardia Ferragutti, met wie ik al heel vaak werkt en ik zei: ‘Je moet het echt willen, je neemt niet zomaar een voorstelling over.’ Je kunt zo’n voorstelling ook niet een hele dag repeteren. Je draait een uur en dan is het genoeg.”

“Omdat ik nu de voorstellingen overdraag en veel over m’n werk praat is dit ineens een heel reflectieve periode, waarin ik kan proberen te formuleren wat al mijn voorstellingen met elkaar verbindt. Ik werk fysiek en zintuiglijk –er hangt een dak vlak boven je hoofd, of je zit ineens in het pikkedonker– en dat doet iets met iedereen. Ik wil niet een letterlijk verhaal vertellen over de wereld. Theater is zó’n belangrijke kunstvorm, juist omdat het ingaat tegen de meningencultuur in de media. Het gaat over het hier en nu zijn en het inzicht dat je van daar uit kunt krijgen.”

“Ik zie daardoor ook wat voor speler ik zelf ben: hoe ik probeer verwondering te tonen over alles dat mij in die fysieke handelingen overkomt. Of hoe ik altijd contact zoek met het publiek. Ja, ik ga door de fysieke grens heen, en dat ga je als toeschouwer ook mee-voelen. Daar waar de toeschouwer wellicht denkt: stop maar meisje, gaan we juist nog even door. Daarom hou ik van performen: door een grens over te gaan kom je weer in een nieuwe ruimte. Dat geeft een enorme vervulling.”

Ook in hoe Schweigman haar projecten uitzoekt speelt overgave een rol. “We zoeken één ding –een zweep; een bak met spiegelend water; een wiek– en het gaat er dan om ons lichaam daaraan te onderwerpen en zo een voorstelling te maken. Je hebt een concreet object, maar het lichaam en haar beleving zijn een groot mysterie. Door één ding te kiezen en daarop in te zoomen kom je bij het ongrijpbare. Dat is het omgekeerde van bedenken wat je wilt vertellen en daar een vorm bij zoeken.”

“Ik heb nog genoeg ideeën om nóg tien jaar voorstellingen te maken, maar elk ding dat je kiest opent weer een nieuwe wereld. Het is niet een formule. Het is elke keer de vraag: wat gaat dit materiaal ons geven?”

Het Universum van Schweigman& 28/1 t/m 1/2 in Frascati. Meer info op www.schweigman.org

Recensie: ‘De Samoerai’ van Bambie

“Sterf elke ochtend en elke avond opnieuw en wordt als iemand die voortdurend dood is.” Bambie, de mimetheatergroep die zijn voorstellingen het liefst nummert, geeft haar laatste een titel: De Samoerai. De groep liet zich inspireren door het boek Hagakure uit de achttiende eeuw, vol met afwisselend wijze en geestig absurde leefregels voor Japanse krijgsheren.

Als de spelers inderdaad samoerai zijn, zijn het wel merkwaardige exemplaren: de eerste (Jochem Stavenuiter) lijkt dronken, de tweede (Ingejan Ligthart Schenk) is een huilebalk en de derde (Gerindo Kartadinata) is een aggresieve druktemaker. Op lage tafels halen ze hun toeren uit: de vingers van Stavenuiter maken een lange tocht, Kartadinata balanceert op krukjes de anderen intimiderend met zijn wapenstok en zijn vervaarlijke gegrom. Het zijn kleine, komische varieté-acts. Misschien zijn samoerai in vredestijd, met hun wijde kleren en hun wit geschminckte gezichten, eigenlijk een soort clowns.

De voorstelling verloopt eerst als een traditioneel Japans verhaal: er moet een meester teruggevonden worden (wiens adem het licht kan dempen en feller maken) en er moet een lange reis worden afgelegd. Dat leidt tot de mooiste scènes: Ligthart Schenk gaat op pad met een zwaar beladen tafel op zijn rug; Kartadinata beklimt een andere tafel die door Ligthart Schenk wordt opgetild en die ineens een hele hoge berg wordt als Stavenuiter het papiersnippers laat sneeuwen.

