Recensie: ‘Electronic City’ van Susanne Kennedy, Gasthuis

Parool,recensies — simber op 23 september 2007 om 09:36 uur
tags: , , , ,

De jonge, van oorsprong Duitse regisseuse Susanne Kennedy viel vorig jaar op met de fysieke en eigenzinnige voorstelling Phaedra’s Love bij Het Nationale Toneel. Nu ensceneert ze bij het Gasthuis een nog niet eerder gespeelde tekst van de Duitse schrijver Falk Richter, Electronic City (2002), en toont daarbij een kenmerkend verschil tussen Nederlandse en Duitse toneelschrijvers.

Het is opvallend dat Nederlandse equivalenten en generatiegenoten van Richter zoals Eric de Vroedt, Marijke Schermer en Oscar van Woensel meer ‘gebruiksteksten’ schrijven. De schrijver is tevens regisseur, schrijft als het ware aan de rand van de speelvloer, op het lijf van een vaste acteursgroep. Nadat de eerste voorstelling is uitgespeeld is de kans dat het stuk wordt hernomen vrijwel nihil.

Duitse collega’s, naast Richter bijvoorbeeld Marius von Mayenburg en Roland Schimmelpfennig, lijken juist bewust bezig met het scheppen van nieuw repertoire. Ze regisseren ook niet hun eigen teksten en worden regelmatig opnieuw geënsceneerd bij een van de vele stadsgezelschappen in de uitgestrekte bondsrepubliek.

Electronic City gaat over verloren zielen, die de weg kwijt zijn in een wereld van vliegveldlounges, winkelcorridors en ‘welcome home’ hotelketens die overal op de wereld hetzelfde zijn, gemaakt voor gekloonde zakenmannen. Alleen aan het soort porno op het betaalkanaal is te zien op welk werelddeel je bent. Twee jonge mensen proberen in deze plaatsloze plaatsen elkaar te vinden. “Is dit de intensive care of de zwaarbeveiligde vleugel of de gang?”, vragen ze dringend aan het publiek.

Hij is verdwaald op een gang, op zoek naar de deur met daarachter zijn laptop, zijn mobiel, zijn codes en zijn agenda. Maar is hij op de goede verdieping, in het goede gebouw, in de juiste stad? Zij wordt de wereld rondgevlogen om producten langs een scanner te halen en geld in ontvangst te nemen in vliegveldwinkels, maar nu is haar scanner stuk. Het noodtelefoonnummer geeft een bandje en een gebruiksaanwijzing is onvindbaar.

Achter het hyperbolische wereldbeeld zit nogal belegen maatschappijkritiek. De consumptiemaatschappij zorgt voor eenvormigheid, niet alleen van onze omgeving, maar ook van onze persoonlijkheid en onze verlangens. Ieder denkt uniek te zijn, maar eigenlijk willen we allemaal onze eigen real-life soap, waarvoor we in gedachten al de voice-over inspreken.

Het zou bijna ergerlijk worden, ware het niet voor de twee opvallend fijne acteurs. Merijn de Jong is dan weer intens, dan weer lijzig en Çigdem Teke, die eerder opviel in Mightysociety3, weet snel te schakelen tussen de wanhopige kassamiep en de beschouwend reality ster. Kennedy laat zien waar ze goed in is: teksten die uit zichzelf niet zo dramatisch zijn confronterend en boeiend op het toneel brengen. Volgende keer hopelijk met een interessanter stuk.

Electronic City door Gasthuis Producties. Regie: Susanne Kennedy. Gezien 21/9/07 in het Gasthuis. Aldaar t/m 29/9. Meer info op www.theatergasthuis.nl

Boekrecensie: ‘De toneelschrijver als theatermaker’ van Daniela Moosmann

boekrecensies,Theatermaker — simber op 21 maart 2007 om 02:52 uur
tags: ,

Gelezen: De toneelschrijver als theatermaker van Daniela Moosmann. Uitgave van Lectoraat Theatrale Maakprocessen van de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht i.s.m. ITFB

Het is een moeizame situatie: in Nederland zijn praktijkonderwijs en wetenschap nog steeds opgesloten in hun eigen reservaat van respectievelijk HBO en universiteit. Eén van de relatief nieuwe initiatieven om de uitwisseling tussen theorie en praktijk te verbeteren is de instelling van zogenaamde lectoraten, onderzoeksgroepen die de wisselwerking tussen onderwijs, onderzoek en praktijk moeten bevorderen. Alle toneelscholen hebben inmiddels één of meerdere lectoren, ieder met een eigen specialisatie.

