Recensie ‘Kogelvis’ van Toneelgroep Oostpool en Bellevue Lunchtheater

Twee spelers, in spijkerbroek met ontbloot bovenlijf, zijn dader en slachtoffer. Het slachtoffer wordt aangepakt als een pop. De dader kneedt zijn huid, lijkt zijn handen diep in de buik van de ander te begraven, pakt hem achter zijn schouderblad, tilt hem op aan de huid van zijn rug. Het is een lichamelijke scène, waarbij je in je eigen lijf de plekken voelt die worden aangepakt, maar waarin je ook steeds zorg en liefde blijft zien.

Kogelvis (een toneelstuk van de debuterende toneelschrijver Nick Bruckman) heeft een vrij akelig onderwerp, namelijk serial killer Jeffrey Dahmer die in de jaren ’80 zeventien jongens vermoordde, seks had met hun lijken en ze vervolgens deels opat. Na zijn arrestatie en proces kreeg hij een soort cult-status.

Bruckman vertelt het verhaal vanuit drie perspectieven, naast dader en slachtoffer staat ook de zus van een van de slachtoffers op toneel. Het is een tekst die banale koffietafelpraat afwisselt met de gruwelijkste details over verminking en necrofilie.

In de regie van Marcus Azzini is de moordenaar verdubbeld en de zus wordt gespeeld door een man. De vier spelers Sebas Berman, Thomas Cammaert, Abe Dijkman en Jurriën Remkes hebben vaak een onderkoelde, bijna levenloze blik, maar bij de verleidingsscènes – Dahlmer pikte jongens op in de buurt van homoclubs en nodigde ze uit bij hem thuis om te drinken en te blowen – komt erotische spanning naar boven.

Dahlmer lijkt in de visie van de makers met name een jongen die, omdat hij zijn homoseksualiteit onderdrukt, te ver gaat in een perverse zoektocht naar liefde en heelwording. Daarmee wordt hij een klein beetje herkenbaar – is liefde niet altijd minstens een béétje grensoverschrijdend? De zus vertegenwoordigt het tegenbeeld: zij negeert haar eigen lust, omdat de bevrediging daarvan toch nooit compleet kan zijn.

Het is de verdienste van de makers dat ze de afschuw zodanig doseren dat je als toeschouwer niet afhaakt. En dat je samen met weerzin ook jongensachtige levenslust proeft.

Kogelvis door Toneelgroep Oostpool en Bellevue Lunchtheater. Gezien 24/9/16 in Bellevue. Aldaar t/m 15/10. Meer info op theaterbellevue.nl

Recensie: ‘The Immortals’ van Boogaerdt/Vanderschoot en Oostpool

Een appel schillen met een boormachine, dieren maken van ballonnetjes, met gekleurde nagellak je sleutels uit elkaar houden, cupcakes versieren, met een stuk papier een bierflesje openen. Van Youtube kun je het allemaal leren en mimegroep Boogaerdt/Vanderschoot doet het na.

In hun nieuwe voorstelling The Immortals lieten ze zich met name inspireren door tutorials en how-to-filmpjes op de videosite, van mensen die vanuit hun slaapkamer tips geven voor een nog beter leven. Maar al snel ontwikkelen de beelden in de voorstelling in weirde en unheimische richtingen.

Hoewel: voorstelling? The Immortals is meer een installatie. Een ruimte met vier kamertjes in het midden (ontworpen door Wikke van Houwelingen), waar je als publiek vrijelijk omheen mag lopen. De kamers zijn afgesloten met rolgordijnen en luxaflex, in ieder kamertje is een speler in de weer met camera’s en talloze attributen en de video’s die ze maken zijn live te zien op de vier grote schermen aan de buitenkant.

Als je als toeschouwer even gaat zitten, kun je dus de vier streams volgen, maar slechts bij één kamer naar binnen gluren om te zien hoe het gemaakt wordt. Het contrast tussen beeld en echt is het lolligst: zie je nou Bram Coopmans in een potje poepen? Nee hoor, in het echt zie je hem druk in de weer met een dikke spuit ontbijtkoekkledder. Likt Suzanne Boogaerdt een gebruikte tampon? Nee, het blijkt met limonade. Alleen de enge groene contactlenzen van Marie Groothof zijn echt.

In vijf kwartier dalen we af naar de grillige en ranzige dieptes van Youtube, van een pakje boter onder een föhn of extreme close-ups van printplaatjes binnenin electronische apparaten tot amateurporno, vissenkoppen bakkend in een pan en de mondholte van Floor van Leeuwen. De soundtrack van Remco de Jong en Florentijn Boddendijk versnijdt het opgewekte gebabbel van de Youtube sterren met opgefokte techno.

Slechts één moment is er een soort interactie met elkaar als een astronautenpoppetje naadloos van het ene scherm naar het volgende beweegt. Verder is het vooral psychedelische en surrealistische videokunst.