De voorstelling draait (ook letterlijk) als het reisdoel bereikt wordt. De meester (Klaske Bruinsma) blijkt de moeder van de drie krijgers. Het iets te jolige deel rond haar kolossale bed is het zwakste van de voorstelling. Maar het eind is weer prachtig: de drie mannen laten Bruinsma dansen als een pop uit het Bunraku-theater, zorgvuldig al haar ledematen sturend.

Bambie-voorstellingen zijn soms wat stuurloos, met veel ideeën maar weinig lijn. (Gast)regisseur Jetse Batelaan heeft van De Samoerai echter een hecht bouwwerk gemaakt over traditie en overdracht. En daarin is het vast geen toeval dat gekozen is voor Bruinsma, ooit lid van de invloedrijke mimegroep Bewth.

Het zou namelijk goed kunnen dat dit de laatste voorstelling van Bambie is. De groep raakt, net als Lighart Schenks gezelschap ’t Barre Land, haar subsidie kwijt. Dat is misschien onvermijdelijk, maar het vraagt van kunstenaars welke leefregels en tradities zíj willen meenemen naar volgende avonturen of doorgeven aan een nieuwe generatie. De Samoerai is een levenslustige, aandoenlijke meditatie over die vraag.

De Samoerai van Bambie. Gezien 26/1/13 in Frascati. Aldaar t/m 2/2. Tournee. Meer info op www.bambie.org.

Voorstuk ‘Small World’

interviews,Parool — simber op 21 november 2012 om 14:37 uur
tags: , , , , ,

Ze maken een bos als in Bambi en playbacken A whole new world uit Aladdin. Mimegroep Boogaerdt/VanderSchoot verdiept zich voor haar nieuwe voorstelling Small World in de wereld van Walt Disney. Maar fans van het huis van de muis zijn ze niet geworden. “De droom van Disney is een heel beperkte droom.”

Met hun vorige voorstelling Bimbo, een perverse videoclip die de hedendaagse seksuele beeldcultuur genadeloos ontleedde, oogsten Suzan Boogaerdt en Bianca van der Schoot opvallend veel succes. Ze werden uitgenodigd voor het Nederlands Theaterfestival en genomineerd voor de VSCD Mimeprijs. Ook voor het duo zelf was het een belangrijkse stap. “We hebben daar echt een sterk, maar vrij onaangenaam beeld neergezet”, zegt Van der Schoot in een Amsterdams café, “Maar daarna hadden we behoefte om daar een antwoord te formuleren. Small World sluit aan op Bimbo, het is een tweeluik over de spektakelmaatschappij.”

“We gebruiken Disney vooral als symbool”, vult Boogaerdt aan. “Er zit in die figuren en films en pretparken iets veiligs: alles dat duister, onaangenaam of riskant is wordt aan de kant geschoven. Je wordt niet aangespoord om je eigen fantasie te gebruiken. En dan zit daarachter ook nog een bedrijf dat heel cynisch zoveel mogelijk broodtrommels en dekbedden wil verkopen aan kinderen.” Van der Schoot: “En dat geldt niet alleen voor Disney, maar ook voor reclame, nieuws en steeds vaker voor theater: je krijgt alles in hapklare brokken voorgeschoteld. Je wordt passieve consument, in plaats van dat je nieuwsgierigheid wordt geprikkeld.”

Tijdens de voorbereiding van de voorstelling gingen alle spelers naar Disneyland Parijs. Boogaerdt: “Ookal ben je volwassen, je raakt als je naar binnen mag toch heel erg opgewonden. Maar na twee uur was dat helemaal weg. Elke tien meter weer andere keiharde muziek, alleen maar vies eten en de ontdekking dat het eigenlijk vooral een winkelcentrum is.” Van der Schoot: “We hadden een masker meegenomen, een heel mooi naïef ei-hoofdje. Een van de spelers zette dat op en ging dansen, en mensen gingen dat gelijk fotograferen, net als Mickey en Goofy verderop. Het was mooi om de paniek te zien van kinderen. Wie is dat? Die ken ik niet. We hebben dat overigens wel pas vlak voor sluitingstijd gedaan; dan zou het niet zo erg zijn als we eruit gegooid zouden worden.”