Vanuit het Lectoraat Theatrale Maakprocessen van de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht komt nu een eerste uitgave, waarin voormalig danseres en tegenwoordig dramaturgie-docente Daniela Moosmann poogt om het proces van toneelschrijven theoretisch in kaart te brengen, met als doel dat theatermakers het direct praktisch kunnen gebruiken. Dat is een nogal schizofrene aanpak en die wreekt zich in de loop van het boekje. Moosmann’s methode is het interviewen van toneelschrijvers -o.a. Gerardjan Rijnders, Adelheid Roosen, Rob de Graaf en Oscar van Woensel- die een (volgens haar) nieuwe manier van werken hebben.

Ze beschrijft in haar inleiding twee paralelle ontwikkelingen in de toneelschrijfkunst sinds de jaren zestig. Ten eerste de opkomst van het postdramatische theater, waarin er niet langer het dramatische conflict tussen personages of een conflict tussen de mens en zijn noodlot centraal staat, maar waarin de verschillende theatrale middelen en disciplines meer nevengeschikt zijn en de tekst zijn autonomie verliest. Zij koppelt daaraan tweede ontwikkeling, de verandering in de praktijk van toneelschrijvers, die “niet meer louter achter de computer of achter hun bureau schrijven”, maar “op of aan de rand van de theatervloer” hun teksten ontwikkelen. Op die eerste ontwikkeling is weinig af te dingen, die is uitgebreid beschreven, het meest invloedrijk door de Duitse theaterwetenschapper Hans-Thies Lehmann in zijn boek Postdramatisches Theater.

Maar dat tweede is natuurlijk onzin. Sophocles, Shakespeare, Molière, Ibsen zijn slechts enkele van de meer bekende toneelschrijvers die tevens als regisseur, producent of acteur werkten en hun stukken schreven met diepgaande praktische kennis van hoe toneel werkt. We weten vaak frustrerend weinig over het ontstaan van hun teksten en voorstellingen, maar het idee dat zij op hun respectievelijke zolderkamertjes hebben zitten zweten om hun autonome gedachten op papier te zetten in de vorm van een toneelstuk lijkt me nogal naïef. Dit storende gebrek aan historisch besef verhult echter een groter probleem: want als de toneeltekst binnen de theatervoorstelling haar autonomie heeft verloren en teksten ‘op de vloer’ ontstaan, waarom onderzoek je dan louter het schrijfproces van de auteur en niet het onstaansproces van de voorstelling als geheel?

Een van de aanleidingen van dit onderzoekje is de veranderende status van het toneelstuk, maar het betoog blijft zelf hangen binnen het paradigma van de autonome tekst. Wat overblijft zijn zeven interessante inkijkjes in het werkproces van verschillende theatermakers, waarbij behoorlijk diep wordt ingegaan op de methodes die de schrijvers gebruiken om aan hun basismateriaal te komen, van interviews tot oude mythes, van afgeluisterde gesprekken op straat tot filosofische teksten. Het afsluitende hoofdstuk waarin de verschillende methodes worden ondergebracht in een “schrijfprocesmodel” is dan echter weer theoretisch niet sterk genoeg. Wellicht is dit boekje interessant voor studenten dramaschrijven, maar het wetenschappelijke gehalte is nihil. De kloof tussen universiteit en praktijkonderwijs zal op andere manieren gedicht moeten worden.

Recensie: Breekbaar van Het Zuidelijk Toneel

Toen Matthijs Rümke vorig seizoen artistiek leider werd van Het Zuidelijk Toneel presenteerde hij een ambitieus plan. Het Eindhovense gezelschap zou voornamelijk nieuwe Nederlandse toneelteksten gaan presenteren. Maar de eerste twee voorstellingen die Rümke regisseerde –Tirannie van de Tijd en Walhalla– bleken stevige mislukkingen, waarbij vooral de kwaliteit van de stukken tegenviel.

Helaas brengt Breekbaar geen kentering in deze neerwaardse trend. Het nieuwe toneelstuk van Frans Strijards moest een tragikomische satire over het theatervak worden, maar blijkt een quasi-filosofisch samenraapsel met een bittere ondertoon.

Het verhaal gaat over uitgerangeerde theaterdiva Magda (Ria Eimers) die een cursus geeft aan vier acteurs van een jongere generatie. In de loop van het stuk werken ze aan musicalnummer met zang en dans, hebben ze conflicten, en debiteert Magda clichés over theater als vrijplaats en als “onvoorwaardelijke voorkeurstem op het leven.” De studenten worden onstellend oppervlakkig neergezet. De een is een soap-sterretje, een ander danseres in een louche club, een derde komt van de afdeling damesmode. Ze zijn alleen maar op zoek naar roem en geld.

Het uitgangspunt zou misschien nog kunnen werken als over-the-top persiflage op Idols, maar het cynisme in de tekst geeft geen ruimte voor de relativering die daarbij nodig is. Bovendien is het moeilijk om het personage Magda los te zien van Strijards’ eigen positie in het theaterveld: vroeger bejubeld schrijver en regisseur, maar nu verworden tot toneeldinosaurus.