Het is inventief gemaakt en leuk om naar te kijken maar de betekenis van dit alles blijft onduidelijk. Wat er op internetfilmpjes te zien is, is oneindig veel schokkender en vulgairder dan je in het theater kunt doen. Het lijkt Boogaerdt en Bianca van der Schoot (die dit keer niet meespeelt maar regisseert) vooral te gaan om de vraag wat voor soort mensen het zijn, die zich vanuit de intimiteit hun slaapkamer via het beeldscherm zo blootgeven.

In hun eerdere voorstellingen, zoals Bimbo of Hideous (wo)men, kreeg je de indruk dat ze het meer over hun eigen wereld hadden. Uit The Immortals spreekt vooral afstandelijke verbazing. En die vertaalt zich in een nadruk op hoe ze het doen, en daardoor minder op het waarom.

The Immortals van Boogaerdt/Vanderschoot en Oostpool. Gezien 6/12/14 in Arnhem. Te zien in Amsterdam (Frascati) 9 t/m 20/12. Meer info op www.oostpool.nl

Interview Kirsten Mulder

interviews,Theatermaker — simber op 22 oktober 2014 om 10:09 uur
tags: ,

Met haar maffe, kinderlijke en lichamelijke opvatting van een vaak verontachtzaamde rol trok Kirsten Mulder dit seizoen volop de aandacht. Voor haar Honey in Who’s Afraid of Virginia Woolf? werd ze genomineerd voor de Colombina. Na de mimeopleiding werd ze een van de trouwste actrices van Toneelgroep Oostpool, maar nu staat ze voor een nieuw begin. “Ik probeer de traditionele hiërarchie van zo’n stuk om te gooien.”

“Ik wil eigenlijk alles vasthouden,” zegt Kirsten Mulder halverwege het gesprek. “Ik vond het heel fijn in een ensemble. Je kunt echt bouwen.” Maar Oostpool moest na de cultuurbezuinigingen het vaste ensemble ontslaan en Mulder is nu freelancer. Toch wil ze geen afscheid nemen van de opgebouwde geschiedenis. Ook met cast van de edelsoap Westenwind, waar ze ruim twee jaar in speelde, heeft ze nog steeds goed contact.

Dat lijkt me een rare combinatie: tegelijkertijd de mimeopleiding doen en in een grote RTL-serie spelen.

Ja, dat was bizar. En het was eigenlijk not done. Maar Maarten Lok, dat was toen de artistiek leider van de mimeopleiding, vond het goed. Ik had iets uit te zoeken met beeld en film en ik kon daar zoveel ervaring op doen. En ik heb een fantastische tijd gehad, hoewel het combineren moeilijker was dan ik dacht. Ik heb mijn klasgenoten ook wel in de steek gelaten.”

“Voor veel mensen ben ik nog steeds Fleur Noordermeer, ik wordt nog wel herkend. En dat koester ik ook. Je komt zulke onvoorstelbare verhalen tegen. Ik had een keer pech met mijn auto en er moest een berger komen om me te helpen. Die man schrok heel erg toen hij me zag. Hij was fan van Westenwind en mijn personage was toen net overleden. Hij had een zoon die kort daarvoor verongelukt was. Het greep hem heel erg aan –al die jonge mensen die doodgaan– en ik ben met hem meegegaan naar het bermmonumentje voor die jongen. Over dat verhaal heeft Ramón Gieling een televisiedocumentaire gemaakt, Herinnering aan een trieste dageraad. Maar ook vrolijker: de bruidsjurk die voor mijn televisiehuwelijk is gemaakt, werd later voor echte bruiloften vrij populair – de Fleur-jurk. Westenwind heeft echt heel veel voor mensen betekent.”

“En ik kom uit een echt VPRO-gezin waar commerciële televisie bijna taboe was. Ik werd echt een beetje verscheurd tussen die twee werelden. Dat is nu makkelijker, denk ik. Televisie en theater liggen nu dichter bij elkaar en ik ben nu zelf minder bang dat mensen me in voor eeuwig in een hokje stoppen.”

Hoe ben je ooit aan het theater gekomen?

Mijn moeder is dramatherapeute, dus theater was bekend en voorhanden. We gingen veel naar de schouwburg in Utrecht, ook naar de Blauwe [kleine] zaal. Ik herinner me Romeo en Julia van Dirk Tanghe. Dat was zo inspirerend, daarbij dacht ik voor het eerst: ik wil wel spelen. Ik heb de vooropleiding gedaan in Amsterdam, en één jaar Maastricht voordat ik op m’n plek kwam op de mimeopleiding. Ik had toen inmiddels Marlies Heuer zien spelen en Carver en ik voelde aan dat dat bij me paste.

Ik zat in de klas met Suzan Boogaerdt en Willemijn Zevenhuijzen, mensen die ook veel met tekst bezig waren. Andere klassen waren veel meer gericht op bewegingstheater. Wij kregen ook veel les van Marlies Heuer. Daar heb ik geluk mee gehad, want dat was wat ik wilde. Grappig genoeg heb ik na mijn opleiding vrijwel nooit in een mimestuk gestaan en vooral toneelrollen gespeeld.

Hoe beïnvloedt je mime-achtergrond je huidige rollen?

