Recensie: ‘Macbeth’ van Toneelgroep Amsterdam (HF)

Het mooist is het bloed. Zorgvuldig, teder bijna haalt Hans Kesting het uit een medisch uitziende container, een doorzichtige plastic zak met rode vloeistof. Hij loopt ermee naar het midden van het toneel, gooit hem met evenveel kracht als beheersing omhoog en kijkt hem na als hij vrijwel geluidloos op de vloer uiteenspat en het vocht in uitwaaierende patronen over de lichte vloer druipt, als in een kruising van CSI en Jackson Pollock.

Johan Simons regisseert Macbeth als seizoensafsluiter bij Toneelgroep Amsterdam, met Fedja van Huêt in de titelrol en Chris Nietvelt als zijn Lady. Het is een vette voorstelling geworden, vol bloed, slijk, spasmes en geschreeuw, waarmee de makers nauwelijks geprobeerd lijken te hebben om Shakespeares personages menselijk te maken. Het blijft nu eenmaal een bruut en duister stuk en het lukt regisseurs zeer zelden om van Macbeth en zijn vrouw iets anders te maken dan monsters in een nachtmerrie. Ook deze voorstelling blijft gruwelijk plaatjestheater, intens gespeeld, maar afstandelijk.

Bij Simons is Macbeth een veteraan die aan het begin van het stuk zojuist een opstand van rebellen wreed de kop heeft ingedrukt. Hij draagt, net als de andere personages, khaki badstof ondergoed: een soldaat met verlof.

Van Huêt valt zijn rol aan als een veldrijder een modderig parcours: verbeten, brullend, zwoegend en met het schuim op de lippen maakt hij van Macbeth een imposante rol in zijn oeuvre, maar de bewondering voor zijn temprament wordt afgewisseld met de vraag wat met al deze energie eigenlijk beoogd wordt.

De bloederige weg die hij aflegt naar de (hem door drie heksen voorspelde) Schotse troon kan dan niet anders worden gezien als de uiting van een posttraumatisch stresssyndroom. Zo gaat deze voorstelling al vanaf het openingsbeeld niet over wat een man in een beest kan doen veranderen, maar over een onmens die de oorlog naar huis brengt.

De speelvloer is een groot, licht gekleurd vierkant, omringd door een soort design keukenelementen en een wand met klapdeuren die langer heen en weer blijven bewegen dan fysiek mogelijk. Achteraan staat een kleine tribune waar de off-stage acteurs de verrichtingen volgen.

Vooral de rol van Lady Macbeth blijft onduidelijk: Van Huêt en Nietvelt praten met elkaar in kinderstemmetjes, hij voert haar mee als een hond aan een lijn en het is volstrekt duidelijk dat haar aanmoedigingen om de huidige koning te vermoorden geheel overbodig zijn: Macbeth kan zijn bloeddorst maar nauwelijks bedwingen. Aan het eind krijgt de Lady wroeging en pleegt ze zelfmoord, en Nietvelt vult Shakespeares tekst aan met fragmenten van Sarah Kane. Ook hier geldt: het is mooi, maar wat betekent het?

Aan het eind gooit Van Huêt een eindeloze hoeveelheid coniferen het toneel op – een vrij letterlijk citaat uit de Macbeth die Karin Henkel bij Simons’ eigen gezelschap Münchner Kammerspiele regisseerde. Het versterkt de indruk van een nogal stuurloze voorstelling. Macbeth blijft een rots die te steil is om te beklimmen.

Holland Festival: Macbeth van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 10/6/12 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 16/6 en volgend seizoen vanaf 15/8. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Verslagje Over het IJ

Het theaterfestival Over het IJ in Amsterdam Noord biedt als vanouds theater op bijzondere locaties, en hoewel een bijzondere, mooie of spannende plek altijd zorgt voor de wow-factor, is het niet altijd genoeg voor een goede voorstelling.

Dat bewijst bijvoorbeeld theatergroep Bambie, die haar tribune neerzette bij het gebouw Kraanspoor, zo dat je een paar honderd meter weg afkijkt totaan de NDSM Werf. Prachtig is het om te zien hoe twee spelers in donkere jassen in een synchrone ganzenpas tergend langzaam naar ons toegelopen komen. Ze zijn omringd door een wijds uitzicht van kantoornieuwbouw (o.a. een nieuwe Hema), verkrotte loodsjes en een grasveldje waar een klein vrouwtje rondscharrelt. ‘Noord Gestoord’ leest de graffiti op de muur van een van de afbraakpanden.