Regisseur Rümke heeft duidelijk geen vat gekregen op dit magere vehikel. Het voornaamste decorstuk is een grote show-trap die de cursisten gebruiken voor hun presentaties. Achterop het podium staat een grote carnavalswagen. Tegen het einde laat Rümke een enorme hoeveelheid achterdoeken -een bos, een balzaal, een schilderij, glimmende lappen, enzovoort- achter elkaar naar beneden zakken en weer opstijgen. Is het een parodie op de platheid en technische krachtpatserij in moderne musicals? Of typeert het de krachteloosheid van deze regie zelf?

Ook de spelers lijken verdwaald. Ria Eimers is eerder een excentrieke maar lieve tante dan een bitchy diva, en de vier jongere cursisten (Nanette Edens, Trudi Klever, Jorrit Ruijs en Heike Wisse) worstelen met hun danspasjes en met hun lelijke kostuums. Bert Luppes als de zakelijk leider van Magda is de enige op het toneel die het nog een beetje naar z’n zin lijkt te hebben. Hij heeft dan ook de paar sterke one-liners die het stuk wel biedt

Binnen en buiten het theaterveld klinkt tegenwoordig vaak de mening dat er meer Nederlands toneelrepertoire zou moeten zijn. Ongewild vormen de voorstellingen van Het Zuidelijk Toneel goede argumenten tégen die stelling.

Theater Breekbaar van Het Zuidelijk Toneel. Tekst: Frans Strijards, regie Matthijs Rümke. Gezien 13/10/06, Schouwburg Eindhoven. In Amsterdam (Stadsschouwburg) 19/11. Tournee t/m 12/1/07. Meer informatie op www.hzt.nl

Verslagje: Hollandse Nieuwe Festival

Parool,verslagjes — simber op 22 augustus 2006 om 13:06 uur
tags: , , , ,

Eigenlijk kon Hollandse Nieuwe dit jaar niet plaatsvinden. De negende editie van het jaarlijkse festival voor nieuwe toneelteksten kon alleen doorgaan omdat alle medewerkers afzien van salaris. Dat is prachtig, maar eigenlijk ook schandalig stelde Hans Dijkstal in gisteravond in zijn openingswoord in het Compagnietheater in Amsterdam. De VVD-coryfee stond Cosmic de afgelopen maanden met advies terzijde en benadrukte het belang van intercultureel theater “voor stad en land”.

Het was een opening die optimisme en vrolijkheid uitstraalde. Het festival dat wordt georganiseerd door theatergroep Cosmic was bijna slachtoffer geworden van het annus horribilis van dit multiculturele gezelschap. Dat begon in februari dit jaar toen artistiek leider Khaldoun Elmecky op onverkwikkelijke wijze werd ontslagen door het bestuur. Opschorting van subsidie, interim managers en vuilspuiterij in de pers volgden. Voor het voortbestaan van gezelschap en festival werd gevreesd. Inmiddels is het dieptepunt blijkbaar gepasseerd. Met Lucien Kembel als nieuwe directeur en de voorgenomen fusie met diens gezelschap Made in da Shade wil Cosmic vooral vooruit kijken.

Maar de crisis heeft nog wel financiële gevolgen: door afgelaste voorstellingen en niet nagekomen verplichten zit Cosmic in het armenhuis. De organisatorische moeilijkheden hebben hun weerslag op het programma. Zo duurt het festival dit jaar maar drie dagen en worden er geen stukken van bekende Nederlanders gepresenteerd, zoals in eerdere jaren wel gebeurde. Toch heeft het programma van geënsceneerde lezingen van nieuwe stukken genoeg nieuwsgierig makende titels. Zoals Saddam Hussein en ik van de Iraaks Koerdische theatermaker Ibrahim Selman of De Michael Jackson van Delfzijl van Roger Goudsmit en Guus Pengel. Opvallend is ook de masterclass van Theodor Holman, waarin vier schrijvers in één dag op basis van een krantenbericht een stuk schrijven dat ’s avonds wordt uitgevoerd.

De toon van de deelnemende auteurs is politieker dan eerdere jaren, stelt festivalleider Paulette Smit vast bij de opening. Inderdaad zijn er veel illegalen, fundamentalisten en Lonsdale jongeren te bekijken. Bijvoorbeeld in de openingsvoorstelling Nessun Dorma van Julien Ignacio waarin een asielzoeker een hondje nadoet om onderdak te krijgen bij een oorlogsveteraan. Hoewel de tekst niet heel sterk is, toont hij feilloos aan wat de meerwaarde is van Hollandse Nieuwe als plek waar tegendraadse stemmen over interculturele problemen op het toneel gezet worden.

Hollandse Nieuwe duurt nog tot zaterdag 3 december. Meer informatie en het programma staat op www.hollandsenieuwe.nl

« Vorige pagina
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2019 Simber | powered by WordPress with Barecity