Al vanaf de opleiding ben ik altijd op zoek geweest naar manieren om de tekst en het fysieke te laten samenkomen of elkaar tegen te kleuren. Dat staat voor mij niet los van elkaar, dat is mijn primaire manier van spelen. Ik probeer van iedere rol iets herkenbaars te maken, kleinere rollen geven daarin vaak meer vrijheid dan grotere. Ik probeer toch vaak de traditionele hiërarchie in zo’n stuk –wat is de hoofdrol, wat de bijrol– omver te gooien. Dat heeft voor mij wel met mime te maken: dat je iedere rol een gevaarlijk en noodzakelijk maakt. Bij Virginia Woolf is het bijvoorbeeld gelukt om het een echt kwartet te maken in plaats van de groten en de kleinen.

We zijn allevier grofweg van dezelfde leeftijd, dus het thema van de twee generaties in het stuk krijgt sowieso minder nadruk. Honey is 24, maar ik ben ouder dan Maria Kraakman, die Martha speelt. Dat maakt de verhouding tussen de stellen gelijkwaardiger. We hebben elkaar echt het vuur na aan de schenen kunnen leggen. We waren in het begin erg met die leeftijden bezig, en bij de try-outs ook nog wel – dan komen mensen toch meer kijken met de vraag: wat hebben ze ermee gedaan?, in plaats van: wat is het? Maar uiteindelijk hebben we het met z’n vijven echt naar onszelf toegetrokken. Daar ben ik heel trots op.

Er zit een kind in mij, en samen met Erik Whien wilden we in Virginia Woolf dat als ingang gebruiken voor mijn rol. De andere drie willen een ‘volwassen’ gesprek hebben en hoe harder dat wordt, hoe meer ik het kind wordt en een soort naïviteit opzoek. Tegen het eind doet Honey een dans op Beethoven. Dat is een raar en genant moment, maar het moet ook schoonheid en levenslust hebben. Even hoeven ze allemaal niet te praten en maken ze geen ruzie. Dus eerst is het hilarisch en dan ontroerend. Op de een of andere manier was ik vrij snel uit. Ik wist hoe dat moest. Toen voelde ik me wel weer een mimer.

Is het dan voor jou ook een hoopvolle voorstelling?

Ja, ik denk het wel. Als Sanne den Hartogh en ik aan het eind samen weglopen, dan zie je denk ik wel dat ze ergens doorheen zijn gegaan. Ze hebben iets gruwelijks gezien dat ze niet kennen, en misschien is dat wel hun redding. Ze willen dat hun leven beter kan zijn dan de narigheid van George en Martha, maar ook méér dan het vastgeroeste leven dat ze zelf hadden. En Nick heeft ook iets van Honey gezien dat hij niet kende. Ze roept: “Hou je bek!” Dat heeft ze nog nooit gedaan. En uiteindelijk zegt ze: “Ik wil een kind.” Dus als het goed gaat, is het een echte catharsis. Maar het ligt ook aan de avond; soms eindigt het heel lief en klein, soms is het echt destructief.

Wat zijn je plannen voor de komende periode?

“Ik wil zeker met Marcus blijven werken. We verrassen elkaar iedere keer weer, en ik me voel me bij hem veilig genoeg om dingen uit te proberen. Hij kent me goed en ziet ook waar ik klaar voor ben. Ik hoop dat ik hem nog steeds inspireer, maar die indruk heb ik wel. Je moet het vertrouwen hebben dat hij je vraagt omdat hij je wil en niet uit verplichting. En ook zelf met iets komen.”

“Het is wennen. Binnen de producties waarin ik speel is het nog steeds vertrouwd, maar je voelt dat het geen ensemble is. Je ziet minder goed waar de anderen mee bezig zijn en er zijn veel wisselingen van de wacht, ook op kantoor. Oostpool is meer een productiehuis geworden. Soms voel ik me wel op bezoek bij mijn eigen gezelschap. Daar wordt je ook afwachtender van; je moet iedere keer maar hopen dat je gevraagd wordt voor een nieuw project. Maar goed, het geeft ook beweging en dat is uiteindelijk heel vruchtbaar.”

“Toen ik eerst als freelancer aan de slag moest, voelde ik wel paniek in m’n hart. Ik durf niet zo goed niet te weten wat ik over een jaar doe. Ik wil weten wat de plannen zijn. Maar ik zie nu wel dat er ruimte is om verder te kijken wat ik nog zou willen zonder Oostpool los te laten. Ik wil heel graag blijven werken met Erik Whien en Joeri Vos, en misschien ook wel met Boogaerdt en Van der Schoot. En ik zou wel weer een mooie film of televisieproductie wilen doen. Volgend jaar speel ik in ieder geval mee in Angels in America; daar kijk ik enorm naar uit. Ik speel de engel. Dat wordt vast weer een hele fysieke rol.”

