Recensie: ‘Faust’ van Het Nationale Toneel

Wie besluit Faust op de te voeren haalt zich een probleem op de hals. Want hoewel het tweedelige stuk een rijkdom aan ideeën en filosofie kent die slechts vergelijkbaar is met Hamlet, is Goethe veel minder dan Shakespeare geïnteresseerd in het componeren van een dramatisch spannend verhaal. Onspeelbaar leesdrama wordt het daarom regelmatig genoemd, en met name het tweede deel wordt niet vaak opgevoerd.

Regisseur Johan Doesburg en Het Nationale Toneel hebben het nu dan aangedurft en spelen Faust I & II als marathon van zes uur of op twee opeenvolgende  avonden. Maar ondanks dat het gezelschap groots uitpakt, leiden de bijzondere zaalopstelling, het enorme aantal kostuums en pruiken, de kordaat gemoderniseerde vertaling en bewerking van Janine Brogt en de grote hoeveelheid stijlen en thema’s niet tot een onmisbare theaterbelevenis.

Faust (betrouwbaar, maar niet opzienbarend gespeeld door Jaap Spijkers) is een oude kamergeleerde die aan het eind van zijn leven het gevoel heeft dat hij zijn tijd verspild heeft met het zoeken naar kennis, maar het leven aan zich voorbij heeft laten gaan. De duivel Mefisto biedt hem het bekende contract: een leven lang almacht in ruil voor zijn zieleheil, bezegeld met een drupje bloed. Wat Faust niet weet is dat hij de inzet is van een weddenschap tussen Mefisto en God (een gezette oudere heer in een wit trainingspak), die stelt dat in alle verleidingen de mens toch een gevoel van goed en kwaad zal behouden.

Zo begint Fausts zoektocht naar bevrediging, een reis langs genot, liefde, rijkdom en macht, begeleid door de trommels, bellen en piano-soundscape van Harry de Wit. Maar bij alles wat Faust wil – de liefde winnen van de mooie Gretchen, in de gunst komen bij de keizer, nieuw land winnen uit zee – stribbelt Mefisto tegen. Steeds wordt Faust uitgelokt om zelf morele grenzen over te gaan, moorden te plegen uit passie of om de heerschappij en uiteindelijk laat hij zelfs twee mensen doden omdat hun huis zijn uitzicht bederft.

In de vier delen zit het publiek steeds ergens anders in het theater; een deel op de balkons, een deel op losse stoelen in de door een catwalk doormidden gedeelde zaal en een deel op een stellage van steigers op het toneel. Vlot beweegt de voorstelling van de ene scène naar de andere, maar met name in het tweede deel worden mooie scènes afgewisseld met vette kitsch en wijdlopige uitwijdingen over Walpurgisnacht en krijgt Mefisto een moeilijk te interpreteren eigen verhaal in de Grieke onderwereld.

Stefan de Walle speelt Mefisto adequaat, maar ook weer te weinig bijzonder. Hij is een mooie charmeur, met geestig schlemielige overdrijvingen in spel, maar hij is te weinig gemeen en intens om echt angstaanjagend te zijn. Aan de andere kant: helemaal op het eind – als hij zich Fausts ziel toch laat ontglippen – voel je oprechte sympathy for the devil.

De engelen die Fausts ziel toch nog weten te redden doen dat met het argument: ‘Wie tot het eind zoekt en streeft kunnen wij bevrijden.’ Zo is deze Faust te lezen als een oproep om verder te zoeken naar een betere vorm van samenleving dan de huidige, die aan het begin door Fausts onvrede samen met de rest van de Verlichting beëindigd wordt verklaard. Mocht dat de subversieve boodschap zijn van de voorstelling dan had die wel wat sterker mogen klinken, maar toch blijkt ook in een matige uitvoering als deze het stuk prikkelend genoeg.

Tenslotte is het moeilijk te begrijpen dat de tot in detail doordachte en zorgvuldig vormgegeven voorstellingen van Susanne Kennedy van hetzelfde gezelschap zijn dat zo’n slodderige productie aflevert: slechtzittende kostuums, acteurs die onhandig met bewegende decors moeten hannesen, goedkoop uitziende video-effecten. Het lijkt wel alsof Het Nationale Toneel deze mega-productie even tussendoor heeft willen doen. Jammer, er had meer in gezeten.

Faust I & II van Het Nationale Toneel. Gezien 19/2/11 in Den Haag. Te zien in Amsterdam (Stadsschouwburg) 24/2/ t/m 6/3. Meer info op www.faustoptoneel.nl

Recensie: ‘De Kersentuin’ van Het Nationale Toneel

Ze rinkelen onder haar rokken, de sleutels van het landgoed. Warja, de verwelkende jonge vrouw die voor haar lichtzinnige stiefmoeder Ljoebowa het landhuis met de beroemde kersentuin bestiert, draagt ze aan een grote ring, tekenend voor zowel haar taak maar ongewild ook voor haar moeizame liefde voor de bevriende koopman Lopachin.

Het is een mooie vondst van regisseur Erik Vos, ooit oprichter van De Appel. Tachtig jaar is hij inmiddels en dat hij een zo grote Tsjechov-regie op zich heeft genomen is een evenement op zich. Zoals te verwachten biedt Vos degelijk teksttoneel. Dit is het soort voorstelling waarin een personage dat zegt ‘Ik heb een rood vest aan en gele schoenen’ ook daadwerkelijk een rood vest en gele schoenen draagt. Wie daardoor niet wordt afgeschrikt ziet mooi acterwerk in een ambachtelijke repertoirevoorstelling, die echter weinig ontroert.