Via een koptelefoon hoor je een soundscape, met muziek, meeuwen en scheepshoorns en –en daar gaat het mis- de dialoogjes tussen de twee mannen en het kleine vrouwtje. De tekst bestaat voornamelijk uit gemeenplaatsen over weggaan en blijven en constateringen als “dat het gras groen is, en dat de toekomst van ons is.” Tsja. Maar je kunt natuurlijk ook je koptelefoon afzetten en genieten van het panorama in het gouden avondlicht.

Wel goed is de tekst van 4.48 Psychosis, geschreven door Sarah Kane en geregisseerd door Thibaud Delpeut, een lucide tocht door het hoofd van een psychotische patiënt, die extra wrang is door het feit dat de schrijfster zelf aan ernstige depressie leed en kort na het voltooien van deze tekst zelfmoord pleegde.

De voorstelling is een knappe monoloog van actrice Wendell Jaspers, die echter enigszins wordt ontsierd door overdadige vormgeving. De locatie is een mooie fabriekshal vlakbij het nieuwe restaurant Stork en de soundscape –zowel de duister aanrollende klanken, waarbij het hele gebouw meeresoneert als de Jaspers’ stemvervorming- is schitterend, maar de heftige lichteffecten en het decor van rubbergruis voelen als overkill, alsof je bij de heftige teksten, in Delpeuts interpretatie een eindeloze schreeuw om liefde, het voorschrift krijgt hoe je je erbij moet voelen.

Het probleem is sowieso dat het regisseren van Kane’s teksten altijd een beetje koket wordt: de levenslust van de theatermakers wint het toch ruimschoots van de doodsdrang van Kane. Het mooiste en meest invoelbare moment in 4.48 Psychosis is dan ook als Jaspers even uit het strenge toneelvlak stapt en de “chronische waanzin van de gezonden van geest” beschrijft. Het houden van een partner, het zorgen voor een kind of het overwinnen van tegenslagen klinkt ineens als en symptoom van een onbegrijpelijke ziekte.

De bijzonderste locatie van het festival is toch wel het IJsselmeer: Stichting Nieuwe Helden organiseert onder de titel Botter een schitterende vaartocht in een authentieke platbodem met bruine zeilen, met een praatgrage schipper die vertelt over botters, en zijn vader, die jajem schenkt, moppen tapt en liederen zingt. Je kunt jezelf moeilijke vragen stellen over de verhouding tussen boottocht en theater, maar waarom zou je als zon op je bol schijnt, de wolken op z’n allerhollandst zijn en druppels in je gezicht spatten. Je maakt iets bijzonders mee en je steekt er nog wat van op ook. Soms is kunst iets heel eenvoudigs.

Over het IJ duurt nog tot 17 juli. Meer info op www.overhetij.nl

Dubbelinterview: Thomas Ostermeier en Ivo van Hove

De verschillen zijn groter dan de overeenkomsten. De een is zoon van een Vlaamse apotheker, de ander van een Westduitse beroepsmilitair. De een is klein en staat kaarsrecht, de ander is een kromme reus. En waar de een optimistisch, gepassioneerd en energiek is, lijkt de ander melancholiek en zwaarmoedig. Maar in hun werk zijn er tussen Ivo van Hove en Thomas Ostermeier opmerkelijke paralellen te zien. Modernisering van repertoire, gestileerde toneelbeelden en belangrijke vrouwenrollen zijn kenmerken van hun voorstellingen. In februari maken beiden een nieuwe voorstelling bij Toneelgroep Amsterdam. ‘Je karakter kan beschadigd raken van een toneelgezelschap leiden.’

Donderdag aan het eind van de middag, half december. Zojuist hebben Ostermeier en Van Hove de presentatie gehouden van de voorstelling Spoken, die Ostermeier als gast komt regisseren en die op 27 februari in première zal gaan. Zo’n presentatie is een gebeurtenis voor het hele gezelschap: de regisseur vertelt wat voor soort voorstelling het gaat worden, over zijn keuzes en fascinaties voor het stuk, de vormgevers presenteren de maquette. Alle werknemers van Toneelgroep Amsterdam zijn welkom. ‘We doen dat voor iedereen, het ensemble, de technici en het kantoor’ zegt Van Hove: ‘Zo willen we bij iedere voorstelling commitment krijgen van het hele bedrijf.’ Het was een drukke middag. ‘Het hele ensemble heeft uitgekeken naar Thomas’ komst. We hebben met z’n allen vorig jaar Hamlet gezien en de acteurs ontmoet. Het hele gezelschap is enthousiast dat hij nu aan het werk gaat.’