Who’s afraid of Virginia Woolf is nog te zien op 5 en 6 september in de Toneelschuur en op 11 t/m 13 september op het Nederlands Theaterfestival

Recensie: ‘Hideous (wo)men’ van Toneelgroep Oostpool/Boogaerdt & Van der Schoot/Susanne Kennedy

Wat zijn theatervoorstellingen in Nederland vaak vriendelijk en braaf. Het valt ineens op als je een voorstelling ziet die zo nadrukkelijk níet wenst te behagen als Hideous (wo)men, een samenwerking van mimegroep Boogaerdt/Van der Schoot en upcoming regisseur Susanne Kennedy. Maar deze voorstelling is méér dan een provocatie; het is een even intelligent als onverbiddelijk statement over vrouw zijn en theater maken.

Hideous (wo)men is min of meer een vervolg op de pornificatie-performance Bimbo van twee jaar geleden. Opnieuw verbergen de speelsters –vijf in totaal– hun gelaat achter plasticinemaskers, waarmee ze niet alleen onherkenbaar worden, maar ook een griezelig net-niet-echt effect bereiken. Het zijn nauwelijks levende poppen, met afgemeten bewegingen.

Ze tonen een wereld waarin alles kunstmatig is: de tegels, de houten lambrizering en de plant in het decor zijn nep, de stemmen komen vanaf de geluidsband, de maskers uitdrukkingsloos. De figuren, met namen als Angel, Brook en Rocco, spelen in een soort soapverhaaltje; of is zijn het scènebeschrijvingen uit een pornofilm? Ze lopen rond met videocamera’s maar wat ze filmen wordt niet zichtbaar. Een televisie toont Japanse tekenfilms – nog meer onechte mensen.

Het decor (van Katrin Bombe) is een eindeloos draaiende carrousel van drie troosteloze kamers. Twee televisieschermen aan weerszijden tonen een hoek die je als toeschouwer net niet zelf kunt zien. Tijdens een feestscène komt de muziek van achter, zodat je steeds het idee hebt dat de vrolijkheid zich afspeelt in de kamer die je net niet ziet. Het draaien geeft de indruk van een peepshow, maar ook van een stripverhaal. Daardoor valt het eerst niet op dat een van de figuren in twee kamers tegelijk zit.

Gewapend met de filosofie van Baudrillard drukken de makers tergend en geleidelijk iets uit over uitbeelding, identiteit en zelfenscenering. Maar hoe artificieel de figuren ook zijn, en hoezeer ze hun lijven ook onder controle hebben, het lichaam speelt toch op. Ze moeten eten, drinken, dansen, masturberen.

Het eindigt in een grandioos smerige menstruatie-scène van vijf identieke figuren, even onsmakelijk als fascinerend. Een eindeloos ritueel van lichaamssappen in het continu ronddraaiende decor. Baudrillard stelt dat de wereld zó vol is van symbolen die nergens naar verwijzen, dat realiteit niet meer kan bestaan. Deze vrouwen tonen dat er één onontkoombare werkelijkheid is: die van het lichaam. Maar ze doen dat in een theatervorm waarin alles –zelfs het lichaamsvocht– opzichtig nep is.

Het is ongemakkelijk en verwarrend van Boogaerdt, Van der Schoot en Kennedy ons hier voorschotelen, maar zó zelfverzekerd en consistent dat de beelden en associaties blijven doormalen lang nadat de voorstelling is afgelopen. Onontkoombaar theater voor iedereen met een sterke maag.

Hideous (wo)men van Toneelgroep Oostpool/Boogaerdt & Van der Schoot/Susanne Kennedy. Gezien 19/12/13 in Haarlem. Te zien in Amsterdam (Frascati) 14 t/m 25/1. Meer info op www.toneelgroepoostpool.nl

Recensie: ‘Tsjechov’ van Toneelgroep Oostpool

Een huwelijksaanzoek, het innen van een lening, een lezing over tabak. In de voorstelling Tsjechov is er maar weinig voor nodig om dit soort situaties volledig te laten ontsporen. De mens is nu eenmaal te driftig om zich in te houden. Maar zijn de scènes nou om te lachen of aandoenlijk?

Anton Tsjechov is waarschijnlijk na Shakespeare de beste en meest geliefde toneelschrijver. Maar vóór de Russische arts (schrijven deed hij in z’n vrije tijd) zijn meesterwerken als Drie zusters, Oom Wanja of De kersentuin (dat overigens aanstaande zaterdag in een nieuwe versie in première gaat) schreef, pende hij een paar korte, kluchtige eenacters voor de vaudevilletheaters van Moskou. Met kenmerkende zelfspot schreef hij over dit werk: “Ik ben erin geslaagd onnozele stukken te schrijven, die, omdat ze onnozel zijn, enorm succes hebben.”

Regisseur Erik Whien heeft nu bij Toneelgroep Oostpool drie van die stukken achter elkaar geplakt. In Het huwelijksaanzoek raakt kleingrondbezitter Bram van der Heijden hopeloos verstrikt in gekrakeel over het eigendom van een stukje wei met zijn buurmeisje (Wendell Jaspers, erg leuk) dat hij eigenlijk ten huwelijk komt vragen; De Beer is een onbeschofte legerofficier (Stefan Rokebrand) die de rust van een vrome weduwe (Kirsten Mulder) komt verstoren en als een blok voor haar valt; een lezing Over de schadelijkheid van tabak ontaardt in een klaagzang van de spreker (Bram Coopmans) over zijn gruwelijke huwelijk.