Vos neemt bij deze regie zijn persoonlijke ervaring mee: twee jaar geleden moest hij zijn huis op het platteland van Frankrijk verkopen en voelde hij zelf de pijn en de breuk van het definitief afsluiten van het verleden. Want daar gaat deze Kersentuin over. Als Ljoebowa na jaren terugkeert uit Parijs zijn de schulden torenhoog opgelopen, het landgoed zal op een veiling worden verkocht. Lopachin weet een oplossing: bouw zomerhuisjes voor de opkomende stedelijke burgerij. Maar daarvoor zal de kersentuin gesloopt moeten worden en dat is onbespreekbaar.

In een zandkleurig decor met veel gedrapeerde doeken en stoffen huisjes die soms in de kap verdwijnen wordt vooral de lichtheid van Tsjechov’s stuk benadrukt. Bijpersonages hebben een pop in de vorm van hondje, doen goocheltrucs, struikelen steeds of vallen plotseling in slaap. Tegen die achtergrond van vaudeville en clownerie moet de tragiek komen van Hubert Fermin als Ljoebowa’s broer (die een mooie scène heeft met een ouwe kast) en Stefan de Walle’ krachtige rol van Lopachin, maar vooral van Betty Schuurman’s Ljoebowa die tegelijkertijd belachelijk en meelijwekkend is.

Maar de twee uiteinden van kluchtige humor en ontroering die Vos zocht versterken elkaar in deze voorstelling niet. Geen van beide wordt echt dóórgezet en dat maakt De Kersentuin merkwaardig vlak en onbevredigend. Ieder moment van verstilling en contemplatie wordt weer doorbroken door grootschalige mis-en-scène of een nieuwe grap.

Slechts één personage wordt echt aandoenlijk en dat is Warja, door Anniek Pheifer erg mooi gespeeld op de rand van wanhoop en berusting. Als de kersentuin op de veiling blijkt te zijn gekocht door Lopachin smijt ze de sleutelring voor zijn voeten, minachtend én bevrijd. Later staan ze nog één keer tegenover elkaar, een laatste poging om er toch nog een huwelijksaanzoek uit te persen. Maar het is, zoals altijd bij Tsjechov, te laat.

De Kersentuin van Het Nationale Toneel. Gezien 14/11 in Den Haag. Te zien in Amsterdam (Stadsschouwburg) 26-30/12/09. Meer info op www.nationaletoneel.nl

Recensie: Maria Stuart van Het Nationale Toneel

Het is een Haags onderonsje de komende drie weken in Het Compagnietheater. Het Nationale Toneel vroeg Erik Vos, de inmiddels 77-jarige oprichter van het andere Haagse gezelschap, De Appel, voor de regie van Maria Stuart van Friedrich Schiller. Van zo’n combinatie moet je geen hemelbestormend toneel verwachten, maar juist omdat deze voorstelling in al zijn degelijkheid zo goed wordt uitgevoerd -een klassiek stuk zonder veel franje gespeeld door uitstekende acteurs- levert het een zeer aangename toneelavond op.

Maria Stuart is de katholieke koningin van Schotland die door de protestantse koningin Elisabeth I van Engeland gevangen is gezet op verdenking van samenzwering tegen de kroon en het bekokstoven van een moordaanslag op de vorstin. Hoewel er naast deze twee nog andere personages zijn, gaat het stuk volledig over de strijd tussen de twee koninginnen. In andere uitvoeringen worden ze vaak als tegenpolen neergezet -Elisabeth als de oude, ongetrouwde machtspolitica, Maria als jonge, mooie rebel-, maar Vos lijkt vooral de overeenkomsten tussen de twee te willen benadrukken.

Beiden zijn boos en angstig, maar proberen tegen de ander een schild op te bouwen. Elisabeth dat van fiere majesteit, Maria van verbeten zelfrechtvaardiging. Will van Kralingen speelt Elisabeth juist niet kuis, maar als een tikkeltje vermoeide majesteit, even seksueel als Maria. Mirjam Stolwijk speelt Maria op haar beurt als gekooid dier, krachtig en expressief, maar met nogal overdreven mimiek. De koninginnen dragen rood en wit, terwijl de andere acteurs theatrale kostuums in gedekte, donkere tinten dragen.

Het decor bestaat uit diagonale lijnen in grijs op het achterdoek en op de naar achter oplopende vloer met draaischijf, waarop de acteurs in iedere scène nieuwe constellaties van houten stoelen neerzetten. Af en toe biedt dat een mooi plaatje, maar meestal leidt het af. De acteurs zijn goed genoeg om ook in een lege ruimte volledig tot hun recht te komen. Hubert Fermin en Wim Meuwissen zijn een mooi koppel als havik en duif in de kring rond Elisabeth, Stefan de Walle als haar vertrouweling Leicester is scherp en sensitief.

Het stuk is voor hedendaagse toeschouwers misschien iets uit balans: het heeft te veel intrige (over de samenzweringen en de machtsspelletjes aan het hof) en de kern van de zaak, de confrontatie tussen Elisabeth en Maria -in deze voorstelling een prachtig spannende scène-, komt te vroeg en duurt te kort. Bovendien gebruikt deze voorstelling de inmiddels nogal ouderwetse vertaling van Gerrit Kouwenaar, waarin het retorische venijn te zeer wordt gladgestreken. Het wordt echter goedgemaakt door de présence van Van Kralingen en Stolwijk.

Theater Maria Stuart van Het Nationale Toneel. Regie: Erik Vos. Gezien 6/12/06 in het Compagnietheater. Aldaar t/m 23/12, tournee t/m 13/1/07. Meer info op www.nationaletoneel.nl

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2014 Simber | powered by WordPress with Barecity