Voor de voorstelling hebben de makers heel veel maskers geknutseld. Boogaerdt: “We maken altijd materiaal voor wel honderd voorstellingen. Het heeft met onze manier van werken te maken: al improviserend ontdekken we de regels van de voorstelling die we aan het maken zijn.” In tegenstelling tot Disneyfilms zal het resultaat niet gelikt of schoongepoetst zijn. “De vorm is bij Disney altijd heel herkenbaar, helder en sterk. Dat kunnen wij niet nadoen met onze gepapiermachéde hoofden. Maar het is erg leuk dat we in de basis hetzelfde werk doen als hij: het bezielen van levenloze materie.”

Boogaerdt: “We wilden eigenlijk iets maken met al het afval dat in Disney-films buiten beeld wordt geveegd. Het decor bestaat dan ook uit enorm veel glinsterende troep en de kostuums komen tweedehands van andere theatergroepen.” Van der Schoot: “Zo’n afvaldecor is natuurlijk wel vaker gedaan, maar het moet nóg veel vaker, want we hebben er zoveel van.”

Small world is de laatste voorstelling die het duo onder eigen naam uitbrengt. Per 2013 sluiten ze zich aan bij Toneelgroep Oostpool in Arnhem. Dat is spannend (“Het dwingt ons om opnieuw over onszelf na te denken”), maar Van der Schoot is vooral trots: “Ik vind het bijzonder dat wij de mime mogen vertegenwoordigen in één van de vier grote toneelgezelschappen. Onze vorm van theater speelt zich meestal af in de marge, maar waarom is dat eigenlijk? Ik heb zendingsdrang. Mime mag door meer mensen gezien worden en gaat de grote gezelschappen hopelijk nog diverser maken.”

Small world van Boogaerdt/Van der Schoot gaat op 22 november in première in Frascati. Meer info op www.bvds.nu

Recensie: Bambie 15

Parool,recensies — simber op 24 januari 2011 om 16:35 uur
tags: , , ,

Ze zitten er helemaal klaar voor met z’n vieren. Gespannen afwachtend op hun tuinstoelen, allemaal met een paar enorme cadeaus bij zich. Sommige zijn felgekleurd ingepakt, van andere kun je aan de vorm van het pakje al zien wat het is, maar een vrouw heeft slechts één klein pakje op schoot.

Mimetheatergroep Bambie van Jochem Stavenuiter en Paul van der Laan geeft haar voorstellingen geen namen maar nummers, als om te benadrukken dat taal er voor hen niet zo toe doet. Dat kan soms een zekere vrijblijvendheid tot gevolg hebben, maar nummer vijftien heeft als thema mijn en dijn. Stavenuiter speelt deze keer zelf niet mee, maar regisseert.

Van der Laan blijkt de gelukkige ontvanger van alle cadeaus. Wat de feestelijke gelegenheid is, doet er niet toe, net als de de relatie van de vijf figuren. Zijn het buren? Op de achtergrond zien we een straatje met vijf bordkartonnen huizen, in kinderlijk perspectief, sommige smal en hoog, anderen laag en breed, met dito deuren en ramen.

Bij het uitpakken blijkt al gauw dat er iets vreemds is met de cadeaus: een plastic bak, een eenvoudig schaaltje, een afstandsbediening, een bezem. Is het dan misschien een heel mooie bezem, zou Ernie aan Bert vragen. Nee, het is een heel gewone bezem. En dan zeggen ze er ook nog dingen bij als: ‘toen ik het zag moest ik meteen aan jou denken’ of ‘dit wil ik al heel lang aan je geven.’ Maar dit feestje zal al snel fantastisch uit de hand lopen.

De betovering van al dit materiële bezit geeft de scène al snel een wending in verdere absurditeit: mensen willen elkaars cadeaus hebben, en smeken, bietsen en roven de cadeaus van de nieuwe eigenaar. Al snel rennen ze heen en weer in een geweldige scène waarin alle troep op het toneel ineens begeerd goed is en bemachtigd of verdedigd moet worden, eerst in twee kampen, later ieder voor zich.