Het decor (Mieke Wolters) is een houten vloer en een houten wand die kan bewegen, zodat je de achterkant kan zien waar alle decorstukken en requisieten –krukjes, tafels, ladders en koffers– worden opgeborgen. Tussen de bedrijven door rijden de spelers rijden de wand rond, doen ze druk met stoelen en tapijten, suggereren een warboel, kortom: toneelspelersheisa waar ’t Barre Land altijd zo virtuoos in is.

Het is echter precies die losheid die zo gemist wordt in deze voorstelling. De spelers zijn geestig en snel, maar de gniffel wil maar geen bulderlach worden. Aan alles merk je dat de makers in dit luchtige werk de geest van ‘de grote Tsjechov’ hebben gezocht. Maar hoewel er af en toe zinsnedes of wendingen voorbij komen die zijn latere meesterwerken vooruitschaduwen, zijn dit toch vooral platte kluchten die hier te keurig worden gebracht.

Alleen in de laatste scène slaagt de opzet: Bram Coopmans weet met zijn redenaar gène, wanhoop en hilariteit op te roepen, zonder een woord over tabak te zeggen.

Tsjechov van Toneelgroep Oostpool. Gezien 19/2/13 in Frascati. Aldaar t/m 27/2. Tournee t/m 23/3. Meer info op www.oostpool.nl

Voorstuk ‘Small World’

interviews,Parool — simber op 21 november 2012 om 14:37 uur
tags: , , , , ,

Ze maken een bos als in Bambi en playbacken A whole new world uit Aladdin. Mimegroep Boogaerdt/VanderSchoot verdiept zich voor haar nieuwe voorstelling Small World in de wereld van Walt Disney. Maar fans van het huis van de muis zijn ze niet geworden. “De droom van Disney is een heel beperkte droom.”

Met hun vorige voorstelling Bimbo, een perverse videoclip die de hedendaagse seksuele beeldcultuur genadeloos ontleedde, oogsten Suzan Boogaerdt en Bianca van der Schoot opvallend veel succes. Ze werden uitgenodigd voor het Nederlands Theaterfestival en genomineerd voor de VSCD Mimeprijs. Ook voor het duo zelf was het een belangrijkse stap. “We hebben daar echt een sterk, maar vrij onaangenaam beeld neergezet”, zegt Van der Schoot in een Amsterdams café, “Maar daarna hadden we behoefte om daar een antwoord te formuleren. Small World sluit aan op Bimbo, het is een tweeluik over de spektakelmaatschappij.”

“We gebruiken Disney vooral als symbool”, vult Boogaerdt aan. “Er zit in die figuren en films en pretparken iets veiligs: alles dat duister, onaangenaam of riskant is wordt aan de kant geschoven. Je wordt niet aangespoord om je eigen fantasie te gebruiken. En dan zit daarachter ook nog een bedrijf dat heel cynisch zoveel mogelijk broodtrommels en dekbedden wil verkopen aan kinderen.” Van der Schoot: “En dat geldt niet alleen voor Disney, maar ook voor reclame, nieuws en steeds vaker voor theater: je krijgt alles in hapklare brokken voorgeschoteld. Je wordt passieve consument, in plaats van dat je nieuwsgierigheid wordt geprikkeld.”

Tijdens de voorbereiding van de voorstelling gingen alle spelers naar Disneyland Parijs. Boogaerdt: “Ookal ben je volwassen, je raakt als je naar binnen mag toch heel erg opgewonden. Maar na twee uur was dat helemaal weg. Elke tien meter weer andere keiharde muziek, alleen maar vies eten en de ontdekking dat het eigenlijk vooral een winkelcentrum is.” Van der Schoot: “We hadden een masker meegenomen, een heel mooi naïef ei-hoofdje. Een van de spelers zette dat op en ging dansen, en mensen gingen dat gelijk fotograferen, net als Mickey en Goofy verderop. Het was mooi om de paniek te zien van kinderen. Wie is dat? Die ken ik niet. We hebben dat overigens wel pas vlak voor sluitingstijd gedaan; dan zou het niet zo erg zijn als we eruit gegooid zouden worden.”

Voor de voorstelling hebben de makers heel veel maskers geknutseld. Boogaerdt: “We maken altijd materiaal voor wel honderd voorstellingen. Het heeft met onze manier van werken te maken: al improviserend ontdekken we de regels van de voorstelling die we aan het maken zijn.” In tegenstelling tot Disneyfilms zal het resultaat niet gelikt of schoongepoetst zijn. “De vorm is bij Disney altijd heel herkenbaar, helder en sterk. Dat kunnen wij niet nadoen met onze gepapiermachéde hoofden. Maar het is erg leuk dat we in de basis hetzelfde werk doen als hij: het bezielen van levenloze materie.”