Eenmaal binnen in het kantoor van Van Hove, glaasje wijn nog in de hand, spreekt Ostermeier zijn waardering uit voor de nieuwbouw van de Stadsschouwburg en de de repetitieruimtes. Van Hove: ‘Het is heel mooi geworden, maar ik heb er zo lang voor moeten vergaderen.’ Dan valt Ostermeiers oog op het paarse hoogpolige kleed onder de vergadertafel: ‘Die kan ik gebruiken! Het past bij Helène Alving.’ Van Hove: ‘Dat tapijt is een ongebruikt decorstuk voor Zomertrilogie. De bank komt uit Romeinse Tragedies. Die moet je niet gebruiken, die herkent iedereen. Maar dat tapijt kun je zo meenemen.’

Continue reading “Dubbelinterview: Thomas Ostermeier en Ivo van Hove” »

Recensie: ‘Crave’ van Sarah Kane door Teatro

Parool,recensies — simber op 22 augustus 2006 om 15:43 uur
tags: , , , , ,

Theatermaker Marcus Azzini heeft een voorkeur voor pessimistische schrijvers. Hij regisseerde werk van notoire zwartkijkers als Camus en Pasolini. Nu maakt hij Crave van Sarah Kane. Neerslachtigheid is hem echter zeker niet te verwijten. Eerder hoort hij -met Lotte van den Berg, Jetse Batelaan en Boukje Schweigman- bij een generatie kunstenaars die je kan aanduiden met de term Nieuwe Naïeven. Jonge makers die een afkeer hebben van cynisme en in het volle besef van de hardheid van de wereld op zoek zijn naar oprechte liefde en zuiverheid.

In Crave doet Azzini dit op indringende wijze. Vier acteurs staan in een klinische, opengewerkte zeecontainer, belicht door tl-buizen. Ze richten zich direct tot het publiek. Er is geen plot, nauwelijks herkenbare personages. De acteurs, op blote voeten en met net te weinig kleren aan, zijn kwetsbaar en erg dichtbij.

Ze praten in flarden tekst, soms even dialoog, dan weer one-liners en losse woorden. Het gaat over overspel, bindingsangst, pedofilie, maar vooral over de hunkering naar liefde. Sanne den Hartogh trekt eerst laag over laag kleren aan, wel drie broeken, een dozijn truien, een sjaal en een muts. Pas als hij ingepakt is als een Michelin-mannetje kan hij zich uiten. Hij houdt een hartverscheurende monoloog, een roep om genegenheid, om iemand om koffie mee te drinken, om iemand wiens geur vertrouwd is. Maar ook in deze schreeuw zit al angst voor pijn en teleurstelling.

Auteur Sarah Kane pleegde in 1999 op 28-jarige leeftijd zelfmoord. De vijf stukken dat ze naliet worden nog regelmatig gespeeld, maar hebben al iets gedateerds. De wereld is groter geworden na 11 september 2001 en in een wereld die het druk heeft met de botsing der beschavingen is een blik zo diep in een schrijversziel opvallend naar binnen gekeerd.

Kane’s zelfmoord plaatst een onuitwisbaar stempel op dit stuk. De personages praten over de dood als optie en over het licht waar ze naartoe willen. Bij de schrijfster hebben de angst en de wanhoop het gewonnen van de liefde. Regisseur Azzini en zijn acteurs doen een dappere poging om de pijn ten goede te keren, maar falen. De zwartgalligheid van het stuk laat zich niet temmen door naïviteit.

Aan het eind van de voorstelling staan de acteurs vooraan de container, hun tenen net over de rand. Ze staan klaar om te springen. Springen ze het leven in? Je hoopt het, maar je weet: ze gaan het flatgebouw af.

Theater Crave van Sarah Kane door Teatro, regie: Marcus Azzini, spel: Astrid van Eck, Sanne den Hartogh, Kirsten Mulder en Stefan Rokebrand, scenografie: Dries Verhoeven. Gezien 21/1 in de Brakke Grond. Aldaar t/m 28/1, tournee t/m 17/3. Meer info op www.teatro-online.nl

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2014 Simber | powered by WordPress with Barecity