Het is vaak zo bij Bambie dat ze halverwege hun voorstelling opnieuw lijken te beginnen. Alsof de ideeën voor de ene richting op waren en ze een andere weg in zijn geslagen. Ook in 15 begint na zo’n drie kwartier weer een heel nieuw stuk, waarin clowns met stapels geld gouden sieraden, diensten en relaties uitwisselen. Ook weer goed gedaan, maar net iets te veel platte symboliek, alhoewel het ook hier weer mooi ontspoord.

Soms is die grilligheid van Bambie irritant, en wil je dat ze eens een idee helemaal tot het einde uitspelen. Maar deze keer is het ook mooi: het moment in het midden dat het toneel weer even leeg is en je weer opnieuw totaal verbaasd kan zijn over wat ze nu weer allemaal verzonnen hebben.

Bambie 15 van Bambie. Gezien 21/1/11 in Frascati. Aldaar t/m 29/1. Tournee t/m 16/4. Meer info op www.bambie.org

Recensie: ‘Martha loves George’ van Boogaerdt/VanderSchoot

Twee jaar geleden maakte mimeduo Suzan Boogaerdt en Bianca van der Schoot de locatievoorstelling Tsjechov bij de bushalte, waarin het verlangen naar een ander leven uit De Drie Zusters tot één essentieel beeld werd teruggebracht: een vrouw wachtend bij een bushalte en die uiteindelijk niet instapt. Nu passen ze hetzelfde procedé toe op een andere toneelklassieker: Who’s afraid of Virginia Woolf? van Edward Albee.

Ook hier weten ze de kern te pakken. Het huwelijk van de overjarige, verveelde sloerie Martha met de saaie maar smeulende George is oorlog. Zij glijdt tijdens het dansen schaamteloos over de vloer en geeft de zaal een geile knipoog, hij vertrekt geen spier, maar desondanks is zijn minachting voelbaar. Ze krijgen bezoek van een jonger stel. De dronkenschap wordt nauwelijks gesuggereerd, maar hangt de hele tijd in de lucht, net als de verantwoorde jazzmuziek.

De mimers hebben geen interesse in het stuk zelf (dat van de auteur ook niet bewerkt mag worden). In plaats daarvan hebben de makers eigen dialogen geschreven, met hier en daar een citaat, die nergens de scherpte en hardheid van Albee kunnen doen vergeten. En dat is jammer, want juist in de fysieke omgang met elkaar zetten Van der Schoot en René Geerlings een Martha en George neer die een plaats verdienen naast de andere, beroemdere acteurs die het stel ooit speelden. Hoe ze elkaars zinnen afmaken, elkaar vliegen afvangen, elkaar dwingen mee te doen in hun spelletjes, het is gemeen en grimmig hilarisch.

De rollen van het bezoekende stel Honey en Nick (Suzan Boogaerdt en Melih Gençboyaci) zijn minder duidelijk. In het begin worden ze neergezet als jongere versie van Martha en George. Sommige elementen uit het stuk worden overgenomen – de seksuele spanning tussen Martha en Nick, de perverse spelletjes en de genante jeugdverhalen – andere scènes zijn helemaal verzonnen, zoals de grappen over de Turkse afkomst van Gençboyaci.

We verlaten het raamwerk van Albee’s stuk als Honey de situatie overneemt, haar eigen uitzinnige tv-show fantaseert en Martha en George uiteindelijk beteuterd achterlaat. Hier wreekt zich de wet dat spelende makers op de vloer een gelijk aandeel moeten krijgen. Het verzonnen kind, bij Albee de motor van het verhaal, komt niet voor. En dat is jammer, want zo beroven de makers de personages van hun tragiek en ze geven daar niets voor in de plaats. Dat maakt Martha loves George geestig en scherp, maar ook een voorstelling zonder hart.

Martha loves George van Boogaerdt/VanderSchoot. Gezien 3/10 in De Brakke Grond. Aldaar t/m 10/10, tournee t/m 18/12. Meer info op www.bvds.nu

Recensies afstudeervoorstellingen ITs

Parool,recensies — simber op 22 juni 2008 om 18:28 uur
tags: , , , , ,

Afstudeervoorstellingen van toneelscholen zijn een bijzonder genre: het is een eenmalige kans voor een groep acteurs en actrices om zich te presenteren aan collega’s, regisseurs op zoek naar talent en Hans Kemna, een afscheid van hun school, en voor de opleiding een prestigeobject, waar ze hun eigen stijl kunnen tonen. Op het ITs festival waren het afgelopen weekend de afstudeervoorstellingen van de toneelscholen van Arnhem, Maastricht en Amsterdam te zien.