Boogaerdt: “We wilden eigenlijk iets maken met al het afval dat in Disney-films buiten beeld wordt geveegd. Het decor bestaat dan ook uit enorm veel glinsterende troep en de kostuums komen tweedehands van andere theatergroepen.” Van der Schoot: “Zo’n afvaldecor is natuurlijk wel vaker gedaan, maar het moet nóg veel vaker, want we hebben er zoveel van.”

Small world is de laatste voorstelling die het duo onder eigen naam uitbrengt. Per 2013 sluiten ze zich aan bij Toneelgroep Oostpool in Arnhem. Dat is spannend (“Het dwingt ons om opnieuw over onszelf na te denken”), maar Van der Schoot is vooral trots: “Ik vind het bijzonder dat wij de mime mogen vertegenwoordigen in één van de vier grote toneelgezelschappen. Onze vorm van theater speelt zich meestal af in de marge, maar waarom is dat eigenlijk? Ik heb zendingsdrang. Mime mag door meer mensen gezien worden en gaat de grote gezelschappen hopelijk nog diverser maken.”

Small world van Boogaerdt/Van der Schoot gaat op 22 november in première in Frascati. Meer info op www.bvds.nu

Interview Peter de Graef

interviews,Parool — simber op 13 maart 2012 om 12:15 uur
tags: , , ,

Schrijver, acteur en regisseur Peter de Graef is al jaren populairder in Nederland dan in zijn thuisland België. De laatste jaren valt hij vooral op als toneelschrijver. Eerder deze maand gingen zelfs twee stukken van zijn hand in première op dezelfde dag: Valangst bij Matzer Theaterproducties en Boiling Frog bij Toneelgroep Oostpool. Twee stukken met opvallende overeenkomsten, beide binnenkort in Amsterdam te zien.

“De twee stukken zijn inderdaad in een periode geschreven dat ik over dezelfde dingen nadacht en boeken las”, vertelt De Graef in een Amsterdams café. “Boiling Frog kwam eerst, maar Valangst heeft dezelfde thematiek. Je kunt wel zien welke boeken ik toen las. Welvaart zonder groei van Tim Jackson en The big short van Michael Lewis. In beide stukken zit mijn grote verbijstering over de kredietcrisis vervat.”

Hoewel ze aan de oppervlakte verschillen (Valangst is een huwelijksdrama voor drie personages met scènes van De Graef en Gerardjan Rijnders en Boiling Frog is een groteske zwarte komedie met een grote cast) zijn de onderliggende thema’s identiek: zijn de waarden die onder het huidige consumptiekapitalisme liggen nog houdbaar en zijn er alternatieven? Zoals altijd bij De Graef wordt de inhoud met veel humor gebracht, maar worden er in de loop van het stuk stevige uitspraken gedaan.

“Het begon met mijn vraag waar het verschil vandaan komt tussen de rente op een spaarrekening en het rendement op aandelen. Dat komt door outsourcing en slechte werkomstandigheden in lage-lonenlanden. Maar dat vergeten we liever. Dus ik heb die tekst opgenomen in Valangst, want ik wil dat wel laten weten, en ik hoor dat niet in de media. We denken daar niet meer bij na. Zoals we vroeger snoeppapiertjes uit het raam van de auto gooiden.”

“Ik vind het wel raar om dit soort dingen te zeggen als Peter de Graef. Normaal verstop ik mijn meningen in een personage met beperkingen, emotioneel of relationeel, die we uit het verhaal kennen. Dan staat het tussen aanhalingstekens, en kun je het door andere personages laten aanvechten. Want ik heb ook een tegenovergestelde mening, een meer Boeddhistische blik, dat alles gaat zoals het gaat en dat dat goed is. Alleen vanuit de beperking van het ego waarin we zijn vastgekluisterd zien we dat niet. Dat is de oude filosofie van Advaita, die een van de personages uit Boiling Frog tegenover het gefulmineer tegen beleggers zet.”

De Graef schreef beide teksten in opdracht. “Ik vraag daar anderhalf jaar voor. Een half jaar om te schrijven en dan nog zoiets om het te laten liggen. Maar bij Oostpool wilde ik een maatschappelijk experiment aangaan. Al die mensen werken te hard, dus ik wilde met de acteurs tien dagen lang ons terugtrekken en niks doen. Geen muziek, geen televisie, geen boeken. Alleen briefjes en gesprekken. Wat gebeurt er dan met je? Maar we kregen het niet gepland. Tien dagen werd vijf, werd drie. Toen werd het meer een soort workshop, maar zelfs die dagen heb ik de groep niet de hele tijd bij elkaar weten te houden.”

“Uiteindelijk zijn dat zulke kanjers van acteurs en uit een improvisatie kwam iets naar boven waarmee ik aan de slag kon; een machtsspel tussen Bianca van der Schoot en Kirsten Mulder. Dat heb ik op papier heel vet ingezet en dan neemt de intuïtie het over.”

“Het is leuk om te schrijven voor Nederlandse groepen. Het worden echt andere teksten, want Nederlands is een andere dialoogtaal dan Vlaams, met van die snelle een-tweetjes tussen personages. Ik denk ook al aan de acteurs die het moeten uitspreken, maar uiteindelijk blijft het mijn taal. Daarom zeg ik altijd tegen de acteurs: parafraseer! Ze moeten het van zichzelf maken. Als ik zelf regisseer kijk ik bij het repeteren het script niet meer in. Dan wil ik alleen maar luisteren.”

In beide stukken zit een vergelijkbaar tekstje over het concept bezit. In Valangst: ‘Iedereen weet dat we bezitloos geboren worden en op dezelfde manier dood gaan. Toch doen we alsof iets van ons is…’ “Het is toch een van de taken van de kunst om te vertellen wat nog niet gehoord is. Als ik toneel maak voor kinderen zeg ik altijd wat ik graag gehoord zou hebben toen ík kind was maar die me niet verteld zijn.”

“De basis voor drama is altijd het kinderlijke, het meevoelen met angst en gruwel van de personages. In Boiling Frog zit bijvoorbeeld een vreselijk personage, die als in een sprookje van Roald Dahl ervanlangs krijgt. Maar omdat het volwassen personages zijn, kan ik ze enorm elegante en intelectualistische replieken in de mond schuiven, maar de basis van het drama is het kinderlijke. En ik heb de behoefte om aan alle kinderen van de wereld dingen te vertellen die eigenlijk officieel verzwegen blijven.”

“Theater is toch bij uitstek de plek voor het gedachteexperiment? En ik hoef geen verantwoording af te leggen of een alternatief uit te denken, maar het moet niet gratuit zijn: ik wil iets veranderen door een andere kijk op iets bekends te geven. Dus dan moet het verhaal goed zijn en goed gespeeld worden. Dan kun je meegaan met de redeneringen van de personages. En dan wil ik ook dat het door een zo groot mogelijk publiek gezien wordt.”

Valangst is te zien in Bellevue op 14 en 15/3 www.matzer.org
Boiling Frog
is te zien in Frascati van 10-14/4 www.oostpool.nl

Recensie: ‘LIstEn & See (LIES)’ van Oostpool en Ward/Ward

“Arnhem till I die” staat er op ronde, rode stickers overal in de Stadsschouwburg. Toneelgroep Oostpool is er een week neergestreken om haar veelzijdigheid te tonen aan het Amsterdamse publiek: lezingen, films en feesten, repertoire in een moderne jas (De Misantroop van Molière in regie van Erik Whien) en experimenteel beeldend theater. In die laatste categorie valt de première van de voorstelling LIstEn & See (LIES) die regisseur Marcus Azzini maakte met de Vlaamse choreografe Ann Van den Broek.

Een echte versmelting van toneel en dans stond beide makers voor ogen en daarin zijn ze zeker geslaagd; dansers praten en toneelspelers (en een paar mimers) dansen en geen moment ziet dat er raar of onnatuurlijk uit. De vorm borduurt sterk door op de eerdere beeldende voorstellingen van Azzini (zoals Er moet licht zijn en Een kleine zeemeermin), en wint aan kracht door de strakke vormentaal van Van den Broek. Alleen inhoudelijk is het zeer mager.

Vier spelers van Oostpool en vijf dansers en danseressen van Ward/Ward staan al voor aanvang als bevroren op het toneel, in nonchalant modieus zwart gekleed. Zodra het zaallicht dooft rennen ze  kriskras over het toneel, meestal alleen, maar steeds met botsingen en korte, heftige momenten van contact: zoenen, droogneuken, elkaar in de houdgreep nemen, of doen alsof de een de ander vermoord, met bewegingen als uit een videogame. Ze staan in het koude licht dat uit tl-buizen aan een vierkant plafond (ontwerp Theun Mosk) op hen schijnt.

Dan valt plotseling het plafond naar beneden. De spelers lijken het nu omhoog te houden, de kleinste met de armen uitgerekt, de grootste torst het gewicht op zijn schouders, het hoofd gebogen. Maar steeds blijven ze bewegen; ze tillen het helverlichte plafond hoger en laten het zakken, het helt een kant op als de lange jongens eronder naar één kant bewegen. En steeds onttrekt één van hen zich aan het ondersteunen om over zichzelf te praten.

En dat is nou jammer. Want die teksten (van Hannah van Wieringen), in krakkemikkig engels, zijn vrij banale puberclichés van onbegrepen individuën die zich door niets willen laten binden. Help toch liever mee die plaat omhoog te houden, wil je ze toeroepen. Of je de vermorzelende dreiging van het plafond nu ziet als de voortdenderende crisis of de onvermijdelijke dood, tegenover zo’n sterk beeld moet je even dwingende taal zetten óf zwijgen.

Wat er overblijft is vampiertoneel: de spelers zijn sexy maar eenzaam; de voorstelling is mooi, maar bloedeloos.

Oostpool is een van de weinige regionale theatergroepen die zo enthousiast blijft experimenteren en zoveel mogelijk vanuit een artistieke impuls blijft opereren, waar anderen kiezen voor toegankelijke formats en doelbewuste versimpeling. Dat is bijzonder te prijzen, zeker nu onvoorspelbare resultaten in de kunst niet meer zo gewenst lijken.