Bij de afstudeerklas van Arnhem ligt de nadruk het meest op het afscheid. Drie jaar geleden kwam een klasgenootje om bij een ongeluk en Punt moet een eerbetoon aan haar worden. De acht afstuderenden spelen in een zelfgeschreven stuk een vriendengroep die bij elkaar komt om een vriendin te herdenken. Maar hoe oprecht de intenties ook zijn, de voorstelling is een aanfluiting. De met platitudes doorspekte tekst ontbeert iedere spanning, en de spelers lijken met hun gebrek aan durf regelrecht te solliciteren naar een rol in een vrije productie.

De Amsterdammers pakken het beter aan. Zij vroegen regisseur Ola Mafaalani als begeleider en die maakte in 90 minuten van het probleem van de afstudeervoorstelling het thema: hoe zorg je ervoor dat je in de korte tijd die je hebt indruk maakt en iets achterlaat op aarde. Een jongen probeert het door zijn piemel als drumstick te gebruiken, een paar meisjes zijn aangekleed als de iconen Marilyn Monroe, Marlene Dietrich of Wiske, en achterop het toneel staat een lichtgevende klok.

Met de hyperactieve chaos op het toneel (met twintig man op het toneel nu extra indrukwekkend) en een ronddolende engel (een acteur met een rossige baard in een trouwjurk) is de voorstelling vintage Mafaalani, maar 90 minuten is ook het meest een uithangbord voor een opleiding. In Amsterdam zijn de toneelschool en de kleinkunstacademie een paar jaar geleden gefuseerd, maar er blijven duidelijk te onderscheiden toneelspelers en kleinkunstenaars, waarbij de eersten een beetje wegvallen in deze chaos van  vondsten en sketches. Gelukkig kunnen ze allemaal prachtig zingen.

De toneelacademie Maastricht kiest juist voor een bestaand stuk – Het Koude Kind van Marius von Mayenburg, vorig seizoen uitgevoerd door De Theatercompagnie – en de acteurs laten degelijk, maar uitstekend spel zien. De regie is wat onevenwichtig, maar in deze voorstelling zitten voor het eerst een paar acteurs die ik in de toekomst wel vaker aan het werk wil zien, met name Alejandra Theus die hier onwillige moeder met campari-jus verslaving neerzet en Bram de Win als dictatoriale vader die zijn kinderen haat.

De meeste eigenzinnige school – de Mimeopleiding uit Amsterdam – levert echter de meest eigenzinnige voorstelling af, Spaar ze alle 9 geregisseerd door Lotte van den Berg. Op een donkere housebeat die ruim een uur door het lege Frascati 1 galmt, dansen de acht mimers wild in het koude licht. Af en toe komen één of twee van hen tot rust; ze zoenen, drinken water of praten tegen elkaar – onverstaanbaar door de doordenderende beat. Dit heeft niets meer met de afstudeerconventies te maken. Hier wordt tenminste radicaal en compromisloos theater gemaakt, maar juist hier worden acht performers gepresenteerd die je niet gauw weer zal vergeten.

Het ITs duurt nog tot 28 juni. Meer info op www.itsfestival.nl

Recensie ‘Mirage’ van Theun Mosk, Hetveem Werkplaatsproductie

Parool,recensies — simber op 7 december 2007 om 02:23 uur
tags: , ,

Het decor staat op het toneel en het publiek zit in de zaal. Zo hoort het zo’n beetje in het theater. Zo niet bij Theun Mosk. Voor Mirage, zijn tweede eigen voorstelling bij mime-werkplaats Hetveem, bouwde hij voor het publiek een krappe, houten doos, van waaruit je naar een lege theaterzaal kijkt. Schimmen doemen op uit de duisternis, door rook en trillend hete lucht, bewegen in geel en blauw licht en verdwijnen weer.

Mosk is een tot theatervormgever opgeleide theatermaker, die vaker ruimtes voor de toeschouwer bouwt. Vaak werkt hij met mimester Boukje Schweigman. Bij haar schijnbaar eenvoudige beeldentaal maakt hij intieme, poëtische plekken waarin performers en publiek samen zijn.

Het idee voor een “anti-decor” -een plek die het publiek omvat, in plaats van de voorstelling- gebruikte hij eerder bij de radicale voorstelling Gerucht van Lotte van den Berg. Daarvoor bouwde Mosk ook een houten doos met één glazen wand, die op een plein in de stad stond. Zo kon het publiek ongezien naar buiten kijken en de stad bekijken alsof het een theatervoorstelling was.

Mirage verplaatst dit gegeven weer terug naar de theaterzaal, en laat je als toeschouwer de zolder van gebouw het Veem bijna als installatiekunstwerk zien. Subtiel en scherp uitgelicht, door een gordijn van warme lucht die even het effect geeft van een fata morgana.

Na het fascinerende begin wordt het iets te snel weer een “gewone” mime-voorstelling. Drie spelers bewegen door de ruimte. Twee vrouwen zetten met uiterste precisie een aantal stoelen op precies de goede plek, keer op keer en dan een keer met hun ogen dicht. Een man speelt op een ter plaatse gemaakt instrument van zingende wijnglazen. Een kist appels wordt van klokhuizen ontdaan, geschild en in plakken gesneden. En dan ineens is het donker.

Mosk’s spel met licht, kleur en schaduw is prachtig, maar het lijkt erop dat hij niet goed raad weet met zijn spelers. Het is jammer dat het geen getrainde mimers zijn, af en toe lijken ze een beetje lacherig onzeker over de abstracte handelingen die ze moeten verrichten. Alleen Swantje Schäuble, getraind danseres, weet consequent de aandacht vast te houden.

Mirage van Theun Mosk, Hetveem Werkplaatsproducties. Gezien 6/12/07 in Hetveem Theater. Aldaar t/m 9/12. Meer info op www.hetveemtheater.nl

Recensie: ‘Bambie 12’ van Bambie

Parool,recensies — simber op 5 november 2007 om 01:00 uur
tags: , ,

Mimegezelschap Bambie heeft al sinds haar oprichting de opvallende neiging om haar voorstellingen geen naam maar een nummer te geven. Omdat Bambie voorstellingen maakt zonder duidelijk te omschrijven onderwerp, maar met absurde wendingen en wonderlijke associaties worden ze voor de toeschouwer al snel “die ene met…”

Zo was de klassieker Bambie 6 “die ene met de billen” en Bambie 10 “die ene met Marien Jongewaard”. Bambie 12 zal waarschijnlijk “die ene met de marsmuziek” gaan worden, vanwege de meesterlijke scène waarin de vijf spelers stampend op hysterische marsmuziek het dagelijks leven van de moderne mens tonen; werken, neuken en bij vrienden op bezoek.

De rest van de voorstelling haalt dat niveau niet. Het begint veelbelovend, met een man in zijn bed (Paul van der Laan) die gefascineerd raakt door een lichtje dat door zijn muur schijnt. Hij krabt wat aan zijn behang en voor hij het weet staan er vier mensen in zijn huis. Vier indringers die meubilair naar binnen slepen en ook nog elkaar dwars zitten.

Over de tredmolen van het leven lijkt het te gaan, over de buitenwereld die je haar ideeën en wetmatigheden oplegt. Maar halverwege lijkt de voorstelling van idee te veranderen. Na het ritueel slachten van een blikje frisdrank transformeren de indringers tot leden van een onbekende stam die zich tooien met stropdassen en colbertjasjes geknoopt tot grappige hoofddeksels.

Dat de voorstelling ondanks de erg losse structuur toch samenhang houdt, is te danken aan de soundscape en muziek van Wim Conradi. Zijn David Lynch-achtige synthesizers en samples van Russische radio zorgen voor een sfeer van dreiging en vervreemding.

Bambie 12 door Bambie. Gezien in Frascati, 3/11. Aldaar t/m 10/11, tournee t/m 1/2/08. Meer info op www.bambie.org

Volgende pagina »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2017 Simber | powered by WordPress with Barecity