LIstEn & See (LIES) van Oostpool en Ward/Ward. Gezien 1/12 in de Stadsschouwburg. Meer info op www.oostpool.nl. Toneelgroep Oostpool in Stadsschouwburg Amsterdam duurt nog tot 4 december.

Recensie: ‘Till the fat lady sings’ van Oostpool

Parool,recensies — simber op 23 februari 2011 om 02:01 uur
tags: , , , , ,

‘Iedereen is bezig om een interessant iemand te worden’, zegt een jonge vrouw vol walging. Ze heeft besloten heeft om niet meer mee te doen en blijft op de bank liggen. Tegelijkertijd realiseert ze zich donders goed dat ze met haar anorexische gedrag, haar obscure Russische spirituele boekje en haar zelfmedelijden zelf ook een heel interessant iemand ligt te wezen.

Till the fat lady sings is een nieuwe voorstelling van Toneelgroep Oostpool, losjes gebaseerd op de novelle Franny en Zooey van J.D. Salinger, over een broer en zus uit een excentriek gezin, intelligent, artistiek en in de twintig. Schrijver Casper van de Putte maakte er samen met regisseur Erik Whien en de acteurs Maria Kraakman en Sanne den Hartogh een mooi oprechte zoektocht naar authenticiteit van, voor jonge mensen van nu.

Met een paar houten meubels, een cocktailshaker, een stippenjasje en een dun stropdasje wordt het verhaal onnadrukkelijk in de jaren vijftig of zestig geplaatst (Mad Man begint ook in de Nederlandse theatervormgeving flinke invloed uit te oefenen), maar de teksten zijn venijnig actueel. Hoe de twee over hun volwassen omgeving praten, vol mensen die commentaar hebben over hun ‘luie generatie’ of juist enthousiast zijn over het jeugdig elan, is venijnig en herkenbaar, net als hun hekel aan ‘de plicht om bijzonder te worden’. Maar de tekst is gemener dan de uitvoering.

Wat de voorstelling doet slagen is de prettig bedaarde toon en sfeer die doet denken aan films als The Royal Tenenbaums of Grey Gardens. Kraakman en Den Hartogh zijn allebei lichte, bijna zwevende acteurs, die inmiddels zoveel samen gespeeld hebben dat ze met minieme middelen hun familierelatie geloofwaardig weten te maken, zij met snelle, stuurse blikken en hij met zijn stem.

Uiteindelijk weten ze voor elkaar iets te vinden dat niet nep en onoprecht is: ze zijn allebei acteurs in radiohoorspelen en maken een ritueel van het poetsen van hun schoenen voor ieder optreden. Via deze zinloze zingeving wordt de voorstelling een liefdesverklaring van vier interessante theatermakers aan hun publiek. Hun schoenen blonken.

Till the fat lady sings van Toneelgroep Oostpool. Gezien 22/2/11 in Frascati. Aldaar t/m 26/2. Tournee t/m 19/3. Meer info op www.toneelgroepoostpool.nl

Kritiek: Vier ‘Hamlet’s

kritieken,Theatermaker — simber op 23 december 2010 om 19:29 uur
tags: , , , , ,

Het kan de theaterliefhebber nauwelijks ontgaan zijn: wat een enorme hoop Hamlets waren er de afgelopen maand te zien in Nederland! Ik zag er vier: de twee Nederlandse van Oostpool en De Utrechtse Spelen (DUS), een Duitse van Luk Perceval en een Indiase versie van de Mumbaise theater- en filmregisseur Rajat Kapoor. Ze hebben weinig gemeenschappelijk, behalve dat ze allemaal vrij kort duren -geen voorstelling is langer dan tweeëneenhalf uur- en dat de casts vrij klein zijn -gemiddeld acht spelers.

Maar waarom nu ineens zoveel Hamlets, na een vrijwel Hamletloos-decennium? Misschien kan er maar één sterke nieuwe Hamlet-interpretatie per generatie ontstaan. Voor de generatie van ’68 was een idealist die ingaat tegen de macht, voor de punkers een pure ziel in een verrotte wereld en Ostermeier zetten een hedendaagse Hamlet neer als een ironische, fundamenteel onzekere twijfelaar. Maar ja, dat was deels ook al de invulling van Theu Boermans. Misschien was die voorstelling ook wel zo goed, dat hij een slagschaduw tien jaar vooruit kon werpen.

Maar het was allerminst een straf om vier keer Hamlet uitzitten. Het stuk zit zo vol met ideeën, thema’s, actuele aforismes dat je iedere keer weer iets nieuws ontdekt. Bij Oostpool zag ik pas het verband tussen alle adviezen en goede raad in het stuk (Laertes aan Ophelia, Polonius aan Laertes, Hamlet aan de toneelspelers, enzovoort) en DUS maakte zichtbaar hoe beledigend het stuk-in-het-stuk is voor Gertrude.

Continue reading “Kritiek: Vier ‘Hamlet’s” »

Volgende pagina »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2017 Simber | powered by WordPress with Barecity